Amende administrative, disposition pénale, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 2 novembre 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Amende administrative, disposition pénale, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/amende-administrative-disposition-penale-poursuite-tribunal-hasselt-2005-11-02-0325

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
2 novembre 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

104 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 02.11.2005

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 02/0252/A

1. B. P., wonende te …, ….

2. C. G., wonende te …, ….

3. C. L., wonende te …, ….

4. C. L., wonende te …, ….

5. C. W., wonende te …, ….

eisers,

vertegenwoordigd door Mr. P. S. loco Mrt. S. S., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de rekenplichtige van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Hasselt met burelen te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. V. L. d. J., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder P. W. te … van 30.05.1991 waarbij door de heer N. C. verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel uitgevaardigd door M. V. D., ontvanger van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt op 12.03.1991, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. D. D., gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 18.03.1991;

- de conclusies en stukken van verweerder;

- de besluiten van eiser;

- de akte ven hervatting van het geding door de erfgenamen van de heer N. C., neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 06.02.2002;

- de aanvullende besluiten en stukken van verweerder;

- de synthesebesluiten en stukken van eisers;

- de synthesebesluiten en stukken van verweerder.

FEITEN EN VOORGAANDEN

De heer N. C. was als zelfstandige brood- en banketbakker en kleinhandelaar in levensmiddelen geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nummer … en zodoende onderworpen aan de BTW­wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

De heer N. C. kocht onder meer bloem aan bij de NV M. A. te ….

Uit een strafrechtelijk onderzoek lastens C. A., e.a. bleek dat de NV M. A. diverse leveringen van bloem aan haar klanten heeft verricht zonder dat daarvoor een factuur werd opgesteld.

Op 23.11.1990 werd door de heer hoofdcontroleur D. M., verbonden aan de administratie van de BTW, registratie en domeinen en ter beschikking gesteld van de administratie van de bijzondere belastinginspectie, 5e inspectie te Gent, een proces-verbaal opgesteld lastens de heer N. C. waarbij werd vastgesteld dat door de heer C. bloem werd aangekocht van de NV M. A. zonder dat deze leveringen van bloem gefactureerd werden. De hoofdcontroleur berekende de meeromzet op basis van deze aankopen van bloem zonder factuur, te weten :

- voor 1986 : totale meeromzet 864.330 BEF (21.426,18 euro)+ 6 % BTW 51.859 BEF (1.285,55 €);

- voor 1987 : totale meeromzet 819.990 BEF (20.327,02 euro) + 6 % BTW 49.199 BEF (1.219,61 €);

- voor 1988 : totale meeromzet 517.995 BEF (12.838,03 euro) + 6 % BTW 31.072 BEF (770,35 €).

De heer hoofdcontroleur D. M. deed deze vaststellingen op basis van de gegevens uit de boekhouding van de NV M. A., van de dossiers van de fiscale administratie, van de verklaringen van mevr. L. V., gedelegeerd bestuurster bij de NV M. A., van de documenten uit het strafdossier onder meer twee kasboeken waarin diverse contante uitgaven en ontvangsten van de NV M. A. in werden vermeld die niet werden teruggevonden in de boekhouding.

Uit deze twee kasboeken zou gebleken zijn dat "C. N. D.", leveringen bloem ontving die niet werden gefactureerd.

Op basis van deze vaststellingen berekende de hoofdcontroleur D. M. een meeromzet in hoofde van de heer N. C., hetgeen resulteerde in een BTW-navordering als volgt begroot :

- BTW : 132.130 BEF (3.275,42 €);

- wettelijke geldboete op grond van art. 70, § 1 W.BTW wegens niet betaling van de belasting: tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting zijnde 264.260 BEF (6.550,83 €);

- wettelijke intresten berekend overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 1989 over de som van 132.000 BEF (3.272,19 €).

Teneinde betaling te bekomen van voormelde bedragen werd op 12.03.1991 tegen de heer N. C. een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 23.11.1990. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 18.03.1991, en met een bevel tot betaling van gerechtsdeurwaarder L. H. te …, aan de heer N. C. betekend op 25.03.1991.

In dit dwangbevel werden de hiernavolgende bedragen gevorderd :

- BTW : 132.130 BEF (3.275,42 €);

- wettelijke geldboete op grond van art. 70, § 1 W.BTW wegens niet betaling van de belasting: tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting zijnde 264.260 BEF (6.550,83 €);

- wettelijke intresten berekend overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 1989 over de som van 132.000 BEF (3.272,19 €);

- wettelijke intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de betekening van het dwangbevel;

- de kosten van het exploot van betekening.

De heer N. C. ging bij deze rechtbank in verzet tegen dit dwangbevel middels exploot van gerechtsdeurwaarder P. W. te … van 30.05.1991.

Bij akte ven hervatting van het geding, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 06.02.2002, hebben de erfgenamen van de heer N. C. het geding hervat.

BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

1. Wat betreft de bewijskracht van de vaststellingen in het proces-verbaal van 23.11.1990

De materiële vaststellingen die zijn gebeurd door de hoofdcontroleur D. M. hebben door hun opname ervan in het proces-verbaal van 23.11.1990 de in artikel 59, § 1 in fine bepaalde bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.

Uit dit proces-verbaal blijken de volgende materiële vaststellingen :

- op 11.06.1990 en 05.07.1990 heeft de heer D. M. zich begeven naar de maatschappelijke zetel van de NV M. A. en kennis genomen van de volledige boekhouding, stukken en bescheiden met betrekking tot de periode van 01.01.1986 tot 31.12.1988;

- de heer D. M. heeft kennis genomen van het BTW-dossier en het vennootschapsbelastingendossier van de NV M. A.;

- de heer D. M. heeft inzage genomen van het strafdossier lastens A. C., e.a.;

- uit het proces-verbaal nr. … van 09.09.1988, opgesteld na de uitvoering van een huiszoeking bij mevr. L. V., bestuurster van de NV M. A., blijkt dat er twee kasboeken werden in beslag genomen waarin diverse kontante uitgaven en ontvangsten in werden vermeld;

- uit het proces-verbaal nr. … van 09.09.1988 blijkt dat de heer V. H., bediende bij de NV M. A. verklaarde : "Vanaf 1 april 1982 ben ik tewerkgesteld bij de NV M. A. te …. Van in den beginne ben ik bij deze firma verantwoordelijk voor onder meer de ontvangsten en betalingen. Ik houd hiervan een dagboek bij en het zijn deze schriften die U mij komt te vertonen. Ik doe alle kontante ontvangsten, die ik in deze schriften opschrijf en ik doe alle betalingen ... "

- mevr. L. V., gedelegeerd bestuurster van de NV M. A. verklaarde aan de controle-ambtenaar D. M. : "De fotokopieën die U mij toont, zijn inderdaad genomen van de kasboeken die op 9 september 1988 in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Dendermonde. Voor die datum was ik niet op de hoogte van het bestaan ervan. Zoals later bleek, hield de bediende, dhr. J. V. H. hen bij in opdracht van dhr. A. C., bestuurder van de NV M. A.. Ik heb geen kennis van hetgeen er in vermeld staat, maar ik weet dat wat er in staat niet in de officiële boekhouding genoteerd is. Ik geef inderdaad toe te weten dat er verkopen werden gedaan zonder dat een verkoopfactuur werd opgesteld, want bij sommige klanten ging ik zelf de kontante betalingen voor deze leveringen zonder factuur ophalen. Van de aankopen zonder factuur ben ik niet op de hoogte, het was de heer A. die zich daarmee bezig hield."

- uit de kasboeken is gebleken dat "C. N. D.", door mevrouw L. V., voornoemd, goed gekend is, omdat zij persoonlijk bij deze cliënt om de kontanten ging, als de heer N. C., … te …;

- de heer D. M. heeft kennis genomen van het BTW-dossier op naam van de heer N. C..

De bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal geldt enkel voor wat de controle-ambtenaar persoonlijk heeft vastgesteld, de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen zullen evenwel moeten bewezen worden door de administratie d.m.v. de wettelijk toegestane bewijsmiddelen, onder meer door vermoedens.

Uit het proces-verbaal van 23.11.1990 blijkt dat verweerder zich beroept op de zogenaamde "zwarte" kasboeken van de NV M. A. waarin onder de naam "C. N. D.", op gedetailleerde wijze de volgende gegevens werden vermeld : de datum van betaling, de datum van levering, de aard van de goederen (bloem), de geleverde hoeveelheid bloem, de eenheidsprijs en de totale prijs.

Vervolgens heeft verweerder inzage genomen van het BTW-dossier van de heer N. C. en vastgesteld dat de gegevens opgenomen in de "zwarte" kasboeken van de NV M. A. met betrekking tot de leveringen van bloem aan "C. N. D.", niet werden opgenomen in de BTW-aangiften en de bijbehorende berekeningsbladen van het forfaitair stelstel van de bakkers, brood- en banketbakkers, van N. C. en dat het BTW-dossier derhalve onjuiste gegevens bevatte.

Op basis van deze gegevens heeft de hoofdcontroleur D. M. een meeromzet berekend en de daarop verschuldigde BTW begroot voor het jaar 1986 op 51.859 BEF (1.285,55 €), voor het jaar 1987 op 49.199 BEF (1.219,61 €) en voor het jaar 1988 op 31.072 BEF (770,35 €).

Rechtsgeldige vermoedens kunnen worden gebouwd op de gevonden interne stukken opgesteld door derden en op de verklaringen afgelegd door derden doch zij dienen te worden gecontroleerd op hun overeenstemming met de werkelijkheid.

Het wordt vooreerst niet betwist dat de heer N. C. in de kwestieuze periodes regelmatig bloem aankocht bij de NV M. A..

Uit de "zwarte" kasboeken die in beslag werden genomen bij mevr. V., bestuurster bij de NV M A., uit de verklaringen van de heer V. H., bediende bij de NV M. A. en mevr. V., gedelegeerd bestuurster bij de NV M. A., in het kader van het strafonderzoek naar de NV M. A., blijkt het bestaan van een zwart circuit van leveringen van bloem.

Ook het bestaan van een zwarte boekhouding is een bekend feit. De vermeldingen in de "zwarte" kasboeken gebeurden op een zeer gedetailleerde wijze. De kopieën van deze kasboeken tonen aan dat deze stukken regelmatig, zelfs dag per dag werden bijgehouden en vermelden systematisch de namen van afnemer, de hoeveelheid en de aard van geleverde goederen, de datum van levering, evenals de handelingen dewelke betrekking hebben op bedragen en betalingen.

Het bijhouden van een dergelijke van de officiële boekhouding afwijkende documenten heeft geen reden van bestaan indien in het bedrijf geen verkopen zonder factuur zouden worden gedaan en het is gelet op de voorliggende feiten ondenkbaar dat de identiteit van een werkelijke klant die aankopen in het zwart verricht fictief zou worden aangewend om leveringen aan andere afnemers te verhullen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze "zwarte" kasboeken wel degelijk de werkelijkheid weergeven en dat daadwerkelijk geleverd werd aan de daarin vermelde afnemers, mede gelet op de verklaringen afgelegd door de bestuurders en werknemers van de NV M. A..

Mevrouw V., weduwe van de heer H. A., bevestigde het bestaan van verkopen zonder factuur en stelde dat zij bij sommige klanten de contante betalingen van dergelijke zwarte leveringen ging ophalen. Uit het proces-verbaal van 23.11.1990 blijkt dat de in de “zwarte" kasboeken vermelde persoon "C. N. D." geïdentificeerd werd als de oorspronkelijke eiser, de heer N. C.. Deze persoon was door haar goed gekend omdat zij er persoonlijk de contante betalingen ging halen. In de "zwarte" boekhouding wordt mevr. V. vermeld als "L.' of "L. L." en het onder die naam ingeschreven bedrag wordt ir detail teruggevonden op andere nota's waarop de naam van de oorspronkelijke eiser, de heer N. C., met een overeenstemmend bedrag, de hoeveelheid geleverde kilo's en de eenheidsprijs voorkomen (zie stuk 7 van het administratief bundel).

Al de hoger weergegeven elementen samen wijzen op de waarachtigheid en het betrouwbaar karakter van de "zwarte" kasboeken. De administratie hee gebruikt gemaakt van gewichtige, bepaalde en met elke, overeenstemmende vermoedens om te besluiten tot het bestaan van een zwarte meeromzet in hoofde van de oorspronkelijke eiser, de heer N. C..

Het argument van eisers dat bij optelling uit de officiële leveringen en de "vermeende zwarte leveringen" zou blijken dat er meer dan 10.000 kg per dag zou worden geleverd en dat de bloemsilo slechts 10.000 kg bloem ze kunnen stockeren, zoals blijkt uit een verslag ter plaatste door de inspecteur die de bezwaarschriften inzake de directe belastingen behandelde, overstijgt het loutere niveau van de bewering niet. Uit het verslag van de belastinginspecteur blijkt immers dat de inhoud van de bloemsilo volgens verklaring van de oorspronkelijke eiser slechts 10.000 kg. zou zijn. Uit geen enkel objectief gegeven blijkt dat de inhoud van de bloemsilo slechts 10.000 kg. zou zijn.

In de gegeven omstandigheden is het verzet tegen het dwangbevel dan ook ongegrond.

2. Aangaande de opgelegde BTW-boete

In het proces-verbaal van 23.11.1990 werd krachtens art. 70, § 1 W.BTW een geldboete opgelegd van tweemaal het bedrag van verschuldigde belastingen, zijnde 264.260 BEF (6.550,83 €) wegens niet betaling van de belastingen.

Eisers voeren vooreerst aan dat deze geldboete zonder motivering zou zijn opgelegd.

De rechtbank kan eisers daarin niet volgen.

In het proces-verbaal van 23.11.1990 wordt uiteengezet op grond van welke wettelijke bepalingen de geldboete wordt opgelegd nl. art. 70, § 1 W.BTW. Tevens vermeldt het proces-verbaal de omstandigheden op grond waarvan verweerder van oordeel is dat er een inbreuk op de BTW-wetgeving werd begaan en dat de verschuldigde belastingen niet werden betaald.

Door die motivering, opgenomen in het proces-verbaal, kunnen eisers zich rekenschap geven van de redenen op grond waarvan de geldboete werd opgelegd.

Tevens vorderen eisers dat deze geldboete van 200 % zou worden kwijtgescholden, minstens ernstig herleid.

De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde boete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004, nr. 264, 636; Arbitragehof, 24 februari 1999, R.W., 1998-99, 1346; Arbitragehof 12 juni 2002).

Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak. De belastingplichtige moet de opgelegde sanctie kunnen laten controleren door een rechterlijke instantie. De rechter mag weliswaar geen loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laten gelden om de belastingplichtige te bevrijden van wettelijk opgelegde verplichtingen (zie Cass., 502.1999, T.F.R., 1999, nr. 99/44, tweede middel).

Eén en ander impliceert dat de uiteindelijk verschuldigde boete in verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, zoals deze blijken uit het proces-verbaal van 23.11.1990, het opleggen van een geldboete van 200 % verantwoord is en bij de feiten aansluit.

De vordering tot kwijtschelding of vermindering van de geldboete is dan ook ongegrond.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Verleent eisers akte van de hervatting van het geding;

Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 12.03.1991 ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de kosten en begroot deze kosten aan de zijde van verweerder op 178,48 € rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 02.11.2005 alwaar aanwezig waren :

De heer L. B., rechter, waarnemend voorzitter,

Mevrouw M. C., rechter,

Mevrouw C. V., rechter, en,

De heer R. D., griffier-hoofd-van-dienst.

R. D. C. V. M. C. L. B.