Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 15.12.2004
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK EERSTE AANLEG GENT - ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 DECEMBER 2004
Nr. AR 02/2381/A
In de zaak van :
De heer M. I., invalide, wonende te …, …,
eiser,
raadsman : meester J. D. B., advocaat te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, vertegenwoordigd door de heer Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Wetteren, met kantoren te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93,
verweerder,
raadsman meester W. D. V., advocaat te …, …,
vonnist de rechtbank als volgt :
1. PROCEDURE
1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van deze rechtbank en kamer van 17 november 2004; De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen;
1.2. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het de gedinginleidende dagvaarding, de onderscheiden conclusies van partijen evenals de onderscheiden dossiers van partijen;
2. DE VORDERING
De vordering strekt ertoe verzet te doen tegen het dwangbevel d.d. 18/3/2002, uitgevaardigd door de hogervermelde administratie van verweerder, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29/3/2002 en bij aangetekend schrijven d.d. 2 april 2002 ter kennis gebracht aan eiser;
De vordering zoals laatst gelibelleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
“…
De vordering door eiser ingesteld ontvankelijk en gegrond te verklaren;
In hoofdorde, onderhavige rechtspleging op te schorten totdat een eindbeslissing wordt gewezen over het bezwaarschrift door eiser ingesteld bij aangetekend schrijven van 13 maart 2001 betreffende een supplementaire fiscale aanslag;
In ondergeschikte orde, het dwangbevel, zowel voor wat de belasting op de toegevoegde waarde betreft als wat de geldboete en intresten aangaat, ongegrond te verklaren en teniet te doen met de veroordeling van verwerende partij tot de gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;
Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling met uitsluiting van kantonnement;
…”
3. FEITEN EN GESCHIL
3.1. Eiser heeft het beroep van zelfstandig schrijnwerker uitgeoefend gedurende de jaren 1997 en 1998 en werd als zodanig bij toepassing van artikel 4 W.BTW geregistreerd onder het BTW-nummer BE …;
Door de heer R. D., eerstaanwezend verificateur bij de administratie van verweerder, werd op 13/1/2000 en de daarop volgende dagen een BTW-controle uitgevoerd over de periode 1997-1998, waarbij o.m. de volledige boekhouding van eiser werd gecontroleerd;
Op 13/1/2000 stelde de heer D. een PV op houdende een relaas van de opgenomen verklaringen alsmede een PV van vaststelling;
Op 4/3/2002 stelde de heer D. een PV op van zijn gedane vaststellingen en de door hem weerhouden overtredingen van de BTW-wetgeving met de door hem gedane rectificaties.
Op grond van de vaststellingen van de heer D. vordert de administratie van verweerder aanvullende BTW en een geldboete in toepassing van artikel 70, par. 1 W.BTW;
Deze vordering geschiedde bij het in casu bestreden dwangbevel d.d. 18/3/2002,·waarbij verweerder volgende sommen vordert van eiser :
- BTW : 1.884,65 EUR
- boete (art. 70, par. 1 W.BTW) 164,00 EUR
- intresten (art. 91, par. 1, 1° W.BTW) : 572,67 EUR
Totaal : 2.621,32 EUR
4. BESPREKING
4.1. het akkoord in de personenbelasting omtrent het inkomstenjaar 1997
Eiser bereikte een akkoord inzake Directe Belastingen, personenbelasting voor het aanslagjaar 1998, inkomstenjaar 1997;
Bij schrijven d.d. 22 april 2004 (stuk 5 verweerder) laat de administratie weten :
“… Dit akkoord is tot stand gekomen als resultaat van een taxatie volgens tekenen en indiciën (toep. art. 341 WIB92) en betreft aldus in feite enkel de bepaling van het netto bedrag van de inkomsten, omvattende zowel het privaat gedeelte als het beroepsgedeelte. Dit houdt in dat er geen toezicht gebeurt op de beroepskosten en de aftrekbaarheid ervan. Aldus heeft dit akkoord geen invloed op de verwerping van het recht op aftrek inzake BTW, zoals opgenomen in het proces-verbaal.
Gelet echter op het feit dat in de akkoordverklaring inzake directe belastingen voor het aanslagjaar 1998 uitdrukkelijk vermeld staat dat de code 606 (beroepskosten) 761.224 BEF bedraagt en dus in overeenstemming is met de oorspronkelijk ingediende aangifte inzake directe belastingen, gaat de administratie akkoord dat inzake BTW de navordering betreffende het jaar 1997 vervalt. …”
Bij schrijven d.d. 29 april 2004 (stuk 6 verweerder) laat de administratie weten :
“… In antwoord op uw schrijven van 26 april 2004 dien ik vooreerst op te merken dat de vordering betreffende het jaar 1997 enkel vervalt voor wat betreft de overtredingen inzake de aftrekregeling van de BTW. De vordering voor het jaar 1997 inzake de overtredingen betreffen de tarieven, zoals opgenomen onder punt III.1 van het oorspronkelijk procesverbaal, wordt evenwel weerhouden, aangezien het akkoord inzake directe belastingen hierop geen enkele invloed heeft.
De oorspronkelijke vordering wordt tot het volgende herleid :
Punt II.2. : 47,00 EUR
Punt II.3.2. : 175,36 EUR
Punt III.1. : 637,53 EUR
Punt III. 2. : 767 85 EUR
Totaal : 1.627,74 EUR
Te verhogen met een boete van 151 EUR, te verhogen met de wettelijke intresten vanaf 21 januari 1999 over 1.620 EUR. …”
Dit laatste schrijven uitgaande van de administratie van verweerder bepaalt dan ook de nieuwe (meer beperkte) krijtlijnen van onderhavig geding;
Voor het overige kan het akkoord bekrachtigd worden dat tussen partijen tot stand kwam;
4.2. het proces-verbaal d.d. 4 maart 2002
4.2.1. Punt II.2. : 47 EUR (stukken 1 en 6 verweerder)
De administratie verwerpt het beroepsgebruik van de personenwagen MERCEDES van eiser;
In de bijlage 1 aan het voormelde proces-verbaal d.d. 4 maart 2002 verklaart eiser op 13 januari 2000 inderdaad dat hij gebruik maakt van zijn bestelwagen en dat zijn echtgenote al van bij aanschaf van de kwestige Mercedes hiervan gebruik maakt;
De verwerping is dan ook terecht;
Eiser stelt wel dat voormelde verklaring onder dwang is afgelegd, maar dit wordt door hem niet bewezen;
Ook het door eiser voorgelegde psychiatrisch verslag kan niet gelden als ontkrachting van eisers eigen verklaring;
4.2.2. Punt II.3.2. : 175 36 EUR (stukken 1 en 6 verweerder).
Eiser betwist het beroepsgebruik van elektriciteit en water niet, zoals dit finaal door de administratie wordt weerhouden;
Terecht weerhoudt de administratie dan ook het bedrag van 175,36 EUR;
4.2.3. Punt III.1. : 637 53 EUR (stukken 1 en 6 verweerder).
Aangezien eiser thans de attesten (stukken 5 van eiser) voorlegt waaruit blijkt dat m.b.t. elk van de vier in het PV weerhouden facturen wel degelijk mocht gefactureerd worden aan 6 %;
De bijkomende aangerekende BTW kan niet langer gehandhaafd blijven;
4.2.4. Punt III.2. : 767 85 EUR (stukken 1 en 6 verweerder).
Met verwijzing naar wat hoger reeds werd gesteld onder randnr. 4.2.1., stelt verweerder terecht dat de bedoelde personenwagen Mercedes per 1/1/1998 volledig voor privé-doeleinden of andere doeleinden dan die van zijn economische activiteiten gebruikt werd;
Verweerder stelt dan ook terecht dat de onttrekking bedoeld in art. 12 par. 1, eerste lid W.BTW dient te worden verricht;
De berekening van verweerder kan worden bijgetreden;
4.2.5. recapitulatie.
Rekening houdende met wat voorafgaat dienen de in het PV weerhouden bedragen herleid te worden als volgt :
- de hoofdsommen en boeten dienen herleid te worden tot resp. 990,21 EUR en 87 EUR, als volgt :
Hoofdsommen Boetebedrag
Punt II.2. : 47,00 EUR X 5 % = 2,35 EUR
Punt II.3.2. : 175,36 EUR X 5 % = 8,76 EUR
Punt III.2. : 767,85 EUR X 10 % = 76,78 EUR
Totaal : 990,21 EUR 87,89 EUR
Afgerond : 87 EUR.
- als intrest is van rechtswege verschuldigd op grond van artikel 91 par. 1 BTW-Wetboek : 0,8% per maand vertraging te rekenen vanaf 21 januari 1999 over het bedrag van de verschuldigde belasting, afgerond naar de lagere tien euro;
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;
Alle andersluidende conclusies van de hand wijzend;
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate;
Maakt het bestreden dwangbevel ongedaan voor zover het betrekking heeft op de bedragen hoger dan deze die hoger gerecapituleerd werden onder randnr. 4.2.5.;
Wijst het anders en/of meer gevorderde af;
Veroordeelt elk der partijen tot de eigen kosten van onderhavig geding;
Begroot de kosten :
- in hoofde van eiser op 349,53 EURO (14.100 BEF) rechtsplegingsvergoeding + 93,54 EURO (3.773 BEF) dagvaardingskosten;
- in hoofde van verweerder op 349,53 EURO (14.100 BEF) rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken door de zesde (fiscale) kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van woensdag 15 december 2004, waar aanwezig waren :
- alleenzetelend rechter M. V. d. B.,
- griffier M. V..
M. V. M. V. d. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.