Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance d'Oudenaerde du 20.06.2005
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer bis, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld :
Rol nr. 95/25.509/A
Ten verzoeke van :
BVBA G. D., met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde onder nummer …;
eiseres,
op verzet bij exploot van gerechtsdeurwaarder M. H. te … d.d. 19 januari 1995, hebbende als raadsman Mr. E. S., advocaat te …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het BTW kantoor te Zottegem, gevestigd te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4;
verweerder op verzet,
hebbende als raadsman Mr. G. D. L., advocaat te …;
De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.
De rechtbank hoorde partijen in hun middelen en conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.
Het inleidend exploot betreft en verzet tegen een dwangbevel d.d. 8 december 1994, aan eiser ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van dezelfde dag.
Het betwiste dwangbevel zou gesteund zijn op een PV van 10 november 1994 ingevolge fiscaal onderzoek.
Eiseres stelt dat zij in het ongewisse bleef over de aangewende strafdossiers lastens derden en zelf nooit ondervraagd werd of inzage had.
Ze stelt ook niets te weten over het aan deze dossiers gegeven gevolg.
Verder zouden er door verweerder reeds vaststellingen gedaan zijn in 1992, wat het leveren van tegenbewijs in 1994 sterk zou bemoeilijkt hebben.
Er zou ook op regelmatige wijze gefactureerd zijn en er zou wel degelijk een verkoop - koop plaatsgevonden hebben met eigendomsoverdracht en ter beschikking stellen van de voertuigen.
Ze zou ook bepaalde goederen geleverd hebben aan lidstaten van de EEG en derhalve vrij van BTW.
Ze betwist de verklaringen van bepaalde personen en wijst er op dat haar opmerkingen niet of nauwelijks beantwoord werden door verweerder en stelt dat ze zelf maar zeer summier ondervraagd werd.
In zijn antwoordbesluiten geeft verweerder vooreerst een feitenrelaas, waarbij er een onderzoek gevoerd bij eiseres, waarbij inzage genomen werd van een gerechtelijk onderzoek lastens een zeker V. D. B. en consoorten door de onderzoeksrechter te Brussel.
Er zouden hierbij overtredingen vastgesteld zijn in hoofde van eiseres, weergegeven in het PV van 10 november 1994.
Ten gronde wijst hij op de bijzondere bewijskracht van het PV, waarbij het tegenbewijs niet zou geleverd worden.
Hij stelt dat hij het volledige strafdossier niet zomaar kan neerleggen, daar dit een schending van het beroepsgeheim zou inhouden.
Hij zou alle bewijsstukken, waarvan melding in besluiten, meegedeeld hebben.
Het feit dat eiseres nooit verhoord zou zijn, is volgens hem irrelevant en niet dienend en hij zou hoe dan ook het recht hebben te putten uit het strafdossier in toepassing van artikel 93quaterdecies W.BTW.
Het feit dat ,er slechts in 1994 een PV kwam omtrent de jaren 1992-93, zou de rechten van verdediging van eiseres niet schaden, gelet op de data van toelating tot inzage en het bezoek aan de vestiging van eiseres in maart en juni 1994.
Eiseres zou overigens niet aantonen hoe haar rechten geschaad werden.
Wat betreft de realiteit van de transacties verwijst hij naar het PV en de schematische voorstelling van het carrouselcircuit en de verklaringen van een zekere D. M..
Eiseres zou zelf toegegeven hebben de meeste van de aan haar gefactureerde wagens nooit gezien te hebben, daar ze rechtstreeks "geleverd" werden aan haar "koper" een firma onder controle van D. M., dewelke de carrousel bekende.
De levering, zoals bedoeld in artikel 10 van het BTW.W, zou hi er ontbreken en er zou dan ook geen sprake zijn van terbeschikkingstelling.
Aldus zou eiseres geen recht hebben op aftrek BTW en hij verwijst verder naar rechtspraak omtrent de bewijslast omtrent de werkelijkheid van de facturen.
Voor wat betreft de vaststellingen voor het jaar 1993 weerlegt hij de argumentatie van eiseres omtrent leveringen aan buitenlandse firma’s buiten de Europese Gemeenschap en verwijst daarbij naar de bepalingen omtrent vrijstelling in artikel 39bis BTW.W.
Eiseres zou noch het bewijs leveren van het bestaan van een vervoer, noch het bewijs van de hoedanigheid van verwerver.
In haar besluiten werpt eiseres vooreerst de nietigheid op van het dwangbevel, daar waar er in het eensluidend verklaard afschrift geen aanduiding zou voorkomen van de naam van de ambtenaar die als gemachtigde het dwangbevel viseerde en uitvoerbaar verklaarde.
Ondergeschikt stelt zij geen inzage gekregen in de strafdossiers en in het ongewisse bleef over de gevolgen ervan.
Ze houdt voor dat de bijzondere bewijswaarde van het PV enkel geldt voor de persoonlijke materiële vaststellingen, niet voor de juridische gevolgtrekkingen.
Ze verwijst daarbij naar rechtspraak omtrent de noodzaak tot staving door stukken uit het strafdossier.
Wanneer het strafonderzoek geen gevolg zou gekregen hebben" zou ook het bewijs tegen haar ontbreken.
Ze wijst er op dat D. M. haar naam nooit vernoemde en ze ook niet figureert in de schematische voorstelling van de carrousel.
Ze geeft toe 38 voertuigen aangekocht te hebben van de SPRL G. I.-E., doch zou daar facturen voor hebben en BTW betaald.
Ze verwijst naar rechtspraak omtrent het feit dat de BTW-aftrek niet afhankelijk is van de effectieve levering.
Nog meer ondergeschikt meent ze dat de rechtbank de fiscale boetes kan verminderen.
In zijn tweede besluiten stelt verweerder dat het dwangbevel geenszins nietig is, met verwijzing naar artikel 85 W.BTW, waarbij er mag geviseerd worden door de gewestelijk directeur of de door hem aangewezen ambtenaar, wat hier gebeurde.
Hij stelt daarbij dat de delegatie niet onderworpen is aan sacramentele voorwaarden en reeds vermeld werd in het dwangbevel zelf.
Verder legt hij een aantal stukken uit het strafdossier voor en stelt nogmaals dat het (nog) geen inzage krijgen van eiseres geen schending van haar rechten uitmaakt, daar waar het geheim van het onderzoek primeert.
Eiseres zou ook niet bewijzen toelating tot afschrift of inzage gevraagd te hebben aan de Procureur-generaal.
Hij verwijst hierbij nogmaals naar rechtspraak omtrent het recht slechts stukken uit het strafdossier voor te leggen i.p.v. het volledige dossier.
Terzake de echtheid van de transacties verwijst hij naar vorige besluiten en herhaalt hij dat eiseres het bewijs van de levering van de goederen dient te geven.
Hij stelt nogmaals dat er integendeel voldoende overeenstemmende vermoedens zijn dat er in werkelijkheid geen levering plaatsvond.
Hij verwijst hier o.m. naar verklaringen in het strafbundel.
Ook wat betreft de intracommunautaire leveringen verwijst hij naar voorgaande besluiten en gaat in op concrete beweerde leveringen.
Wat betreft de omvang van de fiscale geldboete stelt hij dat de in het KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgenomen schaal van proportionele vermindering niet van toepassing is.
Hij argumenteert uitgebreid over het feit dat de boete in casu niet kan verminderd worden, daar waar de rechter hier geen grotere macht zou hebben dan de administratie.
In haar tweede synthesebesluiten blijft eiseres bij haar argumentatie omtrent de nietigheid van het dwangbevel.
Ze blijft tevens haar stelling herhalen omtrent het PV van vastgestelde overtredingen en het in het ongewisse blijven omtrent de inhoud van het strafdossier lastens derden.
Het dwangbevel zou ook nietig moeten verklaard worden omdat het gebruik maakt van elementen uit het strafdossier over eiseres zelf, hoewel daartoe geen toestemming zou zijn gegeven door het Parket-generaal.
Verder zouden de PV's te weinig overtuigende elementen bevatten lastens eiseres.
Ze erkent enkel 38 voertuigen aangekocht te hebben van G. I.-E., waarvoor de. facturen in haar boekhouding.
Ze betaalde hierop regelmatig BTW en had derhalve een recht op aftrek, daar waar anders haar kwade trouw zou moeten bewezen zijn, quod non.
Wat betreft de boetes houdt ze voor dat deze in elk geval een strafrechtelijk karakter hebben en derhalve kunnen gematigd worden.
Ze haalt hier rechtspraak aan.
In zijn laatste conclusies herhaalt verweerder zijn vroegere standpunten.
Ze weerlegt het standpunt van eiseres dat het Parket-generaal geen toestemming zou verleend hebben tot inzage en gebruik van elementen lastens eisers.
Bespreking
1. Wat betreft de opgeworpen nietigheid
Uit de stukken van eisers blijkt dat de ongeveerd op 8 december 1994 van het dwangbevel aangetekend ter kennis bracht aan eisers.
De ontvanger stelt daarbij dat het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door G. V. D. H., Adjunct-directeur, aangewezen door de Gewestelijke Directeur.
Het dwangbevel, opgenomen in de stukken van eiseres, vemeldt uitdrukkelijk dat de heer V. D. H. gedelegeerd werd.
Dit is voldoende en de wet vereist geen verdere vormvoorwaarden, ook niet dat er nog bijkomend bewijs zou geleverd worden van de vermelde machtiging of delegatie.
Deze machtiging is overigens op zich niet onderworpen aan sacramentele voorwaarden.
Er kan derhalve enkel besloten worden tot de geldigheid van het dwangbevel, hetwelk eiseres op regelmatige wijze bereikte en waartegen hij zich kon verdedigen.
2. Wat betreft het PV van de vastgestelde overtredingen
Het dwangbevel is gebaseerd op vaststellingen van de verificateur V., dewelke het dossier van eiseres onderzocht en zich daartoe een paar maal aanbood op de zetel van het bedrijf.
Het is eveneens gebaseerd op een gerechtelijk dossier geopend lastens een zekere V. D. B. & Consoorten en een dossier, geopend lastens niet nader genoemde personen.
De verificateur had toestemming gekregen tot inzage van de Procureur-generaal te Brussel.
Waar eiseres stelt dat ze volkomen in het ongewisse is omtrent de inhoud van deze strafdossiers en, als niet betrokken partij, uiteraard geen inzage kon krijgen, is dit niet meteen evident.
Vooreerst heeft ze hoe dan ook inzage gekregen, via verweerder, van de door hem aangewende PV's.
Verder bewijst ze niet minstens een poging ondernomen te hebben bij het Parket-generaal om, gelet op haar belang, inzage te krijgen.
Verweerder verwijst terecht naar uitgebreide rechtspraak. ook van het hof van Beroep te Gent, waarbij geoordeeld werd dat de rechten van de verdediging niet geschonden worden door het enkel kennis krijgen van de stukken van het strafdossier die de verdediging aanbelangen.
3. Wat betreft de bewijzen in het proces-verbaal
Eiseres stelt dat haar naam niet genoemd wordt door een zekere D. M., dewelke de BTW-carrousel toegeeft.
Het is echter duidelijk dat eiseres hoe dan ook meewerkte aan de carrouselfraude en verweerder merkt terecht op dat degenen die dergelijke onrechtmatige activiteiten opzetten, handelaars nodig hebben die "ogenschijnlijk" bonafide zijn.
Wanneer eiseres mee stapt in dergelijke carrousel en wagens factureert dewelke ze nooit in bezit had en nooit zag, kan ze moeilijk voorhouden dat ze volkomen ter goeder trouw is.
Het blijkt daarenboven dat er dan nog gefactureerd werd aan firma' die eigendom waren van D. M. of onder zijn controle stonden.
In deze omstandigheden kan eiseres niet gevolgd worden, wanneer ze stelt nergens van op de hoogte geweest te zijn.
Het lijkt de rechtbank in elk geval niet de normale praktijk om op die manier handel te drijven en eisers overtuigt geenszins.
Dezelfde redenering dient gevolg omtrent de facturen ten aanzien van G.-I.-E..
4. Wat betreft de intracommunautaire leveringen
De rechtbank is van oordeel dat eiseres hier inderdaad geen bewijskrachtige documenten voorlegt omtrent de echtheid van de leveringen.
Het KB nr. 52 bepaalt dat de verkoper steeds in het bezit moet zijn van een geheel van stukken waaruit de echtheid van de leveringen blijkt, ondermeer contracten, factuur, bestelbon, vervoerdocument en betalingsstukken.
Er worden facturen ingeroepen, gericht aan klanten die in feite totaal onbekend zijn aan eiseres, op vraag van derden.
De bewering, veel later, dat deze derden dan handelsagenten zouden zijn, roept grote vragen op en kan zeker niet leiden tot een bewijs van werkelijke levering.
Er kan hier verder verwezen worden naar de argumentatie van verweerder omtrent de eigenaardigheden bij de verkopen, de verklaringen, de wijze van betaling enz.
5. Wat betreft de fiscale geldboete
Er is geen betwisting meer mogelijk dat de rechtbanken thans de volle bevoegdheid hebben om zich uit te spreken over de door de Administratie opgelegde fiscale geldboeten.
Waar verweerder meent dat een boete van 480.269,66 euro niet als zwaar kan aangemerkt worden, roept ook deze stelling vragen op.
Er kan hier met eiseres aangenomen worden dat deze wel degelijk het karakter van een straf heeft en derhalve in aanmerking komt voor vermindering.
Verweerder kan hier niet gevolgd worden dat de volheid van bevoegdheid van de rechtbank niet verder zou reiken dan de bevoegdheden van de administratie, dewelke niet vermag de boete te moduleren.
Waar verweerder een cassatiearrest aanhaalt van 24 januari 2002, moet opgemerkt worden dat er beslist werd op basis van het feit dat uit de voorgelegde gegevens niet kon afgeleid worden dat de opgelegde boete onevenredig was.
Dit betekent dat de rechter wel degelijk de boete kan beoordelen.
Hier moet gesteld worden dat het vooreerst al blijkt dat het strafdossier uiteindelijk tot geen veroordeling leidde.
Verder geeft verweerder ook geen uitleg over de eventuele fiscale sancties tegen de degenen die genoemd werden in het bundel en die een aantal zaken toegaven.
De medewerking van eiseres aan de carrousel was belangrijk, doch ook relatief beperkt en het past de boete te milderen, rekening gehouden met de feitelijke rol en belangrijkheid van eiseres.
Een herleiding van de boetes tot de helft ervan lijkt de rechtbank redelijk.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak
Verklaart de vordering ontvankelijk en in beperkte mate gegrond.
Herleidt de fiscale boetes tot 50 % van de in het dwangbevel opgelegde boetes.
Veroordeelt eiseres tot de kosten, in hoofde van verweerder begroot op 228,06 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting gehouden in het gerechts gebouw te Oudenaarde op twintig juni tweeduizend en vijf.
Aanwezig :
A. S., Voorzitter der Rechtbank, voorzitter van de kamer;
R. V. d. B., griffier.
R. V. d. B. A. S.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.