Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 09.05.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negen mei tweeduizend en acht in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :
P. W., enig rechter,
N. D., griffier.
In zake : AR nr. 04/6323/A
NV P. D. C., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester M. V. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
A. vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
B. Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Antwerpen 1, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder S. S. te … op 15 oktober 2004 voor wat betreft verwerende partij sub A en betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder T. V. L. D. J. in vervanging van gerechtsdeurwaarder E. S. te Antwerpen op 15 oktober 2004 voor wat betreft verwerende partij sub B,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 5 september 2008,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 april 2008.
De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/47-2003, uitgevaardigd op 7 maart 2003 en uitvoerbaar verklaard op 18 maart 2003, van nul en generlei waarde te verklaren, teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en! of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van betaling of inhouding en de kosten van het geding.
Relevante feiten
Eiseres heeft als beroepsoprichter tussen 1991 en 1994 een kantoorgebouw opgericht dat voorbestemd was om te verkopen.
In afwachting van een verkoop werd in 1995 een gedeelte van het gebouw verhuurd; in 1996, 1997 en 1999 werden bijkomende gedeeltes van het gebouw verhuurd.
Volgens de administratie diende er een onttrekking te gebeuren op het ogenblik van de verhuur en diende de onttrekking te gebeuren aan kostprijs waarbij de intercalaire intresten mee dienden opgenomen te worden in de maatstaf van heffing.
In de BTW-aangifte van de maand maart 2000, ingediend op 18 april 2000, heeft eiseres een bedrag aangegeven van 47.540.155 BEF (1.178.489,66 EUR) als verschuldigde BTW voor de onttrekkingen; dit bedrag is gelijk aan het totaal van de eerder afgetrokken BTW op de inkomende facturen voor de oprichting van het kantoorgebouw.
Volgens de administratie daarentegen heeft eiseres de verschuldigde BTW over een te lage maatstaf van heffing aangegeven en is eiseres een bedrag van 69.905.268 BEF (1.732.906,33 EUR) als BTW verschuldigd voor de onttrekkingen.
Aangezien eiseres en verweerder niet tot een akkoord zijn gekomen, werd op 7 maart 2003 het bestreden dwangbevel uitgevaardigd; de kennisgeving van het dwangbevel aan eiseres gebeurde bij aangetekende brief van 5 maart 2004.
Beoordeling
Betreffende de verjaring van de BTW-schuld
Krachtens het toenmalig artikel 81 W.BTW verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, die is ontstaan vóór 1 januari 1999, door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.
Krachtens artikel 81bis W.BTW verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, die is ontstaan vanaf 1 januari 1999, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend opdat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan.
Krachtens artikel 83 W.BTW wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Krachtens artikel 2248 BW stuit de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring.
Volgens verweerder is de op 18 april 2000 door eiseres ingediende aangifte een schulderkenning waardoor de verjaring geldig werd gestuit, terwijl volgens eiseres deze aangifte niet als een geldige stuiting kan worden beschouwd voor het bedrag dat meer wordt gevorderd door de administratie dan aangegeven door eiseres; aangezien eiseres slechts een bedrag van 1.178.489,66 EUR heeft aangegeven, terwijl volgens de administratie een bedrag van 1.732.906,33 EUR verschuldigd is, is het meer gevorderde bedrag, zijnde 1.732.906,33 EUR - 1.178.489,66 EUR of 554.416,67 EUR, volgens eiseres verjaard.
Het staat ontegensprekelijk vast dat eiseres door de aangifte van 18 april 2000 de schuld voor de volledige onttrekking van het gebouw heeft erkend en dat eiseres enkel de wijze van berekening en het ogenblik van de onttrekkingen heeft betwist.
Uit de aangifte van 18 april 2000 waarin eiseres aldus niet de schuld zelf, maar alleen de berekeningswijze van het bedrag en het ogenblik van de onttrekkingen betwist, kan worden afgeleid dat eiseres het recht van de administratie erkende (vergelijk Cass. 29 oktober 1990, R.W. 1990-91, 917).
Bijgevolg werd door de aangifte van 18 april 2000 de verjaring ook geldig gestuit voor het bedrag van 554.416,67 EUR, zijnde het bedrag dat meer wordt gevorderd door de administratie dan aangegeven door eiseres.
Nu de verjaring werd gestuit door de aangifte van 18 april 2000, eiseres op 12 oktober 2001 een verklaring van afstand van verlopen tijd van verjaring heeft ondertekend en de kennisgeving van het bestreden dwangbevel aan eiseres is gebeurd bij aangetekende brief van 5 maart 2004, is er geen sprake van verjaring.
Betreffende de maatstaf van heffing
Krachtens artikel 33, 1° W.BTW is de maatstaf van heffing voor de handelingen bedoeld in artikel 12 (onttrekkingen) de aankoopprijs van de goederen of soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, in voorkomend geval rekening houdend met het tweede en derde lid van artikel 26 en met artikel 28, bepaald op het tijdstip waarop die handelingen worden verricht.
De in aanmerking te nemen waarde is aldus de kostprijs van het kantoorgebouw, indien de werken zouden uitgevoerd worden op het tijdstip waarop de onttrekking zich voordoet.
Op het tijdstip van de onttrekkingen worden de intresten die eiseres heeft betaald naar aanleiding van de financiering van het bouwproject en die zij geactiveerd heeft, door de administratie terecht beschouwd als een element van de kostprijs van het gebouwen aldus terecht opgenomen in de maatstaf van heffing voor de onttrekkingen.
Nu eiseres op de kostprijs van dit gebouw intresten heeft geactiveerd, heeft de administratie terecht aangenomen dat deze intresten betrekking hebben op dit bouwproject en niet hebben gediend tot financiering van het algemeen bedrijfskapitaal.
Betreffende de datum van onttrekking
Bij de verhuur van het oorspronkelijk voor de verkoop bestemde gebouw is artikel 12, § 1, lid 1, 3° W.BTW van toepassing op het tijdstip van de effectieve aanvang van de verhuur, zelfs wanneer eiseres het gebouw steeds heeft voorbestemd voor de verkoop en niet voor de verhuur, zij het gebouw als voorraad heeft aangehouden en steeds is blijven zoeken naar kopers en het gebouw uiteindelijk heeft verkocht eind 2000.
De omstandigheid dat met de oprichting van het gebouw reeds in 1991 of in 1992 een aanvang werd genomen, heeft geen invloed op de toepassing van artikel 12, § 1, lid 1, 3° W.BTW dat slechts sedert 1 januari 1993 in voege is.
Betreffende de geldboete van 20 %
De geldboete van 20 % is wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.
Betreffende de rechtsplegingsvergoeding
Om de waarde van de vordering te bepalen kunnen er drie mogelijkheden zich voordoen, namelijk :
- eis is in geld uitgedrukt (artikelen 557 tot 562 Ger. W.);
- eis is niet in geld uitgedrukt, maar wel in geld waardeerbaar (artikel 592 Ger. W.);
- eis is zelfs niet in geld waardeerbaar.
Te dezen wordt gevorderd het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren; weliswaar wordt ook gevorderd om teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van betaling of inhouding, doch er wordt niet nader gepreciseerd welke sommen zouden betaald zijn en welke bedragen eiseres terugvordert zodat deze bedragen aldus niet worden bepaald.
Niettegenstaande het bestreden dwangbevel een som geld tot voorwerp heeft, wordt te dezen gevorderd om het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren en om aldus het bedrag van dit dwangbevel niet te moeten betalen en om een niet nader bepaald bedrag terug te betalen zodat er aldus geen som geld wordt geëist.
Bijgevolg is de vordering van eiseres overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. niet in geld uitgedrukt.
Artikel 2 KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. bepaalt uitdrukkelijk dat voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg; hieruit volgt dat voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger. W., zijnde een eis die niet in geld is uitgedrukt maar wel in geld waardeerbaar is.
Aangezien de vordering van eiseres overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. niet in geld is uitgedrukt en aangezien - zoals hoger vermeld - voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger. W., staat het vast dat dit geschil voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering.
Krachtens artikel 3 van voornoemd KB van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding aldus 1.200,00 EUR, het minimumbedrag 75,00 EUR en het maximumbedrag 10.000,00 EUR.
Geen van de partijen heeft verzocht het basisbedrag te verminderen of te verhogen zodat de rechtbank dit basisbedrag moet toekennen.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
N. D. P. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.