Onroerende financieringshuur (31.12.2020), Btw-Commentaar, Topics, Onroerende goederen, Diensten · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

31 december 2020

Zoeken

Onroerende financieringshuur (31.12.2020), Btw-Commentaar, Topics, Onroerende goederen, Diensten

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/topics-onroerende-goederen-diensten-financieringshuur-5335

Datum
31 december 2020

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

282 paragrafen

Btw-Commentaar, Topics. Onroerende goederen - Diensten - Onroerende financieringshuur (31.12.2020)

BOEKWERK VI. Specifieke topics

Hoofdstuk 16. Specifieke topics

Afdeling 2. Onroerende goederen – Diensten

Nr. 5. Onroerende financieringshuur

Bijwerking 31.12.2020 – Vorige versie [01.07.2019]

Inhoud: · 47 onderdelen

A. Kenmerken

a. Vormen van onroerende financieringshuur (leasing)

b. De contractuele aspecten van een onroerende leasing

c. De leasing vanuit boekhoudkundig oogpunt

d. De onroerende leasing en btw

e. Belang van de onroerende leasing met btw

f. Overzicht van de voorwaarden voor belastingheffing

B. Voorwaarden met betrekking tot het gebouw

a. Opsomming

b. Gebouwd onroerend goed

c. Gebouwde onroerende goederen verkregen of opgericht met toepassing van de btw

d. Verkrijging of oprichting van een gebouw overeenkomstig de gespecificeerde aanwijzingen van de leasingnemer

e. Gebouw gebruikt door de leasingnemer in de uitoefening van zijn belastingplichtige activiteit

C. Voorwaarden met betrekking tot de overeenkomst

a. Opsomming

b. Niet-eigendomsoverdragende overeenkomst

• Recht van erfpacht

• Recht van opstal

c. Niet-opzegbare overeenkomst

d. Aankoopoptie

• Tijdstip van de optie

• Bedrag van de optie

• Verkoopoptie

• Optie om te huren in het geval de aankoopoptie niet wordt gelicht

• Verplichting om te huren in het geval de aankoopoptie niet wordt gelicht

• Vruchtgebruik op het onroerend goed

• Overdracht van het contract door de leasingnemer

• Derden die beschikken over een recht op de koopoptie voorafgaand aan de overdracht van de koopoptie

e. Wedersamenstelling geïnvesteerd kapitaal

• Geïnvesteerd kapitaal

• Herzieningsperiode

D. Voorwaarden met betrekking tot de hoedanigheid van de partijen bij de handeling

a. Voorwaarden met betrekking tot de leasinggever

b. Voorwaarden met betrekking tot de leasingnemer

E. Plaatsbepaling van de onroerende leasing

F. Belastbare feit en tijdstip van opeisbaarheid van de belasting

G. Maatstaf van heffing

H. Tarief

I. Omvang van het recht op aftrek in hoofde van de leasinggever

J. Herziening van de aftrek specifiek voor investeringsgoederen

a. Voortijdige verbreking van het contract

b. Overdracht van het gebouw vóór het verstrijken van de termijn

• Overdracht van het gebouw aan de leasingnemer

• Overdracht van het gebouw aan een derde

c. Nieuwe leasingovereenkomst

K. Verwijzing

[Top]

5. Onroerende financieringshuur

A. Kenmerken

a. Vormen van onroerende financieringshuur (leasing)

Twee vormen van onroerende leasing kunnen worden onderscheiden: de operationele leasing en de financiële leasing, al naargelang het economisch risico op de leasinggever dan wel op de leasingnemer rust.

Bij een operationele leasing vergoeden de periodieke leasingbedragen het genot op het onroerend goed. Het door de leasinggever geïnvesteerde kapitaal wordt hierbij niet noodzakelijkerwijs volledig opnieuw samengesteld door de periodiek te betalen vergoedingen.

Bij een financiële leasing stellen de door de leasingnemer betaalde periodieke leasingbedragen het door de leasinggever geïnvesteerde kapitaal, inclusief de kosten en interesten, volledig opnieuw samen.

b. De contractuele aspecten van een onroerende leasing

De leasingnemer verkrijgt het genot op een door de leasinggever opgericht of verworven onroerend goed op grond van een huur- of erfpachtovereenkomst.

c. De leasing vanuit boekhoudkundig oogpunt

Het begrip ‘onroerende leasing’ wordt ruimer geïnterpreteerd in het boekhoudrecht dan in de btw.

De enige beslissende factor voor de boekhoudkundige kwalificatie van de onroerende leasing is de wedersamenstelling van het geïnvesteerde kapitaal door de tijdens de overeenkomst betaalde vergoedingen en, in voorkomend geval, het bedrag van de koopoptie die werd vastgelegd in de overeenkomst (artikel 8, § 3, van het koninklijk besluit van 03.12.1993 tot wijziging van de koninklijke besluiten van 08.10.1976 betreffende de jaarrekening van de ondernemingen, van 12.09.1983 tot vaststelling van de inhoud en de voorstelling van een minimum algemeen rekeningstelsel en van 06.03.1990 betreffende de geconsolideerde jaarrekening van ondernemingen).

De voorwaarde van de volledige wedersamenstelling van het geïnvesteerde kapitaal heeft echter een andere betekenis op het vlak van btw (zie rubriek C, subrubriek e, van deze titel).

Bovendien zijn, in tegenstelling tot hetgeen vereist is inzake de toepassing van de btw, het bestaan van een aankoopoptie en het niet opzegbare karakter van de overeenkomst geen essentiële elementen van de handeling.

Voor de opname in het rooster 83 van de periodieke aangifte moet het begrip ’bedrijfsmiddel’ in de boekhoudkundige zin worden geïnterpreteerd.

Wanneer een gebouw echter in leasing wordt gegeven, kan de investering in hoofde van de leasingnemer worden afgeschreven terwijl het gebouw voor btw-doeleinden niet in hoofde van de leasingnemer maar van de leasinggever als een bedrijfsmiddel wordt beschouwd (artikel 7, tweede lid, 2° van het koninklijk besluit nr. 3, voornoemd).

Wat de boekhouding betreft, zal de leasingnemer het in leasing genomen gebouw in de balans opnemen in klasse 2 van het minimum algemeen rekeningstelsel (rekening 25 ‘Vaste activa aangehouden onder financiële leasing en soortgelijke rechten’). De aftrek van de belasting is echter, in overeenstemming met artikel 48, § 2, van het Btw-Wetboek onderworpen aan een herziening in hoofde van de leasinggever. Om deze reden werd in punt 157 van de verklarende nota voor het invullen van de periodieke btw-aangifte, van 01.01.2014, voorzien dat het rooster 83 alle inkomende handelingen dient te omvatten die streven naar of bijdragen tot de totstandkoming, omvorming of verbetering van bedrijfsmiddelen waarvoor de btw-aftrek onderworpen is aan herziening. Dit zal de controle door de administratie van de herzieningen en de btw-aftrek vergemakkelijken zelfs indien deze niet zijn opgenomen in klasse 2 van het voornoemde rekeningstelsel.

d. De onroerende leasing en btw

In tegenstelling met de roerende leasing, is de onroerende leasing niet geregeld in het Belgisch burgerlijk of handelsrecht (met uitzondering van de boeking van de transactie, zie subrubriek c, van deze rubriek).

De wetgever heeft daarom een autonoom begrip gecreëerd dat uitsluitend van toepassing is voor btw-doeleinden met een delegatie aan de Koning om de voorwaarden voor de belastingheffing van de handeling te bepalen.

De wetgever heeft de ‘onroerende financieringshuur’ toegevoegd aan de lijst van uitzonderingen op de principiële vrijstelling met betrekking tot de onroerende verhuur op basis van een mogelijkheid die hem werd geboden door artikel 135, paragraaf 2, laatste alinea, van de voornoemde richtlijn 2006/112/EG.

De onroerende financieringshuur verleend door een onderneming gespecialiseerd in onroerende financieringshuur of ’onroerende leasing’, valt buiten de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek wanneer het contract betrekking heeft op gebouwen die deze onderneming heeft opgericht, heeft laten oprichten of heeft verkregen met toepassing van de belasting en indien de huurder de gebouwen gebruikt voor de uitoefening van zijn belastingplichtige activiteit.

Het voornoemde koninklijk besluit nr. 30 (gewijzigd bij koninklijk besluit van 10.01.2005) bepaalt de toepassingsvoorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek.

De circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007 (ter vervanging van de aanschrijving nr. 10/1973 van 15.03.1973) becommentarieert ook de regeling van toepassing op de onroerende financieringshuur met toepassing van de belasting.

e. Belang van de onroerende leasing met btw

Op het moment dat de optionele belastingheffing op de verhuur van een gebouw niet bestond, werd het belang van de onroerende leasing met btw uiteengezet in de parlementaire werkzaamheden, in het verslag dat is opgesteld namens de verenigde Commissies in economische zaken en van Financiën, van de Senaat (Senaat, Doc. 1968/455, pagina 115):

‘Indien artikel 18 paragraaf 2 (thans artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek) niet zou bestaan, zou een dergelijke overeenkomst fiscaal worden beschouwd als een onroerende verhuur, zelfs indien het zou gaan over een op te richten gebouw.

In de huidige stand van het project, zou de onroerende leasing dus een transactie zijn die buiten het toepassingsgebied valt van de btw (momenteel een vrijgestelde transactie zonder recht op aftrek).

Een proportioneel recht van 0,2% zou verschuldigd zijn op de huurprijs, de prijs die de financieringsmaatschappij zou moeten vaststellen rekening houdend met de kostprijs inclusief btw die de maatschappij heeft betaald bij de bouw of aankoop van het gebouw.

Aangezien onroerende leasing een niet-belastbare (momenteel vrijgestelde) transactie zou zijn, kon de financieringsmaatschappij de btw niet in aftrek nemen.

Volgens artikel 18, paragraaf 2 van het project (thans artikel 44, § 3, 2°, b) van het Btw-Wetboek) is de onroerende leasing onderworpen aan de btw. Dit betekent dat de financieringsmaatschappij de btw in aftrek kan nemen en dat zij aan de leasingnemer minder hoge huurprijzen kan aanrekenen die van de voorfinanciering van de belasting zijn vrijgesteld.

Dit verklaart waarom artikel 18, paragraaf 2 van het ontwerp bepaalt dat het contract betrekking dient te hebben op gebouwen die de verhuurder met toepassing van de btw heeft aangekocht, of opgericht. Ten slotte is er een btw-bedrag verschuldigd van (…) op de huurbedragen zelf die de huurder op zijn beurt kan recupereren indien hij de hoedanigheid heeft van btw-belastingplichtige.’

Door de onroerende leasing effectief aan de btw te onderwerpen en zo de leasinggever het recht toe te kennen om de btw in aftrek te nemen, wordt de leasingnemer niet benadeeld ten opzichte van een concurrent die een gebouw opricht of verwerft met toepassing van de btw en die hij gebruikt voor de uitoefening van zijn economische activiteit. Beiden kunnen dan immers in hun hoedanigheid van btw-belastingplichtige de btw volledig terugvorderen. Op deze manier wordt het neutraliteitsbeginsel gewaarborgd.

Het spreekt voor zich dat van een dergelijke situatie sprake is wanneer de leasingnemer recht op aftrek heeft en hij aan de voorwaarden voldoet om deze uit te oefenen.

Indien de leasingnemer een belastingplichtige is zonder recht op aftrek, heeft deze leasing als voordeel, tegenover een rechtstreekse aankoop, de mogelijkheid om de betaling van de verschuldigde btw te spreiden over de gehele looptijd van de overeenkomst.

f. Overzicht van de voorwaarden voor belastingheffing

Overeenkomstig het voormelde koninklijk besluit nr. 30 zijn de contracten van onroerende financieringshuur onderworpen aan btw indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

• de contracten moeten betrekking hebben op nieuw gebouwde onroerende goederen die zijn opgericht of verkregen met btw door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur of onroerende leasing (artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30)

• de gebouwen moeten worden opgericht of verkregen overeenkomstig de specifieke aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer(lessee) (artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30)

• de gebouwen moeten door de leasingnemer worden gebruikt in de uitoefening van zijn werkzaamheid als belastingplichtige (artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30)

• het genot van de gebouwen en van de grond waarop ze zijn opgericht moet aan de leasingnemer worden toegestaan op grond van een niet opzegbaar en niet eigendomsoverdragend contract (artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 30)

• de leasingnemer moet de mogelijkheid hebben om bij het einde van het contract, tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp uitmaken van de overeenkomst (artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 30)

• na vijftien jaar (of eerder) maakt het totale bedrag van de periodieke huurprijzen die door de leasingnemer worden betaald, het de leasinggever (lessor) mogelijk het geïnvesteerd kapitaal integraal weder samen te stellen (artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit nr. 30, zoals vervangen door artikel 1 van het koninklijk besluit van 10.01.2005 ter wijziging van het koninklijk besluit nr. 30, voornoemd (Belgisch Staatsblad van 27.01.2005), toepasselijk op contracten gesloten vanaf 27.01.2005).

Indien voornoemde wettelijke toepassingsvoorwaarden zijn vervuld zodat de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek uitgesloten is, is de onroerende financieringshuur, indien deze in België plaatsvindt, onder bezwarende titel en door een als zodanig handelende belastingplichtige, verplicht aan de belasting te onderwerpen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.219 van mevrouw de volksvertegenwoordiger Fientje Moerman van 24.01.2003). De betrokken partijen hebben in dit opzicht geen keuze.

Indien daarentegen niet aan al deze voorwaarden is voldaan, kunnen de leasingnemer en leasinggever vanaf 01.01.2019 de leasingovereenkomst onderwerpen aan de optionele belasting zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek. In dat geval dient aan de voorwaarden van deze optionele heffing te worden voldaan (zie titel 4, rubriek F, van deze Afdeling).

[Top]

B. Voorwaarden met betrekking tot het gebouw

a. Opsomming

Opdat de uitzondering op de vrijstelling van btw bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek, van toepassing kan zijn, moet het onroerend goed, dat het voorwerp uitmaakt van de financieringshuur:

• een gebouwd onroerend goed zijn

• opgericht of verkregen zijn met toepassing van de btw

• opgericht of verkregen zijn overeenkomstig de gedetailleerde aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer

• door de leasingnemer worden gebruikt voor de uitoefening van zijn activiteit als belastingplichtige.

b. Gebouwd onroerend goed

Opdat een overeenkomst kan worden beoogd door artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek moet ze betrekking hebben op een gebouwd onroerend goed (artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30).

Voor het begrip ‘gebouw’ wordt verwezen naar artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek dat bepaalt dat: ’Voor de toepassing van dit Wetboek dient te worden verstaan onder gebouw of een gedeelte van een gebouw, elk bouwwerk dat vast met de grond is verbonden’.

Voor een nauwkeurige omschrijving en voorbeelden van het begrip ’gebouw’, wordt verwezen naar circulaire AFZ nr. 24/2002 van 06.12.2002, randnummers 12 tot en met 14.

Bovendien kan de onroerende financieringshuur enkel betrekking hebben op gronden waarop de gebouwen zijn opgericht (artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 30). Zij kan derhalve alleen de gronden omvatten waarop de gebouwen zijn opgericht of voor zover ze noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de bedoelde gebouwen.

Volgens het verslag opgesteld namens de Verenigde Commissies voor de Economische Zaken en Financiën van de Senaat, moet er bijgevolg een ’redelijke verhouding bestaan tussen de grond en de gebouwen’ (zie Senaat, Zitting 1968-1969, nr. 455, pagina 116).

Uit het voorgaande volgt dat de onroerende financieringshuur die uitsluitend betrekking heeft op gronden buiten het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek valt (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 5 en 6).

c. Gebouwde onroerende goederen verkregen of opgericht met toepassing van de btw

Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek heeft de onroerende financieringshuur slechts betrekking op gebouwde onroerende goederen die de onderneming gespecialiseerd in de onroerende financieringshuur heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 7).

Indien de leasinggever het goed, waarop het leasingcontract betrekking heeft, verwerft, moet het gebouw nieuw zijn opdat de onroerende financieringshuur daadwerkelijk aan de belasting wordt onderworpen.

Een onroerend goed wordt als nieuw beschouwd wanneer het door een belastingplichtige wordt vervreemd vóór de oprichting, tijdens de oprichting of uiterlijk op 31.12 van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikname of de eerste inbezitneming van het gebouw (artikel 44, § 3, 1°, a), van het Btw-Wetboek).

Het is echter mogelijk dat een oud gebouw in leasing wordt gegeven met toepassing van de btw indien deze belangrijke wijzigingen ondergaat volgens de gedetailleerde aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer. Voor wat de aard van die wijzigingen betreft, kan worden verwezen naar Afdeling 1: Onroerende goederen – Leveringen, titel 3, rubriek C, van dit Boekwerk.

De leasinggever hoeft niet noodzakelijk eigenaar te zijn van het terrein waarop deze gebouwen zullen worden opgericht. Het volstaat dat hij beschikt over de noodzakelijke rechten op het terrein die hem toelaten over te gaan tot de oprichting of het laten oprichten van een gebouw dat zijn eigendom zal worden.

Dit is ook het geval wanneer de leasinggever titularis is van een recht van opstal of van een recht van erfpacht op het terrein of wanneer de eigenaar van de grond in het voordeel van eerstgenoemde afstand doet van het recht van natrekking ten aanzien van de grond waarop de leasinggever het gebouw opricht of laat oprichten.

De eigenaar van het perceel kan anderzijds ook de toekomstige leasingnemer zijn. Hij vestigt, op het terrein waarvan hij de eigenaar is, een recht van opstal ten voordele van de leasingmaatschappij die er een gebouw opricht of laat oprichten volgens de gespecificeerde aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer.

De gebouwen dienen niet noodzakelijk in volle eigendom door de leasinggever te zijn verworven. Het volstaat dat deze titularis is van voldoende uitgebreide zakelijke rechten (erfpacht, vruchtgebruik) om het genot van het gebouw te kunnen overdragen in het kader van een overeenkomst die beantwoordt aan alle andere voorwaarden van het koninklijk besluit nr. 30.

In iedere veronderstelling is vereist dat het oprichten van het gebouw of het verwerven van de rechten door de leasinggever heeft plaatsgevonden met toepassing van de btw (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 9, 10 en 12).

d. Verkrijging of oprichting van een gebouw overeenkomstig de gespecificeerde aanwijzingen van de leasingnemer

Aangezien leasing in feite een handeling inzake financiering is, verwerft de leasinggever slechts de eigendom of andere zakelijke rechten op de gebouwen die het voorwerp uitmaken van de handeling, om het genot ervan te verschaffen aan de toekomstige leasingnemer. Het is bijgevolg normaal dat, zoals voorzien in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30, de verkrijging of oprichting van het gebouw dient plaats te vinden overeenkomstig de gespecificeerde aanwijzingen van de leasingnemer (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 13).

Deze voorwaarde is niet vervuld:

• als een overeenkomst van onroerende leasing wordt gesloten bij het beëindigen van een vorige leasingovereenkomst en betrekking heeft op het gebouw dat het voorwerp was van die voorafgaande leasing

• als de overeenkomst betrekking heeft op een gebouw dat de leasinggever reeds had opgericht of verkregen met toepassing van de btw op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst

(circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 17).

De zogenaamde ’sale and lease back’-overeenkomsten voldoen aan deze voorwaarde. Volgens deze overeenkomsten draagt een belastingplichtige, om louter economische of financiële doeleinden, met toepassing van de belasting een gebouw over aan een onderneming in onroerende leasing waarbij dit gebouw aan diezelfde belastingplichtige ter beschikking wordt gesteld in uitvoering van de overeenkomst van onroerende leasing. In dat geval dient inderdaad te worden aangenomen dat de leasinggever het gebouw heeft verworven op aanwijzing van de toekomstige leasingnemer.

e. Gebouw gebruikt door de leasingnemer in de uitoefening van zijn belastingplichtige activiteit

De onroerende financieringshuur als bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek geldt uitsluitend voor de gebouwen die de leasingnemer, in functie van hun aard, bestemt om te gebruiken in het kader van een activiteit van belastingplichtige.

Wanneer de leasingnemer het gebouw dat het voorwerp is van de overeenkomst van onroerende leasing niet volledig voor de doeleinden van zijn economische activiteit gebruikt, wordt de terbeschikkingstelling van het deel van het gebouw dat voor privédoeleinden wordt gebruikt of voor ander doeleinden dan zijn economische activiteit, vrijgesteld van de belasting.

Dat kan het geval zijn voor:

• een natuurlijke persoon die een deel van het gebouw voor privédoeleinden gebruikt

• een holdingvennootschap die het gebouw gedeeltelijk gebruikt voor activiteiten buiten de werkingssfeer van de btw (het aanhouden van aandelen en het uitoefenen van de daarmee samenhangende rechten)

• een overheid of een rechtspersoon van publiek recht die het gebouw gedeeltelijk gebruikt in het kader van zijn opdracht als overheid.

De partijen moeten derhalve, onder toezicht van de administratie, het deel van de periodieke vergoedingen bepalen dat respectievelijk aan de belasting is onderworpen en van de belasting is vrijgesteld.

[Top]

C. Voorwaarden met betrekking tot de overeenkomst

a. Opsomming

Opdat het contract binnen het toepassingsgebied van artikel 44 § 3, 2°, b) van het Btw-Wetboek kan vallen, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:

• het moet een niet-eigendomsoverdragend huur- of erfpachtcontract zijn

• het contract mag niet opzegbaar zijn

• bij het einde van het contract, en tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, moet de leasingnemer de mogelijkheid hebben om de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst

• bij het verstrijken van het tijdvak van vijftien jaar (of eerder) bedoeld in artikel 9, § 2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 3, dient het totale bedrag van de periodieke huurprijzen het de leasinggever mogelijk te maken om het geïnvesteerde kapitaal integraal weder samen te stellen.

b. Niet-eigendomsoverdragende overeenkomst

Het genot van de gebouwen en de grond waarop ze zijn opgericht, wordt verleend aan de leasingnemer op grond van een niet-eigendomsoverdragende overeenkomst (huur of erfpacht).

De overeenkomsten die van rechtswege, onmiddellijk of uitgesteld tot de betaling van de laatste huurvergoeding, de overdracht tot gevolg hebben van de eigendom of een ander zakelijk recht, vallen buiten het toepassingsgebied van de onroerende leasing in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 24).

• Recht van erfpacht

De financieringshuur is een contract dat in de regel steunt op een persoonlijk recht van genot (huur), maar ook kan steunen op een overeenkomst inzake erfpacht.

Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek wordt immers niet als een lichamelijk goed beschouwd, het recht van erfpacht dat door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur wordt gevestigd of overgedragen in het kader van een onroerende financieringshuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek. Het vestigen van een recht van erfpacht in het kader van een onroerende financieringshuur wordt bijgevolg aangemerkt als een dienst (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 23).

• Recht van opstal

Een persoon, eigenaar van een grond, kan aan een andere persoon een recht van opstal verlenen op voorwaarde dat de houder van het recht de verplichting op zich neemt op die grond gebouwen van een bepaalde aard op te richten en die gebouwen aan de eigenaar van die grond in financieringshuur te geven.

Wanneer tussen die partijen is overeengekomen dat de huur eindigt op het tijdstip waarop de termijn verstrijkt waarvoor het recht van opstal is verleend, moet die handeling worden beschouwd als een verkoop van een op te richten gebouw met uitgestelde eigendomsoverdracht. Dergelijke handeling valt niet onder de toepassing van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek.

Wanneer echter de eigenaar van een grond aan de leasinggever een recht van opstal heeft toegestaan voor een beduidend langere termijn dan die van de leasingovereenkomst, bezit de leasinggever op het einde van de financieringshuur nog zakelijke rechten op het gebouw dat het voorwerp is van de overeenkomst van onroerende financieringshuur.

Wanneer deze overeenkomst bijgevolg een mogelijkheid tot overname van die rechten inhoudt, is wel voldaan aan artikel 1, 3°, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 30 (schriftelijke parlementaire vraag nr. 264 van de heer Volksvertegenwoordiger Eric Van Rompuy van 13.10.1992) (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 25 et 26).

c. Niet-opzegbare overeenkomst

Het genot van de gebouwen en van de grond waarop ze zijn opgericht wordt aan de leasingnemer verleend op grond van een niet opzegbaar contract (van huur of erfpacht).

Opdat artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek van toepassing zou zijn, mag de overeenkomst van onroerende financieringshuur noch aan de leasinggever noch aan de leasingnemer de mogelijkheid bieden een eind te maken aan de handeling vóór het verstrijken van de overeengekomen termijn.

De overeenkomst mag bijgevolg geen clausule bevatten waarbij aan elk van de partijen of aan één van hen het recht wordt verleend om aan de overeenkomst een einde te maken mits bepaalde voorwaarden worden vervuld.

Als de partijen van een contract van onroerende financieringshuur, zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek, dat contract vervroegd beëindigen, heeft die voortijdige verbreking in principe tot gevolg dat de leasinggever moet overgaan tot de herziening van de in aftrek gebrachte btw met betrekking tot het gebouwd onroerend goed, dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de financieringshuur (zie rubriek J, subrubriek a, van deze titel).

Er wordt opgemerkt dat deze voorwaarde van niet-opzegbare overeenkomst, niet de ontbindende clausules beoogt, of meer algemeen, de clausules inzake ontbinding van het contract.

De verbreking van het oorspronkelijke contract van onroerende financieringshuur, wanneer de leasingnemer zijn verplichtingen niet meer nakomt, leidt op zich niet tot een herziening van de in aftrek genomen btw. Het is de bestemming gegeven aan het gebouw na verbreking van de overeenkomst die bepalend is.

d. Aankoopoptie

Bij het einde van het contract van financieringshuur en tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, dient de leasingnemer de mogelijkheid te hebben om de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp uitmaken van de overeenkomst.

Deze mogelijkheid mag enkel aan de leasingnemer worden verleend (zie laatste bullet hieronder indien ze aan een derde wordt aangeboden).

De leasingnemer moet niet noodzakelijk bij het verstrijken van de overeengekomen termijn de zakelijke rechten van de leasinggever verwerven. Integendeel, indien de leasingnemer de vaste verplichting op zich mocht nemen het onroerend goed te kopen, zou de handeling buiten de toepassing blijven van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek. In dat geval zou namelijk een verkoop worden verricht met uitgestelde overdracht van de eigendom.

• Tijdstip van de optie

De zakelijke rechten met betrekking tot de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst van onroerende financieringshuur kunnen door de leasingnemer slechts bij het einde van de overeenkomst worden overgenomen. Een overeenkomst die de leasingnemer toelaat de optie te lichten vóór het verstrijken van de leasingtermijn valt buiten de toepassing van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek.

• Bedrag van de optie

Alhoewel de overeenkomst niet het bedrag dient te bepalen dat de leasingnemer zal moeten betalen ingeval hij de optie zou lichten, moet ze tenminste op een gedetailleerde wijze de criteria bevatten volgens dewelke de prijs zal worden bepaald.

• Verkoopoptie

Een verkoopoptie in hoofde van de leasinggever voldoet niet aan de hier gestelde voorwaarde, aangezien de leasingnemer hetzij niet de mogelijkheid heeft de zakelijke rechten op dat goed te verwerven (indien de leasinggever de optie niet licht of de optie licht ten voordele van een derde), hetzij verplicht wordt deze te verwerven (indien de optie wel wordt gelicht). De mogelijkheid waarover de leasingnemer moet beschikken om de zakelijke rechten op het goed van de leasinggever over te nemen op het einde van het leasingcontract, wordt zodoende volledig afhankelijk gemaakt van de loutere wil van de leasinggever (schriftelijke parlementaire vraag nr. 660 van de heer Volksvertegenwoordiger Leo Goovaerts van 10.03.1994).

• Optie om te huren in het geval de aankoopoptie niet wordt gelicht

Een bijkomende clausule bij de leasingovereenkomst die voorziet dat de leasingnemer, in het geval de aankoopoptie niet wordt gelicht (die dus in iedere veronderstelling moet voorzien worden in de overeenkomst), de mogelijkheid heeft het goed te huren (genoemd de optie van wederverhuur), maakt dat de overeenkomst niet buiten het toepassingsgebied wordt gebracht van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek (parlementaire vraag nr. 118 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre De Clippele van 23.08.1994).

• Verplichting om te huren in het geval de aankoopoptie niet wordt gelicht

Sommige overeenkomsten kunnen voorzien dat, in geval de optie niet wordt gelicht door de leasingnemer, deze laatste verplicht is om het gebouw te blijven huren voor een bepaalde periode. Door deze periode zodanig te bepalen kan de leasinggever in bepaalde gevallen het bedrag van de aankoopoptie die niet werd gelicht verhalen.

Een dergelijke overeenkomst valt buiten het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek.

Aangezien het juridisch gaat over één enkele overeenkomst, dient te worden vastgesteld dat ze er in feite op neerkomt dat het genot van het goed door de leasinggever wordt verleend tot het einde van de ’gewone’ huurperiode.

De mogelijkheid om de rechten van de leasinggever te verwerven (of de aankoopoptie) doet zich dan niet voor op het einde van de overeenkomst.

• Vruchtgebruik op het onroerend goed

De overeenkomst die enkel voorziet in een optie tot overname door de leasingnemer van het vruchtgebruik op het onroerend goed en niet de volle eigendom waarover de leasinggever beschikt, voldoet niet aan de desbetreffende voorwaarde voor de belastingheffing (circulaire AOIF nr. 10/2007 (nr. E.T. 109.976) van 12.04.2007, randnummer 33).

Overigens is de handeling waarbij de leasinggever, ondanks het lichten van de optie, zich de blote eigendom voorbehoudt, strijdig met het basisidee dat de grondslag is van elk leasingcontract met name dat de leasinggever een investering doet of ten minste financiert voor de leasingnemer.

Opdat het zou gaan over een leasingovereenkomst is het vereist dat in het contract de mogelijkheid is ingebouwd dat deze investering volledige overgaat naar de leasingnemer, welke de aard van de zakelijke rechten ook is waarin de leasinggever deze investering heeft gedaan.

Indien dit niet het geval is, staat het van in het begin vast dat de leasinggever geheel of gedeeltelijk voor zichzelf investeert.

• Overdracht van het contract door de leasingnemer

Ondanks de overdracht door de leasingnemer, blijft het contract binnen het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek, op voorwaarde dat:

* de leasingnemer het geheel van zijn rechten overdraagt

* de overnemer wordt gesubrogeerd in al de verplichtingen van de oorspronkelijke leasingnemer;

* de overnemer het gebouw in de uitoefening van zijn economische activiteit als belastingplichtige gebruikt.

De overdracht onder bezwarende titel van een leasingovereenkomst bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek is een dienst die onderworpen is aan het normaal Btw-tarief dat thans 21 % bedraagt. De overdracht van een dergelijke overeenkomst wordt niet beoogd door artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek, dat enkel vrijstelt de overdracht van verhuringen die zelf van die belasting zijn vrijgesteld (circulaire AOIF nr. 10/2007 (nr. E.T. 109.976) van 12.04.2007, randnummer 76).

• Derden die beschikken over een recht op de koopoptie voorafgaand aan de overdracht van de koopoptie

De leasingnemer die, ten gevolge van een optie op een koopoptie, aan een derde het recht toekent om de koopoptie betreffende de goederen van een onroerende leasingovereenkomst te lichten, verliest de mogelijkheid om, bij het einde van die overeenkomst, naar eigen goeddunken de zakelijke rechten van de leasinggever betreffende de goederen die het voorwerp zijn van die overeenkomst over te nemen, zodat hij niet langer voldoet aan de voorwaarde opgelegd door artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 30 (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.15.0046.F van 22.04.2016).

e. Wedersamenstelling geïnvesteerd kapitaal

Bij het verstrijken van het herzieningstijdvak van vijftien jaar zoals bepaald bij artikel 9, §2, eerste lid, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 3, moet het totale bedrag van de periodieke huurprijzen die verschuldigd zijn door de leasingnemer, het de leasinggever toelaten het geïnvesteerd kapitaal integraal weder samen te stellen.

• Geïnvesteerd kapitaal

Onder het begrip ’geïnvesteerd kapitaal’ wordt bedoeld het geheel van de door de leasinggever gedane kosten (exclusief btw) voor het verkrijgen, oprichten en/of omvormen van het onroerend goed dat het voorwerp is van de overeenkomst inzake onroerende financieringshuur met inbegrip van de aankoopprijs (exclusief btw) van het bijhorende terrein in de zin van artikel 1, § 9, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek en met uitsluiting van de aankoopprijs (exclusief btw) van de grond en van de bijkomende kosten die niet onderworpen zijn aan de btw en die rechtstreeks verbonden zijn met de verwerving van de grond (notariskosten, registratierechten, enzovoort) (zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 5-2.170 van de heer Senator Bart Tommelein van 21.04.2011).

Het geïnvesteerde kapitaal omvat onder andere:

•studiekosten (marktstudie, studiekosten van ingenieurs, landmeters en architecten) met betrekking tot het terrein en/of het gebouw

•de vergoedingen van makelaars en lasthebbers tussengekomen bij het verwerven van het terrein en/of het gebouw

•de prijs van de oprichting of de verwerving van het gebouw evenals de prijs van de aankoop van het bijhorende terrein.

Wanneer de leasinggever een oud gebouw verwerft en het op zodanige wijze verbouwt dat het als nieuw kan worden aangemerkt voor de toepassing van de btw, moet het geïnvesteerde kapitaal in dat geval ook de aankoopprijs en de aankoopkosten van het oude gebouw omvatten verhoogd met de kosten van de omvorming en/of renovatie van het gebouw.

• Herzieningsperiode

Het aanvangstijdstip van de herzieningstermijn van vijftien jaar, gedurende hetwelk het geïnvesteerde kapitaal integraal moet wedersamengesteld zijn, is 1 januari van het jaar waarin het gebouw werkelijk in gebruik is genomen (artikel 9, §§ 1 en 2, van koninklijk besluit nr. 3; beslissing nr. E.T. 121.450 van 27.03.2012).

Een overeenkomst van onroerende financieringshuur waarbij het geïnvesteerde kapitaal wedersamengesteld is vóór het verstrijken van het herzieningstijdvak van vijftien jaar, zoals hiervoor omschreven, valt uiteraard onder het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek.

Dit geldt voor een overeenkomst van onroerende financieringshuur die afgesloten is voor een langere duur dan vijftien jaar, op voorwaarde dat het geïnvesteerde kapitaal binnen het voornoemde tijdvak van vijftien jaar opnieuw wordt wedersamengesteld.

De specifieke problemen die zich kunnen voordoen met name op het gebied van het recht op aftrek bij het aanbrengen van wijzigingen aan de leasingovereenkomst, het vervroegd verbreken van de leasingovereenkomst, de overdracht van het gebouw vóór het beëindigen van de termijn, overdracht van de overeenkomst door de leasingnemer, worden behandeld in de circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 67 en 77.

[Top]

D. Voorwaarden met betrekking tot de hoedanigheid van de partijen bij de handeling

a. Voorwaarden met betrekking tot de leasinggever

Opdat een overeenkomst van onroerende financieringshuur binnen het toepassingsgebied zou vallen van artikel 44, § 3, 2°, b) van het Btw-Wetboek, dient de leasinggever een onderneming te zijn gespecialiseerd in financieringshuur of onroerende leasing (artikel 1, 1°, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 30).

De onroerende financieringshuur is evenwel een werkzaamheid die, door haar aard, wordt uitgeoefend gedurende een lange periode en die aanleiding geeft tot het betalen van periodieke huurvergoedingen op vastgestelde vervaldagen.

Het betreft dus een geregelde werkzaamheid in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek die aan degene die ze uitoefent (natuurlijke persoon of rechtspersoon) de hoedanigheid van belastingplichtige verleent, gespecialiseerd in financieringshuur of onroerende leasing in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek, zelfs wanneer deze slechts éénmaal een dergelijke overeenkomst sluit (circulaire AOF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 52 en 53).

Het feit dat het zou gaan om een autonoom overheidsbedrijf speelt ter zake geen enkele rol. Bijvoorbeeld een autonome gemeentelijke regie die een gebouw in leasing geeft aan een gemeente

(schriftelijke parlementaire vraag nr. 412 van de heer Volksvertegenwoordiger Yves Leterme van 03.07.2000).

Een passieve holdingvennootschap die daarnaast als leasinggever één handeling van onroerende leasing stelt en waarbij het leasingcontract volledig voldoet aan de voorwaarden van het koninklijk besluit nr. 30, heeft voor deze handeling de hoedanigheid van belastingplichtige met recht op aftrek van voorbelasting.

b. Voorwaarden met betrekking tot de leasingnemer

De onroerende leasing valt slechts binnen het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b) van het Btw-Wetboek wanneer de leasingnemer een belastingplichtige is die het gebouw gebruikt in het kader van zijn economische activiteit.

Zijn niet enkel bedoeld, de belastingplichtigen met volledig recht op aftrek, maar eveneens:

• de belastingplichtigen die een bijzondere regeling genieten (vrijstellingsregeling van belasting bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, landbouwregeling bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek …)

• de belastingplichtigen vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek zonder recht op aftrek (arts, privéziekenhuis, immobiliënvennootschap die het gebouw bestemt voor vrijgestelde verhuur …)

• de overheden, publiekrechtelijke lichamen of openbare instellingen die, om reden van het uitoefenen van een economische activiteit dienen te worden aangemerkt als belastingplichtigen voor deze activiteit ongeacht of deze aan de belasting is onderworpen of vrijgesteld

(circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 54 en 55).

[Top]

E. Plaatsbepaling van de onroerende leasing

Aangezien het in een eerste instantie gaat om diensten die betrekking hebben op een uit zijn aard onroerend goed, vindt de onroerende leasing plaats daar waar het onroerend goed is gelegen. Aangezien de leasingnemer een belastingplichtige moet zijn, is artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek aldus van toepassing.

In het geval de aankoopoptie wordt gelicht, en aangezien het onroerend goed niet kan worden verzonden of vervoerd, wordt de plaats van levering geacht zich op dezelfde plaats te bevinden waar het onroerend goed zich bevindt op het moment van de levering (artikel 14, § 1, van het Btw-Wetboek).

[Top]

F. Belastbare feit en tijdstip van opeisbaarheid van de belasting

De onroerende leasing is in eerste instantie een dienst die aanleiding geeft tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, hierdoor vindt het belastbare feit plaats aan het einde van elke periode waarop de afrekening of betaling betrekking heeft (artikel 22, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting kent geen bijzonderheden (zie ‘Boekwerk 1: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, Afdeling 9, titel 3, rubriek B en titel 4’).

In het geval van het lichten van de aankoopoptie vindt het belastbare feit plaats op het ogenblik waarop de overeenkomst uitwerking heeft (artikel 16, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek) aangezien de leasingnemer het gebouw al in zijn bezit heeft. Het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting kent geen bijzonderheden (zie ‘Boekwerk 1: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2: Levering van goederen, Afdeling 8, titel 3, rubriek C, subrubriek a, titel 4, rubrieken A en B’). Voor meer informatie wordt verwezen naar de circulaire 2019/C/65 van 09.07.2019 met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw, randnummers 36 tot en met 38 en 106 tot en met 110.

De opeisbaarheidsregels van de belasting met betrekking tot het lichten van de aankoopoptie zijn slechts van toepassing in de veronderstelling dat het onroerend goed nog steeds als nieuw kan worden beschouwd en de levering ervan aan de btw is onderworpen zonder mogelijkheid tot vrijstelling.

[Top]

G. Maatstaf van heffing

De belasting wordt berekend over het bedrag van de huurprijzen of vergoedingen, in voorkomend geval, verhoogd met de lasten die ten voordele van de leasinggever werden bedongen.

Voor de heffing van de belasting moet er geen onderscheid worden gemaakt tussen:

• enerzijds, het deel van de huurprijzen of vergoedingen dat het kapitaal en de financiële lasten van de leasinggever wedersamenstelt en het deel dat betrekking heeft op de interesten en

• anderzijds, het deel van de huurprijzen en vergoedingen dat betrekking heeft op het gebouw en het deel dat betrekking heeft op de grond (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 58).

[Top]

H. Tarief

In het geval van onroerende leasing wordt de belasting in principe geheven tegen een tarief van 21%, behalve in de volgende gevallen:

• 6% voor een leasing met betrekking tot gebouwen speciaal aangepast tot privéwoningen voor gehandicapten onder de voorwaarden van rubriek XXXII, van tabel A, van de bijlage bij het voornoemde koninklijk besluit nr. 20

• 6% voor de leasing met betrekking tot wooncomplexen bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van gehandicapten onder de voorwaarden van rubriek XXXIII, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20

• 6% voor de leasing met betrekking tot gebouwen bestemd voor onderwijs en leerlingenbegeleiding onder de voorwaarden van rubriek XL, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20

• 12% voor de leasing betreffende de huisvesting in het kader van het sociaal beleid onder de voorwaarden van rubriek X, van tabel B, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20.

[Top]

I. Omvang van het recht op aftrek in hoofde van de leasinggever

Gelet op zijn hoedanigheid van belastingplichtige mag de leasinggever de btw volgens de normale regels in aftrek nemen.

Rekening houdend met het feit dat, in hoofde van de leasinggever, er geen twijfel bestaat over het gebruik voor de economische activiteit, zijn de gevolgen van het Arrest Seeling niet van toepassing (Europees Hof van Justitie, Arrest Wolfgang Seeling, zaak C-269/00, van 08.05.2003; circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 21).

Wanneer de leasingnemer de aankoopoptie licht op het einde van de leasingovereenkomst, verricht de leasinggever een levering vrijgesteld van de btw omdat het gebouw op dat tijdstip niet meer kan worden aangemerkt als nieuw.

Niettegenstaande ondernemingen in onroerende leasing bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek, in de in het vorige lid bedoelde omstandigheden gebouwen aan hun leasingnemers verkopen, neemt de administratie aan dat die ondernemingen daardoor niet de hoedanigheid verkrijgen van belastingplichtige met gedeeltelijk recht op aftrek. De verkoop van het geleasede gebouw aan de leasingnemer is immers inherent aan de met btw belaste leasingovereenkomst

(circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 61, eerste en tweede alinea).

[Top]

J. Herziening van de aftrek specifiek voor investeringsgoederen

De gebouwen die de leasinggever verhuurt in het kader van een onroerende financieringshuur die binnen het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek valt, dienen overeenkomstig artikel 6, § 2, tweede lid, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 3, in zijn hoofde als bedrijfsmiddelen te worden aangemerkt (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummer 59).

De herziening van de aftrek, voorzien in artikel 48, § 2, van het Btw-Wetboek, kan van toepassing zijn bij:

• de voortijdige verbreking van het contract

• de overdracht van het gebouw vóór het verstrijken van de termijn

• het sluiten van een nieuw leasingcontract.

a. Voortijdige verbreking van het contract

In het geval van voortijdige verbreking van het contract tijdens de herzieningsperiode van vijftien jaar, is de leasinggever verplicht om de in aftrek gebrachte btw geheven van de oprichting of verkrijging van het gebouw, zoals bepaald in artikel 48, § 2, van het Wetboek-Btw, te herzien behalve in het geval van:

• de overdracht van het gebouw door de leasinggever met toepassing van de btw tegelijkertijd met de beëindiging van het contract (schriftelijke parlementaire vraag nr. 690 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 13.09.1993) wat impliceert dat het gebouw nog steeds als nieuw wordt beschouwd en de leasinggever de optie uitoefent om het gebouw onder het btw-stelsel over te dragen onder de voorwaarden van het koninklijk besluit nr. 14 met betrekking tot de vervreemding van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek-Btw over de toegevoegde waarde op zulke goederen

• de verhuur van het gebouw door de leasinggever met toepassing van de btw op basis van zijn intentie om het gebouw te gebruiken voor handelingen die recht geven op volledige aftrek van de btw, gestaafd door overtuigende en ondubbelzinnige elementen (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 70 tot en met 72. Rekening houdend met de wetswijzigingen doorgevoerd op 01.01.2019, kan de leasinggever, meer in het bijzonder, toepassing maken van de optionele belastingheffing bepaald bij artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek (zie titel 4, rubriek F, van deze Afdeling).

b. Overdracht van het gebouw vóór het verstrijken van de termijn

• Overdracht van het gebouw aan de leasingnemer

In dit geval wordt de leasingovereenkomst voortijdig verbroken (zie subrubriek a, van deze rubriek). De in aftrek genomen btw dient te worden herzien indien de herzieningstermijn niet is verstreken, behalve in het geval van:

•overdracht van het gebouw onder het btw-stelsel (artikel 44, § 3, 1°, a), derde streepje, van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 14)

•overdracht van het gebouw met toepassing van artikel 11, van het Btw-Wetboek (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 74 et 75).

• Overdracht van het gebouw aan een derde

In dit geval heeft de overdracht tot gevolg dat de leasingovereenkomst niet meer onder de toepassing valt van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek.

Indien de overdracht van het gebouw plaatsvindt binnen de herzieningstermijn, moet de leasinggever de btw-aftrek herzien tenzij de overdracht plaatsvindt onder het btw-stelsel. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat de overdrager van een nieuw gebouw, indien hij kiest voor de overdracht met toepassing van btw, recht op aftrek kan hebben (artikel 44, § 3, 1°, a), van het Btw-Wetboek en het voornoemde koninklijk besluit nr. 14).

Wanneer de vervreemding van het gebouw, dat het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst inzake onroerende financieringshuur, plaatsvindt in het kader van een overdracht bedoeld in artikel 11 van het Btw-Wetboek, blijft die overeenkomst binnen het toepassingsgebied van artikel 44, § 3, 2°, b) van het Btw-Wetboek. Er moet geen enkele herziening van de aftrek worden verricht en de belasting blijft verschuldigd over de huurtermijnen of vergoedingen die na de overdracht vervallen (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 73 tot en met 75).

c. Nieuwe leasingovereenkomst

Indien bij het beëindigen van de oorspronkelijke leasingovereenkomst de leasinggever een nieuwe leasingovereenkomst sluit met een derde en deze betrekking heeft op het gebouw dat het voorwerp was van die voorafgaande leasing, valt deze nieuwe overeenkomst buiten het toepassingsgebied van een onroerende financieringshuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek. Het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van de overeenkomst werd niet verworven of opgericht volgens de gedetailleerde aanwijzingen van de leasingnemer (circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 15 en 16) (zie rubriek B, subrubriek d, van deze titel).

[Top]

K. Verwijzing

Er wordt verwezen naar de circulaire AOIF nr. 10/2007 van 12.04.2007, randnummers 67 tot en met 69, 78 tot en met 83, 84 tot en met 94, met betrekking tot respectievelijk de volgende specifieke situaties:

• de wijzigingen aan de leasingovereenkomst

• meerdere leasingnemers

• het verbouwen, uitbreiden, inrichten of herstellen van een gebouw dat het voorwerp is van een overeenkomst van onroerende leasing.

[Top]

Aangehaalde teksten

16
WBTW art. 4438 voorkomens
KB nr. 30 art. 110 voorkomens
WBTW art. 483 voorkomens
WBTW art. 12 voorkomens
WBTW art. 112 voorkomens
WBTW art. 92 voorkomens
KB nr. 3 art. 71 voorkomen
KB nr. 3 art. 91 voorkomen
WBTW art. 141 voorkomen
WBTW art. 161 voorkomen
WBTW art. 211 voorkomen
WBTW art. 221 voorkomen
WBTW art. 41 voorkomen
WBTW art. 56bis1 voorkomen
WBTW art. 571 voorkomen