Assujettissement, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 20 mars 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujettissement, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-poursuite-tribunal-gand-2003-03-20-7fe2

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
20 mars 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

87 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 20.03.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 MAART 2003

00/136/A - In de zaak :

B. V. D. M., zonder beroep, wonende te …, …;

eiseres,

hebbende als raadsman Mter P. D. R. – M., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is aan de Wetstraat 14 te 1000 BRUSSEL, op vervolging en benaarstiging van dhr. Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1;

verweerder,

hebbende als raadsman Mter D. M., advocaat te … (…), …;

vonnist de rechtbank als volgt :

1. PROCEDURE

1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van deze rechtbank en kamer van 20 februari 2003; De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen;

1.2. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende dagvaarding, het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde d.d. 30/12/1999 inzake 99/2650/A, de onderscheiden conclusies van partijen evenals de onderscheiden dossiers van partijen;

2. DE VORDERING

De vordering strekt ertoe verzet te doen tegen de volgende dwangbevelen, uitgevaardigd door de Ontvanger van het BTW-kantoor te Aalst resp. op 3/12/1997 (ref. …); op 6/1/1999 (ref. …) en op 6/1/1999 (ref. …), en uitvoerbaar verklaard door de BTW-controle te Aalst II resp. op 5/12/1997 (ref. …)·, op 6/1/1999 (ref. …) en op 6/1/1999 (ref. …) en betekend aan eiseres resp. op 19/12/1997 (ref. …) en bij aangetekend schrijven d.d. 8 januari 1999 ter kennis gebracht (ref. … en ref. …);

De vordering, zoals laatst gelibelleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :

"…

de vordering van besluitster ontvankelijk en gegrond te verklaren, besluitster akte te verlenen van de huidige aanpassing van haar oorspronkelijke vordering, deze aangepaste vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, diens volgens :

1. verweerster te veroordelen tot terugbetaling van … BEF (… EUR), vermeerderd met de verwijlsintresten op iedere betaling sedert datum van betaling en de gerechtelijke intresten,

2. verweerster voor recht te zeggen dat zij geen vorderingsrecht lastens besluitster heeft en haar te bevelen iedere invordering lastens besluitster stop te zetten;

3. de vordering van verweerster m.b.t. het derde kwartaal 1993 voor een bedrag van (… BEF) … EURO + (… BEF) … EURO en voor eerste en tweede kwartaal 1994 voor een bedrag van (… BEF) … EURO + (… BEF) … EURO verjaard en ongegrond te verklaren;

Verweerster te veroordelen tot de proceskosten en rechtsplegingsvergoedingen;

…"

3. FEITEN EN GESCHIL

3.1. Bij overeenkomst d.d. 10/1/1992 namen de echtgenoten V. O. – D. B. samen met de heer R. C. een taverne over, gelegen te …, …;

Zij werden onverdeeld eigenaar van deze handelszaak;

3.2. Voor de geregelde activiteit van uitbating van de voormelde Taverne werd de feitelijke vereniging R. C. – M. V. O. als BTW-belastingplichtige geregistreerd vanaf 1/2/1992 onder het BTW-nummer … (stuk II, 1 van verweerder);

Deze BTW-belastingplichtige was gekend onder de benaming “Feitelijke Vereniging C. R. – V. O. M.” en bij gevolg onderworpen aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten;

In de onderhandse overeenkomst d.d. 21/9/1992 werd het onverdeeld deel van het echtpaar V. O. overgedragen aan Mevrouw B. V. D. M.;

Deze feitelijke vereniging zette elke BTW-plichtige activiteit stop op 1/8/1994;

3.3. Lastens voornoemde vereniging werd een bijzondere rekening opgemaakt voor de periode van 31/7/1993 tot 31/10/1993; Deze bijzondere rekening resulteerde in een dwangbevel (ref. …) uitgevaardigd op 3/12/1997 door verweerder; Dit dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5/12/1997 door de BTW-controle te Aalst II (stuk I, 1A van verweerder);

Het voormelde dwangbevel werd op 19/12/1997 bij exploot van gerechtsdeurwaarder H. V. D. met standplaats te … betekend aan eiseres (stuk I, 1B van verweerder);

Daar er geen betaling volgde, werd er op 22/4/1998 uitvoerend beslag gelegd op roerende goederen lastens eiseres door gerechtsdeurwaarder K. S. met standplaats te … (stuk I, 2C van verweerder);

3.4. Vervolgens werd lastens de voornoemde feitelijke vereniging een bijondere beslissing voor de periode van 31/7/1993 tot 31/10/1993 getroffen door de toenmalige hoofdcontroleur van de BTW-controle te Aalst II (gehecht aan stuk I, 2A);

Voormelde bijzondere beslissing resulteerde in een dwangbevel (ref. …) uitgevaardigd op 6/1/1999 door verweerder. Dit dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6/1/1999 door de BTW-controle te Aalst II (stuk I, 2A van verweerder);

De aangetekende kennisgeving van dit dwangbevel ref. … aan eiseres geschiedde op 8/1/1999 (stuk I, 2B van verweerder);

3.5. Tenslotte werd lastens de eerder vernoemde feitelijke vereniging nog een bijzondere rekening opgemaakt, ditmaal voorde periode van 30/4/1994 tot 31/7/1994 (gehecht aan stuk I, 3A van verweerder); Deze laatste bijzondere rekening resulteerde in een derde dwangbevel (ref. …) eveneens uitgevaardigd op 6/1/1999 door verweerder; Dit dwangbevel werd eveneens geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6/1/1999 door de BTW-controle te Aalst II (stuk I, 3A van verweerder);

De aangetekende kennisgeving van dit dwangbevel ref. … aan eiseres geschiedde ook op 8/1/1999 (stuk I, 3B van verweerder);

3.6. Op 17/11/1999 tekende eiseres huidig verzet aan bij dagvaarding voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde;

Bij vonnis d.d. 30/12/1999 verzond de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde de zaak naar de onderhavige Rechtbank en Kamer;

Eiseres stelt dat weliswaar bij overeenkomst d.d. 21/9/92 gesloten tussen haarzelf en de voornoemde M. V. O. – F. D. B. werd overeengekomen dat eiseres de onverdeelde delen van V. O. – D. B. in de handelszaak "Taverne Restaurant C." gelegen te Aalst zou overnemen, waarvoor de mede-eigenaar R. C. hoofdelijk en ondeelbaar borg voor haar zou zijn, maar dat deze overeenkomt nooit werd uitgevoerd en volstrekt geen rechtsgevolgen heeft gekend, zodat eiseres nooit deelgenoot werd in voormelde handelszaak;

Eiseres was naar eigen zeggen nooit handelaar in de betrokken periode zodat zij niet BTW-plichtig is;

Teneinde de gedwongen uitvoering te vermijden, heeft eiseres naar eigen zeggen evenwel ten onrechte tal van bedragen via de gerechtsdeurwaarder aan verweerder betaald, bedragen welke zij thans in de onderhavige procedure terugvordert;

4. BESPREKING

4.1. De overeenkomst d.d. 21/9/1992

Verweerder kan zich baseren op de overeenkomst d.d. 21 september 1992, waaruit blijkt dat eiseres intreedt in de feitelijke vereniging ter uitbating van een taverne en aldus o.m. de rechten en plichten op BTW-vlak overneemt van haar rechtsvoorganger;

Deze overeenkomst geldt als voldoende bewijs van de BTW-plichtige activiteiten door eiseres;

Eiseres bewijst niet de nietigheid van de voorliggende overeenkomst, noch enige nieuwe overeenkomst waardoor de oorspronkelijke overeenkomst d.d. 21/9/1992 zou zijn gewijzigd in de een of andere zin;

4.2. De door verweerder beweerde hoofdelijkheid

Een feitelijke vereniging (zoals in casu) kan als dusdanig als BTW-belastingplichtige worden aanzien (H. V., Het BTW-Handboek 1999, Gent, Mys & Breesch, 1999, p. 23 en 24 randnr. 21);

Hierbij is in het BTW-Wetboek evenwel niet uitdrukkelijk voorzien in enige hoofdelijke gehoudenheid van de leden van de feitelijke vereniging m.b.t. haar verplichtingen t.a.v. de BTW-administratie;

Aldus dient te worden teruggegrepen naar het gemeen recht;

De voorliggende BTW-vordering vindt haar oorsprong in de uitbating van een Taverne, mede door eiseres;

Overeenkomstig het gemeen recht zijn handelaars, wanneer zij gehouden zijn tot eenzelfde verbintenis, rechtens hoofdelijk verbonden;

Het is niet nodig dat diezelfde verbintenis voor de verschillende handelaars haar oorsprong in een enkele overeenkomst zou vinden; Het is voldoende dat de verbintenis is ontstaan op grond van een door hen gezamenlijke opgezette of uitgevoerde activiteit (zie ook Cass., 25 oktober 1990, Arr. Cass., 1990-91, 241; Ludo CORNELIS, Algemene theorie van de verbintenis, Intersentia, Antwerpen, 2000, p. 164-165, randnr. 130);

4.3. De beweerde verklaring door eiseres

Eiseres stelt dat de vordering m.b.t. tot het derde kwartaal 1993 slechts betekend werd bij brief van 8/1/1999, hetzij op een ogenblik dat meer dan 5 jaar verstreken was te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan, zodat bij toepassing van artikel 81 W.BTW, de vordering voor een bedrag van … BEF BTW + … BEF geldboete verjaard was en dat zulks eveneens geldt voor de BTW gevorderd voor eerste en tweede kwartaal 1994, waarvoor slechts op 11/5/2000 een dwangbevel aan eiseres werd betekend;

Verweerder stelt terecht dat een vordering m.b.t. eerste en tweede kwartaal 1994 niet aan de orde is, gelet op het feit dat er voor deze kwartalen "nihil-aangiften" werden ingediend (stuk II, 6-7 van het dossier van verweerder);

Voor het derde kwartaal 1993 kan het volgende worden gezegd;

Als regel voor de beoordeling van de verjaring dient verwezen naar artikel 81, eerste lid, W.BTW (oud) welke bepaalt dat de vordering tot voldoening van de BTW, van de intresten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar vanaf het ogenblik waarop de vordering is ontstaan;

De vordering ontstaat wanneer voor de voldoening van de BTW een aangifte moet worden ingediend (BTW-aangifte, bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° W.BTW), in principe bij het verstrijken van de indieningstermijn van de aangifte waarin de verschuldigde BTW moet zijn opgenomen;

Dezelfde termijn geldt voor de administratieve geldboete die verschuldigd is ingevolge artikel 70, par. 1, W.BTW wegens niet betaling of niet tijdige of ontoereikende betaling;

De indiening zelf van de periodieke aangifte doet aldus een specifieke vordering ontstaan tot voldoening van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten;

Daarenboven houdt deze aangifte een vrijwillige schulderkentenis door de belastingplichtige in van de belasting die erin werd opgenomen en vormt ze aldus een stuiting van verjaring welke een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar, bepaald in artikel 83 W.BTW doet lopen te rekenen vanaf de datum van de werkelijke indiening van de aangifte;

De periodieke BTW-aangiften m.b.t. het derde kwartaal 1993 werd ingediend op 20/1/1994 (samen met deze van het vierde kwartaal 1993 - stukken II, 4-5 van verweerder) ;

Deze aangifte geschiedde laattijdig, nl. na 20/10/1993;

Rekening houdende met de werkelijke indieningsdatum verjaarde de vordering van verweerder slechts op 20/1/1999 : het dwangbevel voor dit kwartaal werd reeds uitgevaardigd op 6/1/1999 (stuk I, 3, A van verweerder) en werd per aangetekende zending op 8/1/1999 ter kennis gebracht aan eiseres blijkens aangehecht bewijs van aangetekende zending (stuk I, 3, B van verweerder);

De verjaring werd dan ook tijdig gestuit;

4.4. Daar waar het geschil betrekking heeft op de loutere executie (het verschil in afrekening tussen partijen van betaalde sommen, kosten en intresten zonder enige aanknoping met een betwisting ten grondel is de onderhavige fiscale bodemrechter niet bevoegd om van de zaak kennis te nemen;

4.5. De vordering van eiseres dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen;

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;

Alle anders luidende conclusies van de hand wijzend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond;

Wijst eiseres af van haar vordering en veroordeelt haar tot de kosten;

Begroot de kosten :

- in hoofde van eiseres op … EURO (… BEF) rechtsplegingsvergoeding + … EUKO (… BEF) aanvullende rechtsplegingsvergoeding + … EURO (… BEF) dagvaardingskosten;

- in hoofde van verweerder op … EURO (… BEF) rechtsplegingsvergoeding + … EURO (… BEF) aanvullende rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gewezen en uitgesproken door de zesde (fiscale) kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van 20 maart·2003;

waar aanwezig waren :

alleenzetelend rechter M. V. d. B., bijgestaan door griffier R. D.

R. D. M. V. D. B.