Assujettissement, preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 2 février 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujettissement, preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-preuve-mesure-controle-disposition-tribunal-bruxelles-2001-02-5c5b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
2 février 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

118 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 02.02.2001

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer

A.R. 96/3296/A

Verzet tegen dwangbevel

Eindvonnis – op tegenspraak

Inzake van :

Mevrouw G. M.-J. O., wonende te …, …,

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. T. V. d. B. loco Mr. P. D. B., advocaat met kantoor te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW­ontvangkantoor te Halle, Zuster Bernardastraat 32.

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat kantoor te …, ….


In deze zaak, in beraad genomen op 15 december 2000, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid

• het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel van gerechtsdeurwaarder J. V. te …, betekend op 12 maart 1996, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

• de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 2 september 1999 en op 10 oktober 2000;

• de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 13 september 2000.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 15 december 2000, waarna het bundel met de stavingsstukken van verweerder neergelegd werd en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

Mevrouw O., huidige eiseres, was bij toepassing van art. 4 W.BTW wegens haar activiteit van verkoopster van tweedehandse voertuigen en dancinguitbaatster tot 31 maart 1992 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer BE …. Inmiddels heeft zij haar activiteit stopgezet.

Lastens mevrouw O. werden onregelmatigheden vastgesteld door de heer M., hoofdcontroleur bij de vijfde B.B.I. van Gent, tijdens een onderzoek van de boekhouding van de NV V., een regelmatig leverancier van mevrouw O., gevestigd te …, …, geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor haar activiteit als groothandelaar in bieren en frisdranken. Deze onregelmatigheden werden vastgesteld aan de hand van de documenten van de boekhouding, van de documenten gerangschikt in de dossiers BTW en Venn. B., en van de vaststellingen en verklaringen gedaan bij de NV V..

Bij nazicht van de verkoopfacturen en de klantenhistorieken van de jaren 1990, 1991 en 1992 van de NV V. werd vastgesteld dat een belangrijke som aan leveringen werd gefactureerd aan 'diverse klanten', particulieren of verenigingen met code 9999.

Ondervraagd omtrent deze leveringen, verklaarde de heer V., bestuurder van de NV V., dat. dit leveringen betrof aan verenigingen en aan particulieren voor feesten.

Na onderzoek van alle verkoopfacturen en vergelijking met de overeenstemmende leveringsbons van 1990, 1991 en 1992 stelde de heer M. vast dat er belangrijke leveringen van o.a. vaten bier werden gefactureerd aan particulieren en verenigingen, zonder dat tegelijkertijd een tapinstallatie ter beschikking werd gesteld. Tevens werd vastgesteld dat eenzelfde levering, ter plaatse bij de klant, BTW-belastingplichtige, werd verricht met twee verschillende leveringsbons en twee facturen : één factuur op naam van de werkelijke afnemer, een tweede factuur op een valse benaming en/of adres.

Deze feiten werden door de heer V. bekend.

Volgens de Belgische Staat heeft mevrouw O. gedurende de jaren 1990, 1991 en het eerste kwartaal van 1992 facturen laten maken op naam van de vereniging G. S., … te …, voor goederen die aan haar werden geleverd.

Steeds volgens de Belgische Staat heeft mevrouw O. deze valse aankoopfacturen niet ingeschreven in haar boek voor inkomende facturen, waardoor deze niet in aanmerking werden genomen voor het berekenen van de met BTW belastbare omzet, die zij nochtans in haar periodieke aangiften moest opnemen.

Bij extrapolatie van de winstpercentages gerealiseerd tijdens de respectieve jaren op de officiële aankopen naar de zwarte aankopen bedraagt de te weinig aangegeven omzet volgens de Belgische Staat :

- in 1990 (vanaf juli): … F.

- in 1991 : … F.

- in 1992 (tot maart ): … F.,

hetgeen, rekening houdend met de onderscheiden BTW-tarieven, als verschuldigde BTW geeft :

- voor 1990 : … F.

- voor 1991 : … F.

- voor 1992 : … F.

Samen : … F.

Op 14 november 1994 en op 4 augustus 1995 werd bij de boekhouder van mevrouw O. een controle uitgevoerd met betrekking tot de juiste toepassing van de BTW-wetgeving en reglementering voor de periode van 1 juli 1990 tot 31 maart 1992.

Naar aanleiding van deze controle werden de vastgestelde onregelmatigheden lastens mevrouw O. opgenomen in een proces-verbaal van 18 september 1995, dat werd opgesteld bij toepassing van art. 59, § 1 W.BTW. Uit dit proces-verbaal blijkt dat mevrouw O. uit hoofde van de vastgestelde overtredingen een bedrag van … F. aan BTW verschuldigd is, meer de boete en interesten voorzien bij art. 70, § 1 en art. 91, § 1 W.BTW.

Op 2 oktober 1995 werd door de bevoegde ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Halle een dwangbevel uitgevaardigd, dat vervolgens op 4 oktober 1995 werd geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard, en waarbij van mevrouw O. een bedrag van … F. aan BTW in hoofdsom en … F. aan boete werd gevorderd.

Op 6 oktober 1995 werd dit dwangbevel bij aangetekende brief ter kennis gebracht van mevrouw O..

Bij exploot van dagvaarding van 12 maart 1996 van gerechtsdeurwaarder J. V. te …, heeft eiseres verzet aangetekend tegen dit dwangbevel van 2 oktober 1995.

III. IN RECHTE

a) Standpunten van partijen

Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dienvolgens - in hoofdorde - haar verzet rechtsgeldig, regelmatig en gegrond te verklaren, en het dwangbevel nietig te verklaren, alsmede de betekening ervan op 6 oktober 1995.

- In ondergeschikte orde - vraagt zij te zeggen voor recht dat het dwangbevel geen enkele uitwerking kan of mag hebben en verweerder verbod op te leggen dit dwangschrift uit te voeren.

Verweerder vraagt het verzet van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot alle kosten van het geding.

b) Beoordeling

b. 1. Eiseres stelt - in hoofdorde - dat de vordering van verweerder is gesteund op een proces­verbaal van 18 september 1995, dat evenwel voor het grootste gedeelte niet de bijzondere bewijswaarde geniet, zoals bepaald in het W.BTW

Enkel hetgeen de taxatieambtenaar zelf heeft vastgesteld, geniet de bijzondere bewijswaarde, en dit is volgens eiseres enkel het geval voor :

- het feit dat hij een bezoek heeft gebracht en door wie hij werd ontvangen;

- dat de boekhouding hem werd overhandigd;

- dat de heer d. M. geantwoord heeft nooit van "G. S.' te hebben gehoord en achteraf beweerde dat dit wel mogelijk was, doch dat hij het zich niet meer herinnerde.

Eiseres stelt dat verweerder vooreerst erkent dat dit proces-verbaal gesteund is op een ontwerp van proces-verbaal houdende beweerde onregelmatigheden vastgesteld bij de NV V.. Zij doet opmerken dat een ontwerp van proces-verbaal geen proces-verbaal is, en dat aan dit ontwerp van proces-verbaal geen enkele bewijswaarde kan worden gehecht, zodat ook het proces-verbaal van 18 september 1995 om die reden niet rechtsgeldig is. Bovendien omvat het lastens haar opgestelde proces-verbaal enkel gevolgtrekkingen en geen materieel vastgestelde feiten.

Van een bewijs aan de hand van vermoedens, op basis van gegevens geput uit het ontwerp van proces-verbaal en het BTW-dossier van de NV V. kan er, naar haar oordeel, evenmin sprake zijn. Vooreerst wordt niet aangetoond dat haar boekhouding ontoereikend zou zijn geweest. Bovendien dienen vermoedens, om als bewijs te kunnen worden aangenomen, gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend te zijn. Vermoedens gehaald uit processen­verbaal die geen bewijskracht hebben, hebben evenmin bewijskracht. Subsidiair merkt eiseres op dat al de afgeleide vermoedens die verweerder aanhaalt, geen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zijn om te besluiten tot een zekerheid.

- In uiterst subsidiaire orde - stelt eiseres dat de door de aanslagambtenaar weerhouden hoeveelheid aan dranken, die zij via facturatie aan de vereniging G. S. zonder regelmatige factuur ontvangen zou hebben, onwaarschijnlijk hoog is, dermate dat deze hoeveelheid vermeerderd met de genaamde 'regelmatig gefactureerde dranken' onmogelijk binnen haar instelling kan verkocht zijn gezien de beperkte oppervlakte (maximum 350 personen) en de beperkte openingsuren (drie dagen per week). Zij stelt dat de aanslagambtenaar er volkomen ten onrechte van uitgaat dat alle op de vereniging G. S. gefactureerde dranken uitsluitend door haar zouden zijn afgenomen, daar waar daarvoor geen enkel bewijs voorligt.

b. 2. Het verzet van de belastingplichtige tegen een dwangbevel van de BTW brengt met zich mee dat de administratie de bewijslast van de aanslag dient te vervullen. Overeenkomstig art. 59, § 1 W.BTW kan de administratie de verschuldigdheid van de BTW met alle middelen van recht aantonen, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

b. 2.1. Wat betreft de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën, die overeenkomstig art. 59, § 1, lid 2 W.BTW een bijzondere bewijswaarde genieten, dient opgemerkt te worden dat daarin uitsluitend de door verbalisanten persoonlijk binnen de perken van hun wettelijke opdracht regelmatig gedane materiële (zintuiglijke) vaststellingen de bijzondere wettelijke bewijswaarde van waarachtigheid tot het bewijs van hun onjuistheid hebben (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, Deel XIV, Belasting over de toegevoegde waarde, Diegem, CED-Samsom, s.d., losbl., nr. 59.46.2). Daarentegen strekt deze bijzondere wettelijke bewijswaarde zich niet uit tot de gevolgtrekkingen en de vermoedens die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden (zie : Cass., 17 april 1998 (AR. C.97.61.F­ Belgische Staat/Etablissements Claude Feltz N.V.), onuitgegeven; Antwerpen, 25 maart 1991, Fisc. Koerier, 1991, 301; Gent, 15 mei 1996, A.J.T., 1996-1997, 242; Fisc. Koerier, 1996, 457; F.J.F., 1996, 390; T.G.R., 1997, 88; Rb. Dendermonde, 7 september 1982, BTW­Revue, 71/3/86, p. 141, nr. II; Rb. Mechelen, 28 februari 1984, R.W., 1984-1985, 1662; Rb. Antwerpen, 10 september 1984, F.J.F., 1985, 30; Rb. Brugge, 4juni 1986, F.J.F., 1988, 109; Rb. Luik, 26 oktober 1987, F.J.F., 1988, 196; Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/46.8).

De rechtbank is van oordeel dat de in het proces-verbaal van 18 september 1995 gedane materiële vaststellingen op zichzelf beschouwd niet van aard zijn om het bewijs te leveren van de ten laste van eiseres gelegde feiten. Zodoende komt het niet aan de belastingplichtige toe om het bewijs·te brengen van de irrelevantie van de loutere beweringen van de administratie, wel aan deze laatste om de waarachtigheid van haar beweringen te staven (zie Rb. Luik, 26 oktober 1987, voormeld; Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/46.12).

b. 2.2. De administratie kan dit bewijs leveren met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed. In dat verband stelt verweerder dat hij, aan de hand van feitelijke vermoedens, die vertrekken van bekende feiten, de eiseres ten laste gelegde feiten aantoont, hetgeen door eiseres bestreden wordt.

Ter zake doet eiseres opmerken dat de door verweerder weerhouden elementen niet dienstig zijn als feitelijk vermoeden, aangezien de elementen waaruit hij vermoedens meent te mogen afleiden, naar haar oordeel niet voldoende zeker zijn.

Inzake feitelijke vermoedens zijn de wettelijke geldigheidsvoorwaarden van tweeërlei aard. Vooreerst is het bestaan vereist van bekende feiten of elementen, die als grondslag dienen. Daarnaast is er de noodzaak om uit die feiten gevolgtrekkingen af te leiden die, op grond van die feiten, voor verantwoording vatbaar zijn (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/15.8).

a) Vooreerst dienen de feiten of elementen, die als grondslag dienen voor het feitelijk vermoeden, bekend en zeker te zijn, en moeten zij op wettige wijze aangetoond zijn. In geen geval kan een vermoeden het bekend feit of element zijn, waarop een nieuw vermoeden gesteund kan worden (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/15.9).

Anderzijds mag ieder gekend feit als grondslag van een feitelijk vermoeden dienen (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/35.7). Dit is ondermeer het geval voor :

- een geschrift, zelfs indien het niet ondertekend is (zie : Cass., 5 februari 1963, Pas., 1963, I, 89);

- een geschrift, zelfs eenzijdig opgesteld (Cass., 25 maart 1982, F.J.F., 1982, 229);

- elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of verkregen in de uitoefening van zijn functies door een ambtenaar van de fiscale administratie (Cass., 25 maart 1982, voormeld);

- bepaalde elementen geput uit een onregelmatige boekhouding en betwiste documenten (Cass., 25 maart 1982, voormeld).

b) Naast het bestaan van bekende feiten of elementen, die als grondslag dienen, dient de administratie uit deze bekende en vaststaande feiten het onbekend feit, dat zij wil aantonen, af te leiden. Die redenering moet logisch zijn en mag geen aanleiding geven tot tegenspraak (zie Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/15.14).

De rechtbank stelt vast dat verweerder verwijst naar het proces-verbaal van 18 september 1995, dat gesteund is op het ontwerp van proces-verbaal opgemaakt lastens de NV V.. De verbaliserende ambtenaar heeft vastgesteld dat eiseres voor de jaren 1990 (vanaf juli), 1991 en 1992 (tot 31 maart 1992) niet alle aankopen heeft ingeschreven in haar boek voor inkomende facturen. Deze vaststellingen steunen op het feit dat bij inzage van de boekhouding van de leverancier, de NV V., is gebleken dat deze in de loop van voormelde periode leveringen heeft verricht zonder dat deze handelingen werden gefactureerd aan eiseres.

Verder heeft controle bij de NV V. uitgewezen dat er verkoopfacturen werden opgemaakt met valse vermeldingen inzake klanten die niet konden worden geïdentificeerd en dat het hierbij om een georganiseerd fraudesysteem ging, waarbij de verschuldigde BTW op leveringen aan cafés wel werd voldaan, maar als verkopen aan particulieren of verenigingen, waarbij de café-uitbaters aldus aankochten zonder factuur.

Volgens verweerder heeft eiseres als uitbaatster van een dancing een deel van haar aankopen tijdens voormelde periode bij de NV V. gedaan zonder factuur, en heeft zij aldus een deel van haar belastbare omzet kunnen verwezenlijken zonder aantekening in het voorgeschreven boek, stuk of aangifte, en aldus voor deze ontdoken omzet de verschuldigde BTW niet afgedragen aan de Schatkist.

Terecht merkt verweerder op dat de processen-verbaal van ambtenaren van het ministerie van Financiën, krachtens art. 59, § 1 W.BTW, niet alleen de feiten die de verschuldigdheid van de BTW of een boete aantonen, bewijzen, maar ook de feiten die ertoe bijdragen die verschuldigdheid aan te tonen.

Daarbij mag de administratie haar gegevens zowel uit het fiscaal dossier van de belastingplichtige zelf putten, als uit de stukken opgemaakt, ontvangen of bewaard door een derde.

Volgens verweerder vormen de processen-verbaal in deze zaak de grondslag op dewelke vermoedens rusten van de overtreding door eiseres van de bepalingen van het W.BTW.

In casu put de administratie uit de stukken opgemaakt, ontvangen of bewaard door de NV V. om haar toe te laten te bewijzen, of te helpen in het bewijs door vermoedens dat eiseres niet alle met BTW belastbare handelingen heeft aangegeven, en daardoor aan de Schatkist niet de BTW heeft voldaan, die voor die handelingen opeisbaar was.

Volgens verweerder hebben de gegevens geput uit het ontwerp van proces-verbaal en het BTW-dossier van de NV V., opgemaakt door de ambtenaren van de B.B.I., het karakter van vermoedens.

De rechtbank treedt verweerder bij, waar hij stelt dat de documenten die bij een derde werden aangetroffen, gecombineerd met andere elementen en gegevens die aanwijzingen in dezelfde zin geven, een geldig vermoeden kunnen vormen om te besluiten dat de klant de veronderstelde levering van goederen heeft ontvangen.

Vooreerst stelt de rechtbank vast dat het proces-verbaal van 18 september 1995, dat ten laste van eiseres werd opgesteld, steunt op feiten, die door de verbalisanten persoonlijk werden vastgesteld en werden opgenomen in het ontwerp van proces-verbaal lastens de NV V..

Het argument van eiser dat het ontwerp van proces-verbaal opgesteld lastens de NV V. geen enkele bewijswaarde zou hebben aangezien het slechts om een ontwerp van proces-verbaal gaat, kan de rechtbank niet bijtreden.

Uit de tussen verweerder en de NV V. gevoerde briefwisseling vloeit immers voort dat er tussen betrokkenen een akkoord werd afgesloten. Om die reden, alsook om reden dat de opgelegde boete werd betaald, werd uiteindelijk geen definitief proces-verbaal lastens de NV V. opgemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank dient wel degelijk rekening te worden gehouden met de door de verbalisanten in het ontwerp van proces-verbaal persoonlijk vastgestelde feiten.

Naast deze feitelijke elementen baseert verweerder zich op een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens om aan te tonen dat eiseres zwarte leveringen werden verricht en dat met dat doel fictieve facturen op naam van particulieren werden opgemaakt.

Meer bepaald gaat het om volgende vermoedens :

■ De heer V., zaakvoerder van de NV V., heeft bekend in het zwart te hebben geleverd, zoals blijkt uit de na de controle gevoerde briefwisseling.

■ Eiseres was een regelmatige afnemer van de NV V..

■ De NV V. heeft de haar opgelegde boete wegens het opzetten van een zwart circuit betaald, wat een leugen van haar kant zeer onwaarschijnlijk maakt.

■ Volgens verweerder waren er 20 afnemers-belastingplichtigen bij de zaak betrokken, waarvan 19 dossiers hebben geleid tot een minnelijk akkoord. Hoewel verweerder, gelet op zijn beroepsgeheim, de nodige stukken ter staving daarvan niet voorlegt, ziet de rechtbank geen reden om deze verklaring van verweerder in twijfel te trekken.

■ De zwarte leveringen vielen vrijwel altijd samen met een officiële levering, en vaak volgden de factuurnummers van de zwarte en de officiële leveringen elkaar op.

■ De zwarte leveringen gebeurden op naam van de vereniging G. S., … te …. Het eigendom hoort toe aan de heer L., die vroeger lid is geweest van de vereniging in kwestie, die evenwel nooit op dit adres gevestigd is geweest. Verder heeft eiseres; samen met haar echtgenoot, de heer D. M., gedurende twee jaar dit eigendom bewoond.

■ Er bestond een overeenkomst tussen de door eiseres uitgebate dancing 'D. C.' en de NV V., waarbij laatstgenoemde een korting van 15 % toestond op alle bestellingen die door de heer D. M. werden geplaatst. De kortingen werden in de boekhouding van de NV V. in aftrek gebracht van de som van … F., die deze had geleend aan de toenmalige eigenaar van de dancing, en die door eiseres werd overgenomen. Daaruit blijkt dat de door eiseres verkregen kortingen onmogelijk alleen kunnen afkomstig zijn van de officiële verkopen.

■ Op de factuur nr. 90070796 van 20 juli en de leveringsbon nr. 1257, die overeenstemt met factuur nr. 1251, beiden van 1 februari 1991 voor de vereniging G. S., werd een ontvangstmelding aangetroffen met een handtekening, die zeer gelijkend is aan deze van de heer D. M..

■ De leveringsbons nr. 15.206 van 23 januari 1991, nr. 15.510 van 30 december 1991 en nr. 15.734 van 2 januari 1992, opgemaakt op naam van G. S., werden voor ontvangst getekend door de vader van de heer D. M., die, volgens de verklaringen van de heer D. M., af en toe zorgde voor de ontvangst van de dranken in de dancing.

■ In de boekhouding van de NV V. werd vastgesteld dat op elke datum dat er een factuur voor de vereniging G. S. werd opgemaakt, er eveneens een factuur bestaat op naam van 'C. D. O. M.' met het BTW-nummer van eiseres. In de meeste gevallen gaat het om opeenvolgende factuurnummers en gelijkaardige soorten dranken en dit voor eenzelfde bedrag.

■ Een aantal chauffeurs van de NV V., die gedurende de gecontroleerde periode de drankleveringen, die bestemd waren voor de vereniging G. S. verricht hebben, verklaarden unaniem dat zij de dranken op naam van deze vereniging hebben afgezet in de lokalen van de dancing 'D. C.'.

■ Het feit dat eiseres geen klacht heeft neergelegd lastens de leverancier.

De rechtbank treedt verweerder bij, waar hij stelt dat aan de hand van dit geheel van feitelijke vermoedens de zwartleveringen aan eiseres worden bewezen. Verweerder haalt nog aan dat alle andere klanten-afnemers van de NV V. reeds een akkoord hebben afgesloten met de administratie. Daaruit vloeit inderdaad voort dat het fraudesysteem effectief in werking is gesteld, hetgeen een vermoeden vormt dat zulks ook het geval was voor wat betreft eiseres.

b. 3. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de combinatie van de door de controleambtenaren persoonlijk vastgestelde feiten in hoofde van de leverancier van eiseres, en het geheel van overeenstemmende conclusies en vermoedens die daaruit voortvloeien, een materiële, minstens morele zekerheid verschaft van het bestaan van het opgezette fraudesysteem en van de betrokkenheid van eiseres daarin, temeer daar eiseres nalaat bewijskrachtige tegenargumenten aan te brengen.

De BTW-administratie heeft bijgevolg op een wijze, die voldoet aan de in art. 59, § 1 W.BTW gesteld vorm bewezen dat de veronderstelde leveringen effectief door eiseres werden ontvangen. De BTW-administratie kon zich vervolgens steunen op art. 64, §§ 1 en 2 W.BTW om aan te tonen dat deze leveringen aanleiding hebben gegeven tot een additionele omzet, waarvoor geen BTW werd afgedragen (zie : Brussel 25 november 1993, F.J.F., 1994, 551). Bijgevolg was de BTW-administratie ertoe gerechtigd op grond van de artikelen 59, § 1 en 64, §§ 1 en 2 W.BTW, de met BTW belaste omzet exclusief BTW te berekenen.

b. 4. De rechtbank komt verder tot het besluit dat verweerder het bedrag van de verschuldigde BTW en van de boete correct heeft berekend. Terecht werd in dat verband rekening gehouden met de winstpercentages gerealiseerd tijdens de respectieve jaren op de officiële aankopen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart het verzet van mevrouw O. tegen het dwangschrift ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt mevrouw O. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op … F. (rechtsplegingsvergoeding), en ten aanzien van haarzelf op … F. (dagvaardingskosten en rolstelling) + … F. (rechtsplegingsvergoeding);

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste Kamer van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel op 2 februari 2001.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer J. V., alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw C. V., adjunct-griffier.

C. V. J. V.