Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 20.05.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 MEI 2008
Rolnummer AR 02/986/A
In de zaak van:
B. J., advocaat met kantoor te …, …, optredend als curator van de GCV T., met zetel te …, …
eiser QQ,
in persoon verschijnend
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW Registratie en Domeinen Sint-Niklaas. met kantoren te 9100 Sint-Niklaas. Driekoningenstraat 4 bus 2
verweerder,
hebbende als raad Mter Ph. V., advocaat te …, …
En in de zaak van : Rolnummer AR 0412699/A
B. J., advocaat met kantoor te …, …, optredend als curator van de GCV T., met zetel te …, …
eiser QQ,
in persoon verschijnend
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen Sint-Niklaas, met kantoren te …, …
verweerder,
hebben de als raad Mter Ph. V., advocaat te …, …
Vonnist de rechtbank als volgt :
I. RECHTSPLEGING
1.1. In de zaak met AR 02/986/A
De GCV T. is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge de economische activiteit van het schrijven van teksten voor series.
Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 27 november 2001 werd door de ambtenaar van het controlekantoor Temse een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde. Naar aanleiding van dit toezicht werd een overtreding op de wetgeving en reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld. Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtreding werd door K. R. op 19 februari 2002 een proces-verbaal opgemaakt waarin de door de GCV T. begane overtreding werd geacteerd. Wegens niet-betaling werd op 25 februari 2002 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 29 februari 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd. Dit dwangbevel werd op 1 maart 2002 aan de GCV T. ter kennis gebracht.
Deze vordering maakt het voorwerp uit van een bij deze rechtbank aanhangig gemaakte procedure ingevolge een verzoekschrift neergelegd de dato 7 maart 2002.
1.2. In de zaak met AR nr. 04/2699/A
Op 11 april 2003 werd door de ambtenaar van het controlekantoor te Sint-Niklaas een toezicht uitgeoefend over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit voor de periode van 1 juli 2000 tot 30 juni 2002.
Naar aanleiding van deze controle werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.
Op 3 juli 2003 bericht de gevolmachtigde boekhouder van de GCV T. niet akkoord te gaan met de minnelijke inregelstelling (stuk 2 - verweerder).
Op 13 oktober 2003 doet L. J.-P. afstand van de verlopen tijd van de verjaring met betrekking tot deze vordering (stuk 3 verweerder).
Op 26 januari 2004 werd door P. D. S. een proces-verbaal opgemaakt waarin de door de GCV T. begane overtredingen werden geacteerd.
Op 27 januari 2004 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op 30 januari 2004 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Dit dwangbevel werd op 5 februari 2004 aan de GCV T. ter kennis gebracht. Deze vordering maakt het voorwerp uit van een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie de dato 14 juli 2004.
1.3. De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels. Partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 22 april 2008 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen werd.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAKEN
2.1. De GCV T. koopt in het jaar 2001 een appartement aan dat gelegen is te … met toepassing van de BTW en trekt de BTW af die drukt op deze aankoop. Huidige vorderingen betreffen een aantal facturen in verband met de aankoop en de inrichting van dit appartement geboekt in de maanden oktober en november 2001.
Volgens verweerder heeft de GCV T. de BTW volledig in aftrek gebracht zonder dat er enig verband kan aangetoond worden met haar activiteit waarvoor ze de hoedanigheid heeft van BTW-belastingplichtige met recht op aftrek, waardoor artikel 45, § 1 W.BTW geschonden wordt.
De GCV T. stelt dat de aftrek gerechtvaardigd is omdat het kwestieuze 1 appartement bestemd is voor haar activiteit, de economische exploitatie van een lichamelijke zaak om er duurzame opbrengsten uit te verkrijgen een dienst is als voorzien in het wetboek zoals omschreven in het arrest V. T. en dat zij zelfs wanneer het appartement privématig zou worden gebruikt, te het recht heeft de voorbelasting met betrekking tot de aankoop van het appartement volledig af te trekken.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de samenvoeging
De partijen zijn dezelfde en de betwistingen zijn gelijklopend. De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Gerechtelijk Wetboek en worden gevoegd.
3.2. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de eisen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, zijn de vorderingen ontvankelijk.
3.3. nopens de grond
3.3.1. Krachtens artikel 45, § 1 W.BTW komt enkel voor aftrek in aanmerking, de BTW geheven van goederen en diensten die een belastingplichtige gebruikt voor het verrichten van : 1° belaste handelingen; 2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42; 3° handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden; 4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de gemeenschap is gevestigd of de genoemde handelingen volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap; 5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.
3.3.2. De GCV T. stelt dat het kwestieuze appartement bestemd is voor haar activiteit van het schrijven van theaterstukken film- en TV-scenario's en het leveren van diensten in theaterzalen, opnamestudio's, bioscopen en culturele centra zodat ze door toepassing van het bestemmingsprincipe recht heeft op de aftrek.
Verweerder stelt dat de GCV T. op geen enkele wijze aantoont dat het kwestieuze appartement voor haar economische activiteit zou bestemd zijn.
3.3.3. Het bestemmingsbeginsel zoals bepaald bij artikel 45, § 1 W.BTW impliceert dat de belastingplichtige het bewijs dient te leveren van het feit dat het door haar uitgeoefende recht op aftrek bestaat.
De loutere verwijzing naar het maatschappelijk doel van de vennootschap vormt geen bewijs.
Het appartement is in gebruik genomen zodat de intentie van de GCV T., namelijk het uitvoeren van alle onroerende verrichtingen ter realisatie van haar maatschappelijk doel in concreto dient bewezen te worden. Uit de voorliggende stukken meer bepaald uit het grondplan van het kwestieuze appartement blijkt dat het niet gaat om één grote ruimte bestemd om als kantoor te worden gebruikt, maar dat het een appartement betreft dat geschikt is voor bewoning (badkamer, keuken, ... ) (stuk 3 - eiser qq.).
Uit het proces-verbaal de dato 9 april 2002 blijkt dat D. L. J.-P. in het jaar 2001 voltijds tewerk gesteld was in een 39-uren week als bediende en zijn aanwezigheid in de studio's te … permanent vereist was en dat hij voor het schrijven van scenario's gedeeltelijk dient samen te werken met twee andere personen eveneens te … (stuk 6 - verweerder).
Het is dan ook duidelijk dat D. L. wonende in … en voor zijn werkzaamheden dagelijks zich heen en terug van … naar … verplaatste, niet nog supplementair de verplaatsing naar … (118 km) maakte om ongestoord scenario's te schrijven.
Uit de afschrijvingstabel blijkt dat de GCV T. in de loop van het jaar 1998 in de woning te … een veranda als bedrijfsruimte heeft ingericht (stuk 5 – verweerder) waar D. L. ongestoord kon werken.
Uit de door de GCV T. voorgelegde drie callsheets de dato 18 mei 2002, 6 maart 2003 en 28 juni 2003, die dateren van na 27 november 2001 (datum waarop de controle ter plaatse doorging) en 19 februari 2002 (datum van het proces-verbaal) wat impliceert dat de GCV T. op de hoogte was van het bezwaar, kan niet afgeleid worden dat de opnames ook effectief in het appartement van de GCV T. hebben plaatsgevonden en bovendien wordt voor het kwestieuze gebruik geen enkele factuur voorgebracht (stuk 4 - eiser qq.).
De resultatenrekening maakt geen melding van enige opbrengst die door de aankoop van het appartement werd gegenereerd.
De door de GCV T. voorgelegde callsheets tonen niet aan op basis van welke voorwaarden het gebruiksrecht door haar zou zijn toegestaan en aan wie het zou verleend zijn.
Evenmin is in de boekhouding van de GCV T. door verweerder enig spoor teruggevonden voor de periode van 1 juli 2000 tot 30 september 2002 van het beweerde gebruik voor opname van de TV-serie Familie. De callsheets vormen geen bewijs van een economische exploitatie van het kwestieuze appartement, de GCV T. bewijst niet dat zij op het ogenblik van de aankoop van het appartement daadwerkelijk de intentie had het kwestieuze goed binnen haar economische activiteit aan te wenden.
3.3.4. De GCV T. stelt dat het privé-gebruik van het appartement een dienst is als bedoeld in artikel 19, § 1 W.BTW en verwijzende naar het arrest Seeling (C 269/00) van het Hof van Justitie, zodat ze het recht heeft de voorbelasting met betrekking tot de aankoop van het appartement volledig af te trekken.
Voormeld arrest beoogt de situatie waarin een belastingplichtige een onroerend bedrijfsmiddel gebruikt zowel voor zijn economische activiteit als voor zijn privé-doeleinden en die dit goed volledig in zijn bedrijf heeft opgenomen en de belasting van dit goed volledig in aftrek heeft gebracht. Wanneer een belastingplichtige echter een goed verkrijgt dat uitsluitend bestemd is voor privé-doeleinden, of voor andere doeleinden dan de belastbare activiteit, handelt hij niet als belastingplichtige en is bijgevolg iedere aftrek van de belasting geheven van de verkrijging van dit goed uitgesloten.
In casu heeft de GCV T. het kwestieuze appartement aangekocht zonder dat er een aanwending bewezen wordt binnen haar activiteit van scenario's schrijven en zonder dat de exploitatie van dit appartement bewezen wordt.
Het louter bezit van een goed zonder exploitatie of aanwending binnen de economische activiteit waarvoor de GCV T. de hoedanigheid heeft van belastingplichtige met recht op aftrek, doet overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW geen recht op aftrek ontstaan omdat de aankoop niet wordt aangevoerd voor het verrichten van handelingen als voorzien in voornoemd artikel.
Het laten gebruiken van een dergelijk goed voor privé-doeleinden of voor andere dan de economische doeleinden waarvoor de GCV T. de hoedanigheid heeft van belastingplichtige met recht op aftrek, wordt niet gelijkgesteld met een onder bezwarende titel verrichte dienst, omdat aan de voorwaarde van artikel 119, § 1 W.BTW niet is voldaan, namelijk dat het gaat om een tot het bedrijf behorend goed dat voor de economische activiteit waarvoor de hoedanigheid van belastingplichtige met recht op aftrek bestaat, wordt gebruikt.
Het arrest Seeling vindt aldus in casu geen toepassing. De GCV T. heeft de aanwending van het kwestieuze appartement voor haar economische activiteit niet bewezen zodat overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW en artikel 1, § 2 van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 de BTW op aankoop van dit appartement alsmede op de inrichting van dit appartement niet voor aftrek in aanmerking komt.
De vorderingen van de GCV T. zijn niet gegrond.
4.4. nopens de kosten
De GCV T. wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid Gerechtelijk Wetboek moet zij de gerechtskosten dragen. Verweerder vraagt toepassing van het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding. In het geschil met AR nr. 02/986/A bedraagt de rechtplegingsvergoeding € 1.100,00 daar de waarde der vordering begrepen is tussen € 10.000,01 en € 20.000,00 en in het geschil met AR nr. 04/2699/A bedraagt de rechtsplegingsvergoeding € 900,00 daar de waarde der vordering begrepen is tussen € 5.000,01 en € 10.000,00.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Voegt de zaken met AR nrs. 02/986/A en 04/2699/A samen.
Verklaart de fiscale vorderingen ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt de eiser qq. tot de kosten van beide gedingen aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste, blijven en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoedingen van € 1.100,00 en € 900,00.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag twintig mei tweeduizend en acht, waar aanwezig waren :
mevrouw A. H., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
A. H. G. L.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.