Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 163, blz. 21004-21007
Gemeenten - Oprichting van "autonome gemeentebedrijven" - Onroerende leasing
VRAAG
Vele gemeenten gaan over tot het oprichten van AGB's (Autonome Gemeentebedrijven) met het oog op de exploitatie van onder meer sportinfrastructuur of sporthal.
De investeringskost van de leasinggever wordt geraamd, rekening houdende met:
- de venale waarde van de grond;
- de aankoopprijs van het gebouw en de aktekosten en rechten daaraan verbonden;
- de kostprijs van erelonen van architecten en studiebureaus met inbegrip van nalatigheidsintresten, schadevergoeding en/of boete;
- alle belastingen en heffingen met betrekking tot het onroerend goed alsook alle kosten van verzekering met betrekking tot het onroerend goed;
- alle kosten die schriftelijk en voorafgaand werden aanvaard door de leasinggever.
De aankoopprijs of de oprichtingskosten van het gebouw worden geraamd door een onafhankelijke expert en er wordt inzake de investeringskost rekening gehouden met een marktintrest van de dag.
In principe is een dergelijke leasing, indien zij voldoet aan het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992 (artikel 1, 4°) onderworpen aan de BTW-, wanneer het totale bedrag van de sommen die de leasingnemer moet betalen tijdens de duur van het contract en ingevolge de eventuele lichting van de koopoptie het de leasinggever mogelijk maakt het geïnvesteerde kapitaal, verhoogd met intresten en financiële lasten, integraal weder samen te stellen.
Het komt de steden en gemeenten ter ore dat de administratie thans heeft beslist en zal blijven beslissen in een dergelijk dossier dat, alhoewel de overeenkomst waarbij het kapitaal wordt wedersamengesteld ingevolge de eventuele lichting van de in dat contract vervatte koopoptie in beginsel geacht wordt te beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992, deze nochtans niet voldoet aan de mogelijkheid om aftrek te bekomen op grond van artikel 45, § 1, van het BTW-Wetboek, omdat de BTW geheven van goederen en diensten slechts aftrekbaar is wanneer die goederen en diensten in hun geheel worden gebruikt voor handelingen die aan de BTW zijn onderworpen. Dit is toevoegen, niet alleen aan het koninklijk besluit nr. 30, maar eveneens en vooral aan artikel 45, § 1, en aan artikel 4 van het BTW-Wetboek, waar gesteld wordt dat elke belastingplichtige recht op aftrek heeft in de mate dat hij belaste handelingen stelt en dat het niet nodig is dat de belaste handelingen worden gesteld met of zonder winstoogmerk.
De administratie stelt verder dat ten aanzien van onroerende leasing de ratio legis is dat het bedrag van het geïnvesteerde kapitaal - dus de inputverrichtingen waarop de BTW in regel in aftrek wordt gebracht - moet vervat zijn in de tijdens de duur van het contract verschuldigde en belastbare huurtermijnen of vergoedingen (zie antwoord op vraag nr. 251 van 3 maart 2002, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 31, blz. 3649).
Dit is geenszins de ratio legis. De ratio legis is enkel en alleen - en dat blijkt uit de oorspronkelijke tekst van artikel 18 van de wet van 1969 - dat de onroerende leasing een middel is om te verhuren en de BTWniet te vervatten in de huurprijs.
Maar men stelt bovendien dat het contract van onroerende financieringshuur niet kan aangemerkt worden als een belastbare overeenkomst in de zin van artikel 44, § 3, 2°, B, van het BTW-Wetboek en derhalve wordt aan die gemeenten geen BTW-nummer toegekend, zodanig dat zij ook niet de mogelijkheid krijgen om BTW te recupereren (contra-antwoord op vraag nr. 412 van 3 juli 2000, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2000-2001, nr. 48, blz. 5705).
Deze manier van handelen is stellig contra legem en is strijdig met het evenredigheidsbeginsel van de 6e BTW-richtlijn, doordat niet alle belastingplichtigen op dezelfde manier worden behandeld.
Kunt u mijn zienswijze beamen?
ANTWOORD
(van de minister van Financiën)
Krachtens artikel 44, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek is niet van de BTW vrijgesteld, de onroerende financieringshuur, toegestaan door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende leasing, wanneer deze onderneming het gebouw waarop het contract betrekking heeft, opricht, laat oprichten of met voldoening van de belasting verkrijgt en de leasingnemer dit goed huurt om het in de uitoefening van een activiteit van belastingplichtige te gebruiken, voor zover voldaan is aan alle voorwaarden van het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur.
Indien bijgevolg een overeenkomst van onroerende leasing voldoet aan alle voorwaarden gesteld in artikel 44, § 3, 2°, b) van het BTW-Wetboek en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992, voornoemd, is die handeling, indien ze wordt verricht in België, onder bezwarende titel en door een als zodanig handelend belastingplichtige, aan de belasting onderworpen. In dat geval dient de leasinggever als belastingplichtige te worden geïdentificeerd en gelden de normale regels inzake recht op aftrek. Terzake wordt opgemerkt dat de autonome gemeentebedrijven vallen onder de normale regels inzake belastingplicht voorzien in artikel 4 van het BTW-Wetboek.
Indien de overeenkomst van onroerende leasing daarentegen niet voldoet aan alle voorwaarden, voornoemd, heeft deze overeenkomst betrekking op een handeling die door artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek vrijgesteld is. In dat geval kan de leasinggever voor die handelingen niet als BTW-belastingplichtige geïdentificeerd worden en bijgevolg bestaat er in diens hoofde geen recht op aftrek.
Indien het onroerend goed niet onder bezwarende titel, maar om niet of tegen een symbolische waarde, ter beschikking wordt gesteld van de leasingnemer gaat het om een handeling buiten de werkingssfeer van de BTW die, in hoofde van de leasinggever, niet de hoedanigheid van belastingplichtige doet ontstaan en bijgevolg ook geen recht op aftrek verleent.
Aangezien het geachte lid blijkbaar een concreet geval beoogt, nodig ik haar uit mij alle feitelijke gegevens mee te delen zodat terzake een onderzoek kan worden ingesteld.