Tekst van de beslissing
In zake van:
N.V. I.
met zetel te … BTW nr BE …
Vertegenwoordigd door Mr. F. J. loco Mr. S. V., advocaat
met kantoor te …
EISENDE PARTIJ
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen,
vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het B.T.W. ontvangkantoor Halle, met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bemardastraat nr. 32
Vertegenwoordigd door de heer J. A., ambtenaar
VERWEERDER
In deze zaak, in beraad genomen op 3/09/12, wordt door de rechtbank volgend
vonnis uitgesproken:
Gelet op:
• het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27/04/12;
• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen (art. 747 Ger. W.) dd. 8/06/12;
• de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op 12/10/12, 12/02/13 en op 14/06/13;
• de conclusies en syntheseconclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 7/12/12 en op 3/04/13;
• het bundel met stavingstukken van verwerende partij neergelegd ter griffie op 12/10/12;
Gehoord de partijen ter openbare zitting van 3/09/2013 waarna, de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
Het geding heeft betrekking op een geschil inzake B.T.W.
N.a.v. een controle (14/07/07) door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/01/2006 - 30/06/08 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van :
• art. 53§1,1° lid,2° en 3° W.B.T.W. en art. 18 KB nr. 1 van 29/12/92
• art. 53§1,3° W.B.T.W. en art. 91§1
Er werd een correctieopgave opgesteld (19/10/09) en voor akkoord aan de belastingplichtige overgemaakt.
Bij schrijven dd. 19/10/10 verklaarde eisende partij zich niet akkoord met de voorgestelde inregelstelling/correctieopgave.
Omdat geen akkoord tussen eisende partij en verweerder tot stand kwam stelden de diensten van verweerder een proces-verbaal op aangaande de overtredingen van de B.T.W. wetgeving (pv dd. 5/03/10).
Vervolgens werd, bij gebrek aan volledige betaling, op 2/04/12 een dwangbevel uitgevaardigd door de Fiscale Administratie, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4/04/12 dat op 12/04/12 middels gerechtsdeurwaardersexploot aan eisende partij werd betekend.
Volgens dit dwangbevel zou eisende partij volgende B.T.W. schuld hebben bij verweerder:
B.T.W. : € 23.946,36
Boete : € 4.783,00
Interesten : p.m.
D.m.v. verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27/04/12 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.
Voor de behandeling van dit geschil is voorts nog relevant dat eisende partij actief is als landmeter.
De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of B.T.W. op niet-geïnde erelonen opeisbaar is of niet.
De Fiscale Administratie meent dat de B.T.W. op prestaties van architecten, landmeters en ingenieurs opeisbaar wordt naarmate van de incassering van het ereloon voor zover hun ereloonnota's vermelden dat de medecontractant zijn recht op aftrek niet kan uitoefenen aan de hand van die nota.
Bij gebrek aan dergelijke vermelding is de B.T.W. opeisbaar, ook al werd/is de nota niet betaald.
Eisende partij, op wiens nota's geen dergelijke vermelding voorhanden is, betwist dit meent dat de B.T.W. niet opeisbaar is ook wanneer voormelde vermelding niet op de nota's voorkomt.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
De vordering van eisende partij strekt ertoe het dwangbevel dd. 2/04/12 betekend op 12/04/12 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van B.T.W. en interesten niet verschuldigd zijn.
Zij vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de terugbetaling van alle op grond van voormeld dwangbevel reeds uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen meer wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.
Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder.
Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.
3.1. Gegrondheid
Eisende partij voert vooreerst aan dat er verjaring voorhanden zou zijn m.b.t. de vorderingen voor de jaren 2007 en 2008.
Verweerder wijst op de (gedeeltelijke) betaling dd. 2 juni 2010 en stelt dat er daardoor stuiting voorhanden is.
Beoordeling
Art. 81bis §1 W.B.T.W. verwijst wat betreft de verjaring naar art. 2248 B.W. Volgens de bepalingen van art. 2248 B.W. stuit o.m. de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring.
Een erkenning is een bekentenis; zij kan uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn.
De betaling geldt als schulderkening die de verjaring stuit. Het is een stilzwijgende erkenning.
De betaling van een voorschot kan beschouwd worden als de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt (vgl. Cass., 22 maart 1984, RW., 1984-85, 1868).
Met de (gedeeltelijke) betaling door eisende partij dd. 2/06/10 werd de verjaring gestuit inzake.
Dit middel van eisende partij is ongegrond.
Eisende partij voert voorts aan dat op grond van art. 22§3 W.B.T.W. en art. 17 KB nr. 1 De B.T.W. op de prestaties van architecten, landmeters en ingenieurs slechts opeisbaar wordt naarmate de incassering van het ereloon. Eisende partij verwijst naar de aanschrijving nr. 50 dd. 2 april 1971 van de Fiscale Administratie.
De Fiscale Administratie mag niet weigeren 'deze praktijk toe te passen' : ze dient op straffe van miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur haar eigen richtlijnen na te leven.
Inzake weigert de Fiscale Administratie 'deze praktijk toe te passen' omdat de ereloonnota's die eiseres heeft uitgereikt niet vermelden dat de afnemer op basis ervan geen recht op aftrek van voorbelasting kan uitoefenen.
Nochtans zou deze voorwaarde op geen enkele manier voorkomen in de administratieve richtlijnen. Zij komt ook niet voor in de bepalingen van art. 22§3 W.B.T.W. of art. 17 K.B. nr. 1.
Tot slot is de voorwaarde zinloos: architecten, landmeters en ingenieurs genieten van de regeling voorzien door art. 22§3 W.B.T.W en art. 17 K.B. nr. 1 omdat zij hun diensten doorgaans verstrekken aan niet-belastingplichtigen die sowieso geen recht van aftrek van voorbelasting hebben.
Eisende partij verwijst naar de beslissingen ET 12653 (18/09/1972) en ET 40849 (9/02/1982) en naar een parlementaire vraag van de heer Coppieters dd. 24/09/79 waaruit hij afleid dat de voorwaarde (vermelding dat het document de medecontractant niet in staat stelt het recht op aftrek uit te oefenen) niet meer van toepassing zou zijn.
Het is volstrekt arbitrair om uit hoofde van alle betrokken ereloonnota's de B.T.W. te vorderen van eiseres. Er kan immers worden nagegaan per factuur welke afnemer wel en welke afnemer niet belastingplichtige is.
Bovendien werden de betrokken ereloonnota's nooit vereffend. Het betreft verloren gegane schuldvorderingen. Er kan niet van eiseres verwacht worden dat zij nog kosten maakt om de oninvorderbaarheid van deze schuldvorderingen te bewijzen.
Verweerder stelt dat nu eisende partij een ereloonnota uitreikt die alle elementen van een factuur bevat met het in rekening brengen van de BTW zij krachtens art. 53§1,3° W.B.T.W. schuldenaar van de BTW wordt.
De Fiscale Administratie aanvaardt evenwel dat deze bepaling niet wordt ingeroepen en de BTWopeisbaar blijft naarmate van de incassering maar dan stelt de Fiscale Administratie als voorwaarde dat de medecontractant uit die nota duidelijk dient te kunnen opmaken dat het document in kwestie hem niet in staat stelt zijn recht op aftrek uit te oefenen.
Omdat eisende partij niet aan deze voorwaarde voldoet is zij onmiddellijk voor het volledige bedrag B.T.W. belastingplichtige/belastingschuldige.
Beoordeling
De stelling van eisende partij dat de voorwaarde (vermelding dat het document de medecontractant niet in staat stelt het recht op aftrek uit te oefenen) niet meer van toepassing zou zijn kan niet worden gevolgd. Noch de twee beslissingen, noch de parlementaire vraag zijn immers relevant.
Anderzijds blijkt uit een parlementaire vraag dd. 10 maart 1988 van de heer de Clippele en uit de BTW commentaar (nr. 12/189) dat voor het behoud van de tolerantie de voorwaarde is dat de ereloonnota de vermelding voor uitstel van aftrek bevat.
Ook het argument dat verweerder aan de hand van de ereloonnota's makkelijk kan nagaan of de afnemer al dan niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft is niet relevant. Uit het dossier blijkt dat het klantenbestand van eiseres vooral uit BTW belastingplichtigen bestaat; bovendien is het aan eiseres om met stukken aan te tonen of de belasting al dan niet opeisbaar is.
Verweerder merkt ook terecht op dat eiseres gebruik maakte van de procedure van art. 77§1,7° W.B.T.W. (teruggave van BTW wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren ging).
Aangaande de BTW boete dient erop gewezen dat de verplichting tot het betalen van een boete haar oorsprong in de wet vindt en verbonden is aan het materieel feit der overtreding.
Art. 70 W.B.T.W. bepaalt klaar en duidelijk dat deze boete verschuldigd is o.m. door iedereen die krachtens de BTW wetgeving gehouden is tot voldoening van de belasting.
In datzelfde art. 70 W.BTW verwijst de wetgever uitdrukkelijk naar art. 55.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in· de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de0 zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cassatie 13/02/2009, arrest nr. F. 06.0106.N, www.cass.be).
Inzake wordt niet aangetoond dat de opgelegde sanctie in strijd zou zijn met dwingende rechtsregels van het internationale recht of fundamentele algemene rechtsbeginselen.
De rechter kan niet alleen een wettigheidscontrole doorvoeren maar heeft ook een toetsingsrecht dat hem toelaat na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk.
Het is aan de rechtbank niet toegelaten om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit de door de wet opgelegde geldboete te verminderen of kwijt te schelden (vgl. Cass., 21 januari 2005, www.cass.be).
De inzake opgelegde boete komt in deze context in voorliggende zaak verantwoord voor in en is niet onevenredig volgens de rechtbank.
De boete dient een zekere omvang te hebben wil zij een ontmoedigend karakter hebben.
Nu krachtens artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing zijn ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken kan er inzake niet tot vermindering worden overgegaan gelet op de handelingen van eisende partij.
Dit middel van eisende partij is ongegrond.
De vordering van eisende partij dient bijgevolg ongegrond te worden verklaard.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk is maar ongegrond, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.
Nu verweerder niet door een advocaat werd vertegenwoordigd heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
Noch de waarde van het geschil, noch deze vergoeding (KB dd. 26 oktober 2007) dienen zodoende te worden bepaald en begroot.