Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d'appel de Bruxelles du 15.04.2026 – 2019/AF/244
[ FIN 53684592 ]
[ Arrêt favorable ]
TVA – Achat et vente de véhicules utilitaires – Crédit-bail – Déclaration de régularisation de TVA – Avis de contestation
Texte intégral
Corps de la décision
Cet arrêt n'est disponible que dans la langue originale.
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 15.04.2026 – 2019/AF/244
cie1, ON ..., met maatschappelijke zetel te ... ..., ...,
appellante,
vertegenwoordigd door mr. THYS Stephanie (BRUSSEL) loco mr. DEFOOR Wim, advocaat te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 57-59,
tegen
DE BELGISCHE STAAT, ON ..., Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend op verzoek van de Adviseur-Generaal, Directeur van het CENTRUM GROTE ONDERNEMINGEN LEUVEN, met kantoren te 3001 HEVERLEE, Philipssite 3A bus 1,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door mr. VERLINDEN Lode (DILBEEK) loco mr. COLOGNE Christophe, advocaat te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 118.
Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.
Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder:
het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 1 december 2017 waarin de zaak werd verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven;
het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 5 april 2019 (17/2249/A), waarvan geen betekeningsakte voorligt;
het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 18 juni 2019;
de conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 17 februari 2020, 6 april 2021 en 25 april 2022 (deze laatste syntheseconclusies werden door geïntimeerde nogmaals ter griffie neergelegd op 9 januari 2026);
de conclusie en syntheseconclusie van appellante, neergelegd ter griffie op 1 oktober 2020 en 20 oktober 2021;
de stukken van de Belgische Staat (het administratief dossier - hierna 'AD' genoemd), elektronisch neergelegd op 25 april 2022 en ter griffie op 9 januari 2026;
de stukken van appellante, neergelegd ter griffie op 27 februari 2026.
1. Relevante feiten en voorgaanden
Appellante heeft als activiteit de aan- en verkoop van bedrijfsvoertuigen en van wisselstukken voor bedrijfsvoertuigen. Appellante is concessiehouder van het Italiaanse merk IVECO.
De betwisting heeft betrekking op de btw-vordering opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie d.d. 7 november 2016.
In 2016 voerde het Centrum Grote Ondernemingen van Leuven een fiscale controle uit over de boekjaren 2013 en 2014 en dit zowel inzake vennootschapsbelasting als inzake BTW.
Op 20 mei 2016 verzond de fiscale administratie een vraag om inlichtingen aangaande de financiële leasing van 2 wagens (Ferrari) aan appellante, waarop appellante antwoordde (stukken 45-49 AD). Op 12 september 2016 stelde de fiscale administratie een btw-correctieopgave op waarmee appellante slechts gedeeltelijk akkoord ging (stukken 50-82 AD). Op 7 november 2016 stelde de fiscale administratie vervolgens een proces-verbaal van regularisatie op waarin de volgende bedragen van appellante werden gevorderd:
12.708,06 euro btw (m.b.t. telefonie, wagens, privé uitgaven, gratis verstrekte
goederen, geschenken en onthaalkosten)
1.270,00 euro proportionele geldboete (10%)
nalatigheidsinteresten te rekenen vanaf 21 januari 2015.
Namens appellante werd tegen dit proces-verbaal een bezwaarschrift ingediend op 23 januari 2017 (stukken 7-17 AD). In het kader van het onderzoek van het bezwaarschrift werd een vraag om inlichtingen gesteld waarop namens appellante werd geantwoord (stukken 1832 AD).
In de administratieve beslissing d.d. 18 juli 2017 werd het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond verklaard wat betreft de telefoniekosten (stukken 1-6 AD).
2. Procedure in eerste aanleg
Op 4 oktober 2017 legde appellante een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. In het vonnis d.d. 1 december 2017 verzond die rechtbank de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Appellante verzocht de rechtbank om het proces-verbaal van regularisatie inzake btw gedeeltelijk te ontheffen, minstens de opgelegde btw-boete kwijt te schelden en het invorderingsorder aan te passen en om de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van alle ten onrechte geïnde of ingehouden sommen vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de gerechtskosten.
Geïntimeerde verzocht de rechtbank om de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, in ondergeschikte orde om het gedeeltelijk recht op aftrek vast te stellen overeenkomstig artikel 1, §2, lid 2 KB nr. 3 en om appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.
In het bestreden vonnis verklaarde de rechtbank de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellante tot de betaling van de gerechtskosten.
De rechtbank oordeelde dat aangezien de kwestie van het recht op btw-aftrek een rechtskwestie is, appellante zich niet op het vertrouwensbeginsel kan beroepen, dat appellante geen schending van het vertrouwensbeginsel aantoont en dat appellante er niet in slaagt aan te tonen dat de Ferrari's daadwerkelijk beroepsmatig worden gebruikt. Wat de voorbelasting op de beweerde 'private facturen' betreft, oordeelde de rechtbank dat appellante faalt in haar bewijslast en dat geenszins blijkt dat appellante op het moment van de uitoefening van het recht op aftrek de bedoeling had om die goederen te bestemmen voor haar economische activiteit en dat de latere doorfacturatie daar niets aan verandert. De rechtbank oordeelde dat de opgelegde boete in overeenstemming is met de wet, in evenredigheid staat met de begane overtreding en er geen reden is om de boete te verminderen. Het betreft geen principiële betwisting.
Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan bij het voormelde verzoekschrift tot hoger beroep.
3. Procedure voor het hof van beroep
Appellante verzoekt het hof om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen en dienvolgens:
het proces-verbaal van regularisatie gedeeltelijk te ontheffen en te zeggen voor recht dat de betwiste bedragen niet verschuldigd zijn, minstens de opgelegde btw-boete kwijt te schelden en het invorderingsorder aan te passen;
de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van ten onrechte geïnde of ingehouden sommen vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsinteresten vanaf de dag van de betaling (22 december 2016) te kapitaliseren overeenkomstig artikel 1154 BW en tot de betaling van de gerechtskosten.
Appellante voert hiertoe de volgende middelen aan:
de betaalde voorbelasting op de leasefacturen m.b.t. de twee wagens is aftrekbaar overeenkomstig artikel 45, §1 W.BTW, deze wagens zijn geleased om de leveranciers en handelsrelaties van de vennootschap te imponeren en te ontvangen op een manier die hen ertoe moet aanzetten uitsluitend en exclusief handel te voeren met appellante en om zodoende de belastbare omzet te doen stijgen, de twee wagens werden voornamelijk tentoongesteld in de showroom, tevens werden deze ook gebruikt om verplaatsingen extra muros te doen;
de houding van de controlediensten druist in tegen de beginselen van behoorlijk bestuur;
de voorbelasting op de beweerde 'private facturen' is aftrekbaar, de betrokken goederen werden nadien door appellante met btw aan derden doorgefactureerd; de proportionele boete is niet verschuldigd of moet minstens worden kwijtgescholden;
de moratoriumintresten moeten worden gekapitaliseerd overeenkomstig artikel 1154 (oud) BW.
Geïntimeerde verzoekt het hof om het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, in ondergeschikte orde het gedeeltelijk recht op aftrek vast te stellen overeenkomstig artikel 1, §2, lid 2 KB nr. 3 en om appellante te veroordelen tot de betaling van alle gerechtskosten.
Geïntimeerde voert hiertoe aan:
dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 45 W.BTW wat betreft de kosten van de twee leasingwagens, appellante toont niet aan dat de leasingwagens uitsluitend worden gebruikt voor verplaatsingen die kaderen binnen de economische activiteit van appellante of gebruikt werden voor tentoonstellingen of om klanten te imponeren;
dat er geen sprake is van enige schending van de beginselen van behoorlijk bestuur; dat de btw betaald op privé-uitgaven niet aftrekbaar is, ook niet in het kader van een latere doorfacturatie;
dat de boete van 10% van rechtswege verschuldigd is.
4. Beoordeling
4.1. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist door geïntimeerde. Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn, is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.
4.2. Wat betreft de toepassing van artikel 45 W.BTW voor de kosten van de
leasewagens
Appellante voert aan dat de twee wagens werden geleased met het oog op het versterken van het beeld van een sterke onderneming en dit ten aanzien van de klanten, leveranciers, concurrenten, bankiers, verzekeraars en het personeel. De band tussen appellante en Ferrari is gecreëerd in 2009 en appellante is erin geslaagd, in samenwerking met IVECO, een partnership IVECO-Ferrari-H. voor twee jaar (2010-2011) tot stand te brengen. Zo heeft appellante de vrachtwagens van het Formule 1- team van Ferrari kunnen stallen (stukken 1-2 van appellante) en heeft het personeel van appellante op verzoek van IVECO aan de Ferrari Challenge deelgenomen in 2012 (stuk 3 van appellante). Beide wagens werden tentoongesteld in de showroom en werden ook gebruikt om verplaatsingen extra muros te doen. Het recht op aftrek hangt niet af van de frequentie en de intensiteit van het gebruik van het bedrijfsmiddel.
Geïntimeerde voert aan dat appellante niet aantoont dat de wagens uitsluitend worden gebruikt voor haar economische activiteit. Tijdens de controle werden de wagens aangetroffen in het magazijn met een beschermhoes.
Overeenkomstig artikel 45, §1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting, geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. De bewijslast van het bestaan van het recht op aftrek ligt bij de belastingplichtige.
De administratie maakt geen verboden opportuniteitsoordeel door te eisen dat appellante hiertoe het nodige bewijs levert.
Het hof oordeelt dat appellante niet voldoet aan de op haar rustende bewijslast en zich beperkt tot beweringen die trouwens geregeld door haar worden aangepast of gewijzigd.
Het betreft twee wagens van het type Ferrari die werden geleased op 19 maart 2009 voor een periode van 10 jaar van cie2. Beide wagens hebben een gepersonaliseerde nummerplaat met de initialen van de twee gebruikers, de heren D. en C.H. (DH123 en CH888).
Er ligt geen enkel bewijs voor dat de twee wagens louter werden gebruikt voor beroepsmatige verplaatsingen. Er worden door appellante dienaangaande geen stukken voorgelegd (vb. rittenadministratie, geen kilometerstanden bij aanvang en einde van de belastbare tijdperken,...). Bovendien voert geïntimeerde terecht aan dat uit de voorgelegde informatie blijkt dat amper met de wagens werd gereden, zodoende dat alleszins al niet wordt aangetoond dat deze twee identieke wagens betrekking hebben op de economische activiteit van appellante. Geïntimeerde verwijst bovendien terecht naar het feit dat de verzekering voor de wagen met nummerplaat CH888 geschrapt was gedurende de periode van 31. maart 2014 tot 29 april 2015.
Tijdens de bewaarfase voerde appellante voor het eerst aan dat de wagens ook op een andere wijze zouden zijn aangewend, met name het tentoonstellen van de twee wagens in de showroom.
Het hof dient vast te stellen dat hiervan ook geen stukken worden voorgelegd en appellante zich eveneens beperkt tot beweringen. Dat appellante een coronapremie zou hebben ontvangen in 2020, hetgeen volgens appellante zou duiden op het hebben van een showroom, is niet relevant voor de in onderhavige betwisting betreffende periodes. Geïntimeerde verwijst bovendien terecht naar het feit dat herhaaldelijk werd gevraagd naar het gebruik van de twee wagens en dat appellante tijdens de bezoeken ter plaatse of in het antwoord op de vraag om inlichtingen nooit heeft verwezen naar het tentoonstellen van de wagens en dat tijdens de bezoeken ter plaatse werd vastgesteld dat de wagens zich onder een beschermhoes achterin bevonden.
Gelet op al deze elementen oordeelt het hof dat appellante op geen enkele wijze met objectieve en controleerbare stukken aantoont dat en in welke mate twee wagens van het type Ferrari in de gecontroleerde periode daadwerkelijk beroepsmatig werd gebruikt in het kader van de economische activiteit van appellante.
Het hoger beroep van appellante op dit middel is ongegrond.
4.3. Wat betreft de beweerde schending van de beginselen van behoorliik bestuur
Het hof oordeelt dat appellante ten onrechte aanvoert dat het beroepsmatig gebruik van de Ferrari's werd aanvaard door de fiscale administratie in 2012 na een controle over de aanslagjaren 2011 en 2012..
Het hof stelt vast dat de stukken die appellante dienaangaande voorlegt betrekking hebben op een btw-verificatie voor de periode 2009-2010 en dat er documenten m.b.t. deze twee wagens werden voorgelegd. Deze stukken tonen evenwel niet aan dat het recht op aftrek m.b.t. deze wagens daadwerkelijk werd gecontroleerd en aanvaard door de fiscale administratie. De rechtbank oordeelde terecht dat een schending van het vertrouwensbeginsel niet wordt aangetoond door appellante.
4.4. Wat betreft de voorbelasting op de private facturen
Appellante voert aan dat geïntimeerde ten onrechte een bedrag van 1.264,80 euro navordert, immers werden de betrokken goederen nadien door appellante met btw aan derden doorgefactureerd.
Geïntimeerde voert terecht aan dat appellante pas na de controle ter plaatse is overgegaan tot doorfacturatie aan derden (zijnde dhr. H. en een aan appellante verwante vennootschap) van de betrokken goederen (het betreft o.a. de aankoop van een kookplaat, aankopen bij IKEA, tickets voor een voorstelling,...). Appellante toont op geen enkele wijze aan dat zij op het ogenblik van het uitoefenen van het recht op aftrek de bedoeling had om die goederen te bestemmen voor haar economische activiteit, enige doorfacturatie na een controle verandert daar niets aan. Het komt niet aan appellante toe om eenzijdig te bepalen wanneer zij goederen met btw doorfactureert teneinde ten onrechte een recht op aftrek van de input btw te claimen.
Het hoger beroep van appellante op dit middel is ongegrond.
4.5. Wat betreft de boete van 10%
Het hof oordeelt dat appellante ten onrechte aanvoert dat onderhavige betwisting een principiële betwisting betreft of dat er sprake zou zijn van een schending van de rechten van verdediging zodoende dat de boete zou moeten worden kwijtgescholden.
Terecht voert geïntimeerde aan dat onderhavige betwisting, met name de vraag of er recht op aftrek van btw is, geen principiële betwisting betreft. Dit betreft immers een beoordeling over het al dan niet voldoen aan de bewijslast bij toepassing van artikel 45 W.BTW. Er is aan de betwisting dan ook geen principieel karakter verbonden. Bovendien heeft appellante haar standpunt kunnen verdedigen en is er geen sprake van enige schending van haar rechten van verdediging.
De rechtbank oordeelde terecht dat de opgelegde boete in overeenstemming is met de wet en in evenredigheid staat met de gepleegde inbreuken. Er is geen enkele reden om de boete te verminderen. Het hoger beroep van appellante op dit middel is tenslotte ook ongegrond.
4.6. Gerechtskosten
Appellante, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld te worden tot de betaling van de gerechtskosten in graad van beroep. De bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand betaald door appellante blijft ten laste van appellante.
Geïntimeerde was enkel ter terechtzitting van 24 februari 2026 vertegenwoordigd door een advocaat. De conclusies van geïntimeerde werden niet door een advocaat opgesteld en in de conclusies werd dan ook geen rechtsplegingsvergoeding gevorderd. Het hof oordeelt dat er dan ook geen rechtsplegingsvergoeding kan toegekend worden aan geïntimeerde.
Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 4° + 2791 Wb.Reg.).
Derhalve worden de kosten van de procedure vereffend zoals hierna uiteengezet.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis,
Veroordeelt appellante tot de betaling van de gerechtskosten in hoger beroep, door het hof vereffend op 0,00 euro,
Laat de bijzondere bijdrage voor het begrotingsfonds ten laste van appellante.
Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 15 APRIL 2026
waar aanwezig waren :
Aag Bellens, raadsheer
Jan Van den Bossche, griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.