Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 17 maart 2026

Zoeken

Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-hof-van-beroep-antwerpen-2026-03-17-4b56

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
17 maart 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

222 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

2026.03.17- 2024-AR-980 - gunstig arrest - DWJ Projects bvpdf (1).pdf

WF 711-04-20/003611 - Finaliti 54856288/01

[ Gunstig arrest ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Jacht – Bewijslast – Niet-opeisbare belasting – Foutieve overdracht naar de btw-aangifte

Wettelijke bepalingen

Artikelen 45, § 1, 53, §1, eerste lid, 2° en 3°, 53octies, §1, eerste lid, 70 §§1 en 1bis WBTW

Artikelen 18 van KB nr. 1 van 29 december 1992, 2 van KB nr. 3 van 10 december 1969

Samenvatting van het arrest

1. Feiten en vonnis in eerste aanleg

Verweerster in hoger beroep is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van ‘overige werkzaamheden in verband met de afwerking van gebouwen, overige bouwinstallatie n.e.g’.

De administratie heeft een controle inzake btw en vennootschapsbelasting uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 (aanslagjaren 2017 en 2018).

Volgens de administratie is de btw op de kosten van het jacht niet in België opeisbaar, aangezien de handelingen in Frankrijk plaatsvonden, en werd deze btw ten onrechte in aftrek gebracht omdat niet is aangetoond dat het jacht werd of zou worden gebruikt voor handelingen die recht op aftrek verlenen. De administratie stelde eveneens dat voor het jaar 2016 de totalen van de belastbare handelingen en/of de verschuldigde btw, afgeleid uit de interne jaarrekening en de boekhoudrekeningen, niet werden overgedragen naar de overeenstemmende roosters van de btw-aangiften.

Verweerster in hoger beroep diende op 14 januari 2020 een administratief bezwaarschrift in. Bij beslissing van 15 oktober 2020 werd het bezwaarschrift integraal afgewezen.

Op 14 januari 2021 heeft verweerster in hoger beroep de zaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank.

De rechtbank verklaarde de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De rechtbank oordeelt dat het jacht geacht wordt voor 35% te zijn gebruikt in het kader van de bedrijfsvoering, maar stelt tevens dat de Franse btw niet in België opeisbaar is en derhalve ook niet aftrekbaar, zodat de administratie de facturen waarop Franse btw werd vermeld terecht heeft opgenomen in het proces-verbaal. Wat betreft de op 31 december 2016 gerealiseerde omzet, zoals vastgesteld in de interne jaarrekening, sloot de rechtbank zich aan bij het standpunt van de administratie.

De rechtbank zag geen reden om het tarief van de boete ambtshalve te matigen.

Tegen dit vonnis stelde de Belgische Staat beperkt hoger beroep in.

2. Het arrest in hoger beroep

Bij eerste conclusie neergelegd ter griffie van het hof stelde verweerster in hoger beroep incidenteel hoger beroep in voor zover haar vordering ongegrond werd verklaard.

Wat de btw betreft oordeelt het hof dat de administratie terecht de facturen vermeldde waarop Franse btw van toepassing is. Voor zover verweerster in hoger beroep btw in aftrek heeft gebracht met betrekking tot diensten waarvoor geen Belgische btw verschuldigd is, maar wel Franse btw, werd de in aftrek gebrachte btw terecht verworpen, aangezien het recht op aftrek nooit is ontstaan. Daarnaast toont verweerster in hoger beroep niet aan dat het jacht en de zeescooter wordt of zou worden gebruikt in het kader van haar bedrijfsvoering.

Verder oordeelt het hof dat niet is aangetoond dat de oorspronkelijke jaarrekening over het boekjaar 2016 foutief was en besluit dat geen rekening dient te worden gehouden met de gecorrigeerde interne jaarrekening.

Het hof ziet geen enkele reden om het tarief van de boete ambtshalve te matigen.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest hof van beroep van Antwerpen dd. 17/03/2026

2024/AR/980

DE BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, ON 0308.357.159, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106

Eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. BONGAERTS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gounodstraat

2A bus 29 (ref.: 4192)

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 20 april 2023, gekend onder rolnummer 21/91/A

tegen

cie1, ON ..., met zetel te ...,

Verweerster in hoger beroep, vertegenwoordigd door de heer P.V.L., bestuurder

vertegenwoordigd door mr. GROSEMANS Stefanie, advocaat te 3600 GENK, Henry Fordlaan 47 (ref.: ADV15944/SG/SG)


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 20 april 2023, betekend op verzoek van verweerster in hoger beroep aan de Belgische Staat bij gerechtsdeurwaardersexploot op 24/05/2024, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 20 juni 2024, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting heeft betrekking op:

 de aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van verweerster in

hoger beroep voor:

- aanslagjaar 2017, kohierartikel ...

- aanslagjaar 2018, kohierartikel ...

 het innings- en invorderingsregister inzake BTW met betrekking tot de periode 1/01/2016-31/12/2017, gebaseerd op het proces-verbaal van 05/11/2019, RCIV nr. ...

1.2. Voorafgaande administratieve procedure.

cie1 behoort tot een groep van vennootschappen bestuurd door de heer P.V.L..

P.V.L. was gehuwd met mevrouw I.T.. I.T. was destijds betrokken in minstens enkele van de vennootschappen van de groep.

In 2013 werd de echtscheiding tussen P.V.L. en I.T. uitgesproken. Deze echtscheiding leidde tot een reorganisatie van de groep vennootschappen. Hierover werd een raamovereenkomst gesloten op 08/10/2013 tussen P.V.L., I.T. en de diverse vennootschappen (onder meer cie1 en cie2).

cie2 is (klaarblijkelijk in 2012) eigenaar geworden van een vaartuig (jacht Beluga Sessa C54 en bijhorende zeescooter). Het vaartuig lag in de haven in Zuid-Frankrijk.

cie2 werd op 22 juli 2015 via een fusie overgenomen door cie1.

De vennootschapsbelasting:

cie1 diende aangiftes in de vennootschapsbelasting in voor de aanslagjaren 2017 en 2018.

De fiscale administratie startte in 2019 een controle en stelde een vraag om inlichtingen. Hierop werd niet tijdig geantwoord. De administratie verstuurde vervolgens kennisgevingen van aanslag van ambtswege.

Vervolgens stuurde de administratie kennisgevingen van beslissing tot taxatie waarin deels rekening gehouden werd met de ondertussen door verweerster in hoger beroep verschafte informatie.

De aftrek werd verworpen van bepaalde kosten als beroepskosten, onder meer de kosten die verbonden waren aan bovenvermelde jacht en zeescooter (beide aanslagjaren), kosten van onthaal- en representatiekosten (aanslagjaar 2017) en van kosten gefactureerd door cie3 uit Dubai (aanslagjaar 2018). Over een voorziening van 260.000 euro werd voor aanslagjaar 2017 gesteld dat niet voldaan was aan de fiscale vrijstellingsvoorwaarden. Voor aanslagjaar 2018 werd vastgesteld dat deze voorziening tijdens het betrokken boekjaar was teruggedraaid. Voor aanslagjaar 2018 werden de aftrek van diverse uitzonderlijke kosten verworpen. Er werd een belastingverhoging aangekondigd van 10% voor aanslagjaar 2017 en 20% voor aanslagjaar 2018.

De betwiste aanslagen werden gevestigd op 13/11/2019 voor respectievelijk een te betalen bedrag van 174.107,68 euro (aanslagjaar 2017) en 102.355,63 euro (aanslagjaar 2018).

Verweerster in hoger beroep diende tijdig bezwaar in voor beide aanslagjaren. Bij administratieve beslissing van 13/10/2020 werd het bezwaar gedeeltelijk ingewilligd, in die zin dat de belastingadministratie rekening hield met de tussenkomst van de verzekering met betrekking tot het jacht, wat voor aanslagjaar 2018 leidde tot een ontheffing van 20.102,18 euro. Het bezwaar werd voor het overige afgewezen.

BTW:

cie1 is (net als haar rechtsvoorganger cie2) BTW-belastingplichtige.

Tijdens bovenvermelde fiscale controle in 2019 werden ook BTW-aspecten gecontroleerd.

Dit leidde tot het opstellen van een proces-verbaal van 05/11/2019. Daarin werd gesteld dat de BTW betaald voor de kosten van het jacht niet in België opeisbaar was (handelingen vonden plaats in Frankrijk) en bovendien dat de betrokken BTW ten onrechte in aftrek was gebracht omdat niet bleek dat het jacht werd of zou worden gebruikt voor handelingen die een recht op aftrek genereerden. Verder stelde de administratie dat voor kalenderjaar 2016 de totalen van de belastbare handelingen en/of de verschuldigde BTW afgeleid uit de interne jaarrekening en de boekhoudrekeningen niet werden overgedragen naar de respectievelijke roosters van de BTW-aangiften.

Verweerster in hoger beroep diende bezwaar in. Dit bezwaar werd afgewezen in een beslissing van 15/10/2020.

1.3. Procedure voor de eerste rechter

Bij verzoekschrift, op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 14/01/2021 stelde cie1 een vordering in rechte in.

cie1 vorderde:

•haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

•de aanslagen in de vennootschapsbelasting te horen ontheffen/vernietigen rekening houdende met het volgende:

 de aanvaarding van de kosten en afschrijvingen van het jacht en bijhorende zeescooter als beroepskosten, ondergeschikt hierover de beroepsprocedure aanhangig voor aanslagjaar 2014-2015 af te wachten om geen tegenstrijdige uitspraken te bekomen;

 de door de administratie verworpen kost ten bedrage van 4.981,26 euro te verminderen omwille van de aanvaarding van 9.962,52 euro representatiekosten; de prospectiereizen en de uitzonderlijke kosten (behoudens de 124.824,79 euro van de correcties leveranciers) dienen als beroepskosten te worden aanvaard; ondergeschikt dient de onterecht belaste opbrengt in 2016 m.b.t. de kosten van 173.855 euro uit de belastbare grondslag te worden gehaald van aanslagjaar 2017;

 de belastingverhoging tot 0 te herleiden, ondergeschikt uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan;

het innings- en invorderingsbericht inzake BTW m.b.t. de periode 01/01/2016­31/12/2017, gebaseerd op het PV d.d. 05/11/2019, gekend onder kohierartikelnr. (lees als RCIV-nummer) ... te vernietigen/te ontheffen; de Belgische Staat te veroordelen om aan verweerster in hoger beroep alle uit hoofde van de bestreden aanslagen ingehouden, betaalde of in beslag genomen sommen terug te betalen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIB92 en 91 WBTW;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

De Belgische Staat vorderde:

het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

de vordering van cie1 af te wijzen;

de gevestigde aanslagen te bevestigen;

verweerster in hoger beroep in haar eisen af te wijzen en de door de administratie

gevorderde bedragen vermeld in het proces-verbaal d.d. 05/11/2019 en opgenomen

in het innings- en invorderingsregister, hetwelk uitvoerbaar werd verklaard op

20/12/2019 te bevestigen;

cie1 tot de kosten te veroordelen.

De rechtbank verklaarde de vordering van cie1 ontvankelijk maar slechts deels gegrond als volgt. De rechtbank onthief de aanslagen in de vennootschapsbelasting betreffende aanslagjaar 2017 (kohierartikelnr. ...) en betreffende aanslagjaar 2018 (met kohierartikel ...) in die zin dat:

- de kosten en afschrijvingen van het jacht en bijhorende zeescooter voor 35% fiscaal aftrekbaar moeten worden beschouwd;

- voor de notionele intrestaftrek er rekening moet worden gehouden met bovenvermelde aftrekbaarheid van 35 % van de kosten van het jacht en de zeescooter;

de belastingverhoging voor aanslagjaar 2018 beperkt wordt tot 10%.

De rechtbank stelde verder vast dat verweerster in hoger beroep de BTW (en bijhorende boete) vermeld in het proces-verbaal van 05/11/2019 niet verschuldigd was in die zin dat er moest worden uitgegaan dat het jacht en de zeescooter werden geacht voor 35% te zijn gebruikt in het kader van de bedrijfsvoering, waarbij de belastingadministratie wel terecht de facturen vermeldde waarop de Franse BTW van toepassing was.

De rechtbank veroordeelde de Belgische Staat om aan verweerster in hoger beroep alle (rekening houdend met het bovenstaande) onterecht ingehouden, betaalde of in beslag genomen sommen terug te betalen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 418 WIB92 en 91 WBTW.

De rechtbank verklaarde de vordering van verweerster in hoger beroep voor het overige ongegrond. De rechtbank veroordeelde verweerster in hoger beroep tot betaling van 4/5de en de Belgische Staat tot betaling van 1/5de van de kosten van de procedure, door de rechtbank vereffend als volgt: voor verweerster in hoger beroep op 20 euro bijdrage juridische tweedelijnsbijstand en 7.500 euro rechtsplegingsvergoeding en voor de Belgische Staat op 0 euro.

De rechtbank oordeelde dat rekening houdende met het geheel van de elementen, aangetoond was dat verweerster in hoger beroep en haar rechtsvoorganger (weliswaar via onderaanneming) onder meer werken aan boten uitvoerden en dat ook vennootschappen uit de groep onder meer werken aan boten uitvoerden. In die omstandigheden nam de rechtbank aan dat (de rechtsvoorganger van) verweerster in hoger beroep op het moment van de aankoop van het betrokken jacht plannen had om de activiteiten in de sector van werken aan boten verder uit te bouwen en dat het de bedoeling was om de betrokken jacht gedeeltelijk te gebruiken in het kader van deze activiteiten, maar dat deze bedoeling niet verder was uitgewerkt wegens de bovenvermelde echtscheiding en de impact daarvan op de groep van vennootschappen. De rechtbank oordeelde dat de intentie tot het verwerven van inkomsten met het jacht slechts beperkt bewezen was en slechts 35 % van de betrokken kosten in aftrek konden worden gebracht (zoals in ondergeschikte orde voorgesteld door verweerster in hoger beroep). De vordering van verweerster in hoger beroep was deels gegrond.

Wat betreft de onthaal- en representatiekosten oordeelde de rechtbank dat de uittreksels van de kredietkaart (met handgeschreven vermeldingen) onvoldoende waren als bewijs dat de kosten werden gemaakt om inkomsten te verwerven door verweerster in hoger beroep.

Wat betreft de prospectiereizen oordeelde de rechtbank dat verweerster in hoger beroep niet het vereiste bewijs leverde via de voorgelegde stukken.

Ook wat betreft de uitzonderlijke kosten -cie11, -A.-C. oordeelde de rechtbank dat verweerster in hoger beroep faalde in haar bewijslast.

Wat betreft de tegenboeking creditnota's oordeelde de rechtbank dat de belastingadministratie voor aanslagjaar 2017 terecht was uitgegaan van de aangifte en de (niet gecorrigeerde) jaarrekening (wat niet in tegenspraak was met de manier waarop de BTW werd geheven) en voor aanslagjaar 2018 bleek niet dat de betrokken kosten waren gedaan of gedragen in het betrokken boekjaar.

De rechtbank oordeelde dat in het kader van de notionele interestaftrek diende rekening gehouden te worden met het oordeel dat aangetoond was dat 35% van de kosten van het jacht en de zeescooter in aftrek konden worden gebracht.

De rechtbank oordeelde dat de belastingverhoging voor aanslagjaar 2018 diende te worden beperkt tot 10% aangezien er tegen de aanslag voor aanslagjaar 2016 bezwaar was ingediend en de gerechtelijke procedure daarover nog liep zodat de eerste overtreding nog niet definitief was vastgesteld. Er bleek niet dat de belastingverhogingen onwettig waren en evenmin dat ze onevenredig waren met de begane inbreuken en er was naar het oordeel van de rechtbank geen reden om uitstel van tenuitvoerlegging toe te kennen zelfs als de wet dat zou toelaten.

Tenslotte verwees de rechtbank wat betreft de BTW naar het oordeel dat de kosten van het jacht en de zeescooter voor 35 % geacht werd te zijn gebruikt in het kader van de bedrijfsvoering. Verder oordeelde de rechtbank dat de administratie terecht de facturen vermeldde waarop Franse BTW van toepassing was, wat door verweerster in hoger beroep ook niet concreet werd tegengesproken. Naar het oordeel van de rechtbank was de administratie terecht uitgegaan van de jaarrekening van 2016.

De rechtbank zag ook geen reden om het tarief van de boete op zich ambtshalve te matigen.

Tegen dit vonnis werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 20/06/2024 beperkt hoger beroep ingesteld door de Belgische Staat.

1.4. Procedure voor het hof van beroep

Bij eerste conclusie neergelegd ter griffie van het hof stelde verweerster in hoger beroep incidenteel beroep in voor zover haar vordering ongegrond werd verklaard.

De Belgische Staat vordert:

het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk en gegrond te verklaren;

1.inzake het beroep van de Belgische Staat:

dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende, te zeggen voor recht dat de oorspronkelijke vorderingen van verweerster in hoger beroep ongegrond zijn;

de door eiser in hoger beroep integraal (voor 100%) verworpen kosten met betrekking tot het jacht en de zeescooter te bevestigen en dienvolgens de aanpassing van de notionele interestaftrek in dezelfde zin te behouden, alsook de opgelegde belastingverhoging van 20% voor aanslagjaar 2018 te bevestigen; de door eiser in hoger beroep gevorderde bedragen (BTW) vermeld in het proces­verbaal van 05/11/2019 en opgenomen in het innings- en invorderingsregister, hetwelk uitvoerbaar werd verklaard op 20 december 2019, te bevestigen;

2.inzake het incidenteel beroep van cie1: Dit incidenteel beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

3. inzake de kosten:

verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep door verweerster in hoger beroep begroot op de RPV hoger beroep van 7.848,84 euro en de bijdrage aan het fonds van 24 euro. In het geval van een gemengd arrest de gerechtskosten (inclusief de rechtsplegingsvergoeding) om te delen over beide partijen.

Verweerster in hoger beroep vordert:

- het hoger beroep van de Belgische Staat af te wijzen als ontvankelijk maar ongegrond;

- het incidenteel beroep door cie1 ontvankelijk en gegrond te verklaren; het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk te bevestigen wat betreft de 35% beroepsgebruik van het jacht en bijhorende zeescooter waardoor de kosten en afschrijvingen voor 35 % aftrekbaar zijn;

- het vonnis van de rechtbank te hervormen wat betreft de afwijzing van de beroepskosten (de onthaal-representatiekosten ten bedrage van 9.201,83 euro, de restaurantkosten ten bedrage van 2.665,31 euro, de reis- en verplaatsingskosten ten bedrage van 5.888,15 euro, de prospectiereizen (behoudens de 124.824,79 euro van de correcties leveranciers);

- vervolgens rekening houdende met de verbeterde jaarrekeningen boekjaren 2016 en 2017;

- de aanslag over boekjaar 2016 te vernietigen voor wat betreft de onterecht belaste opbrengst in 2016 t.b.v. 173.855 euro. Vast te stellen dat dit bedrag uit de belastbare grondslag dient te worden gehaald van aanslagjaar 2017; de belastingverhoging naar 0 te herleiden;

- de Belgische Staat te veroordelen om aan verweerster in hoger beroep alle uit hoofde van de bestreden aanslagen ingehouden, betaalde of in beslag genomen sommen terug te betalen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 418 WIB92 en 91 WBTW;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, deze in hoofde van cie1 begroot op 7.500 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, 24 euro kosten tweedelijnsbijstand eerste aanleg en 7.500 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Ter zitting van 16/02/2016 preciseert verweerster in hoger beroep dat de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds in eerste aanleg begroot dient te worden op 20 euro in plaats van 24 euro zoals verkeerdelijk vermeld in de syntheseconclusie.

Ter zitting van 16/02/2026 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op 7.500 euro in eerste aanleg en 7.848,84 euro in hoger beroep, met dien verstande dat de Belgische Staat in eerste aanleg niet vertegenwoordigd noch bijgestaan werd door een advocaat.

2. Bespreking

2.1 De vennootschapsbelasting

Overeenkomstig artikel 49 WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken, of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

2.1.1 De kosten met betrekking tot het jacht en zeescooter:

De betwisting betreft de vraag of deze kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

Het hof oordeelt vooreerst dat het feit dat de kosten werden gemaakt door een handelsvennootschap, niet automatisch de aftrekbaarheid ervan impliceert, ondanks het feit dat dergelijke vennootschappen uitsluitend met een winstgevend doel zijn opgericht. Vennootschappen dienen, zoals andere belastingplichtigen aan te tonen dat aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan en meer bepaald dat de kosten een noodzakelijk verband hebben met de beroepswerkzaamheid (Cass., 18 januari 2001, F.J.F., nr.2001/220; Cass., 19 juni 2003, T.F.R., 2004, nr.257, p.256; Cass., 12 juni 2009, F.07.0083.N/19; Cass., 10 december 2010, F.09.0129.N/3, zie website van het Hof van Cassatie; Grondwettelijk Hof, 26 november 2009, nr.191/2009, www.const-court.be).

Er kan de administratie en het hof geen verboden opportuniteitsbeoordeling verweten worden, waar zij eisen dat de belastingplichtige voldoet aan haar bewijslast van artikel 49 WIB92.

Voor de aftrek als beroepskosten is immers vereist dat wordt aangetoond dat de verrichtingen ingegeven zijn door de bedoeling om belastbare inkomsten te verwerven en te behouden (art. 49 WIB92).

Het is aan cie1 om aan te tonen dat de kosten zijn gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te behouden of te verwerven.

Het betreft te dezen kosten van onderhoud, ligplaats, verzekering en afschrijving van de aankoop van het jacht en de bijhorende zeescooter.

cie1 stelt dat de kosten gemaakt zijn om inkomsten te genieten. Zij stelt dat de inkomsten zijn behaald door het verhuren van personeel aan een verbonden vennootschap dewelke inrichtingen van jachten met inbegrip van sanitair uitvoert, hetzij aan cie4, hetzij aan cie5. Verder houdt zij voor rechtstreeks gewerkt te hebben voor cie6 die boten verkoopt en waarvan de inrichting deels door cie1, cie5 en cie4 gedaan werden.

De aanvoering dat het jacht en de zeescooter dienden als model en voorbeeld van werk dat cie1 kon uitvoeren eventueel middels verbonden onderneming en dat het jacht en de zeescooter gebruikt werden voor publicitaire doeleinden waarbij klanten en zakenrelaties werden uitgenodigd ter promotie en publiciteit van de activiteit van de onderneming, wordt geenszins ondersteund door de aan het hof voorgelegde stukken.

cie1 toont niet aan hoe zij beroepsinkomsten heeft verworven op basis van facturen uitgeschreven door een derde, zijnde cie7 en cie5. Het blijkt niet dat de facturen die van derden uitgaan geleid hebben tot inkomsten voor cie1.

De facturen uitgaande van cie1 en gericht aan cie4 betreffen doorfacturaties doch zijn vaag en vermelden weinig tot geen enkel detail. Hetzelfde geldt voor de facturen gericht aan cie8.

Ook de historiek jaaromzet 'klant cie4' zegt niets over de aard van de aangerekende prestaties.

De facturen uitgaande van cie1 en gericht aan cie6 hebben betrekking op het plaatsen van sanitair, inbouw led verlichting in cabines, salon en restaurant en dateren van 2013. Tevens legt cie1 de omzetlijsten klanten voor van 01/01/2008 tot 31/12/2020 (stuk 9 van cie1) met betrekking tot de klant cie6.

Het louter gegeven dat deze klanten professionele verkopers van boten zouden zijn, toont op zich niet aan dat de kosten in verband met het jacht en de zeescooter door cie1 werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

Het louter gegeven dat er werken door cie1 werden uitgevoerd in onderaanneming op en aan boten toont nog niet aan dat zij met de aankoop van het jacht en de zeescooter de bedoeling had belastbare inkomsten te verwerven of te verkrijgen. De aanvoering dat zij met de aankoop van het jacht en de zeescooter plannen zou gehad hebben om de activiteiten in de sector van werken aan boten verder uit te bouwen overstijgt de loutere bewering niet.

Het blijkt zelfs niet dat het aangekochte jacht werd ingericht door cie1 of de verbonden ondernemingen. Dat het jacht dienst zou doen als 'kijkboot' blijkt uit geen enkel gegeven. Evenmin blijkt dat de boot verhuurd werd. Ook de bewering dat cie4 gebruik zou maken van het jacht wordt niet ondersteund door enig objectief stuk. Er wordt geen enkel gebruik van het jacht gefactureerd door cie1.

Dat het jacht en de zeescooter werden ingezet voor publicitaire doeleinden, waarbij klanten en zakenrelaties werden uitgenodigd ter promotie en publiciteit van de onderneming blijkt evenmin. Er worden hiervan geen bewijzen voorgelegd. Er wordt niet concreet meegedeeld wanneer dan wel deze samenkomsten hebben plaatsgevonden en welke klanten/zakenrelaties van cie1 werden uitgenodigd. Er worden desbetreffende geen stukken voorgelegd (geen uitnodigingen, praktische afspraken enz.).

De intentie die men had met het jacht en de zeescooter blijkt uit geen enkel van de voorgelegde stukken. De aanvoeringen met betrekking tot de echtscheidingsperikelen en - problemen brengen desbetreffende niets bij.

Uit de stukken in verband met de groeipremie (waaronder de voorgelegde e-mails, de afschrijvingstabel en het document "vrijval groeipremie 2") blijkt op zich evenmin dat het de bedoeling was van verweerster in hoger beroep om met het jacht en de zeescooter belastbare inkomen te verkrijgen of te behouden. Uit de stukken blijkt enkel dat een groeipremie werd toegekend en dat in de e-mails over de betrokken investeringen onder meer de aankoop van het jacht werd vermeld. De aanvraag van de groeipremie en de toelichting zelf worden niet voorgelegd aan het hof.

Het hof is te dezen van oordeel dat niet voldaan is aan de intentionaliteitsvoorwaarde van art. 49 WIB92.

Het hof is te dezen van oordeel dat cie1 niet aantoont dat de kosten met betrekking tot het jacht en de zeescooter verband houden met enige op inkomstencreatie of -behoud gerichte activiteit van de vennootschap.

De betrokken kosten voldoen dan ook niet aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92.

Gelet op voorgaand wijst het hof de overige argumenten af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

2.1.2 Notionele interestaftrek:

Het hof verwijst naar hetgeen hoger geoordeeld werd over de kosten met betrekking tot het jacht en de zeescooter. Het hof oordeelde hoger reeds dat cie1 het beroepsmatig karakter van het jacht en de zeescooter niet aantoont.

Artikel 205ter §2, 1° WIB92, zoals van toepassing op onderhavig geschil, bepaalt:

"Het overeenkomstig de §1, bepaalde risicokapitaal wordt verminderd met de volgende waarden aan het einde van het voorgaande belastbare tijdperk:

1° de netto boekwaarde van de materiële vaste activa of gedeelten ervan in zover de erop betrekking hebbende kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen"

Kosten voor activa waarvan niet is aangetoond dat ze een beroepsmatig karakter hebben, zijn bij uitstek kosten die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen in de zin van artikel 205ter §2, 1° WIB92.

De vordering van cie1 is op dit punt dan ook ongegrond.

2.1.3 De onthaal-, representatie- en restaurantkosten:

cie1 stelt dat de eerste rechter ten onrechte van mening is dat de onthaal-, representatie- en restaurantkosten niet worden aangetoond. Zij houdt voor dat een onderneming die een jaaromzet heeft van circa 4 à 5 miljoen euro bezwaarlijk zou kunnen functioneren zonder enige vorm van representatie- en onthaaluitgaven en zonder enige vorm van restaurantkosten. Zij stelt dat het bestaan van die kosten plausibel is.

Voormelde kosten kunnen slechts als aftrekbare kosten worden aanvaard in de mate dat het beroepskosten zijn. De belastingplichtige moet het bewijs leveren dat die kosten aan de voorwaarden daarvoor voldoen.

cie1 lijst deze kosten op en legt uittreksels van de kredietkaart voor. Hieruit blijkt enkel dat er kosten werden gemaakt doch niet dat de kosten werden gemaakt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De door de belastingplichtige voorgelegde stukken zijn onvoldoende ter invulling van de bewijslast in het kader van artikel 49 WIB92. De aanvoering van cie1 dat de kwestieuze kosten beroepsmatig zijn overstijgt de loutere bewering niet.

2.1.4 De prospectiereizen:

Het gaat over drie facturen van cie3, een onderneming in Dubai in de Verenigde Arabische Emiraten.

Wat betreft deze verworpen kosten faalt cie1 in de op haar berustende bewijslast. Het louter gegeven dat er kosten werden gemaakt is onvoldoende ter invulling van de bewijslast in het kader van artikel 49 WIB92. Er werd op geen enkele wijze aangetoond dat het kosten van prospectie betrof. De omschrijving op de facturen is zeer algemeen. Er kunnen geen onderliggende overeenkomsten worden voorgelegd, noch verslagen van de prospectie, noch agenda's van deze reizen, noch verslagen van marktonderzoeken enz. Er worden geen concrete controleerbare verantwoordingsstukken voorgelegd. De aanvoeringen van de belastingplichtige overstijgen de loutere bewering niet.

De loutere aanwezigheid in Dubai van een vennootschap opgericht door de heer P.V.L. toont geenszins aan dat de kwestieuze kosten in hoofde van cie1 gemaakt werden om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

Wat betreft het door de heer P.V.L. in Dubai gevolgde seminarie wordt evenmin aangetoond dat deze kosten in hoofde van cie1 werden gemaakt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

2.1.5 Uitzonderlijke kosten: cie11

Het hof treedt desbetreffend de oordeelkundige bevindingen van de eerste rechter bij en maakt zich deze eigen.

cie2 was leasingnemer/huurder van een onroerend goed gelegen in de ... voor een periode van 15 jaar. De Leasinggever was cie9_old (later cie9), dat op haar beurt een recht van erfpacht had op het pand.

Via een notariële akte van 14/10/2008 verwierf cie10 de "tréfonds"/naakte eigendom over dit goed.

cie2 werd op 22 juli 2025 via een fusie overgenomen door cie1, waardoor verweerster in hoger beroep de leasingnemer werd.

Op 22 oktober 2015 sloot verweerster in hoger beroep een overeenkomst met vastgoedmakelaar cie11 om een koper te zoeken voor het betrokken onroerend goed, dit hoewel verweerster in hoger beroep geen eigenaar was van het pand, enkel leasingnemer. In het vonnis van de ondernemingsrechtbank wordt uitdrukkelijk gesteld dat verweerster in hoger beroep niet betwistte dat ze zich had sterk gemaakt voor de eigenaar om een makelaar als bemiddelaar aan te stellen. De vastgoedmakelaar vond een koper maar verweerster in hoger beroep liet weten dat de verkoop niet kon doorgaan om een boekhoudkundige reden. De vastgoedmakelaar startte een procedure tegen verweerster in hoger beroep bij de ondernemingsrechtbank. Die veroordeelde verweerster in hoger beroep tot het betalen van een schadevergoeding aan cie11 wegens het verbreken van de overeenkomst. Inclusief rechtsplegingsvergoeding en kosten moest verweerster in hoger beroep een bedrag van 23.808,85 euro betalen.

Te dezen blijkt niet dat de verkoop van het onroerend goed inkomsten zou opleveren voor verweerster in hoger beroep, noch dat de verkoop er automatisch toe zou leiden dat de lopende leasing zou worden beëindigd (met wegvallen van de verplichting van verweerster in hoger beroep tot betaling van de leasevergoeding). De voorgelegde verkoopakte van 10/12/2021 bevestigt ook dat enkel cie10 en cie9 worden aangeduid als "verkoper" en dat het deze "verkoper" is, zijnde dus cie10 en cie9, die de volledige koopsom hebben ontvangen. De in deze akte opgenomen vervroegde vrijwillige stopzetting van de onroerende leasing werd overeengekomen tussen verweerster in hoger beroep en cie9 en bevatte de verbintenis van verweerster in hoger beroep tot vervroegde terugbetaling en leidde aldus tot kosten voor verweerster in hoger beroep, niet tot inkomsten.

Verweerster in hoger beroep faalt in de op haar berustende bewijslast overeenkomstig art. 49 WIB92.

2.1.6 Uitzonderlijke kosten: A.-C.

Verweerster in hoger beroep houdt voor dat de kosten "A./C." betrekking hebben op de raamovereenkomst op basis waarvan verweerster in hoger beroep gereorganiseerd is.

Terecht oordeelde de eerste rechter dat niet blijkt dat deze kosten betrekking hebben op het aandeel van verweerster in hoger beroep in de kosten van de raamovereenkomst. De mail van mr. C. van 10/02/2014 maakt enkel melding van "de facturen die per vandaag nog openstaan". Er blijkt niet waarop deze facturen precies betrekking hebben (en dus ook niet dat ze betrekking hebben op de raamovereenkomst).

Verweerster in hoger beroep faalt in de op haar berustende bewijslast overeenkomstig art. 49 WI692.

2.1.7 Uitzonderlijke kosten: correcties leveranciers 2016

Het hof stelt vast dat verweerster in hoger beroep hierop niet aandringt. Voor zoveel als nodig is het hof van oordeel dat cie1 faalt in de op haar berustende bewijslast overeenkomstig artikel 49 WI692.

2.1.8 Uitzonderlijke kost: tegenboeking creditnota's

Verweerster in hoger beroep houdt voor dat de uitzonderlijke kost van 173.855 euro werd geboekt in 2017 omdat er in 2016 ten onrechte boekingen waren gedaan voor op te stellen facturen aan andere groepsvennootschappen zonder dat de facturen effectief zijn opgesteld. Verweerster in hoger beroep stelt dat zij op deze op te stellen facturen in 2016 belastingen heeft betaald als zijnde uitzonderlijke opbrengsten. Zij meent dat de rechtzetting van een uitzonderlijke kost in 2017 als kost dient aanvaard te worden.

Verweerster in hoger beroep legt een gecorrigeerde jaarrekening voor aan het hof. Zij heeft de jaarrekening met betrekking tot boekjaar 2017 (01/01/2017-31/12/2017) aangepast en heeft hierin ook de correctie doorgevoerd van de oudere jaarrekening met betrekking tot boekjaar 2016 door middel van een aanpassing van de begintoestand van de jaarrekening voor boekjaar 2017.

De jaarrekening bindt in principe de belastingplichtige ten opzichte van de fiscale administratie. Een belastingplichtige kan evenwel terugkomen op de vergissingen die hij bij het opstellen van de jaarrekening te goeder trouw heeft begaan, en deze verbeteringen van de jaarrekening zijn in principe tegenstelbaar aan de fiscale administratie. Met een aanpassing van een beleidsbeslissing van de belastingplichtige, die tot een wijziging van de jaarrekening leidt, moet de administratie evenwel geen rekening houden. Indien aan de belastingplichtige een bepaalde beleidsvrijheid wordt gelaten, is de jaarrekening onherroepelijk en zijn deze beleidsbeslissingen definitief. Door het nemen van een dergelijke beleidsbeslissing creëert de belastingplichtige immers een juridische realiteit die nadien niet meer kan worden rechtgezet.

Het hof is, samen met de eerste rechter, van oordeel dat verweerster in hoger beroep niet aantoont waarom de beweerdelijk verkeerde boekingen concreet zijn gebeurd. Er blijkt niet op basis van welke concrete gegevens/informatie die boekingen zijn gebeurd en evenmin op basis van welke concrete gegevens/informatie de boekingen later werden gecorrigeerd. Verweerster in hoger beroep komt niet verder dan loutere beweringen. Terecht oordeelde de eerste rechter dat bijgevolg niet blijkt dat de boekingen ten onrechte zouden gebeurd zijn in 2016. Het blijkt niet dat de boekingen met betrekking tot boekjaar 2016 (aanslagjaar 2017) strijdig zijn met het boekhoudrecht.

Het hof besluit dat er geen rekening moet worden gehouden met de gecorrigeerde jaarrekening van de belastingplichtige, nu niet blijkt dat deze een correcte weergave is van de realiteit.

De belastingadministratie is bijgevolg voor aanslagjaar 2017 terecht uitgegaan van de aangifte op basis van de voor dat belastbaar tijdperk (01/01/2016-31/12/2016) neergelegde (en niet-gecorrigeerde) jaarrekening, waarvan niet blijkt dat daarin verkeerde boekingen gebeurden.

Het blijkt ook niet dat de betrokken kosten aftrekbaar zouden zijn voor aanslagjaar 2018 aangezien niet blijkt dat de betrokken kosten in het belastbaar tijdperk voor aanslagjaar 2018 werden gedaan of gedragen.

2.1.9 Belastingverhoging:

Door de belastingadministratie werd voor aanslagjaar 2017 een belastingverhoging van 10 % opgelegd wegens eerste overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken en voor aanslagjaar 2018 een belastingverhoging van 20% opgelegd wegens tweede overtreding zonder het opzet de belasting te ontduiken (art. 444 WIB92).

Een overtreding neemt pas "rang" in wanneer de belastingplichtige in kennis is gesteld van de overtreding. Dus enkel overtredingen die nadien worden begaan, gelden als tweede overtreding (art. 229 KB/WIB 1992). Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat bij een lopende betwisting over de vraag of er al dan niet een overtreding is er geen oplopende belastingverhogingen zullen worden opgelegd (Vr. Nr. 1588 van 26/02/2007 van de heer C.D. Vr. Antw. Kamer, 10 april 2007, p 31399).

Het hof stelt vast dat te dezen over de "eerste overtreding" nog niet definitief beslist was op het ogenblik dat de overtreding voor aanslagjaar 2018 werd begaan. Over de betwisting betreffende voorgaande aanslagjaren (2014, 2015 en 2016 - de onjuistheid van de aangifte en de belastingverhoging van 10%) is er pas een definitieve gerechtelijke uitspraak tussengekomen bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2023. De belastingverhoging voor aanslagjaar 2018 werd derhalve terecht door de eerste rechter beperkt tot 10%. Dat het aanslagbiljet voor aanslagjaar 2016, waarin de belastingverhoging werd opgenomen, verstuurd werd op 17/10/2017, zijnde voor indiening van de aangifte voor aanslagjaar 2018, doet geen afbreuk aan het gegeven dat ingevolge de betwisting van de gevestigde aanslag voor aanslagjaar 2016 er nog geen definitieve uitspraak over de opgelegde belastingverhoging was tussengekomen op het ogenblik van indiening van de aangifte voor aanslagjaar 2018.

Het hof is van oordeel dat de (herleide) belastingverhogingen van 10 % wegens eerste overtreding onjuiste aangifte zonder opzet de belasting te ontduiken wettelijk zijn en in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuk en de ernst van de feiten.

De (herleide) belastingverhoging werd overeenkomstig de wettelijke bepalingen en gezien de concrete omstandigheden, de aard en de ernst van de feiten terecht opgelegd en komt de hof gepast voor.

Zelfs indien te dezen in het kader van onderhavig geschil toepassing zou dienen gemaakt te worden van het nieuwe artikel 444 WIB92, zoals gewijzigd door de programmawet van 18 juli 2025, dan blijkt te dezen dat de aanslagen van ambtswege werden gevestigd en verweerster in hoger beroep geenszins te goeder trouw heeft gehandeld (zonder dat dit impliceert dat er met opzet werd gehandeld).

Door cie1 werd niet voldaan aan haar bewijslast conform artikel 49 WIB92 en zij heeft dan ook ten onrechte deze hogervermelde kosten in mindering gebracht. Daarmee is het noodzakelijkerwijs beslist dat de fiscale aangifte onjuist was. Deze onjuiste aangifte ligt geenszins buiten de wil van cie1 en is aldus verwijtbaar aan haar. Het gaat hier duidelijk om kosten die verweerster in hoger beroep poogde in aftrek te brengen als beroepsmatig doch waarvan het duidelijk is dat deze niet beroepsmatig zijn in hoofde van verweerster in hoger beroep.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten ziet het hof dan ook geen enkele reden om de (herleide) belastingverhoging van 10% kwijt te schelden of te verminderen of met enige uitstel toe te kennen, wanneer de wet in die mogelijkheid zou hebben voorzien.

2.2 De BTW

De administratie vermeldde terecht de facturen waarop Franse BTW van toepassing is, wat door verweerster in hoger beroep niet concreet wordt tegengesproken. In de mate verweerster in hoger beroep BTW in aftrek heeft gebracht voor diensten waarvoor geen Belgische BTW opeisbaar is doch wel Franse BTW, werd de in aftrek gebrachte BTW terecht verworpen omdat het recht op aftrek nooit is ontstaan (Belgische BTW niet opeisbaar).

Het hof verwijst voor aftrek van de BTW op de facturen met betrekking tot het jacht en de zeescooter bovendien naar wat daarover hoger werd geoordeeld in verband met de vennootschapsbelasting. Verweerster in hoger beroep toont niet aan dat het jacht en de zeescooter worden gebruikt in het kader van de bedrijfsvoering (artikel 45 §1, 1° tot 5° WBTW).

Hoger werd ook reeds geoordeeld dat niet blijkt dat de oorspronkelijke jaarrekening van boekjaar 2016 (01/01/2016-31/12/2016, goedgekeurd op 26/09/2017 door de algemene vergadering en neergelegd op 27/09/2017) foutief was. Het blijkt niet dat de daarin opgenomen boekingen met betrekking tot boekjaar 2016 strijdig zijn met het boekhoudrecht.

Het hof besluit dat er geen rekening moet worden gehouden met de gecorrigeerde jaarrekening van de belastingplichtige, nu niet blijkt dat deze een correcte weergave is van de realiteit.

Ook in hoger beroep worden er over de BTW-boete door verweerster in hoger beroep geen concrete opmerkingen gemaakt. Het hof ziet geen enkele reden om het tarief van de boete op zich ambtshalve te matigen.

2.3 De rechtspleqinqsverqoedinq

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Ter zitting van 16/02/2026 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op 7.500 euro in eerste aanleg en 7.848,84 euro in hoger beroep, met dien verstande dat de Belgische Staat in eerste aanleg niet vertegenwoordigd noch bijgestaan werd door een advocaat.

Nu partijen onderscheidenlijk omtrent enig punt van het geschil in het ongelijk werden gesteld, slaat het hof de kosten van het geding in beide aanleggen om overeenkomstig art. 1017 Ger.W. in de mate zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Beschikkend gedeelte

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk en deels gegrond als volgt.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van cie1 ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt.

Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van cie1 ontvankelijk en deels gegrond als volgt.

Het hof vernietigt enkel de betwiste aanslag in de vennootschapsbelasting aanslagjaar 2018 met kohierartikel ... in de mate dat een belastingverhoging van meer dan 10% werd opgelegd.

Het hof beveelt de terugbetaling aan cie1 van alle bedragen die eventueel wederrechtelijk op grond van de gedeeltelijk vernietigde aanslag voor aanslagjaar 2018 werd geïnd of wederrechtelijk werd ingehouden, verhoogd met de moratoriumintresten berekend overeenkomstig artikel 418 WIB92.

Het hof wijst de oorspronkelijke vordering van cie1 voor het overige af als ongegrond.

Het hof veroordeelt de Belgische Staat tot 1/10de en cie1 tot 9/10de van de kosten van beide aanleggen, begroot:

- in hoofde van de Belgische Staat op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, op 24 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep en op 7.848,84 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

- in hoofde van cie1 op 7.500 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, op 20 euro bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in eerste aanleg, op 7.848,84 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer B. PEETERS mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 17 maart 2026,

E. CLEYMANS

K. LEYSEN

C. PRINSEN

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

WF 711-04-20/003611 - Finaliti 54856288/01

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 453 voorkomens
KB nr. 1 art. 182 voorkomens
WBTW art. 532 voorkomens
WBTW art. 53octies2 voorkomens
WBTW art. 702 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8