Fiscale controle, Adreswijziging, Fiscale geldboete, Faillissement, Stilzwijgende verzaking · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 31 mei 2023

Zoeken

Fiscale controle, Adreswijziging, Fiscale geldboete, Faillissement, Stilzwijgende verzaking

https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-controle-adreswijziging-geldboete-faillissement-hof-van-beroep-brussel-2023-05-31-39d3

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Datum
31 mei 2023

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

168 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 31.05.2023

WF 709-15-16/013510

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Fiscale controle – Adreswijziging – Fiscale geldboete – Faillissement – Stilzwijgende verzaking – Geding zonder voorwerp

Wettelijke bepalingen

Artikel 70, §4 WBTW;

Artikel XX.119. van de faillissementswet.

Samenvatting

1. Feiten, voorgaande procedure en vonnis eerste aanleg

De btw-administratie deed bij de belastingplichtige in april, mei en juni 2015 fiscale controles. De eerste keer was er niemand ter plaatse, en tijdens de volgende controles kon de boekhouder geen boekhouding voorleggen. Deze bevindingen werden opgenomen in een proces-verbaal. Overeenkomstig artikel 70, §4 WBTW werden niet-proportionele geldboeten opgelegd wegens het niet voorleggen van documenten.

Later op 17 juni 2015 werd namens de belastingplichtige een aangifte van stopzetting, formulier 604C, ingediend met vermelding dat de btw-activiteit op 30 september 2014 werd stopgezet. In het Belgisch Staatsblad van 27 juli 2015 werd een beslissing van de bijzondere vergadering van de belastingplichtige gepubliceerd waarin een adreswijziging werd vermeld.

Een verzoek tot kwijtschelding van de boetes werd geweigerd. Tegen de uitgevaardigde dwangbevelen legde de belastingplichtige een verzoekschrift neer bij de rechtbank van eerste aanleg. De rechtbank te Brussel verklaarde bij vonnis van 25 mei 2018 de vordering ontvankelijk maar ongegrond. Tegen dit vonnis ging de belastingplichtige in hoger beroep.

2. Het arrest van het hof van beroep

De belastingplichtige vraagt aan het hof de dwangbevelen te vernietigen. De controle zou op een verkeerd adres plaatsgevonden hebben. De administratie stelde dat de controles in april, mei en juni 2015 terecht werden uitgevoerd omdat er op dat ogenblik nog geen melding werd gemaakt van enige adreswijziging.

Tijdens de procedure voor het hof werd de belastingplichtige op 2 december 2019 failliet verklaard bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank te Gent.

De administratie vraagt bij brief aan de voorzitter van het hof, de stilzwijgende verzaking in dit dossier. Ingevolge art. XX.119. van de faillissementswet worden alle gedingen met betrekking tot de boedel, aanhangig op datum van het faillissement, waarin de gefailleerde betrokken is, van rechtswege geschorst tot aangifte van de schuldvordering is gedaan. Zij blijven geschorst tot na het registreren van het eerste proces-verbaal van verificatie, tenzij de curator de gedingen hervat in het belang van de boedel. Indien de aldus ingediende schuldvordering in het eerste proces-verbaal van verificatie wordt aanvaard, worden de voormelde hangende gedingen zonder voorwerp ten aanzien van de boedel. Deze voorwaarden zijn in dit dossier vervuld.

In het 1° proces-verbaal van nazicht van 9 januari 2020 werd de schuld die in deze zaak ter discussie staat aanvaard. De faling werd afgesloten bij gebrek aan actief op 20 maart 2020.

De rechter in hoger beroep oordeelt dat de administratie tijdens terechtzitting van het hof, stukken heeft neergelegd waaruit blijkt dat de schuldvorderingen van de administratie, voorwerp van dit geding, door de curatele zijn aanvaard in het passief van het faillissement. Ingevolge artikel X.119 Wetboek van economisch recht is onderhavig geding derhalve zonder voorwerp.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Brussel, Fiscale Kamer 6N, burgerlijke zaken

Eindarrest van 31/05/2023

Rol: 2018/A/F/271

INZAKE :

B. T. T. W. C. V.Z.W., met ondernemingsnummer 055...14 en laatste maatschappelijke zetel te ..., failliet verklaard bij vonnis van 2 december 2019 met vereffenaar dhr. E. S., met adres te ...,

appellant,

niet vertegenwoordigd en niet verschijnend ter terechtzitting,

TEGEN :

De BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Adviseur-Generaal KMO Centrum Aalst — Expertise 2, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mevr. X, attaché, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4.

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit. Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :

- het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 25 mei 2018

(2015/5290/A), dat op verzoek van de Belgische Staat werd betekend op 13 juni 2018 (stuk 17 van

geïntimeerde);

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 12 juli 2018;

- de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde, neergelegd ter

griffie op 29 november 2018, 14 maart 2019 en 31 juli 2019;

- de stukken van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 1 augustus 2019.

1. Relevante feiten en voorgaanden

De betwisting heeft betrekking op de btw-vorderingen opgenomen in de btw-dwangbevelen met nummers 500...06, 500...97 en 500...12.

Appellante was als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het btw-nummer BE 055...14. Op 24 april 2015 werd een btw-controle op 21 mei 2015 op het adres te ... aangekondigd (stuk 2 van geïntimeerde). De btw-administratie bood zich aan op het vermelde adres maar er was niemand ter plaatse, deze bevindingen werden in een proces-verbaal van vaststelling opgenomen (stuk 3 van geïntimeerde). Overeenkomstig artikel 70, §4 W.BTW werd een niet-proportionele geldboete van 1.000,00 euro opgelegd wegens het niet voorleggen van stukken, dit betreft het dwangbevel met nummer 500...06.

Op 28 mei 2015 werd een nieuwe btw-controle op 17 juni 2015 op het adres te ... aangekondigd (stuk 5 van geïntimeerde). Tijdens de controle ter plaatse op 17 juni 2015 was dhr. C., die zich presenteerde als de boekhouder van appellante, ter plaatse, maar deze kon geen boekhouding voorleggen. Deze bevindingen werden opgenomen in een proces-verbaal van vaststelling (stuk 6 van geïntimeerde). Overeenkomstig artikel 70, §4 W.BTW werd een niet-proportionele geldboete van 2.000,00 euro, voor een tweede inbreuk, opgelegd, dit betreft het dwangbevel met nummer 500...97.

Op 17 juni 2015 werd namens appellante een aangifte van stopzetting, formulier 604C, ingediend met vermelding dat de btw-activiteit op 30 september 2014 werd stopgezet (stuk 7 van geïntimeerde).

Op 18 juni 2015 stelde de btw-administratie een beslissing tot naheffing op en werd een boete van 800,00 euro opgelegd wegens de laattijdige indiening van de btw-aangifte voor het derde kwartaal van 2014 (stuk 8 van geïntimeerde). Dit betreft het dwangbevel met nummer 500...12.

In de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 27 juli 2015 werd een beslissing van de bijzondere algemene vergadering van appellante van 1 april 2015 gepubliceerd waarin de naam van appellante werd gewijzigd, de maatschappelijke zetel werd verplaatst naar ... en waarin de stopzetting van het btw-nummer per 30 september 2014 werd vastgesteld (stuk 9 van geïntimeerde).

Op 11 augustus 2015 verzocht dhr. S. namens appellante een kwijtschelding van de geldboeten opgenomen in de schuldnummers 500...97 (2.000,00 euro) en 500...12 (800,00 euro). In de beslissing d.d. 12 oktober 2015 werd dit verzoek afgewezen (stukken 10-11 van geïntimeerde).

Op 29 september 2015 werden de btw-dwangbevelen met nummers 500...06 en 500...97 uitgevaardigd en op 16 november 2015 het btw-dwangbevel met nummer 500...12.

2. Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 31 december 2015 vorderde appellante de vernietiging van de drie btw-boetes en om de btw-administratie te veroordelen tot een schadevergoeding van 1.500,00 euro wegens tergend en roekeloos geding en tot de betaling van de kosten van het geding.

Geïntimeerde verzocht de rechtbank om de vorderingen van appellante ongegrond te verklaren.

Bij vonnis van 25 mei 2018 verklaarde de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond en appellante werd veroordeeld tot de betaling van de kosten van het geding.

Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan bij het voormelde verzoekschrift tot hoger beroep.

3. Procedure voor het hof van beroep

Appellante vordert in haar verzoekschrift tot hoger beroep, appellante heeft geen conclusies neergelegd, om het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vorderingen van appellante gegrond te verklaren, dienvolgens te zeggen voor recht dat de drie btw-dwangbevelen met nummers 500...06, 500...97 en 500...12 nietig zijn, minstens ongegrond en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. een rechtsplegingsvergoeding van 1.440,00 euro.

Geïntimeerde concludeert tot het ontvankelijk maar ongegrond verklaren van het hoger beroep van appellante en bijgevolg tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

4. In rechte

Standpunt appellante

Appellante voert aan dat zij tot 30 september 2014 een btw-nummer had en dat haar maatschappelijke zetel zich tot 31 maart 2015 in Brussel bevond en vanaf 1 april 2015 in Temse. Volgens appellante heeft geïntimeerde ten onrechte de briefwisseling gericht aan het adres te Brussel om aldaar een controle uit te voeren. Volgens appellante werden alle btw-aangiften tijdig ingediend.

Standpunt geïntimeerde

Geïntimeerde argumenteert dat sinds de publicatie van de adreswijziging in het Belgisch Staatsblad de correspondentie correct werd verzonden naar het adres te Temse. Geïntimeerde stelt dat de aangekondigde controles in april, mei en juni 2015 terecht werden uitgevoerd in Brussel, aangezien er op dat ogenblik nog geen melding werd gemaakt van enige adreswijziging.

5. Beoordeling: geding zonder voorwerp

Bij vonnis van 20 maart 2020 werd de sluiting van het faillissement wegens ontoereikend actief in hoofde van appellante bevolen (BS 31 maart 2020) en dhr. S. werd aangeduid als vereffenaar.

Ter terechtzitting van het hof heeft geïntimeerde stukken neergelegd waaruit blijkt dat de schuldvorderingen van geïntimeerde, voorwerp van dit geding, door de curatele zijn aanvaard in het passief van het faillissement. Ingevolge artikel XX.119 Wetboek van economisch recht is onderhavig geding derhalve zonder voorwerp.

Appellante c.q. de vereffenaar dient in de kosten van het geding te worden verwezen.

Aangezien geïntimeerde niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.

Het bestreden vonnis werd betekend op verzoek van de Belgische Staat en uit de akte van betekening (stuk 17 van geïntimeerde) blijkt dat de kosten van betekening 158,78 euro bedragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak ten aanzien van geïntimeerde en rechtdoende bij arrest op tegenspraak overeenkomstig artikel 747, §4 Gerechtelijk Wetboek ten aanzien van appellante.

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep van appellante zonder voorwerp.

Verwijst appellante c.q. de vereffenaar in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde door het hof vereffend op 158,78 euro betekeningskosten.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer "6N" van het hof van beroep te Brussel, op 31 mei 2023, alwaar aanwezig waren en zitting namen

C. V. voorzitter

M. L. raadsheer

A. B. raadsheer

B. V. griffier

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Tekst van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 33e kamer

Vonnis van 25/05/2018

Rol: 2015/5290/A

In zake van :

De V.Z.W. B. T T. W. C., met zetel te ... en met ondernemingsnummer 055...14, vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer E. S., met adres te ... .

Eiseres.

Die niet ter zitting verschijnt, noch iemand voor haar.

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, vertegenwoordigd door mevrouw X, attaché.

Verweerder.

Vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw X, attaché.

Gelet op:

- het verzoekschrift van 31/12/2015;

de beschikking op grond van artikel 747 Ger.W. van 7/7/2017;

de conclusie van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 21/2/2018;

- de stukken van partijen.

De vertegenwoordiger van de Belgische Staat werd gehoord in haar pleidooi ter openbare zitting van 13 april 2018, waarna de zaak in beraad werd genomen. Eiseres is niet verschenen, noch iemand voor haar. De rechtspleging is op tegenspraak.

De procedure verliep met in acht name van de toepasselijke bepalingen van de wet van 15 juni 1935 en de wijzigende en aanvullende wetten op het taalgebruik in gerechtszaken.

Overeenkomstig artikel 748bis Ger. W. houdt de rechtbank enkel rekening met de laatst genomen (synthese)conclusies van de partijen.

1. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Eiseres is als btw-belastingplichtige geregistreerd sinds 1 augustus 2014 onder het nummer BE055...14 (toen nog onder de benaming v.z.w. B.). De opgegeven administratieve hoofdzetel bevond zich van 18 augustus 2014 tot 31 maart 2015 te ... en vanaf 1 april 2015 te ... (stuk 1 bundel verweerder).

2. Op 24 april 2015 heeft de heer X, attaché, destijds verbonden aan de btw-controle Sint-Gillis, een controle op 21 mei 2015 aangekondigd bij eiseres (stuk 2 bundel verweerder).

3. Op 21 mei 2015 heeft de heer X, voornoemd, samen met X, attaché destijds verbonden aan dezelfde btw-controle, zich aangeboden op de administratieve zetel van eiseres. Niemand zou zich hebben vertoond. Zijn bevindingen werden opgenomen in een proces-verbaal van vaststelling op dezelfde dag (stuk 3 bundel verweerder).

4. Op 27 mei 2015, heeft de heer X een beslissing tot naheffing opgemaakt waarbij een boete van 1.000,00 EUR werd opgelegd bij toepassing van artikel 70, § 4 van het BTW-Wetboek. Diezelfde dag werd deze beslissing tot naheffing tezamen met het proces-verbaal van vaststelling genotificeerd aan eiseres. De schuld is gekend onder artikelnummer 500...06 (stuk 4 bundel verweerder).

5. Op 28 mei 2015 heeft de heer X een nieuwe controle op 17 juni 2015 aangekondigd bij eiseres (stuk 5 bundel verweerder).

Tijdens de controle ter plaatse op 17 juni 2015 werd de heer X te woord gestaan door de heer A. C., de aanwezige medewerker op de administratieve zetel.

Aangezien de gevraagde stukken opnieuw niet werden voorgelegd, werden deze bevindingen opgenomen in een proces-verbaal van vaststelling op 17 juni 2015. Tevens werd een beslissing tot naheffing opgesteld waarbij een boete van 2.000,00 EUR werd opgelegd bij toepassing van artikel 70, § 4 van het BTW-Wetboek. Diezelfde dag werd deze beslissing tot naheffing tezamen met het proces-verbaal van vaststelling genotificeerd aan eiseres. De schuld is gekend onder artikelnummer 500...97 (stuk 6 bundel verweerder).

6. Op 17 juni 2015 heeft de heer E. S. per e-mail de aangifte van stopzetting, formulier 604C, overgemaakt aan het btw-controlekantoor Sint-Gillis. De datum van stopzetting vermeld op dat formulier is 30 september 2014 (stuk 7 bundel verweerder).

7. Op 18 juni 2015 werd een beslissing tot naheffing opgemaakt door het btw-controlekantoor Sint-Gillis. In deze beslissing werd de boete, opgenomen in de bijzondere rekening van 10 april 2015 wegens het 'niet indienen van periodieke btw aangiften', omgezet in een boete voor het 'laattijdig indienen van periodieke btw aangiften'. De boete werd verminderd naar €800. Deze beslissing werd op 18 juni 2015 aan eiseres toegezonden. De boete van €800 is gekend onder schuldnummer 500...12 (stuk 8 bundel verweerder).

8. Op 1 april 2015 werd op de bijzondere algemene vergadering van vzw B.B. onder andere de naam van de vereniging gewijzigd in B. T. W. C., werd de zetel gewijzigd naar ... en werd beslist het btw-nummer stop te zetten. Deze beslissingen werden op 15 juli 2015 neergelegd ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van Koophandel te Brussel en gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 27 juli 2015 (stuk 9 bundel verweerder).

9. Op 11 augustus 2015 stuurde de heer E. S. per e-mail een verzoek tot kwijtschelding van de boeten gekend onder de schuldnummers 500...97 en 500...12 aan het btw-kantoor Sint-Gillis (stuk 10 bundel verweerder).

10. Op 12 oktober 2015 stuurde de btw-Directie te Antwerpen een antwoord aan eiseres in verband met het verzoekschrift tot kwijtschelding boeten. De boeten bleven behouden (stuk 11 bundel verweerder).

11. Op 29 september 2015 werd overgegaan tot de uitvaardiging van een dwangbevel gekend onder RCIV artikel 500...06. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23 oktober 2015 (stuk 12 bundel verweerder).

Op 29 september 2015 werd overgegaan tot de uitvaardiging van een dwangbevel gekend onder RCIV artikel 500...97. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 23 oktober 2015 (stuk 13 bundel verweerder).

Op 16 november 2015 werd overgegaan tot de uitvaardiging van een dwangbevel gekend onder RCIV artikel 500...12. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 november 2015 (stuk 14 bundel verweerder).

Deze drie dwangbevelen werden betekend aan eiseres bij deurwaardersexploot van 14 december 2015 (stuk 15 bundel verweerder).

12. Op 31 december 2015 heeft eiseres een verzoekschrift strekkende tot fiscaal verhaal

neergelegd ter griffie van de rechtbank in toepassing van de artikelen 1385decies en 1385undecies Ger.W.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

13. De vordering van eiseres strekt ertoe:

"De invordering op te schorten tot na de uitspraak ten gronde.

Te horen zeggen dat de drie aangerekende boetes (2000 Euro + 800 Euro + 1000 Euro) nietig

en zonder voorwerp zijn.

De btw administratie te veroordelen tot een schadevergoeding van 1500 euro voor een

tergend en roekeloos geding" .

14. Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering en vordert de

uitgevaardigde dwangbevelen gekend onder RCIV artikel 500...06, 500...97 en 500...12 te bevestigen.

3. BEOORDELING

3.1 Ontvankelijkheid

15. De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid.

De vordering is ontvankelijk.

3.2 Gegrondheid

16. Uit de stukken 2, 3, 4, 5 en 6 van verweerder blijkt dat verweerder tijdig controles

heeft aangekondigd, maar dat eiseres er niet in is geslaagd te voldoen aan haar verplichting om de nodige stukken voor te leggen.

Ook de boete wegens niet tijdig indienen van de btw-aangifte werd terecht opgelegd, nu de aangifte voor het derde kwartaal 2014 laattijdig werd ingediend op 18 juni 2015 (artikel 53, §1, eerste lid 2° BTW-Wetboek en artikel 18, §2 van Koninklijk besluit nr. 1 io. artikel 70, §4 BTW-Wetboek en het Koninklijk Besluit nr. 44).

De boetes die werden opgelegd in toepassing van artikel 70, §4 BTW-Wetboek zijn derhalve naar recht verantwoord.

17. De beweringen van eiseres dat de taxatieagent X vooringenomen zou zijn en de privacy van E. S. zou hebben geschonden, worden niet bewezen. De door eiseres voorgelegde stukken zijn hoofdzakelijk emails die zijn opgesteld door de heer S., optredend voor eiseres, waaraan geen enkele bewijswaarde kan toekomen.

18. Eiseres voert aan dat heel wat briefwisseling niet of laattijdig zou zijn aangekomen, omdat "de BTW" het verkeerde adres in Brussel zou blijven zijn gebruiken.

Op 1 april 2015 werd in de bijzondere algemene vergadering van eiseres onder meer de zetel van eiseres gewijzigd naar .... Vastgesteld moet worden dat alle correspondentie vanaf 27 juli 2015 (datum publicatie in het B.St.) werd betekend aan dit adres te Temse, doch niet meer aan het adres te Sint-Gillis (stuk 11, 12, 13, 14 en 15 bundel verweerder). Voorafgaand aan deze publicatie vermocht verweerder de correspondentie te richten aan de op dat ogenblik actuele zetel van de vereniging te Brussel.

De drie boetes zijn derhalve niet nietig, omdat ze verkeerd zouden zijn betekend, zoals eiseres beweert.

19. Eiseres meent dat het btw-controlekantoor te Brussel een controle heeft uitgevoerd, terwijl de zetel van de vereniging in Temse was gevestigd.

Op het ogenblik van de aankondiging en uitvoering van de controles was de zetel van de vennootschap nog niet gewijzigd (april, mei, juni 2015). In de aangifte stopzetting werd nog steeds de zetel te Sint-Gillis opgegeven als coördinaten van de contactpersoon na stopzetting van de activiteit (stuk 7 bundel verweerder).

De neerlegging van de notulen van de bijzondere algemene vergadering waarop tot de zetelverplaatsing werd besloten op de griffie van Nederlandstalige rechtbank van koophandel gebeurde pas op 15 juli 2015 en de publicatie in het Belgisch Staatsblad volgde op 27 juli 2015 (stuk 9 bundel verweerder).

De btw-controle Brussel was derhalve wel degelijk bevoegd voor de uitvoering van controles.

Het middel van eiseres is niet gegrond.

20. Volgens eiseres heeft zij een verzoekschrift tot kwijtschelding ingediend van twee boeten per schrijven van 11 augustus 2015. Hierop zou nooit enige reactie zijn gekomen.

Evenwel blijkt uit de stukken dat het verzoek tot kwijtschelding werd beantwoord per brief van 12 oktober 2015 (stuk 11 bundel verweerder).

Het middel van eiseres is niet gegrond.

21. Eiseres beweert tenslotte dat geen correctieopgave zou zijn gebeurd en dat geen verwittiging zou zijn verzonden.

Wat de verwittigingen betreft kan verwezen worden naar de stukken 3, 4 en 5 van verweerder (proces-verbaal van vaststelling, beslissing tot naheffing en aankondiging nieuwe controle).

Verder bewijst eiseres niet dat verweerder gehouden was een correctieopgave op te stellen. Er werden overigens geen stukken voorgelegd, zodat geen controle kon plaatsvinden en geen correcte opgave kon worden opgemaakt.

Het middel van eiseres is niet gegrond.

22. Voor zoveel als nodig worden de uitgevaardigde dwangbevelen gekend onder RCIV artikel 500...06, 500...97 en 500...12 bevestigd.

De vordering tot betaling van een schadevergoeding is ongegrond bij gebrek aan bewezen fout in hoofde van verweerder.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van eiseres ongegrond is.

4. GERECHTSKOSTEN

23. Aangezien de vordering van eiseres ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseres.

Verweerder kan geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding, nu hij niet werd bijgestaan door een advocaat.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd;

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt de uitgevaardigde dwangbevelen gekend onder RCIV artikel 500...06, 500...97 en 500...12.

Veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op €0.

Aldus beslist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 25 mei 2018.

Waar aanwezig waren en zitting hadden:

De heer M. B., alleenzetelend rechter,

Mevrouw C. V., griffier.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 707 voorkomens
KB nr. 1 art. 181 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8