Avis rectification, Motivation, Renseignement TVA, Taxation signes indices · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 30 juin 1987

Rechercher
Texte en néerlandais

Avis rectification, Motivation, Renseignement TVA, Taxation signes indicesAvis rectification,Motivation,Renseignement TVA,Taxation signes indices,Dépenses ménage,Donation famille

https://juriel.be/fr/jurisprudence/avis-rectification-motivation-renseignement-tva-cour-appel-bruxelles-1987-06-30-66b1

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
30 juin 1987

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

39 paragraphes

Corps de la décision

ARRET B 87/2

Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 30.06.1987

Avis rectification - Motivation - Renseignement TVA - Taxation signes indices - Dépenses ménage - Donation famille

Sur base de données puisées d'un contrôle en matière de TVA, l'Administration avait calculé un déficit indiciaire.

Les données constituent des faits non contestés que le fonctionnaire de taxation a mentionnés dans son avis de rectification et par lesquels il fait connaître d'une manière précise qu'il n'accepte pas la déclaration.

De la sorte, l'avis de rectification est suffisamment motivé.

Dans la réclamation, le contribuable conteste principalement le montant des dépenses de ménage et invoque une donation prétendue du père.

Un montant de 350.000 F pour dépenses de ménage pour une famille composée de trois personnes (1977) ne parait pas exagéré de sorte qu'aucune diminution ne peut être accordée sur ce point.

La donation d'un père a son fils n'est pas de nature a réfuter les déficits indiciaires retenus puisque ni la perception des fonds, ni leur existence au début de la période examinée, n'ont été démontrées.

Zesde kamer

Voorzitter: de heer Van Malderen

Raadsheren: de heer Lambeau, de heer Winnen

O.M.: de heer Vanosmael

Advocaten: Mr. Van den Broucke, Mr. Duerinck

Partijen: B.J., handelaar, en S.F., tegen de Belgische Staat

Gelet op:

- de bestreden beslissing gewezen op 12 november 1981 door de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen te Leuven, beslissing die aan de belastingplichtige op 13 november 1981 werd bekend gemaakt bij ter post aangetekend schrijven;

- de fiscale voorziening neergelegd ter griffie van het Hof op 16 december 1981, samen met de aanzegging aan genoemde Directeur;

- de conclusies van partijen;

Overwegende dat de fiscale voorziening regelmatig is naar vorm en naar tijd;

Overwegende dat de bestreden aanslag gevestigd werd voor het aanslagjaar 1978 onder art. X;

Overwegende dat de procedure regelmatig gevolgd werd op grond van art. 251 WIB;

Overwegende dat de betwiste aanslag door de Administratie gevestigd werd bij toepassing van art. 247 WIB na vaststelling van een indiciair tekort ten bedrage van 394.994 F waarvoor door rekwirant geen afdoende verantwoording werd geleverd;

Overwegende dat de bestreden beslissing op passende wijze een feitelijke uiteenzetting heeft gedaan van de gegevens eigen aan de zaak en er tevens, zoals hierna nog verder blijken zal, de juiste besluiten in rechte uit getrokken heeft; dat het Hof ernaar verwijst;

Overwegende dat rekwirant vergeefs inroept dat het bericht van wijziging onvoldoende gemotiveerd is en niet beantwoordt aan de motiveringsvereisten bepaald door art. 251 WIB;

Overwegende dat integendeel het bericht aan deze verplichting beantwoordt door zich te steunen op niet betwiste gegevens geput uit de controle inzake BTW; dat hieruit ten genoegen van recht het inzicht van de taxatie-ambtenaar kan afgeleid worden de aangifte niet te aanvaarden; dat zulks volstaat eens de belastingplichtige op duidelijke wijze van een dergelijk inzicht in kennis werd gesteld en zich erover verdedigen kon; dat tenslotte een bericht van wijziging niet moet beantwoorden aan de motiveringsverplichting gesteld voor juridictionele beslissingen;

Overwegende dat de Administratie zodoende uit de gegevens inzake BTW controle het indiciair tekort kon berekenen waaruit hoofdzakelijk het bedrag van 350.000 F wegens levensonderhoud en de beweerde gift van 325.000 F, door de vader aan de zoon gedaan, dienen weerhouden te worden;

Overwegende dat de Administratie terecht, gezien de andere feitelijke gegevens, een bedrag van 350.000 F voor levensonderhoud van een gezin bestaande uit drie personen aanhield; dat zulk bedrag niet als overdreven kan genoemd worden in functie van andere gedane uitgaven;

Overwegende dat eveneens terecht werd beslist dat rekwirant niet het tegenbewijs leverde dat luidens art. 247 WIB op hem rust eens de Administratie toepassing heeft gedaan van vastgestelde tekenen en indicien waaruit een hogere begoedheid blijken moet; dat alzo rekwirant geen bewijs verstrekte van het feit dat hem een gift door zijn vader ten belope van 350.000 F werd gedaan en deze som werkelijk heeft ontvangen, nog minder enige aanduiding over de aanwending ervan verstrekte en evenmin bewees dat het bedrag in de belastbare periode op 1 januari 1977 of volgend nog aanwezig was; dat desbetreffend andermaal dient verwezen te worden naar de feitelijke weerlegging aangehaald in de bestreden beslissing;

Overwegende dat de herleiding van het indiciair tekort met een bedrag van 19.320 F hoofdens afname spaargelden en 30.784 F hoofdens totale aftrek van huur in aanmerking mag genomen worden ingevolge het aanvullend onderzoek van neergelegde stukken, hetzij in totaal 50.104 F, zodat het indiciair tekort dient herleid tot 394.994 F - 50.104 F = 344.890 F;

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gezien art. 24bis van de Wet van 15 juni 1935;

Gehoord in openbare terechtzitting Raadsheer Winnen in zijn verslag en Advocaat-Generaal Vanosmael in zijn gelijkluidend mondeling advies;

Verklaart de voorziening toelaatbaar en gegrond in de mate hierna bepaald;

Vernietigt de betwiste aanslag in de mate dat het niet verantwoord indiciair tekort van 394.994 F op 344.890 F dient gebracht te worden;

Beveelt de teruggave van alle sommen die op grond van de aldus vernietigde aanslag zouden zijn geind, vermeerderd met de interesten zoals bepaald in art. 308 WIB;

Veroordeelt rekwirant tot 4/5 en de Belgische Staat tot 1/5 van de kosten begroot op de dag van het arrest op 243 F.