Koninklijk besluit nr. 1, artikel 17 · Koninklijke besluiten

Naar de tekst
Juriel

nr. 1 17 10.01.2026

Zoeken
Van kracht

Koninklijk besluit nr. 1, artikel 17Koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-17-bce4

Besluit
nr. 1
Artikel
17
Van kracht sinds
10.01.2026

Over het document

Verzameling
Koninklijke besluiten
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

5 paragrafen

De belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte dient die aangifte in bij de door de minister van Financiën aangewezen dienst, uiterlijk de twintigste dag volgend op de maand waarop zij betrekking heeft.

lid 1In afwijking van paragraaf 1, mag de belastingplichtige een kwartaalaangifte indienen, uiterlijk de vijfentwintigste dag van de maand na ieder kalenderkwartaal, wanneer de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, voor de volledige economische activiteit niet meer bedraagt dan 2.500.000 euro.

lid 2De belastingplichtige die krachtens artikel 53sexies, § 1, van het Wetboek gehouden is tot de maandelijkse indiening van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, is uitgesloten van de regeling bedoeld in het eerste lid.

lid 1De overgang van de regeling kwartaalaangiften naar maandaangiften vindt plaats bij het verstrijken van het kalenderkwartaal waarin voor de eerste maal niet meer aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden is voldaan. De belastingplichtige is gehouden uiterlijk de tiende van de maand volgend op dat kalenderkwartaal kennis te geven van die overgang door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde.

lid 2Alle andere overgangen van een aangifteregeling naar een andere kunnen, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige, door de administratie worden toegestaan en treden in werking de eerste dag van het aangiftetijdvak van de door de belastingplichtige gevraagde regeling volgend op de datum van aanvaarding van de aanvraag door de betrokken administratie. Het verzoek wordt gedaan door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde.

lid 1Wanneer de belastingplichtige, na de indiening van de in paragraaf 1 of 2 bedoelde aangifte in die aangifte een materiële vergissing vaststelt, dient hij, vóór het verstrijken van de indieningstermijn voor die aangifte, een nieuwe aangifte in voor dezelfde periode, die de vorige aangifte annuleert en vervangt.

lid 2Wanneer er geen aangifte kan worden ingediend vóór het verstrijken van de indieningstermijn van de te corrigeren aangifte, neemt de belastingplichtige een correctie op in de eerstvolgende aangifte die moet worden ingediend.

lid 3Onder materiële vergissing in de zin van het eerste lid wordt verstaan elke vergissing of elke vergetelheid die geen aanleiding geeft tot het opmaken of uitreiken van een verbeterend stuk.

lid 1In afwijking van de paragrafen 1 en 2 dient de curator van een gefailleerde belastingplichtige, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel XX.140 van het Wetboek van economisch recht, volgens de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 1 en § 2, en ten laatste op 28 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarop ze betrekking heeft, een jaaraangifte in voor de aan de belasting onderworpen handelingen die hij elk jaar verricht in naam van die belastingplichtige, met ingang van de dag van het vonnis van faillietverklaring.

lid 2De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste op 30 april van het kalenderjaar volgend op dat waarop de in het eerste lid bedoelde aangifte betrekking heeft.

lid 3In afwijking van het eerste lid, dient de curator bij de sluiting van het faillissement de in het eerste lid bedoelde aangifte in ten laatste op de laatste dag van de tweede maand die volgt op de datum van het vonnis tot sluiting van het faillissement.

lid 4De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste binnen de drie maanden volgend op het verstrijken van de termijn voor de indiening van de in het derde lid bedoelde aangifte.

Aangehaalde teksten

9
KB nr. 10 art. 26 voorkomens
WBTW art. 152 voorkomens
WBTW art. 21bis2 voorkomens
WBTW art. 25ter2 voorkomens
WBTW art. 442 voorkomens
KB nr. 1 art. 181 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen

Rechtspraak

2

België

2

Rechtbank van eerste aanleg te Brussel15.11.2013

Verjaring, Stuiting, Bewijs, vervolging, sanctie

KB nr. 1 art. 17

Administratieve doctrine

9

Wetgeving

1

3 documenten hangen aan een welbepaald punt van het artikel, 9 verwijzen naar geen enkel bijzonder punt. De koppeling wordt in de tekst van de documenten gelezen.

Bekijk de 12 documenten

Opeenvolgende versies

5 versies eerste op 01.01.1993
Van krachtWijzigingBron
10.01.2026van krachtKB 17.12.2025, B.S. 31.12.2025
01.01.2025het artikel werd hersteldKB 29.09.2024, B.S. 23.10.2024
01.01.2013het artikel werd opgehevenKB 19.12.2012, B.S. 31.12.2012
01.01.2004eerste lid, vervangenKB 16.02.2004, B.S. 27.02.2004
01.01.1993het artikel werd ingevoerdKB 29.12.1992