Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 04.11.2005
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer
Zitting : 4 november 2005
eindvonnis
Rol nr. : 00/1991/A
Inzake :
C. G.-R., handeldrijvende onder de benaming Chinees Restaurant K., ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer …, wonende te …, ….
eiser,
ter zitting vertegenwoordigd door meester V. W., advocaat te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector van de BTW, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor in Tienen, met kantoren te 3300 Tienen, Goossensvest 11.
verweerder,
ter zitting vertegenwoordigd door meester B. D., advocaat te …, …;
In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 7 oktober 2005, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- de gedinginleidende dagvaarding op 31 augustus 2000 op verzoek van C. G. R. betekend aan de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Tienen
- de beschikking bij toepassing van artikel 747, tweede paragraaf, van het Gerechtelijk Wetboek van 12 april 2005
- de conclusie, de aanvullende conclusie en de tweede aanvullende conclusie op respectievelijk 10 november 2000, 19 juli 2004 en 30 juni 2005 op de griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector van de BTW, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Tienen
- de conclusie en de tweede conclusie op respectievelijk 5 maart 2004 en 25 mei 2005 op de griffie neergelegd. door C. G. R..
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2005, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
1. Feiten en procesverloop
1.1. C. G. R., hierna genoemd "eiser", en zijn echtgenote baten zelfstandig een restaurant uit.
Op 23 januari 1997 verleende de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Gent toelating aan de ambtenaren van de administratie van de bijzondere belastinginspectie tot inzage en copijname van het strafdossier dat door de procureur des Konings te Brugge lastens Y. T. en anderen werd aangelegd en het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek.
Uit een financieel onderzoek door de gerechtelijke politie van Brugge naar de ontvangsten van de beroepswerkzaamheid van eiser en zijn echtgenote op 1 december 1997 bleek dat in 1995 een totaal bedrag van … EUR werd gestort op hun diverse bankrekeningen.
Op basis van de gegevens van het financieel onderzoek stelde de ambtenaar gelast met het onderzoek vast dat eiser voor het jaar 1995 een bedrag van … EUR inclusief BTW te weinig aangaf. Op basis van deze gegevens werd op 7 juli 1999 een correctieopgave opgesteld Voor een BTW-schuld van … EUR waarmee eiser zich niet akkoord verklaarde.
Op 1 oktober 1999 stelde de eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Tienen, een proces-verbaal op.
Op 2 februari 2000 vaardigde de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Tienen een dwangbevel lastens eiser uit waarbij wordt ingevorderd :
BTW … EUR
geldboete … EUR
interesten
Het dwangbevel werd op 7 februari 2000 uitvoerbaar verklaard door de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt en ter kennis van eiser gebracht bij ter post aangetekende brief van 10 februari 2000.
1.2. Eiser tekende op 31 augustus 2000 verzet tegen het dwangbevel aan. Hij vordert :
- de nietigverklaring van de bijkomende heffing inzake BTW zoals medegedeeld bij bericht van 10 februari 2000
- de veroordeling van de BELGISCHE STAAT in de kosten
- de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De BELGISCHE STAAT, hierna genoemd "verweerder", vraagt de vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiser in de kosten te veroordelen.
2. In rechte
2.1. Eiser grondt zijn vordering op de hypothetische berekeningen van de ontvangsten, de inadequate motivering van de belastingverhoging (lees : de administratieve geldboete), en zijn voorbehoud om rekeninguittreksels en boekhouding bij te brengen van zodra hij toelating heeft van de procureur des Konings te Brugge tot teruggave van de tijdens het strafonderzoek in beslag genomen stukken.
2.2. Het voorbehoud
Uit de stukken die verweerder overlegt blijkt dat de raadsman van eiser al op 11 september 2001 de mogelijkheid kreeg om inzage en copijname van het strafdossier te vragen. Van deze mogelijkheid maakte eiser kennelijk geen gebruik. Dit maakt het voorbehoud van eiser zonder voorwerp.
Verweerder brengt overigens ook een copie bij van het bewuste financieel onderzoek van de gerechtelijke politie van Brugge van 1 december 1997. Het proces-verbaal van de controleambtenaar van 1 oktober 1999 bevat de resultaten van het financieel onderzoek verkregen uit de inzage van het strafdossier.
2.3. De berekening van de ontvangsten
Het financieel onderzoek stelt de ontvangsten van eiser en zijn echtgenote uit hun beroepswerkzaamheid van restaurantuitbater in 1995 samen. Het steunt op de overzichten van hun rekeningen en op de boekhoudkundige stukken. Bij de berekeningen werden niet als inkomsten meegerekend : de kinderbijslagen, leningen en kaskredieten, interesten, de verrichtingen tussen de rekeningen.
Enkel de bankrekening van het restaurant en de twee bankrekeningen van eiser werden in aanmerking genomen. Dit ontzenuwt de bewering van eiser dat alle bankrekeningen zonder onderscheid in aanmerking werden genomen.
Eiser voert stortingen op zijn bankrekening aan van huuropbrengsten van een onroerend goed, van betalingen van zijn zoon, van zijn spaarrekening, van de privérekening van zijn echtgenote, waarmee de personenbelasting werd betaald. Eiser betoogt dat deze ingrepen noodzakelijk waren omdat de handelszaak onvoldoende fondsen had om de belasting te betalen.
Het proces-verbaal van het strafdossier en het proces-verbaal van de controleambtenaar vermelden evenwel dat de verrichtingen tussen de rekeningen niet werden meegerekend. Overeenkomstig artikel 59, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde geldt het proces-verbaal van de controleambtenaar tot bewijs van het tegendeel.
Eiser brengt wel een overzicht van de verrichtingen van de rekening nummer … van het restaurant bij waaruit de door hem aangevoerde stortingen van zijn rekening nummer … en van de rekening nummer … van zijn echtgenote blijken. Hiermee levert eiser echter nog niet het tegenbewijs dat met die verrichtingen tussen de rekeningen werd rekening gehouden bij de berekening.
Op basis van de gegevens van het financieel onderzoek stelde de ambtenaar gelast met het onderzoek vast dat eiser voor het jaar 1995 een bedrag van … EUR inclusief BTW te weinig aangaf. De controleambtenaar berekende dat op de niet aangegeven ontvangsten de BTW ten bedrage van … EUR x 20,5/120,5 = … EUR verschuldigd is.
2.4. De administratieve geldboete
In het dwangbevel wordt de administratieve geldboete gelijk aan het dubbele van de verschuldigde belasting ingevorderd, met de motivering dat de boete verschuldigd krachtens artikel 70, eerste paragraaf, van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde niet werd verminderd overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit nummer 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 oktober 1993.
Eiser noemt dergelijke motivering ten onrechte inadequaat.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN
DE RECHTBANK
gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,
rechtsprekend op tegenspraak,
alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig, .
verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond,
veroordeelt eiser in de kosten, aan zijn zijde niet begroot omdat hij ze zelf moet dragen en aan de zijde van verweerder op de rechtsplegingsvergoeding van … EUR.
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 04 november 2005, waar zetelden :
de heer P. V., alleenzetelend rechter;
mevrouw J. C., griffier.
J. C. P. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.