Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 03.09.2007
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 05/119/A Rep. Nr. 2007/11218
de heer D. I., musicus, wonende te …, …,
eiser,
voor wie optreedt Meester D. V. D. K., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
de FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie is opgetreden Meester I. G. loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 17 december 2003.
Gelet op het vonnis d.d. 23 december 2004 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent waarbij de zaak voor verdere behandeling is verwezen naar de fiscale kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 4 juni 2007.
Artikel .2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiser was tot 1 maart 2001 ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE ….
Naar aanleiding van een grondige controle verricht op 28 juni 2000 door het controlecentrum Brugge werd vastgesteld dat eiser, naast zijn hoofdberoep van loontrekkend muzikant, in bijberoep als zelfstandig muzikant speelt ineen ensemble en dit in opdracht van organisatoren. Volgens verweerder is de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 8° W.BTW dan ook van toepassing. Meteen aangetekend schrijven d.d. 27 februari 2001 wordt aan eiser bericht dat met ingang van 1 maart 2001 het belastingregime ambtshalve wordt gewijzigd van het gewone stelsel naar de vrijstellingsregeling.
Voor het tweede en derde kwartaal 2000 werden er BTW-aangiften ingediend met een BTW-tegoed. Gezien de BTW volgens verweerder ten onrechte werd afgetrokken wegens het niet toepassen van de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 8°W.BTW werd de ten onrechte afgetrokken BTW teruggevorderd.
De gevolmachtigde accountant van eiser, de heer D. D., ondertekende hieromtrent op 10 februari 2001 een correctieopgave voor akkoord. Volgens dit akkoord is eiser verschuldigd 10.802,83 EUR aan BTW en een boete van 1.065,94 EUR, dit alles te verhogen met intresten op grond van artikel 91, § 1 W.BTW vanaf 21 oktober 2000 (invorderingsorder …).
Volgens verweerder, wat blijkbaar betwist wordt door eiser, is op 29 mei 2001 een betaling gebeurd van 1.239,47 EUR. Volgens eiser zou hij op 4 september 2001 een bedrag van 3.437,34 EUR hebben betaald, wat door verweerder is aangerekend op invorderingsorder ….
Voor het eerste kwartaal 2001 werd op 26 juli 2001 nog een BTW-aangifte ingediend met een BTW-tegoed t.b.v. 3.020,76 EUR. Van dit tegoed werd 2.920,79 EUR toegerekend op het invorderingsorder ….
Wegens gebrek aan verdere betaling werd op 17 april 2003 door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 18 april 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. D., e.a. inspecteur aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd aan eiser betekend bij gerechtsdeurwaarderexploot op 16 september 2003.
Op 6 oktober 2003 werd uitvoerend beslag op roerende goederen gelegd bij eiser.
Tegen het dwangbevel werd op 17 december 2003 verzet aangetekend door eiser.
2. Eiser vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het dwangbevel wordt vernietigd of ongedaan wordt verklaard;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
In zijn besluiten van 12 september 2005 vraagt eiser voorafgaandelijk dat de procedure wordt geschorst tot er duidelijkheid bestaat omtrent de gegrondheid van de strafklacht.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de opschorting van de zaak
1. In zijn besluiten van 7 juni 2005 stelt verweerder klacht te hebben neergelegd tegen eiser en zijn gevolmachtigde accountant, D. D., bij het Parket van de Procureur des Konings te Veurne. Deze klacht heeft blijkbaar betrekking op de vaststelling van verweerder dat de investeringen en aftrekbare BTW op de ingediende BTW-aangiften veel hoger zijn dan blijkt uit het inkomend factuurboek.
2. Eiser vraagt opschorting van de procedure op basis van het adagium 'Ie criminel tient le civil en état'.
Het vermelde adagium is evenwel slechts van toepassing voor zover : 1) het bewezen is dat de burgerlijke rechtsvordering die men zou willen opschorten betrekking heeft op punten die in verband staan meteen strafvordering aangespannen voor of tijdens de instelling van de vermelde burgerlijke vordering; 2) de strafvordering op een dusdanige manier is aangespannen dat een voorafgaandelijke klacht of opsporingsonderzoek niet voldoende zijn.
In huidige zaak blijkt niet dat deze voorwaarden voldaan zijn. De betwisting die aan de rechtbank wordt voorgelegd betreft de gegrondheid van het dwangbevel d.d. 17 april 2003 en meer bepaald de vraag of de activiteit van eiser valt onder de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 8° W.BTW en hieraan verbonden of eiser recht heeft op de aftrek van BTW conform artikel 45 W.BTW. Het speelt voor het beslechten van deze betwisting geen rol of deze BTW overeenstemt met de aftrekbare BTW in het inkomend factuurboek of deze fictief zou zijn opgedreven.
3. De rechtbank is dan ook niet verplicht, en het is evenmin nuttig, om de huidige procedure op te schorten tot er duidelijkheid is omtrent het resultaat van de ingediende strafklacht.
C. Betreffende de grond
1. Eiser is tewerkgesteld als loontrekkend muzikant bij de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel. In bijberoep treedt hij op in twee muziekensembles (P. en O.) en heeft hij het C. P. opgericht dat instaat voor de artistieke planning en productie van optredens. Verder stelt eiser productieleider te zijn van de vertoningen 'opera verteld', opgevoerd door het muziekensemble O.
2. Conform artikel 4 W.BTW is een belastingplichtige ieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht omschreven in W.BTW ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.
Er is geen betwisting dat eiser, wat betreft zijn loontrekkende activiteit niet als BTW-belastingplichtige kan worden aangemerkt.
3. Zelfstandige uitvoerende artiesten die onder de voorwaarden van artikel 4 W.BTW hun diensten verstrekken worden in beginsel wel als BTW-belastingplichtige aangemerkt. Artikel 44, § 2, 8° W.BTW voorziet evenwel in een vrijstelling voor diensten aan organisatoren van schouwspelen en concerten verstrekt door orkestleiders, muzikanten en andere artiesten voor de uitvoering van muziekstukken. Feitelijke verenigingen of groeperingen van muzikanten vallen ook onder de vrijstelling van artikel 44, § 2, 8° W.BTW.
Indien de muziekensembles in eigen naam en voor eigen rekening overeenkomsten afsluit via een theaterbureau, dan worden de optredens niet verricht aan de organisator maar aan het theaterbureau en is.de vrijstelling van artikel 44, § 2, 8° W.BTW niet van toepassing. Het is dan wel het muziekensemble zelf dat BTW-belastingplichtige is en niet de optredende artiest.
De diensten versterkt door het C. P. worden aangemerkt als intellectueel werk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1° W.BTW. Deze diensten zijn alleen aan BTW onderworpen indien ze verricht worden onder bezwarende titel (artikel 2 W.BTW) door een als zodanig handelde belastingplichtige.
Eiser bewijst op geen enkele manier dat hij diensten heeft verricht (als productieleider of via het C. P.) die niet vallen onder de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 8° W.BTW, maar bijvoorbeeld wel diensten heeft verricht die voldoen aan de voorwaarden van artikel 18, § 1, tweede lid, 1° W.BTW.
4. Eiser bewijst zodoende niet dat hij recht op aftrek van BTW heeft conform artikel 45, § 1 W.BTW en artikel 1, § 1 KB nr. 3 van 10 december 1969.
5. Het feit dat eiser geen recht heeft op de aftrek van BTW blijkt ook uit het feit dat zijn gevolmachtigde, D. D., op 10 februari 2001 een correctieopgave heeft ondertekend betreffende het tweede en derde kwartaal 2000 (stuk 1 van verweerder), 'aangezien deze inkomende handelingen bestemd waren voor kwestieuze vrijgestelde handelingen'. Volgens deze correctieopgave dient eiser te betalen 10.802,83 EUR wegens ten onrechte afgetrokken BTW en 1.065,94 EUR als boete, te verhogen met intresten.
Eiser betwist niet dat hij de heer D. D. op 1 januari 1992 volmacht heeft gegeven om 'ter gelegenheid van controles uitgevoerd in hoofde van de lastgever door de BTW-controlediensten + directe belastingen, de naheffingsopgaven of andere stukken geldig en bindend te ondertekenen'. Deze volmacht werd niet ingetrokken voor eind december 2003. D. D. bezat dus een volmacht om op 10 februari 2001 de correctieopgave geldig te ondertekenen.
D. D. tekende met deze volmacht reeds op 7 9ktober 2000 een correctieopgave betreffende de jaren 1995 en volgende tot en met het eerste kwartaal 2000, omdat eiser niet de hoedanigheid heeft van BTW-belastingplichtige en de afgetrokken BTW moet worden teruggestort.
6. Uit de stukken van verweerder blijkt ook dat op 29 mei 2001, een betaling van 1.239,47 EUR gebeurde op het bedrag dat wordt gevorderd in de correctieopgave betreffende het tweede en derde kwartaal 2000 (stuk 2 van verweerder). Er is zelfs sprake van een afbetalingsplan.
7. Gezien de geldige ondertekening van de correctieopgave op 10 februari 2001 en de betaling die is uitgevoerd, is het niet meer nuttig dat verweerder een volledig gedetailleerde lijst met alle totalen en subtotalen zou neerleggen.
8. De eis van eiser is dan ook ongegrond.
D. Betreffende de kosten
Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de geding kosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag drie september tweeduizend en zeven.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. L. D. P.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.