Beslissing Btw, nr. E.T.121.450, dd. 27.03.2012
Algemene Administratie van de Fiscaliteit
Centrale diensten - directie I/7
Herziening van btw geheven van bedrijfsmiddelen
Aanvangspunt van het herzieningstijdvak
Artikel 9, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat het herzieningstijdvak in de regel begint te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat; dit wil zeggen het jaar waarin de van het bedrijfsmiddel geheven belasting opeisbaar is geworden.
Artikel 9, § 2, van datzelfde besluit voorziet evenwel in de mogelijkheid dat door of vanwege de minister van Financiën, in de gevallen en onder de voorwaarden door of namens hem te bepalen, kan worden toegestaan, of zelfs worden voorgeschreven, dat als uitgangspunt van de herziening wordt genomen de eerste januari van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen.
Aan deze bepalingen werd uitvoering gegeven middels aanschrijving nr. 103 van 31 december 1970 betreffende de aftrekregeling. De uitvoering van artikel 9, § 2, voormeld geeft in de praktijk in sommige gevallen aanleiding tot moeilijkheden indien het gaat om btw geheven van onroerende bedrijfsmiddelen (zie parlementaire vragen nr. 5-839 van 27 januari 2011 en nr. 5-2183 van 29 april 2011 van de heer Tommelein). Om die reden heeft de minister beslist dat de toepassing van dat artikel voor de toekomst wordt gewijzigd.
Er werd beslist dat het aanvangspunt van het herzieningstijdvak voor de btw geheven van bedrijfsmiddelen die vanaf 1 januari 2012 ingebruik worden genomen (1) als volgt dient te worden vastgesteld.
A. Uitgangspunt en duur van het herzieningstijdvak - principe.
Artikel 9, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 3 bepaalt de wijze waarop het herzieningstijdvak wordt berekend. Het begint te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat.
Het herzieningstijdvak eindigt bij het verstrijken van het vierde of, wat de belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen betreft, het veertiende jaar na dat waarin het recht op aftrek is ontstaan (koninklijk besluit nr. 3, artikel 9, § 1, eerste en tweede lid).
B. Uitzondering met betrekking tot het uitgangspunt van de herziening.
Ingevolge artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3 kan de administratie toestaan, of zelfs voorschrijven, dat als uitgangspunt van de herziening wordt genomen de 1ste januari van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen.
Wat de onroerende bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 9, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 3 betreft moet steeds als uitgangspunt van het herzieningstijdvak worden genomen de 1ste januari van het jaar waarin die bedrijfsmiddelen door de belastingplichtige in gebruik worden genomen.
Wat de andere bedrijfsmiddelen dan deze bedoeld in het vorige lid betreft kan het hoofd van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert voorschrijven dat het herzieningstijdvak begint te lopen op 1 januari van het jaar waarin een bedrijfsmiddel in gebruik werd genomen, in de gevallen waarin het uitgangspunt dat door artikel 9, § 1, eerste lid, voormeld werd bepaald, de herziening klaarblijkelijk dreigt te vervalsen. Het hoofd van het controlekantoor moet de toepassing van artikel 9, § 2, van voormeld koninklijk besluit inroepen uiterlijk op 31 december van het derde jaar volgend op dat waarin voor het eerst btw geheven van dat bedrijfsmiddel opeisbaar is geworden (vb. voorschotfactuur).
De belastingplichtige mag er tenslotte voor opteren om 1 januari van het jaar waarin een in het vorig lid bedoeld bedrijfsmiddel in gebruik werd genomen als uitgangspunt van het herzieningstijdvak te nemen, wanneer hij een boekhouding voert die het hem mogelijk maakt het tijdstip waarop het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen te bepalen. Die mogelijkheid is afhankelijk van een voorafgaande vergunning verleend door het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert en moet op het geheel van de bedrijfsmiddelen betrekking hebben.
____________________
(1) Verbetering van de initiële vertaling, die luidde als volgt : "Er werd beslist dat het aanvangspunt van het herzieningstijdvak voor de btw geheven van bedrijfsmiddelen die vanaf 1 januari 2012 opeisbaar is geworden als volgt dient te worden vastgesteld."