Champ d'application, livraison de biens, opération imposable · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 22 mars 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, livraison de biens, opération imposableTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-operation-tribunal-bruxelles-2002-03-22-41e9

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
22 mars 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

130 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 22.03.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, 33ste kamer

AR 91/2484/A

Fiscaal geschil - BTW

Eindvonnis in eerste aanleg en bij verstek geacht op tegenspraak t.a.v. de heer L. (art. 751 Ger. W.)

Inzake van :

De heer A. L., wonende te …, ….

eiser,

Niet vertegenwoordigd.

tegen :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12. vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

verweerder,

Vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat, niet kantoor te …, ….


In deze zaak, in beraad genomen op 22 februari 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder J. V. te …, houdende verzet tegen dwangbevel, betekend op 6 februari 1991, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 12 november 2001.

Eiser verscheen niet ter zitting, noch iemand voor hem, en hij legde evenmin conclusies neer ter griffie.

Gehoord de advocaat van verweerder ter openbare zitting van 22 februari 2002, waarna het bundel met de stavingsstukken van verweerder neergelegd werd en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

De heer L., huidig eiser, was onderworpen aan de BTW-wetgeving voor de uitoefening van zijn activiteit van verkoper van tweedehandse voertuigen onder de benaming A.-L.

Ten laste van de heer L. en consoorten werd een strafonderzoek gevoerd.

Op 6 maart 1989 verleende de procureur-generaal van het parket bij het Hof van Beroep te Brussel aan ambtenaren van de BBI toelating om het dossier van de heer L. te raadplegen. De heer R., verificateur-accountant bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de administratie van de BBI, werd belast met het onderzoek.

Hij nam eveneens kennis van het proces-verbaal van vaststelling met betrekking tot de boekhouding van de heer L.. Dit proces-verbaal werd opgesteld door de heren D. en M., respectievelijk verificateur en hoofdfinanciebeambte bij de administratie der douane en accijnzen, ter beschikking gesteld van de administratie van de BBI.

Volgens de Belgische Staat, huidig verweerder, is uit het onderzoek van voormelde stukken en van de in het BTW-dossier van de heer L. voorhanden zijnde stukken gebleken dat de heer L. verscheidene inbreuken heeft begaan op het stuk van de BTW-wetgeving.

Zo werd onder meer vastgesteld dat :

- een valse douanestempel 'S.' werd gebruikt,

- door de belastingplichtige zelf, voor zijn eigen gebruik, inkomende facturen werden opgemaakt op valse of gestolen documenten;

- er zich in de boekhouding facturen bevonden uitgaande van leveranciers die geen BTW­aangiften indienden;

- er facturen werden opgesteld met vrijstelling van BTW wegens uitvoer, zonder dekking van uitvoerdocumenten.

Deze inbreuken werden vastgelegd in een ontwerp van proces-verbaal dat op 20 december 1989 aan de heer L. ter kennis werd gebracht.

Op 10 januari 1990 ondertekende de heer L. een verzaking aan de verlopen termijn van verjaring.

Op 30 mei 1990 reageerde de heer L. op het ontwerp van proces-verbaal. Nadien volgde nog briefwisseling tussen partijen.

Op 12 juli 1990 werd een definitief proces-verbaal opgesteld, aangezien geen minnelijk akkoord mogelijk was.

Uit dit proces-verbaal blijkt dat de heer L. verschuldigd is aan de Belgische Staat, administratie van de BTW, registratie en domeinen :

- als BTW : 163.946,12 euro (6.613.570 BEF);

- als luxetaks : 47.853,37 euro (1.930.400 BEF).

- als fiscale geldboeten op grond van art. 70, §§ 1 en 1bis W.BTW wegens niet betaling van de belasting : tweemaal het bedrag van de verschuldigde BTW en luxetaks,

- als interesten, op grond van art 91, § 1 W.BTW : 0,80 % per maand te berekenen vanaf 21 januari 1987 over 211.775,44 euro (8.543.000 BEF)

Op 29 augustus 1990 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 26 september 1990 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 17 januari 1991 werd dit dwangbevel aan de heer L. betekend.

Op 6 februari 1991 ging de heer L. over tot betekening van een exploot houdende verzet tegen dit dwangbevel.

Op 1 februari 1995 zette de heer L. zijn handelszaak stop.

Op 9 maart 2000 velde de correctionele rechtbank te Brussel een vonnis, waaruit blijkt dat de heer L. en anderen van rechtsvervolging werden ontslagen daar de verjaring van de rechtsvordering was ingetreden op 28 februari 1993.

III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiser vraagt :

- het dwangbevel dat hem werd betekend op 17 januari 1991 onder de referte nr. RClV … nietig te horen verklaren;

- voor recht te horen zeggen dat hij niet onderworpen is aan de BTW en andere bedragen uit hoofde van het hem betekende dwangbevel;

- voor recht te horen zeggen dat hij aan de Staat het bedrag van BTW, van boeten of van bijkomstigheden uit hoofde van het hem betekende dwangbevel niet verschuldigd is;

- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling

Verweerder vraagt het verzet van eiser tegen het dwangbevel van 6 februari 1991 ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en hem ervan af te wijzen.

B. BEOORDELING

B.1. Volgens verweerder heeft een groep van ondernemers, waaronder eiser die handel dreef onder de benaming A.-L., zich toegelegd op de organisatie van carrouselfraude van aan- en verkoop, en in- en uitvoer van dure wagens. Hierbij werd gebruik gemaakt van gestolen wagens, gestolen blanco-facturen met de hoofding van bonafide belastingplichtigen, valse facturen, valse chassisnummers, omkoping van ambtenaren, enz.. Daartoe verwijst verweerder naar het verslag en de bijlagen van de gerechtsdeskundige van 17 januari 1989.

Het vastgestelde fraudeprocédé wordt volgens eiser gekenmerkt door een opzettelijk misbruik van twee grondbeginselen die eigen zijn aan de BTW, met name :

- toepassing van art. 45 W.BTW, nl., aftrek van gefactureerde voorbelasting. en dit op basis van valse facturen;

- toepassing van art 39 W.BTW, nl. vrijstelling omwille van uitvoer naar een plaats buiten de Gemeenschap, en dit op basis van gebrek aan uitvoerdocumenten en ogenschijnlijk correct gevalideerde uitvoerdocumenten, evenwel met gebruik van valse douanestempels

Volgens verweerder werden door eiser twee scenario's opgezet om de BTW op een onrechtmatige manier af te trekken.

Vooreerst maakte hij gebruik van blanco-facturen van bonafide bedrijven. die werden ingevuld voor een fictieve verkoop, en waarbij de BTW en eventuele luxetaks op deze facturen werd vermeld. Aangezien deze verkopen in werkelijkheid nooit plaats hadden, werd er ook geen BTW en luxetaks betaald aan de Belgische Staat, terwijl deze wel werd afgetrokken in de BTW-aangifte van eiser.

Daarnaast werden door verschillende malafide belastingplichtigen facturen opgemaakt voor verkoop van voertuigen aan A.-l., waarbij deze personen niet voldeden aan hun BTW­verplichtingen, geen BTW-aangiften indienden en derhalve geen BTW afdroegen aan de Staat. De gefactureerde BTW werd door eiser wel afgetrokken in zijn BTW-aangiften, zodat per saldo een verlies ontstond voor de Schatkist ten belope van de afgetrokken BTW.

Voorts werden volgens verweerder ten onrechte auto's verkocht onder een vrijstellingsregime (uitvoer), zonder dat daarvoor de nodige documenten konden worden voorgelegd.

Daarnaast werden nog overtredingen vastgesteld in verband met een niet aangegeven verkoop aan zichzelf en niet aangegeven verkopen aan derden. Deze facturen werden teruggevonden in de boekhouding van de klanten.

B.2. Eiser heeft in zijn exploot van verzet zijn grieven onderverdeeld in de volgende punten.

B.2.1. Punt 1

B.2.1.1. Eiser stelt dat het gebruik van de letters A, B, C, D, E, F en G (meer bepaald in punt 1, 6° tot 8° van het proces-verbaal) om personen aan te duiden het hem onmogelijk maakt te weten naar wie wordt verwezen.

Ter zake merkt verweerder op dat de in punt 1 van het proces-verbaal weergegeven tekst een tekst is die integraal werd overgenomen uit het gerechtsverslag, met dien verstande dat bepaalde namen werden vervangen door letters, aangezien het gaat om transacties waarvan eiser normalerwijze niets vanaf kon weten en dat deze gegevens hem, op dat ogenblik rekening houdend met art. 93 bis W.BTW, niet mochten worden meegedeeld.

Nu het strafonderzoek is afgesloten, stelt verweerder dat hij een kopie van het verslag van de gerechtsexpert als stuk 12 bij zijn besluiten voegt.

Verder merkt verweerder nog op dat eiser of zijn raadsman thans reeds vrije inzage in het strafdossier heeft.

B.2.1.2 Verder haalt eiser aan dat de in de nummers 1 tot 6 (punt 1, 1° tot 6° van het proces-verbaal) vervatte vaststellingen in geen geval bewijzen dat de facturen fictief zijn. Volgens hem belet niets dat de betrokken garages verwante ondernemingen zijn of dat zij hun boekhouding laten bijhouden door dezelfde persoon.

In dat verband merkt verweerder op dat een factuur een document is dat normalerwijze door de belastingplichtige of door zijn interne boekhouder wordt opgemaakt, maar nooit door een externe boekhouder. Verder stelt verweerder dat het gaat om een reeks belastingplichtigen die niet voldoen aan hun fiscale verplichtingen, die geen BTW-aangiften indienen, noch BTW betalen.

Verder verwijst verweerder naar art. 59 W.BTW, dat de administratie toelaat gebruik te maken van alle feiten, die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen. Het bewijs kan worden geleverd met alle middelen van het gemene recht.

In dat verband verwijst verweerder naar het verslag van de gerechtelijke deskundige, waarin deze uiteenzet hoe eiser een fraudesysteem heeft uitgewerkt.

Deze verklaringen, die opgenomen zijn in een gerechtsdossier, werden overgenomen in een proces-verbaal van de administratie, zodat die vaststellingen volgens verweerder niet gedekt zijn door art. 59 W.BTW, maar wel een ernstig vermoeden vormen.

B.2.1.3. Verder stelt eiser, met betrekking tot de vaststelling vervat in punt 7 van het gerechtelijk verslag (punt 1, 7° van het proces-verbaal), niet goed in te zien wat hem zou kunnen worden verweten, aangezien hij over een inkomende en uitgaande factuur beschikt met een positief saldo ten voordele van de BTW-administratie van 40,90 euro (1 650 BEF). Hij stelt dat het eventuele bedrog bij invoer door de verkoper hem niet mag worden verweten.

In dat verband merkt verweerder op dat de garage S.-A., … te …, op 11 maart 1985 aan A.-L. een Mercedes 280 SE, bouwjaar 1981, chassisnummer … factureerde voor de prijs van 12.270,73 euro (495.000 BEF) + 4.049,34 euro (163.350 BEF) BTW. Deze wagen werd door de heer F. G. vanuit Duitsland via Nederland in België frauduleus ingevoerd onder dekking van de misbruikte naam van A.­M.. De heer G. heeft hiervoor eigenhandig een valse factuur opgemaakt gedateerd op 7 februari 1985 voor de verkoop door de garage W. (zigeuner) uit Maastricht aan de garage A.-M., aan de prijs van 1.983,15 euro (80 000 BEF). Op de invoer werd derhalve slechts 660,17 euro (26.631 BEF) BTW betaald. Door de gerechtelijke diensten werd van deze auto geen spoor teruggevonden tot deze uiteindelijk opdook bij A.-L., die hem diezelfde 11 maart 1985 herverkocht aan A.-M., … te … voor 12.394,68 euro (500.000 BEF) + 4.090,24 euro (165.000 BEF) BTW

Verweerder stelt dat eiser inderdaad beschikt over een aan- en verkoopfactuur met een positief BTW-saldo van 40,90 euro (1.650 BEF) of een brutowinst van 123,95 euro (5.000 BEF). Verweerder voegt eraan toe dat alleen al deze minieme winstmarge van 1 % op de aankoopwaarde van 12.270,73 euro (495.000 BEF) een aanduiding geeft van de eigenaardige handelsrelaties, en dat eiser, rekening houdende met de normale kosten, nauwelijks nog enige netto-winst kan hebben gerealiseerd.

B.2.1.4. Wat punt 1, 8° van het proces-verbaal betreft, stelt eiser dat hij niet weet waarover het gaat, nu hij de facturen nooit heeft gezien en nooit de gelegenheid heeft gekregen om ze te onderzoeken.

In dat verband merkt verweerder op dat er, in het kader van het dossier 98/85 van onderzoeksrechter F., valse facturen A.-L. werden gevonden in de boekhouding van de heer R. S. te …, en dat uit diens bekentenissen blijkt dat het ofwel de heer F. G., ofwel de heren R. en R. V. waren die hem de blanco facturen ondertekend voor voldaan overhandigden.

B.2.1.5. Vervolgens stelt eiser dat het moeilijk te begrijpen valt welk voordeel hij zou hebben bij het uitreiken van valse facturen op zijn eigen naam en zodoende aftrekmogelijkheden te verlenen aan een derde (punt 1, 8° van het proces-verbaal).

Daarop replikeert verweerder dat het uitreiken van valse facturen en zodoende het verlenen van aftrekmogelijkheden aan een derde, schering en inslag zijn in fraudecircuits, waarbij het uitreiken van geheime commissielonen aan de uitschrijver van de factuur niet ongebruikelijk is.

B.2.1.6. Verder stelt eiser dat de BTW op de BMW 635 CSL gekocht op 5 oktober 1985 aan A.-C., wel degelijk werd betaald. Deze wagen werd doorverkocht aan de heer d. B., terwijl eiser beweert noch garage K., noch de heer R. te kennen (punt 1, 9° van het proces-verbaal).

Verweerder replikeert door te stellen dat er nooit enige verkoop heeft plaatsgehad tussen A.-C. en A.-L., maar dat dit voertuig op 15 november 1985 door eiser fictief werd uitgevoerd naar garage K. te Luxemburg. Daartoe verwijst verweerder naar het expertiseverslag. De uitvoer gebeurde onder dekking van een document Benelux 50, waarop, blijkens informatie verstrekt door de administratie van de BBI, cel der douanen en accijnzen, een valse douanestempel 'S.' was aangebracht. Op het uitvoerdocument werd de heer R. als chauffeur aangeduid.

Volgens het expertiseverslag werd een kopie teruggevonden van een factuur … met betrekking tot de betrokken wagen en gericht aan garage K. te Luxemburg. Deze factuur droeg de hoofding van A.-L. en werd door eiser voor voldaan ondertekend. Er is nergens sprake van een zekere d. B..

Verder stelt verweerder dat het document Benelux 50, voorzien van een valse stempel. niet als bewijs van uitvoer kan dienen. Door eiser werden geen bijkomende bewijselementen voorgelegd : noch een bestelbon, noch betalingsbewijzen, noch vervoerdocumenten. Daaruit leidt verweerder af dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het KB nr. 18 en derhalve geen vrijstelling van BTW kan genieten.

B.2.1.7. Ten slotte stelt eiser dat aan de uitgaande factuur met betrekking tot de Porsche 928, verkocht aan de heer L., de fotokopie van de grijze kaart en een fotokopie van de identiteitskaart van de heer L. (bewijs van de transit) zijn gehecht en dat deze wagen later regelmatig door hem werd teruggekocht (punt 1, 10° van het proces-verbaal).

Volgens verweerder zit eiser volop in een carrouselconstructie. Hij leidt dit af uit de volgende feiten. Op 8 november 1986 kocht eiser van de heer G. (fictief) een Porsche 928 aan voor de prijs van 16.980,71 euro (685.000 BEF) + BTW. Eiser verkocht deze wagen aan de heer L., een Luxemburger, voor 17.352,55 euro (700.000 BEF) + BTW (d.w.z. met een bruto-winst van nauwelijks 371,84 euro (15.000 BEF)). Deze wagen werd onder het stelsel van tijdelijke invoer in België ingeschreven op naam van L., op het adres van een hotel. Op 30 december 1986 koopt eiser dezelfde wagen van de heer F. uit Luxemburg voor 8.924,17 euro (360.000 BEF) + BTW (of nauwelijks de helft van de prijs).

B.2.2. Punt 2 (punt 2 van het proces-verbaal)

Volgens eiser betreft het dezelfde wagen vermeld onder punt 1, 9°, van het proces-verbaal, derwijze dat verweerder tegelijkertijd de terugbetaling van de afgetrokken BTW en de betaling van de verschuldigde BTW vordert. Zodoende betwist verweerder, volgens eiser, de werkelijkheid van de levering bij aankoop, doch niet de werkelijkheid van de levering bij verkoop, hetgeen naar zijn oordeel op zijn minst onlogisch is.

Verweerder stelt dat de BTW, die door eiser werd afgetrokken, werd teruggevorderd aangezien het om een fictieve verkoop tussen G. en eiser gaat. Verder stelt verweerder dat het voorleggen van een factuur op zich niet voldoende is om het recht op aftrek te bewijzen. Eiser moet kunnen bewijzen dat er werkelijke prestaties aan de grondslag liggen van de factuur. Nu er in casu geen levering plaatsvond in de zin van art. 10 W.BTW, nl. geen overdracht of overgang van goederen, en derhalve niet werd voldaan aan de bepalingen van art. 45, § 1 W.BTW, nl. dat de belastingplichtige het recht op aftrek slechts kan uitoefenen voor zover het gaat om BTW geheven van werkelijke leveringen die worden gebruikt voor de in art. 45, § 1, 1° tot 5° W.BTW. bedoelde handelingen, werd de aftrek in hoofde van eiser verworpen.

Verweerder stelt nog dat, aan de hand van het BTW-dossier, het expertiseverslag, de pro­justitia's, het vonnis, het proces-verbaal der douane en accijnzen niet anders dan kan worden aangenomen dat hij door middel van overeenstemmende, bepaalde en gewichtige vermoedens aantoont dat er ernstige redenen zijn om te twijfelen aan de correctheid van de gedane aftrekken. Anderzijds meent verweerder dat de uitvoer van de betrokken wagen, gelet op het gebruik van de valse stempel op het uitvoerdocument, in geen geval als bewezen kan worden beschouwd, zodat de BTW op deze transactie verschuldigd is.

B.2.3. Punten 3, 4 en 5

Terecht merkt verweerder in dat verband op dat deze punten wel werden opgenomen in het ontwerp proces-verbaal, maar niet in het definitief proces-verbaal.

B.2.4. Punt 6 (punt 3 van het proces-verbaal)

Volgens eiser werden de documenten die de uitvoer bewijzen aan de uitgaande factuur gehecht.

Daarop replikeert verweerder dat voor de betrokken uitvoer geen document 61, gevalideerd door de Belgische douane, werd overgelegd. In het gerechtsdossier werd enkel een kopie van een 'landing certificate' gevalideerd door de diensten van de Deense douane, teruggevonden. Volgens verweerder volstaat dit document niet om de uitvoer naar Denemarken te bewijzen.

B.2.5. Punt 7 (punt 4 van het proces-verbaal)

Eiser verklaart dat men hier, onder voorbehoud van het onderzoek naar de in beslag genomen facturen, zou te maken kunnen hebben met een boekhoudkundige fout en indien dit het geval is, verklaart hij zich bereid het verschuldigde bedrag te betalen.

Verweerder meent daarop niet verder te moeten ingaan.

B.2.6. Punt 8 (punt 5 van het proces-verbaal)

Volgens eiser gaat het hier om een verkeerde vermelding op het document 444. Er werd wel degelijk een factuur uitgereikt voor de Audi Quatro Coupé die nummer 55 draagt en de verschuldigde BTW werd betaald.

Verweerder merkt in dat verband op dat uit het BTW-dossier van eiser blijkt dat hij op 16 oktober 1986 een document 444 heeft opgesteld waarin hij verklaarde een auto aan zichzelf te hebben verkocht, nl. een Audi Quatro Coupé, voor het eerst in het verkeer gebracht in 1986. Volgens hetzelfde document 444 werd daarvoor een verkoopfactuur 48 van 16 oktober 1986 opgesteld ten bedrage van 29.747,22 euro (1.200.000 BEF), exclusief BTW.

Ter gelegenheid van het onderzoek werd evenwel vastgesteld dat factuur 48 werd opgesteld op 4 november 1986 voor verkoop van een Lada aan de heer D. C., republiek Guinea, voor de prijs van 495,79 euro (20.000 BEF). In het jaar 1986 werd geen verkoopfactuur teruggevonden gericht aan eiser voor de verkoop van een Audi Quatro. De BTW blijft verschuldigd tegen het tarief van 25 %, en de luxetaks tegen het tarief van 8 %, aangezien het een personenwagen betreft met een vermogen van meer dan 116 kw.

Verder haalt verweerder aan dat uit door het ministerie van Verkeerswezen verstrekte gegevens blijkt dat de wagen op 28 oktober 1986 werd ingeschreven op de naam van eiser. Anderzijds werd eveneens een factuur nr. 55 12 uitgereikt en geboekt gedateerd op 30 december 1986 voor verkoop aan R. M. en Zoon te … van dezelfde wagen voor de prijs van 28.507,76 euro (1.150.000 BEF) plus 9407,56 euro (379.500 BEF).

B.2.7. Punt 9 (punt 6 van het proces-verbaal)

Eiser verklaart dat hij daarover geen informatie kan verschaffen, nu hij nooit heeft gehandeld met de NV L., nooit die wagens heeft verkocht en nooit de facturen waarvan sprake heeft uitgereikt. De opmerking gemaakt bij punt 1, 8° van het proces-verbaal is naar zijn oordeel hier eveneens van toepassing.

Verweerder stelt in dat verband dat in de boekhouding van de NV L. twee facturen werden teruggevonden waaruit de verkoop van auto’s blijkt en deze facturen werden door eiser voor voldaan ondertekend.

Besluit

De rechtbank komt tot het besluit dat verweerder, niet de nodige stavingsstukken ter ondersteuning, heeft geantwoord op alle grieven van eiser.

Nu eiser in gebreke blijft daarop te replikeren en de antwoorden van verweerder te ontkrachten, dient zijn verzet te worden afgewezen.

B.3. Wat de administratieve boeten betreft

Eiser vraagt een vermindering van de opgelegde boeten.

De rechtbank treedt evenwel verweerder bij, wanneer hij stelt dat de door eiser begane overtredingen, die door verweerder werden opgenomen in het proces-verbaal van 12 juli 1990 en waaromtrent eiser in gebreke blijft enig plausibel verweer te voeren, werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Derhalve dient in casu het verzoek van eiser tot vermindering van de boeten, naar het oordeel van de rechtbank, te worden afgewezen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg. na tegenspraak ten aanzien van de Belgische Staat en bij verstek geacht op tegenspraak ten aanzien van de heer L..

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.

Verklaart het verzet van de heer L. tegen het dwangbevel ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt de heer L. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op 327,22 euro (rechtplegingsvergoeding), en ten aanzien van hemzelf op 0 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 22 maart 2002.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer V., alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw V., adjunct-griffier

V. V.