BOEKWERK IV. Voldoening van de belasting
Hoofdstuk 14. Teruggaaf van de belasting
Afdeling 6. Modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf
Bijwerking 01.03.2021 – Vorige versies: [01.07.2018] [01.06.2020]
Inhoud: · 24 onderdelen
1. Teruggaaf aan belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die naargelang het geval gehouden zijn tot het indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of een bijzondere aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
A. Bijzondere aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
B. Periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek
b. Maandelijkse teruggaaf van de btw
Toepassingsvoorwaarden (algemeen)
Toepassingsvoorwaarde 1: Bepaling van de totale omzet en van de ‘vrijgestelde’ omzet
Toepassingsvoorwaarde 2: Bepaling van het belastingoverschot
Toepassingsvoorwaarde 3: Minimumtegoed
Regeling met betrekking tot een btw-eenheid
c. Nieuwe maandelijkse teruggaveregeling voor starters
d. Gevolgen van de teruggaaf voor de medecontractant
Inleiding
Bij het toelichten van de modaliteiten en formaliteiten van de teruggaaf wordt een onderscheid gemaakt al naar het gelang het een teruggaaf betreft aan een belastingplichtige of niet-belastingplichtige persoon die hetzij gehouden is tot het indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, hetzij tot het indienen van een bijzondere aangifte in de zin van artikel 53ter, 1°, van voornoemd Wetboek, dan wel een teruggaaf aan een andere persoon.
1. Teruggaaf aan belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die naargelang het geval gehouden zijn tot het indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of een bijzondere aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
Op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt de belasting waarvoor het recht op aftrek wordt uitgeoefend, overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, samengevoegd met de bij toepassing van artikel 77, § 1 en 1bis, van het Btw-Wetboek terug te geven bedragen om te bepalen of het eindresultaat van de aangifte een aan de staat te storten bedrag is dan wel een belastingkrediet ten gunste van de belastingplichtige.
De bedragen die om welke reden ook moeten worden teruggegeven, worden toegerekend op het bedrag van de btw die door de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon voor het aangiftetijdvak is verschuldigd. De toerekening is echter niet toegestaan voor de belasting, nalatigheidsinteresten en fiscale geldboeten die worden voldaan op verzoek van de administratie. Die bedragen mogen in geen geval in een aangifte voorkomen (zie artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Wanneer het eindresultaat van de aangifte een belastingkrediet is ten gunste van de belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek zal dit saldo worden overgedragen naar een volgend aangiftetijdvak onder voorbehoud van hetgeen hierna wordt bepaald.
A. Bijzondere aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek
Indien het gaat om een saldo in het voordeel van de belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon gehouden tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek, zal deze som overeenkomstig de bepalingen van artikel 83 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, aan hem worden terugbetaald vermits de ondertekende aangifte geldt als aanvraag tot teruggaaf.
B. Periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek
Wanneer het eindresultaat van de aangifte een belastingkrediet is ten gunste van de belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek zal dit saldo in beginsel worden overgedragen naar een volgend aangiftetijdvak onder voorbehoud van hetgeen hierna wordt bepaald.
In afwijking hierop wordt overeenkomstig de bepalingen van artikel 81, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek het belastingkrediet, dat uit de aangifte met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar blijkt, teruggegeven rekening houdend met de bankgegevens, inclusief IBAN en BIC zoals vermeld in de aangifte van aanvang of wijziiging activiteit bedoeld in artikel 1 en 2 van het koninklijk besluit nr.10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, indien het minimum 245 euro bedraagt. Indien het belastingkrediet kleiner is dan 245 euro wordt het naar het eerste aangiftetijdvak van het volgend jaar overgedragen.
De teruggaaf is afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar zijn ingediend.
In afwijking op hetgeen voorafgaat kan de belasting tevens hetzij per kwartaal hetzij maandelijks worden teruggegeven mits de daartoe te vervullen voorwaarden worden voldaan:
a. Teruggaaf per kwartaal
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 81, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt het bedrag verschuldigd door de staat op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek na het indienen van de aangifte met betrekking tot elk van de eerste drie kalenderkwartalen of van de aangifte met betrekking tot de laatste maand van elk van die kwartalen op dezelfde wijze aan de belastingplichtige teruggegeven, indien het 615 of 1.485 euro bereikt respectievelijk voor belastingplichtigen die driemaandelijkse aangiften indienen dan wel voor zij die maandelijkse aangiften indienen.
Voor de teruggaaf moeten alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het lopende jaar ingediend zijn uiterlijk de twintigste van de maand na, naargelang van het geval, het kwartaal of de maand op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt.
b. Maandelijkse teruggaaf van de btw
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 81, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt tevens voorzien in een stelsel van maandelijkse teruggaaf van btw. Dit stelsel betreft belastingplichtigen die vrijwel steeds een tegoed tegenover de schatkist hebben, teneinde de voorfinancieringslast te temperen die dergelijke tegoeden veroorzaken.
Het gaat daarbij in de regel om ondernemingen wier activiteit grotendeels van de btw is vrijgesteld (bijvoorbeeld omdat ze actief zijn in de internationale handel) of in België niet aan de btw is onderworpen (bijvoorbeeld omdat de handelingen niet in België worden verricht of om ondernemingen wier activiteit bestaat uit handelingen in België waarvoor ze niet als schuldenaar van de btw worden aangemerkt), terwijl ze voor hun inkomende handelingen btw moeten betalen.
Hetzelfde geldt voor de ondernemingen binnen de bouwsector waarvan de handelingen conform tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, onderworpen zijn aan het verminderd tarief van 6 %, terwijl hun inkomende handelingen in principe tegen het tarief van 21% aan de btw worden onderworpen, als gevolg waarvan ook zij regelmatig een belastingoverschot hebben.
Het stelsel van de maandelijkse teruggaaf van btw maakt het voorwerp uit van de circulaire AOIF nr. 9/2009 (nr. E.T. 115.806) van 03.03.2009.
Beoogde belastingplichtigen
Zowel de belastingplichtige die in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek als de belastingplichtige die niet in België is gevestigd en die maandelijks aangifte doet overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemd Wetboek (2) komen in aanmerking om het stelsel van de maandelijkse teruggaaf te genieten, voor zover ze hier uitdrukkelijk om verzoeken en ze voldoen aan de hieronder vermelde toepassingsvoorwaarden.
(2) Het feit of deze belastingplichtige al dan niet een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft aangeduid speelt geen enkele rol.
Daarentegen wordt van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf uitgesloten, de niet in België gevestigde belastingplichtige die in België niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd onder een individueel nummer maar die wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkend persoon welke beschikt over een globaal btw-identificatienummer waaronder hij meerdere buitenlandse belastingplichtigen vertegenwoordigt.
Toepassingsvoorwaarden (algemeen)
Om de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten dient betreffende belastingplichtige aan de volgende drie toepassingsvoorwaarden te voldoen:
• tijdens het verstreken kalenderjaar ten minste 30 % van zijn totale omzet gerealiseerd hebben:
o door het verrichten van leveringen van goederen en diensten die zijn vrijgesteld op grond van artikel 39, 39bis of 39quater, of van artikel 40, § 2, 1°, en 2°, 41, § 1, eerste lid, 2° tot 6°, of 42 van het Btw-Wetboek
o door het verrichten van leveringen van goederen en diensten waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant ingevolge de artikelen 51, § 2, eerste lid, 5°, en 51, § 4, van het Btw-Wetboek
o door het verrichten van leveringen van goederen en diensten binnen de onroerende sector waarvoor het verminderd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig de rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII en XXXVIII, XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd
o door het verrichten van leveringen van goederen en diensten die in het buitenland plaatsvinden voor zover het belastingoverschot voortvloeit uit de voorfinanciering van de belasting geheven op deze goederen en diensten.
• tijdens dezelfde periode ten minste 12.000 euro belastingoverschot in zijn voordeel hebben gehad
• het belastingkrediet dat blijkt uit de maandaangifte, moet minstens 245 euro bedragen.
Voornoemde toepassingsvoorwaarden worden hierna omstandig toegelicht.
Toepassingsvoorwaarde 1: Bepaling van de totale omzet en van de ‘vrijgestelde’ omzet
Voor het vaststellen van de totale omzet van de belastingplichtige in het kader van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf van de btw, dient rekening te worden gehouden met al de leveringen van goederen en de diensten die een als zodanig handelende belastingplichtige in België onder bezwarende titel verricht.
Ondanks het feit dat het omzetcijfer niet alleen vrijgestelde handelingen omvat, wordt het omzetcijfer dat in aanmerking komt om de regeling van de maandelijkse teruggaaf te genieten ‘vrijgesteld’ omzetcijfer genoemd.
Het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer omvat de navolgende leveringen van goederen en diensten die vrijgesteld zijn van de btw op grond van de volgende artikelen van het Btw-Wetboek:
• artikel 39 van het Btw-Wetboek: leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap (uitvoeren) en diensten met betrekking tot goederen die worden uitgevoerd
• artikel 39bis van het Btw-Wetboek: leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat van de Gemeenschap (intracommunautaire leveringen)
• artikel 39quater, § 1, 1° tot 3°, van het Btw-Wetboek: leveringen van goederen en diensten die worden verricht in het kader van de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (btw-entrepot)
• artikel 40, § 2, 1° en 2°, van het Btw-Wetboek: leveringen van goederen die zich onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Wetboek bedoelde regelingen bevinden met handhaving van die regeling, alsmede diensten met betrekking tot dergelijke goederen
• artikel 41, § 1, eerste lid, 2° tot 6°, van het Btw-Wetboek: diensten inzake internationaal vervoer van goederen en de daarmee samenhangende diensten
• artikel 42 van het Btw-Wetboek: met uitvoer uit de Gemeenschap gelijkgestelde handelingen.
De volgende handelingen worden, voor zover ze in België plaatsvinden, eveneens opgenomen in het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer in de mate dat de medecontractant een in België gevestigde belastingplichtige is, gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte, of een niet in België gevestigde belastingplichtige die een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft aangesteld:
• werken in onroerende staat en de op grond van artikel 20, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, hieraan gelijkgestelde handelingen (toepassing van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek)
• de leveringen van goud of halffabrikaten met een zuiverheid van tenminste 325 duizendsten of de leveringen van beleggingsgoud bedoeld in artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, (toepassing van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek)
• de leveringen van goederen en diensten verricht door een niet in België gevestigde doch wel voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige (toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek)
• diensten zoals bedoeld in artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, die bestaan in de overdracht van broeikasgasemissierechten als omschreven in artikel 3 van Richtlijn 2003/87/EG, die overdraagbaar zijn overeenkomstig artikel 12 van die richtlijn, evenals andere eenheden die door exploitanten kunnen worden gebruikt om die richtlijn na te leven (toepassing artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek) (3)
(3) Deze handelingen worden, voor zover ze in België plaatsvinden, eveneens opgenomen in het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer in de mate dat de medecontractant een niet in België gevestigde belastingplichtige is die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.
• werken in onroerende staat, leveringen van gebouwen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op dergelijke gebouwen welke onderworpen zijn aan het verminderd tarief van 6 % overeenkomstig de rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII en XXXVIII en XL van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd (4).
(4) Deze handelingen geven eveneens aanleiding tot een belastingoverschot en worden in deze dan ook als ‘vrijgesteld’ omzetcijfer aangemerkt.
De volgende handelingen mogen zowel bij de totale omzet als bij het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer worden gevoegd:
• bepaalde leveringen van goederen in het buitenland, inzonderheid:
o leveringen van goederen vanuit België die in een andere lidstaat plaatsvinden ingevolge artikel 15, § 2 van het Btw-Wetboek (verkopen op afstand)
o leveringen van goederen vanuit België die door of voor rekening van de leverancier worden geïnstalleerd of gemonteerd en waarvoor de plaats van de levering zich overeenkomstig artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek in het buitenland situeert
o leveringen van goederen waarvan de plaats buiten de Gemeenschap is gelegen voor zover die goederen eerst door de belastingplichtige vanuit België werden overgebracht naar een verkoopkantoor buiten de Gemeenschap
o leveringen van goederen waarvan de plaats in een andere lidstaat dan België is gelegen, voor zover deze goederen voorafgaandelijk het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering als bedoeld in artikel 12bis van het Btw-Wetboek (met een levering onder bezwarende titel gelijkgestelde overbrenging). Om dubbeltelling te vermijden dient het bedrag dat als maatstaf van heffing heeft gediend voor de in artikel 12bis bedoelde levering in mindering te worden gebracht van de totale omzet en de vrijgestelde omzet. Deze dubbeltelling wordt trouwens vermeden doordat de overbrenging in de periodieke btw-aangifte moet worden geannuleerd. De overbrenging moet worden opgenomen in rooster 46 van de periodieke btw-aangifte, de annulatie in rooster 49 en de verkoop binnen de andere lidstaat in rooster 47
o leveringen vanuit België van gas via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of eender welk op een dergelijk systeem aangesloten net, leveringen van elektriciteit of leveringen van warmte of koude via warmte- of koudenetten, die op grond van artikel 14bis, van het Btw-Wetboek in het buitenland plaatsvinden, voor zover het belastingtegoed voortspruit uit de van de betreffende goederen geheven voorbelasting
• de facturaties van goederen of diensten met opschorting van de betaling van de btw ingevolge artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, (in geval zich een oorzaak van opeisbaarheid voordoet vóór de uitvoer van de goederen), alsmede de facturaties bedoeld in artikel 17, § 2, van het Btw-Wetboek (in geval van intracommunautaire leveringen wanneer de factuur wordt afgeleverd vóór de vijftiende van de maand volgend op die waarin het belastbaar feit heeft plaatsgevonden). Indien nochtans ingevolge een wijziging in de uitvoering van het contract de goederen voor het binnenlands verbruik worden bestemd, moet het gefactureerde bedrag waarvan sprake in het vorige lid, in aftrek worden gebracht van de ‘vrijgestelde’ omzet. Indien na de facturering het contract wordt verbroken, moet het gefactureerde bedrag in aftrek worden gebracht van de ‘vrijgestelde omzet’ en van de totale omzet.
• de waarde van de materialen die worden verzonden naar een plaats buiten de Gemeenschap met het oog op het verrichten van een materieel werk of expertise of op een werk in onroerende staat in dat derde land
• de diensten die bestaan uit een materieel werk of expertise met betrekking tot een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed die materieel in België worden verricht doch waarvan de plaats overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in een andere lidstaat dan België is gesitueerd
• de diensten van vervoer en met vervoer samenhangende diensten die op grond van artikel 21, § 2 of § 3, 2°, van het Btw-Wetboek buiten België plaatsvinden, of waarvan sprake in artikel 21bis, § 2, 3°, 4° of 6°, c), van het Btw-Wetboek en die op grond van dat artikel buiten België plaatsvinden
• de andere diensten dan hierboven opgesomd die op grond van artikel 21 en artikel 21bis van het Btw-Wetboek geacht worden plaats te vinden in het buitenland. Deze dienstverrichtingen mogen deel uitmaken van het vrijgesteld omzetcijfer in de mate dat het belastingoverschot is ontstaan uit de prefinanciering van de btw op deze diensten. Wanneer zou blijken dat het overgrote deel van het belastingoverschot ontstaan is uit de aanschaf van investeringsgoederen zal de vergunning worden geweigerd.
De volgende in België verrichte handelingen dienen daarentegen wel in aanmerking te worden genomen in het totale omzetcijfer maar mogen nooit in rekening worden gebracht voor de berekening van de vrijgestelde omzet:
• de volgende in België verrichte handelingen onderworpen aan een bijzondere regeling die zowel de belastingplichtige als zijn medecontractant vrijstellen van de betaling van de belasting (handelingen die worden ingeschreven in rooster 00 van de periodieke aangifte), en meer bepaald:
o verkopen van tabaksfabrikaten bedoeld in artikel 58, § 1, van het Btw-Wetboek
o verkopen van kranten en tijdschriften en van recuperatiematerialen
o de verkopen van goederen onder de winstmargeregeling bedoeld in artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs.
• de andere handelingen dan die bedoeld in de artikelen 51, § 2, en 51, § 4, van het Btw-Wetboek welke in België zijn verricht en waarbij op grond van de algemene of bijzondere administratieve beslissing de belasting verschuldigd is door de medecontractant.
Ten slotte maken de volgende handelingen noch deel uit van het algemeen omzetcijfer, noch van het ‘vrijgesteld’ omzetcijfer:
• de in België verrichte handelingen die op grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek worden vrijgesteld
• de in België verrichte handelingen die op grond van artikel 44bis van het Btw-Wetboek worden vrijgesteld
• de handelingen die geacht worden plaats te vinden in het buitenland en die op grond van de artikelen 132 tot 136 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde vrijgesteld zijn (zie ook artikel 44 van het Btw-Wetboek).
Toepassingsvoorwaarde 2: Bepaling van het belastingoverschot
Om het stelsel van de maandelijkse teruggaaf te kunnen genieten, dient de belastingplichtige, als tweede toepassingsvoorwaarde, tijdens het verstreken kalenderjaar ten minste 12.000 euro belastingoverschot in zijn voordeel te hebben gehad. Dit wil zeggen dat het totaalbedrag van de aftrekbare belasting ten minste 12.000 euro hoger is dan het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.
Bij de berekening van het totaalbedrag van de aftrekbare belasting en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting, dient eveneens rekening te worden gehouden met de herzieningen van de aftrekbare en de verschuldigde btw die betrekking hebben op die handelingen.
Om na te gaan of hogergenoemde toepassingsvoorwaarde vervuld is, dient in principe de omzet en het belastingoverschot van het verstreken kalenderjaar in aanmerking te worden genomen. Indien de belastingplichtige daardoor in de voorwaarden komt om de vergunning te verkrijgen, mag de referentieperiode van het verstreken kalenderjaar evenwel vervangen worden door de periode van twaalf opeenvolgende maanden die de aanvraag om vergunning voor maandelijkse teruggaaf voorafgaan.
Voor het vaststellen van de omzet en het belastingoverschot dient éénzelfde referentieperiode in aanmerking te worden genomen.
In geval van vestiging in België van een vaste inrichting of van het bekomen van een btw-identificatie in België via een individueel nummer door een niet in België gevestigde onderneming, of, meer algemeen, in geval de belastingplichtige zich niet kan baseren op een omzetcijfer van tenminste twaalf opeenvolgende maanden, kan de vergunning worden verleend rekening houdend met de vooruitzichten, op jaarbasis, aangaande voornoemde toepassingsvoorwaarden.
Op dezelfde wijze kan de vergunning worden verleend op basis van vooruitzichten, aan belastingplichtigen die, op basis van hun reeds gerealiseerde activiteit, niet aan voornoemde toepassingsvoorwaarden voldoen, maar die ingevolge belangrijke wijzigingen in de commerciële of industriële organisatie, wel aan deze voorwaarden zullen voldoen voor het nog te lopen deel van het kalenderjaar of voor het daaropvolgende kalenderjaar. De belastingplichtige zal dit moeten kunnen staven aan de hand van bewijskrachtige stukken.
Onder de feiten waarmee rekening kan worden gehouden, kunnen worden vermeld: de splitsing, de fusie en de opslorping van vennootschappen, de kapitaalsverhoging, de oprichting van een nieuwe afdeling, de aankoop van nieuwe belangrijke investeringsgoederen en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen.
Toepassingsvoorwaarde 3: Minimumtegoed
De houder van de vergunning kan slechts effectief teruggaaf bekomen wanneer het door de staat verschuldigde bedrag na het indienen van de maandaangifte, een overschot in zijn voordeel vertoont van minimum 245 euro zelfs wanneer het de aangifte betreft met betrekking tot de handelingen van de laatste maand van het lopende kwartaal. Indien het belastingoverschot geen 245 euro bereikt, wordt het in de regel automatisch overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak.
Voor het overige zijn de algemene regels inzake teruggaaf van belastingkredieten ten gevolge van de indiening van een periodieke aangifte zoals hiervoor bepaald, mutatis mutandis van toepassing ten aanzien van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf.
Voor de toepassing van hetgeen voorafgaat dient geen onderscheid te worden gemaakt of de gedurende het kalenderjaar verrichte handelingen ingeschreven werden op de door het C.I.V. bijgehouden rekening-courant, dan wel op een bijzondere rekening die, overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 24 van 29.12.1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt bijgehouden.
De onder rubriek B hiervoor beoogde terugbetalingen worden echter niet gedaan en het belastingtegoed wordt naar het volgende aangiftetijdvak overgebracht, indien de belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, niet alle verplichtingen is nagekomen met betrekking tot het indienen van de aangiften en de betaling van de opeisbare belasting, hetzij voor het hele verstreken jaar hetzij voor het verstreken tijdvak van het lopende jaar volgens het geval.
De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de voorwaarde om de indieningstermijn te respecteren (ten laatste de twintigste dag van de volgende maand) om te kunnen genieten van de maandelijkse teruggave van het belastingkrediet van deze aangifte, strikt wordt toegepast door de administratie, zelfs in de vakantieperiode.
Zo zal bijvoorbeeld, een belastingplichtige, houder van de vergunning voor maandelijkse teruggave, die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand april 2020 pas indient op 28.05.2020, de maandelijkse teruggave van het btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet kunnen verkrijgen aangezien deze moest ingediend worden ten laatste 20.05.2020.Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand mei 2020 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.06.2020.
De periodieke btw-aangifte voor dewelke de belastingplichtige houder van de vergunning voor maandelijkse teruggave, de teruggave van het belastingkrediet vraagt, moet verplicht worden ingediend via elektronische weg, door middel van de toepassing INTERVAT. Geen enkele afwijking zal worden toegekend op dit principe.
Zo zal bijvoorbeeld, een belastingplichtige houder van de vergunning voor maandelijkse teruggave die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden (indieningsdatum en minimumbedrag) maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand maart 2020 indient op papier en zo de indieningsprocedure niet respecteert, de maandelijkse teruggave van zijn btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet kunnen verkrijgen aangezien deze op elektronische wijze had moeten ingediend worden. Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand april 2020 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.05.2020.
De belastingplichtige houders van de vergunning voor maandelijkse teruggave, die genieten van een vrijstelling van indiening van hun periodieke btw-aangiften via elektronische weg krachtens artikel 18, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, respecteren de indieningsprocedure door hun aangifte in te dienen op papier, maar verliezen automatisch de regeling van maandelijkse teruggave.
De terugbetaling moet door de belastingplichtige uitdrukkelijk worden aangevraagd door het plaatsen van een kruisje in het vak ‘Aanvraag om terugbetaling’ van de maandaangifte met betrekking tot de handelingen van het tijdvak waarvoor de teruggaaf wordt gevraagd. De aangifte welke dit kruisje bevat geldt als aanvraag om teruggaaf.
Bovendien is het voordeel van de maandelijkse teruggaaf krachtens artikel 81, § 5, van koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, ondergeschikt aan de uitreiking door het hoofd van het controlekantoor (controlecentrum) waaronder de belastingplichtige ressorteert van een vergunning die schriftelijk moet worden aangevraagd. Deze aanvraag moet alle elementen bevatten die toelaten na te gaan of de belastingplichtige de toepassingsvoorwaarden vervult.
Binnen de termijn van een maand wordt de gevraagde vergunning verleend indien de daartoe gestelde voorwaarden vervuld zijn of wordt de aanvraag verworpen bij een met redenen omklede beslissing.
De vergunning geldt voor de aanvragen tot teruggaaf in te dienen in de loop van het kalenderjaar waarvoor ze werd verleend. Ze is evenwel eveneens geldig voor de daaropvolgende jaren wanneer de belastingplichtige aan de toepassingsvoorwaarden blijft voldoen. In dat geval geldt het aanbrengen van het kruisje in het vak ‘Aanvraag om terugbetaling’ (zie artikel 81, § 4, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd), als verklaring van de belastingplichtige dat hij voldoet aan die voorwaarden en ontslaat hem ervan een nieuwe aanvraag in te dienen. Wanneer hij niet langer aan de voorwaarden voldoet, vervalt de vergunning ambtshalve en mag hij er zich niet meer op beroepen. Wanneer hij er nadien opnieuw aan voldoet, moet hij een nieuwe vergunning aanvragen.
Ingeval van vestiging in België van een vaste inrichting of van identificatie voor btw-doeleinden in België van een niet in België gevestigde belastingplichtige, hetzij via rechtstreekse identificatie, hetzij via de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger, moet bedoelde belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen in de loop van de twaalfde maand die volgt op diegene tijdens dewelke de oorspronkelijk, op basis van vooruitzichten aangaande de toepassingsvoorwaarden, verkregen vergunning werd verleend.
Hetzelfde geldt wanneer de vergunning werd verleend aan een belastingplichtige die op basis van zijn reeds uitgeoefende activiteit niet aan de toepassingsvoorwaarden van een vergunning voldoet, maar die ingevolge belangrijke wijzigingen in de economische of industriële organisatie (volgens de vooruitzichten) wel aan deze voorwaarden zal voldoen gedurende de periode van twaalf opeenvolgende maanden vanaf de aanvraag van de vergunning.
Indien de administratie vaststelt dat de belastingplichtige niet meer voldoet aan de vereiste bijzondere voorwaarden of dat de belastingplichtige geen handelingen meer verricht bedoeld in artikel 81, § 2, eerste lid, 3°, van koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wegens een wijziging van de werkzaamheid of van de exploitatievooruitzichten, kan ze overeenkomstig artikel 81, § 5, zevende lid, van koninklijk besluit nr. 4 bij een met redenen omklede beslissing de vergunning op ieder ogenblik intrekken. In dat geval kan de belastingplichtige een nieuwe vergunning aanvragen van zodra hij opnieuw voldoet aan de voorwaarden.
Indien de vergunning, die werd afgeleverd, werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring of indien de belastingplichtige de bij het Wetboek of bij de ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt of in het geval bedoeld in artikel 81, § 3, vijfde lid, van koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan de administratie overeenkomstig artikel 81, § 5, achtste lid, van dat koninklijk besluit eveneens de vergunning intrekken bij een met redenen omklede beslissing. In dat geval zal een nieuwe vergunning slechts kunnen worden aangevraagd na het verstrijken van het kalenderjaar dat volgt op datgene waarin de beslissing tot intrekking ter kennis van de belastingplichtige werd gebracht.
Regeling met betrekking tot een btw-eenheid
• Vergunning die voorheen werd toegekend aan een lid dat toetreedt tot de btw-eenheid
De vergunning voor de maandelijkse teruggaaf van belastingkredieten toegekend aan een btw-belastingplichtige, vervalt ambtshalve vanaf het moment waarop die belastingplichtige toetreedt tot een btw-eenheid, omdat deze belastingplichtige als zodanig niet meer gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften.
• Vergunning aangevraagd door de btw-eenheid
De btw-eenheid zal de mogelijkheid hebben om zelf de vergunning voor de maandelijkse teruggaaf van haar belastingkredieten aan te vragen.
Als de btw-eenheid vanaf haar oprichting dit stelsel wil genieten, kan ze daartoe een aanvraag indienen op basis van vooruitzichten.
Er wordt aan herinnerd dat een belastingplichtige, om te kunnen genieten van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf, tijdens het verstreken kalenderjaar, een belastingoverschot in zijn voordeel moet hebben van ten minste 12.000 euro en dat zijn omzet, tijdens diezelfde periode, voor ten minste 30% moet bestaan uit leveringen van goederen en dienstprestaties welke van de belasting zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 39, 39bis en 39quater en van de artikelen 40, § 2, 1°, en 2°, en 41, § 1, 2° tot 6°, en 42 van het Btw-Wetboek, leveringen van goederen en diensten waarvoor de belasting verschuldigd is door de medecontractant ingevolge artikelen 51, § 2, 5°, en 51, § 4, van het Btw-Wetboek, leveringen van goederen en diensten binnen de onroerende sector waarvoor het verlaagd btw-tarief van toepassing is overeenkomstig de rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII en XXXVIII en XL van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, en/of leveringen van goederen en diensten die in het buitenland plaatsvinden voor zover het belastingoverschot voortvloeit uit de voorfinanciering van de btw geheven van deze goederen en diensten (zie ook ‘toepassingsvoorwaarden’ hiervoor).
Aangezien de handelingen verricht tussen de leden van de btw-eenheid buiten het toepassingsgebied van de btw vallen, mag met die bedragen geen rekening worden gehouden voor de vaststelling van de totale en de ‘vrijgestelde’ omzet.
Om de totale omzet en de vrijgestelde omzet te berekenen, moet de btw-eenheid rekening houden, op het ogenblik van zijn vooruitzichten, met het geheel van de omzetten dat elk lid vóór zijn toetreding in België heeft gerealiseerd, gedurende het vorige kalenderjaar. Om deze bedragen te bepalen wordt er geen rekening gehouden met handelingen verricht tussen de leden onderling.
c. Nieuwe maandelijkse teruggaveregeling voor starters
Overeenkomstig artikel 81, § 2, 4 °, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, wordt het bedrag dat verschuldigd is door de Staat na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte en dat betrekking heeft op een tijdvak dat valt binnen de vierentwintig maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr.10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige teruggegeven wanneer dat bedrag 245 euro bereikt
Het belastingkrediet kan vanaf 01.01.2020, maandelijks terugbetaald worden aan de belastingplichtige starter, op zijn uitdrukkelijke vraag en mits de voldoening aan bepaalde voorwaarden en formaliteiten (circulaire 2019/C/128 betreffende de teruggaven inzake btw aan belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen van 11.12.2019).
Beoogde belastingplichtigen
De belastingplichtigen beoogd door de nieuwe maatregel van maandelijkse terugbetaling van het btw-krediet zijn de belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen, de genoemde 'starters'. Het betreft belastingplichtigen die een aangifte van aanvang van activiteit hebben ingediend (door middel van een document nr. 604A, of voor de btw-eenheden, door middel van een document nr. 606A) minder dan 24 maanden geleden.
Vanaf zijn aanvraag tot btw-identificatie, kan een belastingplichtige genieten van de maandelijkse teruggave van zijn btw-kredieten als zijnde 'starter' gedurende een periode van 24 maanden, voor zover de voorwaarden die van toepassing zijn, vervuld zijn.
Het begrip belastingplichtige 'starter' beoogt met name:
• de nieuwe belastingplichtigen die nog nooit eerder werden geïdentificeerd voor de btw en die een aangifte indienen ter aanvang van de activiteit (document nr. 604A)
• de belastingplichtigen die hun activiteit hebben stopgezet (indiening van een document nr. 604C) en die een nieuwe activiteit aanvangen, voor zover ten minste drie maanden zijn verlopen tussen de datum van stopzetting (de indiening van het document nr. 604C) en de datum van indiening van de nieuwe aangifte van aanvang van activiteit (document nr. 604A)
• de belastingplichtigen die een aangifte van aanvang van activiteit indienen (document nr. 604A) en de vrijstellingsregeling kiezen en die in de loop van de eerste 24 maanden van hun activiteit overgaan naar de normale regeling van de belasting inzake btw (ze blijven starter tot het verstrijken van de 24 maanden)
• de nieuwe btw-eenheden (zelfs waarvan de leden reeds allen geïdentificeerd waren voor de btw) en die een aangifte van aanvang van activiteit indienen (document nr. 606A).
De houders van een globaal btw-identificatienummer (waarvan het nummer begint met BE 0796.6 of BE 0796.5) worden daarentegen nooit beschouwd als 'starters'.
Bij afloop van de periode van 24 maanden die volgt op de datum van aanvang van zijn activiteit, wordt de betrokken belastingplichtige niet langer beschouwd als 'starter' en kan dus niet meer genieten van de nieuwe regeling van maandelijkse teruggave van btw-kredieten. Zijn eventueel belastingkrediet wordt dus in principe overgedragen op de volgende aangifteperiode, krachtens artikel 81, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd (zie evenwel de mogelijkheden van trimestriële of maandelijkse teruggave respectievelijk voorzien in de artikelen 81, § 2, eerste lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Toepassingsvoorwaarden
Opdat de belastingplichtige 'starter' de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet kan verkrijgen, moeten de volgende toepassingsvoorwaarden gelijktijdig vervuld zijn.
a. De betrokken periode
Het btw-krediet moet betrekking hebben op een periode vervat in de 24 maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit. Deze datum is deze vermeld door de belastingplichtige in zijn aangifte van aanvang van de activiteit (document nr. 604A).
Voorbeeld
Een belastingplichtige heeft in zijn aangifte van aanvang van activiteit aangeduid dat hij deze activiteit start op datum van 23.03.2019. Indien alle terzake vereiste voorwaarden vervuld zijn, zou hij kunnen genieten van de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet voor 'starters’ voor handelingen verricht tussen 23.03.2019 en 31.03.2021. De laatste aangifte waarin deze belastingplichtige de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet zou kunnen aanvragen, zal dus deze zijn met betrekking tot de handelingen van de maand maart 2021, in te dienen tegen 20.04.2021.
Bij afloop van deze periode van 24 maanden, zal het saldo van het belastingkrediet, in principe, overgedragen worden op de volgende aangifteperiode.
b. Aangifteregime
De regeling van maandelijkse teruggave van belastingkrediet is voorbehouden aan de belastingplichtige starters gehouden tot maandelijkse indiening van periodieke aangiften, overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek.
De belastingplichtige 'starters' die opteren voor de trimestriële indiening van hun periodieke btw-aangifte krachtens artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, zijn automatisch uitgesloten van de regeling van maandelijkse teruggave. De toepassingsvoorwaarden van de teruggave van belastingkredieten die resulteren uit kwartaalaangiften ingediend door belastingplichtige starters zijn vastgelegd door artikel 81, § 1 en 81, § 2, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
c. Het minimale bedrag
Het btw-krediet moet ten minste 245 euro bereiken. Indien het belastingoverschot de 245 euro niet bereikt, wordt het, in regel, automatisch overgedragen naar de volgende aangifteperiode.
d. De datum van indiening van de aangifte
De periodieke btw-aangifte moet ten laatste worden ingediend de twintigste dag van de maand die volgt op de maand na dewelke de door de staat verschuldigde som wordt vastgesteld.
Dit betekent enerzijds, dat om te kunnen genieten van de maandelijkse terugbetaling van zijn belastingkredieten, de belastingplichtige 'starter' gehouden is tot het indienen van maandelijkse btw-aangiften en, anderzijds, dat deze laatste strikt moeten worden ingediend binnen de wettelijk voorziene indieningstermijn. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat geen enkele tolerantie hieromtrent zal worden toegepast door de administratie, zelfs niet in de vakantieperiode.
Bijvoorbeeld, een belastingplichtige die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden, maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand maart 2020 indient op 25.04.2020, de maandelijkse teruggave van het btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet zal kunnen verkrijgen aangezien deze moest ingediend worden ten laatste 20.04.2020. Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand april 2020 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.05.2020.
e. De wijze van indiening van de aangifte
De periodieke btw-aangifte moet verplicht worden ingediend via elektronische weg, door middel van de toepassing INTERVAT. Geen enkele afwijking zal worden toegekend op dit principe.
Zo zal bijvoorbeeld, een belastingplichtige die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden (indieningsdatum en minimumbedrag) maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand maart 2020 indient op papier en zo de indieningsprocedure niet respecteert, de maandelijkse teruggave van zijn btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet kunnen verkrijgen aangezien deze op elektronische wijze had moeten ingediend worden. Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand april 2020 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.05.2020.
De belastingplichtigen die genieten van een vrijstelling van indiening van hun periodieke btw-aangiften via elektronische weg krachtens artikel 18, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, respecteren de indieningsprocedure door hun aangifte in te dienen op papier, maar kunnen echter niet genieten van de nieuwe regeling van maandelijkse teruggave voor 'starters'.
f. De uitdrukkelijke vraag
De belastingplichtige moet uitdrukkelijk vragen om teruggave van het belastingkrediet op het einde van elke maand voor dewelke een belastingoverschot terugbetaalbaar is. Hiervoor dient hij het kader aan te kruisen dat voor dit doel voorzien is in de rubriek 'Vraag om teruggave' van de maandelijkse btw-aangifte met betrekking tot de handelingen van de betrokken periode.
g. Intrekking van het recht op maandelijkse teruggave
Krachtens artikel 81 , § 5, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan het recht op maandelijkse teruggave van de belastingplichtige 'starter' worden ingetrokken op tijdelijke of definitieve wijze, indien de teruggave werd verkregen ten gevolge een onjuiste aangifte, indien deze belastingplichtige niet meer voldoet aan de voorwaarden opgelegd door het Btw-Wetboek en door de besluiten genomen ter uitvoering ervan of ingeval van ernstige vermoedens of bewijzen dat de betrokken aangifte of de voorgaande aangiften onjuiste gegevens bevatten die wijzen op een belastingschuld.
C. Formaliteiten
Voor de teruggaaf ten gunste van belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden naargelang het geval, tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, wordt de vordering tot teruggaaf uitgeoefend zonder rechtstreekse tussenkomst van de administratie en moet de rechtvaardiging van het recht op teruggaaf slechts worden verstrekt wanneer een ambtenaar van het btw-controlekantoor (controlecentrum) erom verzoekt.
Krachtens artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, is het uitoefenen van die vordering echter afhankelijk van opmaken van een verbeterend stuk en van het houden van een teruggaafregister.
a. Verbeterend stuk
Overeenkomstig artikel 4, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggaaf vatbare bedrag om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen.
Het verbeterend stuk moet worden opgemaakt op het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat, of uiterlijk op het tijdstip waarop de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die vordering uitoefent. Het stuk vermeldt de elementen die het mogelijk maken om de handeling waarop de teruggaaf betrekking heeft en de aangifte waarin het voor teruggaaf vatbare bedrag onder de verschuldigde belasting werd opgenomen, te identificeren, evenals de oorzaak van de teruggaaf, de belasting die werd voldaan, het voor teruggaaf vatbare bedrag en, in voorkomend geval, de verwijzing naar de bewijsstukken (met de medecontractant gewisselde brieven, overeenkomst die de vernietiging of de ontbinding van de oorspronkelijke overeenkomst vaststelt, inschrijving van het verlies van de schuldvordering op de winst- en verliesrekening…).
Dit belet niet dat meer specifieke vermeldingen en formaliteiten kunnen worden opgelegd, zoals bijvoorbeeld gebeurd is in het kader van de problematiek van de kortingbonnen (zie aanschrijving nr. 8 van 27.08.1997).
Wanneer de teruggaaf betrekking heeft op een binnenlandse handeling en verleend wordt hetzij op grond van een vergissing in de factuur hetzij op grond van één van de oorzaken bedoeld in artikel 77, § 1, 2° tot 7°, van het Btw-Wetboek, moet overeenkomstig artikel 79, § 1, van dat Wetboek een dubbel van het verbeterend stuk aan de medecontractant worden uitgereikt. Op dat dubbel moet de volgende vermelding voorkomen: ‘btw terug te storten aan de staat, in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht’ (zie ook artikel 4, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
In geval van teruggaaf van de belasting betaald ter zake van een intracommunautaire verwerving van goederen of ter zake van een dienst of een levering van goederen waarvoor de belasting door de medecontractant is verschuldigd, dient er uiteraard geen dubbel van het verbeterend stuk te worden uitgereikt, maar dient de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de belasting aan de staat terug te storten in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht. Die terugstorting vindt overeenkomstig artikel 4, § 1, 4°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, plaats door het bedrag ervan te begrijpen in het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het aangiftetijdvak in de loop waarvan de teruggaaf wordt bekomen (rooster 61 van de aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek of rooster 81 van de aangifte beoogd in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek).
Er wordt opgemerkt dat het niet is toegestaan een factuur met betrekking tot een nieuwe levering te verminderen met het bedrag van de prijsvermindering, de terugzending … betreffende een vroegere levering en op die wijze slechts het verschil te belasten.
De belastingplichtige gehouden tot het indienen van aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek moet geen dubbel van het verbeterend stuk uitreiken aan zijn medecontractant in geval van teruggaaf van btw die werd voldaan voor een handeling met een particulier, zonder dat een factuur werd uitgereikt omdat die uitreiking niet verplicht was. Hij moet, in principe, kunnen bewijzen dat hij de ten onrechte in rekening gebrachte belasting aan zijn afnemer heeft terugbetaald.
In geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een faillissement, is de leverancier of dienstverrichter niet gehouden aan zijn medecontractant een verbeterend stuk uit te reiken zoals voorzien in artikel 79, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek zal de leverancier of dienstverrichter die in deze een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt (zie ook zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 2 – rubriek C, hiervoor).
In het geval van gedeeltelijk of volledig verlies van de schuldvordering van de prijs ingevolge een gerechtelijke reorganisatie moeten de formaliteiten ingesteld bij artikel 79, § 1, eerste lid van het Btw-Wetboek en volgens de modaliteiten van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, worden nageleefd. Gezien de gedeeltelijke of volledige verliezen van schuldvordering van de prijs in geval van een gerechtelijke reorganisatie als blijvend worden beschouwd, zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek daarentegen niet van toepassing. De leverancier of dienstverrichter die een teruggaaf van de belasting heeft bekomen, zal bijgevolg niet gehouden zijn aan de staat het bedrag van de belasting terug te storten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en hem het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som betaalt (zie ook zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 2 – rubriek B, hiervoor).
Echter uitzondering op voorgaande alinea is het geval waarbij er een einde wordt gemaakt aan het minnelijk akkoord of als het reorganisatieplan wordt ingetrokken. In dergelijke gevallen zal het ‘verloren’-karakter van de schuldvordering opnieuw in vraag gesteld worden en zijn de bepalingen van artikel 79, § 1, derde lid van het Btw-Wetboek in voorkomend geval van toepassing.
De belastingplichtige leverancier is niet verplicht de vordering tot teruggaaf uit te oefenen wanneer de oorspronkelijke handeling betrekking heeft op een levering van goederen of op een dienst, hier te lande verricht voor een belastingplichtige die gehouden is een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek in te dienen en die de hem oorspronkelijk in rekening gebrachte belasting integraal en definitief in aftrek heeft kunnen brengen en deze belasting niet werd geheven van een bedrijfsmiddel in de zin van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 3, voornoemd. De creditnota uitgereikt door de leverancier of dienstverrichter die de belasting aan de schatkist heeft voldaan maakt dan uiteraard geen melding van de btw en de medecontractant is niet gehouden de oorspronkelijk uitgeoefende aftrek recht te zetten noch enige terugstorting te verrichten.
b. Teruggaafregister
Overeenkomstig artikel 4, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon die, naargelang van het geval gehouden is de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, voornoemd verbeterend stuk inschrijven in een daartoe bestemd register.
Het teruggaafregister dat, mits machtiging vanwege de administratie, op losse bladen mag worden gehouden (zie ook aanschrijving nr. 78/1970 van 24.11.1970 en aanschrijving nr. 81/1970 van 07.12.1970, deel I, in fine) vormt eigenlijk een inventaris van de verbeterende stukken die er doorlopend genummerd worden in opgenomen. Iedere inschrijving dient ten minste volgende gegevens te vermelden:
• een volgnummer dat tevens het nummer is van het verbeterend stuk
• de datum van de inschrijving
• de aanduiding van de medecontractant
• het terug te geven bedrag.
Bij het verstrijken van ieder aangiftetijdvak, telt de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de voor teruggaaf vatbare belasting samen en schrijft hij dat bedrag voluit in letters na de laatste inschrijving.
Het register moet ter beschikking worden gehouden van het controlekantoor (controlecentrum) waaronder de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon ressorteert en aan dat kantoor worden overgelegd op ieder verzoek van het hoofd van dat controlekantoor (controlecentrum). Indien het register niet wordt overgelegd moet de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon de belasting waarvan hij de teruggaaf heeft verkregen, en die in het register moest worden ingeschreven, terugstorten.
De administratie zal geen kritiek uitoefenen wanneer een belastingplichtige, gehouden tot het indienen van periodieke aangiften beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, de uitgereikte creditnota’s inschrijft in het boek voor uitgaande facturen op voorwaarde dat de terug te geven btw-bedragen worden samengeteld per aangiftetijdvak en dat het totaal wordt overgebracht naar het bijzonder register dat wordt gehouden voor de inschrijving van de teruggaven waarvoor geen creditnota aan een medecontractant wordt uitgereikt (bijvoorbeeld teruggaven met betrekking tot invoeren, teruggaven met betrekking tot onttrekkingen …). Het spreekt vanzelf dat in dat geval het boek voor uitgaande facturen, evengoed als het eigenlijke teruggaafregister op het btw-controlekantoor (controlecentrum) moet worden overgelegd.
c. Vermelding in de aangifte
De leverancier van de goederen of de dienstverrichter die zijn recht op teruggaaf van de belasting uitoefent, dient, in voorkomend geval, enerzijds de bedragen exclusief belasting over de toegevoegde waarde van de verbeterende stukken die hij heeft opgesteld bij te voegen bij het bedrag in te schrijven in rooster 49 van zijn periodieke aangifte en anderzijds het bedrag van de belasting waarvoor hij zijn recht op teruggaaf uitoefent op te nemen in rooster 64 van deze aangifte.
d. Gevolgen van de teruggaaf voor de medecontractant
Wanneer de medecontractant van de belastingplichtige die teruggaaf heeft verkregen op grond van artikel 77, § 1, van het Btw-Wetboek, zelf een belastingplichtige is gehouden tot het indienen van een periodieke aangifte, dan schrijft deze medecontractant de ontvangen creditnota in in zijn boek voor inkomende facturen of in een bijzonder register dat hij daarvoor houdt, met vermelding van het btw-bedrag dat hem werd gecrediteerd en van het bedrag dat hij aan de staat moet terugstorten (effectief afgetrokken belasting). Op het einde van ieder aangiftetijdvak maakt hij het totaal van de terug te storten bedragen en vermeldt hij dat totaal in rooster 63 van de periodieke btw-aangifte.
Het bedrag van de ontvangen creditnota exclusief btw wordt opgenomen in het bedrag te vermelden in rooster 85 van de periodieke aangifte en wordt afgetrokken van het bedrag van de voor de aangifteperiode in te schrijven aankopen naar gelang het geval, in rooster 81, 82 of 83. Indien het bedrag vermeld in rooster 81, 82 of 83 ontoereikend is, dient het saldo in het betreffende rooster van één of meerdere volgende btw-aangifte(n) in mindering te worden gebracht. Hoe dan ook mogen nooit negatieve bedragen worden opgenomen in een periodieke btw-aangifte.
2. Teruggaaf aan andere personen
A. Formaliteiten
Wanneer de rechthebbende op de teruggaaf een andere in België gevestigde persoon is dan een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon gehouden tot het indienen, naargelang het geval van een periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, moet hij conform artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, een aanvraag om teruggaaf, in twee exemplaren indienen bij het controlekantoor van de btw (controlecentrum) waaronder hij ressorteert indien hij een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, of in het ambtsgebied waarin hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft indien het iedere andere persoon betreft.
Worden onder meer beoogd :
• de belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen waarvan de toepassingsvoorwaarden bepaald zijn in het koninklijk besluit nr. 19 van 29.06.2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen
• de landbouwondernemer die niet voor de normale belastingregeling heeft geopteerd (zie ook artikel 57 van het Btw-Wetboek en koninklijk besluit nr. 22, voornoemd)
• iemand die een gebouw heeft opgericht en die gebruik maakt van de regeling bedoeld in artikel 8 van het Btw-Wetboek (zie ook afdeling 5: Tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat – titel 5, hiervoor) en zich bevindt in de toestand beoogd in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 14, voornoemd
• de militaire en burgerlijke oorlogsinvaliden, die een invaliditeitspensioen van ten minste 50 % genieten, personen die volledig blind zijn, personen die volledig verlamd zijn aan de bovenste ledematen of waarvan de bovenste ledematen zijn geamputeerd of personen met een blijvende invaliditeit die rechtstreeks toe te schrijven is aan de onderste ledematen en ten minste 50 % bedraagt (zie ook afdeling 3: Oorzaken van de teruggaaf – titel 4, hiervoor)
• de in artikel 8bis, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde toevallige belastingplichtige wanneer de voorwaarden voor de uitoefening van zijn recht op aftrek niet vervuld waren op het tijdstip van het indienen van de in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 48, voornoemd, bedoelde aangifte.
Overeenkomstig artikel 82bis van het Btw-Wetboek, kan deze aanvraag nog worden ingediend tot 31 december van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.
Deze teruggaaf is afhankelijk van het bewijs van de betaling van de belasting en van de rechtvaardiging van de oorzaak van teruggaaf.
In verband met de teruggaven ten gunste van de belastingplichtigen of niet-belastingplichtige rechtspersonen die niet gehouden zijn, naargelang het geval, tot het indienen van een aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek, en die niet in België zijn gevestigd, dient het volgend onderscheid te worden gemaakt:
• de in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige moet zijn verzoek tot teruggaaf van Belgische btw indienen via de elektronische portaalsite die hem daartoe door zijn lidstaat van vestiging ter beschikking wordt gesteld. De lidstaat van vestiging van de aanvrager zendt het verzoek, na een eerste controle, op elektronische wijze toe aan België waar het zal worden behandeld door het Centraal btw-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (nu KMO Centrum Specifieke Materies genaamd); zie ook artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 31 , voornoemd, in verband met de formaliteiten wordt verwezen naar koninklijk besluit nr. 56 , voornoemd, en circulaire AFZ nr. 20/2009 van 22.12.2009)
• de andere niet in België gevestigde rechthebbenden dienen een aanvraag in drievoud in bij het hoofd van voornoemd Centraal btw-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen (nu KMO Centrum Specifieke Materies genaamd); zie ook artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, en in verband met de formaliteiten wordt verwezen naar aanschrijving nr. 4/1988 van 24.02.1988).
B. Wijze van teruggaaf
De teruggaven bedoeld in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geschieden rekening houdend met de aan de administratie verstrekte bankgegevens, inclusief IBAN en BIC.
De teruggaven voorzien in artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, geschieden, hetzij rekening houdend met de aan de administratie verstrekte bankgegevens, hetzij per internationale cheque (artikel 12, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
Voor de toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 4 worden de bankkosten voor het verrichten van de teruggaaf in voorkomend geval in mindering gebracht van het voor teruggaaf vatbare bedrag artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4
[Top]
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.