Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 36, blz. 2610
Onroerende financieringshuur - Vestiging recht van opstal ten bate van leasinggever
VRAAG
Artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 30 van 28 december 1970 met betrekking tot de toepassing van de BTW op de onroerende financieringshuur stelt, opdat een overeenkomst van onroerende leasing onder de toepassing van de BTW zou vallen, als voorwaarde dat de leasinggever (lessor) het genot van de gebouwen en van de grond waarop deze zijn opgericht aan de lessee toestaat op grond van een niet- eigendomsoverdragend contract. Vaak is de leasingnemer (lessee) evenwel reeds eigenaar van de grond en vestigt hij, voorafgaand aan de leasing- overeenkomst in het voordeel van de lessor een recht van opstal.
Kan in dergelijk geval de verschaffing van het genotsrecht door de lessor (bijvoorbeeld door middel van een huurovereenkomst) beperkt blijven tot het gebouw zonder dat het leasingcontract daardoor buiten de werkingssfeer van de BTW valt ? Dit lijkt mij volkomen logisch. Waarom zou de lessee-opstalverlener nog door een huurovereenkomst het genotsrecht moeten verkrijgen van de grond ? Als eigenaar van de grond heeft hij immers automatisch ook reeds het genotsrecht hiervan.
1. Kan U deze stelling bijtreden ?
2. Bestaan er dienaangaande concrete beslissingen van de administratie ?
ANTWOORD
De vestiging door de toekomstige leasingnemer ten bate van de leasinggever van een recht van opstal op een grond waarop laatstgenoemde het gebouw zal oprichten doet, voor zover de leasingovereenkomst niet opzegbaar noch eigendomsoverdragend is, geen afbreuk aan de in artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992 gestelde voorwaarden.
Waar het in voornoemde situatie vooral op aankomt, is dat het recht van opstal voor een langere termijn wordt gevestigd dan de duur van de leasingovereenkomst zelf zodat de leasingnemer bij het einde van de leasingovereenkomst niet automatisch eigenaar wordt van het geleasde gebouw. Dit laatste zal namelijk het geval zijn wanneer het recht van opstal op hetzelfde tijdstip verstrijkt als de leasingovereenkomst zelf.
Op grond van artikel 1, 3°, van voornoemd koninklijk besluit moet de leasingnemer immers de mogelijkheid hebben om bij het einde van het contract, tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp zijn van de overeenkomst.