Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 48, blz. 5705-5707
Onroerende leasing door gemeentebedrijven.
VRAAG
Krachtens de artikelen 261 en 263bis van de nieuwe gemeentewet kunnen de gemeenten overgaan tot de oprichting van een autonoom gemeentebedrijf voor het voeren van activiteiten, zoals door de Koning erkend. Aldus zijn er gemeenten die onder meer regieën hebben opgericht, die zich bezighouden met de ontwikkeling en verkoop van onroerende goederen, hoofdzakelijk van gronden.
Die gemeenten en ook de regieën die van hen afhangen zijn krachtens artikel 6 van het BTW-Wetboek in principe niet aan de BTW onderworpen, behoudens voor die activiteiten door de Koning aangeduid. Het koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970 bepaalt dienaangaande onder meer in artikel 1, 2°, dat met betrekking tot de verkoop van onroerende goederen en tot de zogenaamde onroerende leasing de gemeenten en hun regieën inderdaad aan de BTW onderworpen zijn.
Aldus bestaat de mogelijkheid dat een gemeentelijke regie of autonoom gemeentebedrijf een gebouw laat oprichten en op de oprichtingsprijs BTW dient te betalen aan de aannemer. Vervolgens zou het autonoom gemeentebedrijf het gebouw in leasing kunnen geven van de gemeente, die het bijvoorbeeld zou kunnen aanwenden voor de exploitatie of het verlenen van rechten op de exploitatie van een restaurant, hotel of drankgelegenheid. Op de jaarlijks door de leasingnemer te betalen som dient het gemeentebedrijf BTW aan te rekenen aan de leasingnemer. Zij wordt zodoende gerechtigd om de door haar geïnde BTW te verminderen met de door haar betaalde BTW. Gezien er op de afkoopwaarde op het einde van het contract geen BTW verschuldigd is, kan er gestreefd worden naar een maximaal recupereren van de BTW.
1. Kan een gemeente of een autonoom gemeentebedrijf ooit beschouwd worden als een onderneming gespecialiseerd in onroerende leasing ?
2. Is voormelde constructie, waarbij een gemeentebedrijf een gebouw in leasing geeft aan de gemeente en er aldus aan de hand van het geïnvesteerd kapitaal in verhouding tot de aankoopoptie een maximale recht op aftrek gezocht wordt, als wettelijk te beschouwen ?
ANTWOORD
1. De onroerende financieringshuur is een contract zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b), van het BTW-Wetboek, wanneer voldaan is aan de voorwaarden gesteld in deze bepaling en in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur.
Artikel 1, 1°, van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat het contract betrekking moet hebben op gebouwde onroerende goederen die opgericht of verkregen worden door de onderneming die gespecialiseerd is in financieringshuur of onroerende leasing, overeenkomstig de gespecifieerde aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer om door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheid als belastingplichtige te worden gebruikt.
Aan de vereiste dat de onroerende financieringshuur moet toegestaan worden door een onderneming die gespecialiseerd is in financieringshuur of onroerende leasing is voldaan van zodra er door bedoelde onderneming één contract van onroerende leasing onder de voorbedoelde voorwaarden werd gesloten. Het feit dat het zou gaan om een autonoom overheidsbedrijf speelt terzake geen enkele rol.
In verband met deze problematiek verwijs ik ook naar het antwoord verstrekt op de vraag nr. 251 van 3 maart 2000, gesteld door het geachte lid (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 31, blz. 3649).
2. Aangezien uit de vraag niet duidelijk blijkt wat het geachte lid precies bedoelt en deze blijkbaar een concreet geval beoogt, nodig ik hem uit mij alle feitelijke gegevens mee te delen zodat terzake een onderzoek kan worden ingesteld.