Recht op aftrek, Voorwaarden · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Luik 19 april 2022

Zoeken
Tekst in het Frans

Recht op aftrek, Voorwaarden

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-voorwaarden-gebruik-doeleinden-hof-van-beroep-luik-2022-04-19-91a6

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Luik
Datum
19 april 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

169 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Luik d.d. 19.04.2022

WF 706-15-14/058842

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Btw – Recht op aftrek – Voorwaarden – Gebruik voor doeleinden van de economische activiteit – Bewijslast – Recht op aftrek – Restaurant- en cateringkosten – Publiciteitskosten of kosten voor promotie – Bewijslast – Proportionele fiscale geldboete – Uitstel voor de betaling van fiscale geldboeten – Geen eerdere inbreuk – Aanpassingsbereidheid

Wettelijke bepalingen

Artikel 45, § 1, § 2 en § 3 WBTW

Artikel 70, § 1 WBTW

Samenvatting

Dit betreft de uitspraak in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg, afdeling Marche-en-Famenne (17/436/A) van 15 januari 2020.

Appelante houdt zich bezig met de vervaardiging van machines (voornamelijk gebruikt in de textielindustrie). De administratie had in haar proces-verbaal van bevindingen vastgesteld dat eiseres de in rekening gebrachte btw in aftrek heeft gebracht voor verschillende aankoopfacturen waarvan zij volgens de administratie niet heeft kunnen aantonen dat deze aankopen in het kader van de economische activiteit waren gemaakt.

Het hof wijst op de draagwijdte van artikel 45, § 1, WBTW. Het is aan de belastingplichtige om te bewijzen dat aan de wettelijke voorwaarden voor btw-aftrek waarin deze bepaling voorziet, is voldaan. Facturen, ook al zijn ze regelmatig in vorm, worden op zichzelf niet beschouwd als voldoende bewijs om de werkelijkheid van de diensten of de aanwending voor de beroepsactiviteit vast te stellen. Dit is met name het geval wanneer de formulering van die facturen te onnauwkeurig is.

Het hof herinnert eraan dat de bewijskracht van het in artikel 59, § 1, WBTW bedoelde proces-verbaal zich uitstrekt tot alle handelingen die de verbalisanten verklaren te hebben gesteld en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest, mits de vaststellingen binnen het kader van hun opdracht blijven.

Bijgevolg worden de materiële en objectieve vaststellingen die de verbalisant binnen de grenzen van zijn wettelijke opdracht persoonlijk heeft gedaan en die als zodanig in het proces-verbaal worden vermeld, geacht juist te zijn totdat het tegendeel wordt bewezen.

De loutere beweringen van eiseres - en de overlegging van een reeks facturen - kunnen niet volstaan om het beroepskarakter van de op deze facturen vermelde goederen en diensten aan te tonen.

De verwerping van het recht op aftrek van de btw met betrekking tot deze facturen moet dus worden gehandhaafd.

Wat de factuur voor het autovoertuig betreft, mag de aftrekbare belasting overeenkomstig artikel 45, §2, WBTW in geen geval hoger zijn dan 50% van de betaalde belasting, zelfs indien de voertuigen voor 100% voor de economische activiteit van de belastingplichtige worden gebruikt.

Wat de betwiste factuur betreft, wijst- zoals de eerste rechter reeds heeft opgemerkt - niets in het dossier erop dat deze factuur geen betrekking heeft op een voertuig (of voertuigen) bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg of dat dit (deze) voertuig(en) onder de uitzonderingen van artikel 45, § 2, a) tot en met k), WBTW zou(den) vallen.

Appelante heeft haar recht op volledige aftrek van btw niet gerechtvaardigd door te bewijzen dat de brandstof volledig werd gebruikt voor de behoeften van de bedrijfsvoertuigen van de onderneming. De verwerping van de aftrek van de helft van de desbetreffende btw moet dus worden gehandhaafd.

Wat restaurant- en kosten van onthaal betreft, heeft de administratie de aftrek van de btw op de facturen betreffende restaurantkosten verworpen.

Het hof wijst er op dat een belastingplichtige overeenkomstig artikel 45, § 3, 3° WBTW, de btw ter zake van kosten voor spijzen en dranken niet in aftrek kan brengen, met uitzondering van uitgaven voor personeel dat een levering van goederen of diensten buiten de onderneming verricht of door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verrichten. Artikel 45, §3, 4° WBTW bepaalt ook dat de btw op kosten van onthaal niet aftrekbaar is.

Opdat restaurant- of cateringkosten als publiciteits- en/of promotiekosten kunnen worden aangemerkt, waarvan de btw in voorkomend geval volledig aftrekbaar zou zijn, moet het bewijs hiervan worden geleverd. Appelante heeft dit bewijs niet geleverd. Zij beperkt zich louter tot beweringen in die zin zonder evenwel enig document over te leggen.

De aftrek van de btw over deze facturen is dus terecht verworpen.

De administratie verwierp ook de aftrek van de btw op facturen die zij onregelmatig van vorm achtte. De aftrek van btw op deze facturen is reeds verworpen op grond van artikel 45, §§ 1, 2 en 3, WBTW, zodat deze vraag voor de oplossing van het geschil niet verder hoeft te worden onderzocht.

Appelante verzoekt om kwijtschelding van de haar opgelegde geldboete. De btw-administratie heeft in casu de in artikel 70, § 1, WBTW bedoelde geldboete gehandhaafd, maar deze overeenkomstig artikel 84, lid 3, WBTW en artikel 1 van koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en tabel G, punt IV, van de bijlage bij voornoemd koninklijk besluit verlaagd tot 10 % van de gevorderde rechten.

Het hof kan enkel vaststellen dat deze boete wettelijk is vastgesteld overeenkomstig artikel 70 WBTW.

Belastingplichtige verzocht tevens om uitstel van de op grond van koninklijk besluit nr. 41.

tot 10% van de verschuldigde rechten verlaagde fiscale geldboete.

Het hof verwijst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie volgens welke, ondanks het feit dat de wetgever het uitstel van fiscale boetes niet heeft voorzien, de rechtbanken boetes kunnen toepassen wanneer zij vaststellen dat de inbreuken zijn begaan, dat het bedrag van de boete niet onevenredig is aan de ernst van de inbreuk en dat er geen reden zou zijn geweest om een uitstel toe te kennen, zelfs indien de wet in een dergelijke maatregel zou hebben voorzien.

Het enkele feit dat de fiscale rechter bij zijn beslissing of uitstel al dan niet moest zijn verleend niet gebonden is door de aan de strafrechter opgelegde beperkingen op het uitstel, impliceert op zich niet dat de tot een geldboete veroordeelde persoon geen daadwerkelijk rechtsmiddel voor de fiscale rechter geniet in de zin van artikel 13 van het EVRM.

Overwegend dat, indien uitstel bij wet was voorzien, het niet nodig zou zijn deze op het onderhavige geval toe te passen, komt niet neer op een inmenging in de prerogatieven van de wetgevende macht. De rechter maakt gebruik van zijn beoordelingsbevoegdheid waarover ook de strafrechter beschikt wanneer de verdachte zich in de wettelijke omstandigheden bevindt om voor een voorwaardelijke straf in aanmerking te komen.

In dit verband heeft het Hof van Cassatie opgemerkt dat wanneer de veroordeelde voldoet aan de wettelijke voorwaarden om voor een voorwaardelijke straf in aanmerking te komen, het aan de rechter is om op basis van zijn eigen overwegingen en zonder verwijzing naar de wet van 29 juni 1964 op de voorwaardelijke straffen te beoordelen of deze maatregel passend is.

In onderhavige geval is het Hof - gelet op de relatieve ernst van de gepleegde inbreuken, maar ook gelet op het veelvoud aan inbreuken - van oordeel dat de opgelegde geldboete, die rechtens is vastgesteld, niet onevenredig is en dat er geen reden zou zijn om eiseres uitstel van uitvoering van de geldboete te verlenen, zelfs indien de wet in een dergelijke maatregel zou hebben voorzien.

De betwiste geldboete mag dus niet worden verlaagd of kwijtgescholden.

Opmerkingen

Dit betreft de uitspraak in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg, afdeling Marche-en-Famenne (17/436/A) van 15 januari 2020, gepubliceerd op Fisconetplus.

De bewijslast inzake de wettelijke voorwaarden voor aftrek van de belasting rust op de belastingplichtige. Dit houdt in dat de belastingplichtige zowel de realiteit van de uitgaven als het beroepsmatig karakter ervan moet aantonen.

Facturen, ook al zijn ze formeel in orde, worden op zichzelf niet beschouwd als voldoende bewijs om de realiteit van de diensten vast te stellen. Dit is met name het geval wanneer de formulering van de facturen te onnauwkeurig is. De loutere beweringen van de belastingplichtige kunnen niet volstaan om het beroepsmatig karakter van deze uitgaven, die niet worden gestaafd door het minste begin van een bewijskrachtig document, aan te tonen.

De administratie heeft dus terecht geoordeeld dat bepaalde uitgaven geen verband hielden met de economische activiteit en derhalve geen recht op aftrek gaven.

Restaurant- of cateringkosten vormen niet ipso facto publiciteits- en/of promotiekosten waarvoor de btw volledig aftrekbaar zou zijn. De belastingplichtige moet dit ook nog bewijzen.

De belastingplichtige levert geen enkel bewijs dat de restaurantkosten zijn gemaakt in het kader van de uitoefening van de economische activiteit of dat zij vallen onder de uitzondering van artikel 45, § 3, WBTW.

Wat de boetes betreft, heeft het Hof van Cassatie in zijn arrest van 12 januari 2018 geoordeeld dat de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie niet van toepassing is op de fiscale geldboete (Cass., 12 januari 2018, F.16.0127.F, www.juridat.be).

In hetzelfde arrest van 12 januari 2018 heeft het Hof van Cassatie ook beslist dat wanneer de fiscale rechter oordeelt dat er uitstel moest zijn verleend indien de wet in die maatregel had voorzien, verleent hij de eiser het passende herstel door de toepassing van voornoemd artikel 70, § 2, eerste lid, te weigeren.

Met betrekking tot de voorwaarde dat geen uitstel mag worden verleend, ook al is deze maatregel bij wet voorzien, moet de rechter, die over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, zonder gebonden te zijn door de beperkingen van de wet van 29 juni 1964.

De rechtsleer is ook van mening dat, inzake de voorwaarde dat er geen uitstel hoeft te worden verleend zelfs indien de wet in een dergelijke maatregel had voorzien, de rechter - die over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt-, rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval - zonder gebonden te zijn aan de beperkingen van de wet van 29 juni 1964 (zie C. Parmentier en P. Moineau, La Cour de cassation et les sanctions administratives fiscales, J.L.M.B., 2018/24, p. 1140).

Terwijl sommige uitspraken zich lijken te beperken tot een eenvoudige ‘formele’ vaststelling in de motivering van het arrest, gaan andere beslissingen over tot een ‘concreet’ onderzoek op basis van de feiten en omstandigheden van de zaak. Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg, afdeling Marche-en Famenne, behoort tot deze tweede categorie. In het onderhavige geval wordt de weigering van het uitstel gerechtvaardigd door het bestaan van eerdere fiscale inbreuken en door een gebrek aan bereidheid van de belastingbetaler om de situatie te corrigeren, hetgeen in de ogen van deze rechter een essentiële voorwaarde is.

Het hof van beroep bevestigt het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, gelet op de relatieve ernst van de begane inbreuken maar ook gelet op het veelvoud aan inbreuken.

Tekst van het arrest

Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Cour d'appel Liège, NEUVIÈME chambre C civile

Arrêt du 19-04-2022

Rôl : 2020/RG/297

EN CAUSE DE:

La S.R.L. PT.IS.. inscrite à la Banque-Carrefour des Entreprises sous Ie n° 040....72, dont Ie siège social est établi à …, partie appelante, représentée par Me …, avocat, loco Me …, avocat dont les bureaux sont établis à …,

CONTRE:

l'ETAT BELGE représenté par Ie Ministre des finances, dont les bureaux sont établis à 1000 Bruxelles, rue de la Loi, 12, poursuites et diligence de X, attachée au Centre PME Namur-Expertise 1, rue des Bourgeois, 7, à 5000 Namur, partie intimée, représenté par Y, fonctionnaire d'administration fiscale

Vu les feuilles d'audience des 20 avril 2020, 25 juin 2021, 26 novembre 2021, 14 janvier 2022, 22 février 2022, 22 mars 2022 et de ce jour

APRÈS EN AVOIR DÉLIBÉRÉ :

Vu Ie dossier de la procédure en forme régulière et notamment :

- en copie conforme Ie jugement rendu Ie 15 janvier 2020 par Ie Tribunal de première instance du Luxembourg, division Marche-en­ Famenne, dont la preuve de la signification n'est pas rapportée;

- la requête d'appel déposée au greffe, Ie 19 mars 2020;

l'arrêt rendu Ie 14 janvier 2022;

les conclusions et dossiers de pièces des parties ;

La recevabilité de l'appel n'est pas contestée et il n'existe aucun moyen d'irrecevabilité à soulever d'office par la Cour.

Il est par conséquent recevable.

la présente décision est fondée sur les éléments de fait et de droit développés ci-après.

I. FAITS ET OBJET DU LITIGE

1. Le litige concerne une contrainte n"500/.../...25 décernée à charge de l'appelante, Ie 21 novembre 2014, et portant sur des montants réclamés de 5.623, 77 € à titre de TVA et de 560 € à titre d'amendes, outre les intérêts à calculer à partir du 21 janvier 2013.

Elle a été établie sur la base d'un procès-verbal de constatations dressé par l'administration, Ie 4 novembre 2014, qui a précédé une décision de régularisation datée du 5 novembre 2014 par Ie biais de laquelle l'administration considérait comme étant dus par l'appelante les montants de TVA et d'amendes susvisés•

Le procès-verbal susvisé fait suite à un contrôle auquel il a été procédé au siège social de l'appelante, Ie 28 mars 2014.

2. L'appelante exerce une activité de fabrication de machines (utilisées principalement dans !'industrie textile).

3. L'appelante a introduit une opposition à la contrainte susvisée auprès du Tribunal de première instance du Luxembourg par requête du 9 décembre 2014.

4. Par jugement du 15 janvier 2020, ce dernier a dit la demande recevable et très partiellement fondée.

Il a dit pour droit que la TVA sur une facture n°280 du 21 février était intégralement déductible et, par conséquent, a validé la contrainte sous les seules émendations que la taxe sur la valeur ajoutée était de 5.513,50 €, que les amendes proportionnelles étaient de 550 € et que les intérêts seraient calculés à partir du 21 janvier 2013 sur la somme de 5.510 €.

Le premier juge a en outre ordonné la restitution de toute somme perçue, Ie cas échéant, du chef de la contrainte partiellement annulée, augmentée des intérêts conformément à l'article 91 du Code de la TVA et il a compensé les dépens.

5. La S.P.R.L. PT.IS., devenue la S.R.L. PT.IS., a interjeté appel, Ie 19 mars 2020.

6. Par arrêt du 14 janvier 2022, la neuvième chambre D de la Cour de céans a renvoyé la cause pour plaidoiries à la neuvième chambre C de cette Cour.

7. L'affaire a été plaidée devant cette dernière chambre, Ie 22 mars 2022.

8. L'appelante demande, à titre principal, de mettre à néant la contrainte querellée reprise sous Ie n°500/.../...25.

À titre subsidiaire, elle demande d'examiner si, conformément à la jurisprudence de la Cour constitutionnelle, les conditions relatives au sursis sont réunies et, dans l'affirmative, ne pas appliquer les amendes retenues à sa charge.

À titre plus subsidiaire, elle demande de reconnaître la violation des articles 1er, 13 et 14 de la C.E.D.H. estimant qu'elle ne disposerait pas, en droit interne, d'un recours effectif lui permettant d'obtenir un redressement approprié par rapport à la violation de l'article 6 de la C.E.D.H. par l'article 70 du Code de la TVA et qu'il n'y a pas lieu à appliquer ce dernier.

Elle sollicite enfin la condamnation de l'Etat beige à restituer toute somme perçue indument ainsi qu'aux dépens liquidés à 2.160 €.

L'Etat beige, quant à lui, conclut à la confirmation du jugement entrepris et à la validation de la contrainte.

Il demande de condamner l'appelante aux frais et dépens des instances.

ll. DISCUSSION

Quant aux factures prétendument étrangères à l'activité économique

9. L'administration relève, dans son procès-verbal de constatations du 4 novembre 2014, que l'appelante aurait déduit la T.V.A. portée en compte sur plusieurs factures d'achats pour lesquelles elle n'aurait, selon l'administration, pu établir l'affectation aux besoins de l'activité économique, à savoir:

- pour l'année 2011 :

<< Document 132, 13 janvier 2011 (fournisseur C.S.) gasoil de chauffage livré chez H.P. selon bon de livraison

Document 486, 8 mars 2011 (fournisseur Jimmy Cycles) assortiments de pièces pour vélos

Document 487, 25 mars 2011 (fournisseur Jimmy Cycles) assortiments de pièces pour vélos

Document 1278, 30 août 2011 (fournisseur Francis Cognaux) : seuil en pierre bleue et vitre céramique ».

- pour l'année 2012 :

« Document 93, 17 janvier 2012 (fournisseur E. Renauld) entretien d'un véhicule non identifié sur la facture

Document 94, 19 janvier 2012 (fournisseur E. Renauld} : entretien d'un véhicule non identifié sur la facture

Document 683, 6 avril 2012 (fournisseur E. Renauld) : entretîen d'un véhicule non identifié sur la facture

Document 1198, 3 juillet 2012 (fournisseur E. Renauld) : entretien d'une « Jeep » sans autre précision, alors qu'aucun véhicule de marque Jeep n'est investi dans l'entreprise

Document 1422, 22 août 2012 (fournisseur Rigaux) : « mobilier pour foire » sans description des meubles livrés

Document 2274, 15 septembre 2012 (fournisseur Aldi) : 1 lecteur DVD

Document 2278, 5 décembre 2012 (fournisseur Aldi) 1 enregistreur DVD

Document 2280, 29 décembre 2012 (fournisseur Aldi) : 1 lecteur DVD ».

10. la Cour rappelle que l'article 45, §1er, du Code de la TVA dispose que tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable, les taxes ayant grevé les biens et les services qui lui ont été fournis, les biens qu'il a importés et les acquisitions intracommunautaires de biens qu'il a effectuées, dans la mesure ou il les utilise pour effectuer:

1° des opérations taxées ;

2" des opérations exonérées en vertu des articles 39 à 42 ;

3° des opérations réalisées à l'étranger qui ouvriraient droit à déduction si elles étaient effectuées en Belgique;

4° des opérations visées à article 44, §3, 4° à 10°, et liées à une exportation ;

5° des prestations de courtage ou de mandat se rapportant aux opérations visé au 4°.

11. C'est à l'assujetti qu'il appartient de prouver que les conditions légales de déduction de la TVA prévues par cette disposition sont remplies.

12. Les factures, même régulières en la ferme, ne sont pas nécessairement considérées, à elles seules, comme des éléments suffisamment probants pour établir la réalité des prestations ou l'affectation à l'exercice de l'activité économique du bien ou du service qui y figure, particulièrement lorsque Ie libellé de la facture est imprécis.

13. La Cour rappelle, par ailleurs, que l'administration est autorisée à prouver, en vertu de l'article 59, § 1er, du Code de la TVA, selon les règles et par tous moyens de droit commun, à l'exception du serment, et, en outre, par les procès-verbaux des agents du Service public fédéral Finances :

1° toute contravention aux dispositions du Code ou des arrêtés pris peur son exécution ;

2° tout fait quelconque qui établit la débition de la taxe ou d'une amende;

3° tout fait quelconque qui concourt à établir la débition de la taxe ou d'une amende.

En vertu du paragraphe 1er, alinéa 2, du même article 59, les procès-verbaux font foi jusqu'à preuve du contraire.

Cette force probante s'étend à tous les actes que les verbalisants déclarent avoir accomplls et à tous les faits dont ils déclarent avoir été témoins, pourvu que les constatations restent dans Ie cadre de leur mission.

14. En conséquence, les constatations matérielles et objectives effectuées personnellement par Ie verbalisant dans les limites de sa mission légale et qui sont relatées comme telles dans son procès-verbal du 4 novembre 2014 sont réputées exactes jusqu'à preuve du contraire.

15. L'appelante n'apporte aucune precision quant aux factures Aldi susvisées et ne démontre pas, par la simple production de celles­ ci, eu égard à la nature des biens acquis et à celle de son activité, que les biens en cause auraient été affectés à son activité économique.

16. S'agissant des factures pour lesquelles l'appelante invoque des justifications spécifiques dépassant Ie simple renvoi au libellé de la facture, les observations suivantes doivent être faites.

17. Au sujet de la facture du fournisseur C.S. , Ie procès­ verbal du 4 novembre 2014 indique qu'elle concerne la fourniture de « gasoil de chauffage livré chez H.P. selon bon de livraison joint » et l'appelante reste en défaut de démontrer que tel ne serait pas Ie cas; elle se contente en effet d'affirmer qu'elle serait Ie bénéficiaire de cette livraison mais ne produit aucune pièce à l'appui de ces dires. Elle n'a jamais apporté la preuve que cet achat aurait été utilisé par elle dans Ie cadre de son activité économique.

Le fait que ce procès-verbal fasse, à cet égard, référence à un bon de livraison qui porterait cette mention et Ie fait que l'intégralité de ce bon ne soient pas reproduite est sans incidence sur la force probante du procès-verbal concernant cette constatation de fait.

18. Concernant la facture « Cognaux », relative à l'achat d'un seuil en pierre bleue, une vitre céramique et de la découpe, l'appelante soutient qu'il s'agirait de travaux réalisés au siège de l'entreprise.

Toutefois, dès lors que l'adresse du chantier n'est pas mentionnée et à défaut d'autre élément de preuve à ce sujet, cette affirmation ne peut être vérifiée.

19. Le taxateur a refusé la déduction de la TVA afférente à la facture Rigaux portant sur du « mobilier pour foire » car la facture ne donnait aucune précision quant aux meubles livrés.

L'appelante se contente d'affirmer que Ie mobilier est utilisé par elle afin de promouvoir son activité et ses produits tors sa participation à des foires mais ne fournit aucune précision quant à la nature exacte de ce mobilier, ni aucun document étayant sa position comme des devis détaillés, des bons de commande, des échanges entre elle et son fournisseur qui est un artisan ébéniste, des photos, etc.

L'appelante déclare qu'il aurait été stocké ailleurs qu'à son siège mais ne Ie démontre pas.

À défaut d'autre élément probatoire, il y a lieu de considérer que l'affectation à l'activité économique de l'appelante de ce « mobilier » n'est pas établie.

20. L'appelante affirme que les factures d'entretien de véhicules concernent des véhicules investis dans la société, or, Ie taxateur a rejeté la TVA afférente à une facture pour un véhicule «Jeep»

dont l'appelante ne démontre pas qu'il s'agirait d'une véhicule investi dans la société et les autres factures relatives à l'entretien de véhicules ne permettent pas d'identifier Ie véhicule dont il s'agit.

21. Concernant les factures « Jimmy Cycles », l'appelante se contente d'affirmer que les pignons et les chaines entrent dans la fabrication des machines. Or, il s'agit de factures émanant d'un fournisseur de vélos et non de pièces mécaniques pour machines.

22. Les seules affirmations de l'appelante - et Ie dépôt d'une série de factures - ne peuvent suffire à établir l'affectation à son activité économique des biens et services relatifs aux factures ici litigieuses. Le rejet de la déduction de la TVA afférente à ces factures doit donc être maintenu.

Quant à la prétendue infraction à l'article 45, §2, du Code de la TVA

23. L'administration rejette la déduction de la moitié de la TVA afférente au document 280 du 21 février 2012 (fournisseur Garage Arnould} relatif à la réparation d'un véhicule Volvo et au document 2010 du 22 novembre 2012 (fournisseur Patigny Mazout) relatif à la fourniture de 2.000 litres de gasoil routier.

24. La Cour rappelle que conformément à l'article 45, §2 du Code, la taxe déductible ne peut, en principe, dépasser 50 % de la taxe acquittée même si les véhicules sent utilisés à 100 % pour l'activité économique de l'assujetti.

25. La premier juge a admis la déduction de la TVA afférente à la facture 280 précîtée et ce point n'est pas remis en cause par l'administration, en degré d'appel.

26. Au sujet de la facture 2010 précitée, comme Ie relève Ie premier juge, aucun élément du dossier ne permet de considérer que cette facture ne concernerait pas un (ou des) véhicule(s) destiné(s) au transport par route de personne et/ou de marchandises ou que ce

{ou ces) véhicule(s) serai(en)t repris dans les dérogations prévues aux points a) à k) de l'article 45, §2, du Code de la TVA.

27. l'appelante n'a pas justifié de son droit à la déduction totale de la TVA par la preuve que Ie carburant aurait été intégralement utilisé pour les besoins des véhicules utilitaires de l'entreprise.

28. Le rejet de la déduction de la moitié de la TVA relative au document 2010 du 22 novembre 2012 doit donc être maintenu.

Quant à la prétendue infraction à l'article 45, §3, du Code de la TVA

29. L'administration a rejeté la déduction de la TVA afférente aux factures suivantes concernant des frais de restaurant

- pour l'année 2011 :

« Document 1936, 16 décembre 2011 (fournisseur Traiteur Paulus)

Document 1998, 2 décembre 2011 (fournisseur Au Roy de la Bière) »

- peur l'année 2012:

« Document 2047, 30 novembre 2012 (fournisseur L'Amandier) Document 2431, 9 mars 2012 {fournisseur L'Air de Rien) » .

30. La Cour rappelle qu'en application de l'article 45, §3, 3", du Code de la TVA, un assujetti ne peut pas déduire la TVA ayant grevé les frais de nourriture et de boissons, à l'exception de ceux qui sont exposés pour Ie personnel chargé de l'exécution, hors de l'entreprise, d'une livraison de biens ou d'une prestation de services ou par des assujettis qui à leur tour fournissent les mêmes services à titre onéreux. L'article 45, §3, 4°, du Code de la TVA prévoit en outre que n'est pas déductible la TVA relative à des frais de réception.

31. Peur que des frais de restaurant ou de traiteur puissent être assimilés à des frais de publicité et/ou promotionnels dont la T.V.A. serait, Ie cas échéant, intégralement déductible, il convient d'en apporter la preuve, ce que l'appelante reste en défaut de faire, cette dernière se contentant d'affirmations en ce sens sans produire la moindre pièce.

32. La facture du traiteur Paulus ne donne aucune précision quant à la destination des biens et services fournis et celle émise par Ie fournisseur I'Amandier précise qu'il s'agit de frais de restaurant•

33. Le Libellé de la facture « Au Roy de la Bière » fait en outre état du repas du personnel tors de la Saint-Eloi du 2 décembre 2011. Cet élément est donc en contradiction avec l'argumentation invoquée par l'appelante, à cet égard.

34. C'est donc à bon droit que la déduction de la TVA afférente à ces factures a été rejetée.

Quant au rejet de la déduction de TVA reprise sur des factures prétendument irrégulières en la forme

35. L'administration a également rejeté la déduction de la TVA afférente à des factures qu'elle considère irrégulières en la forme.

36. La déduction de la TVA reprise sur ces factures a déjà été rejetée sur la base des articles 45, §1 er, 2, et 3, du Code de la TVA précités de telle sorte qu'il n'y a pas lieu de procéder à !'examen de cette question pour la solution du litige.

Quant à l'amende

37. L'appelante demande la remise de !'amende lui ayant été appliquée.

38. L'administration de la TVA a, en l'espèce, retenu !'amende prévue par l'article 70, § ler, du Code de la TVA mais l'a réduite à 10% des droits réclamés, soit à 562,38 €, conformément à l'article 84, alinéa 3, du Code de la TVA et à l'article 1 er de l'arrêté royal n°4l du 30 janvier 1987 fixant Ie montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée et au tableau G, point IV, de !'annexe à l'arrêté royal précité. Le montant total des amendes a été arrondi à la dizaine d'euro inférieure en vertu de l'article 4, § 1er, de l'arrêté royal n°41 précité, soit à 560 €.

39. La Cour ne peut que constater que celle-ci est a été légalement établie, conformément à l'article 70 du Code de la TVA.

40. Par ailleurs, via ses arrêts rendus les 6 novembre 2008 et 21 février 2013, la Cour constitutionnelle a en effet considéré que l'article 70, § 1er, du Code de la TVA, dans Ie premier arrêt, et l'article 70, §2, al. 1er, de ce Code, dans Ie second, violaient les articles 10 et 11 de la Constitution en ce qu'ils ne permettent pas au juge d'assortir d'un sursis l'amende prévue par chacune de ces dispositions.

41. Au point B.4.3 de son arrêt n°13/2013 précité, cette Haute Cour a toutefois également déclaré ceci : « Ce constat d'inconstitutionnalité partielle n'a toutefois pas pour conséquence que cette disposition ne pourrait plus, dans !'attente d'une intervention législative, être appliquée par les juridictions lorsque celles-ci constatent que les infractions sont établies, que Ie montant de !'amende n'est pas disproportionné à la gravité de l'infraction et qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi ».

42. Lorsque Ie juge fiscal estime qu'il y aurait eu lieu d'accorder un sursis si cette mesure avait été prévue par la loi, il accorde Ie redressement approprié au contribuable en refusant de faire application de l'article 70 précité. Lorsqu'il estime qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis si cette mesure avait été prévue par la loi, il n'y a pas matière à redressement. Le seul fait que, pour décider s'il aurait convenu ou non d'accorder un sursis, Ie juge fiscal ne soit pas lié par les restrictions à l'octroi imposées au juge pénal n'implique pas que la personne condamnée à une amende fiscale ne bénéficie pas d'un recours effectif devant Ie juge fiscal, au sens de l'article 13 de la C.E.D.H.

43. Considérer que si la mesure de sursis avait été prévue par la loi, il n'y aurait pas lieu de l'appliquer au cas d'espèce ne revient pas à s'immiscer dans les prérogatives du pouvoir législatif, Ie juge usant du pouvoir d'appréciation dont bénéficie Ie juge pénal dès lors que Ie prévenu se trouve dans les conditions légales pour bénéficier du sursis et Ia Cour de cassation ayant relevé, à cet égard, que lorsque Ie condamné se trouve dans les conditions légales pour bénéficier du sursis, il appartient à la juridiction de jugement d'apprécier, sur la base de considérations qui lui sont propres et sans se référer à la loi du 29 juin 1964 relative au sursis, s'il convient d'ordonner cette mesure•

44. En l'espèce, eu égard à la gravité relative des infractions commises mais également à la multiplication de celles-ci, la Cour estime que l'amende infligée, qui a été légalement établie, n'est pas disproportionnée et qu'il n'y aurait pas lieu d'accorder à l'appelante un sursis à l'exécution de !'amende, même si cette mesure avait été prévue par la loi. L'amende litigieuse ne doit donc ni être réduite, ni être remise.

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS,

Vu l'article 24 de la tai du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire,

La Cour, statuant contradictoirement,

RECOIT l'appel mais Ie dit non fondé. Par conséquent,

CONFIRME Ie jugement entrepris.

CONDAMNE l'appelante aux dépens d'appel de l'intimé, lesquels sent non liquidés.

Ainsi jugé et délibéré par la NEUVIEME chambre C de la cour d'appel de Liège, ou siégeait Ie conseiller faisant fonction de président … comme juge unique et prononcé en audience publique du 1.9 avril 2022 par Ie conseiller faisant fonction de président …, avec l'assistance du greffier délégué …

Signatures

Aangehaalde teksten

9
WBTW art. 4515 voorkomens
WBTW art. 709 voorkomens
WBTW art. 592 voorkomens
WBTW art. 842 voorkomens
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
KB nr. 41 art. 41 voorkomen
KB nr. 4 art. 11 voorkomen
WBTW art. 31 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Administratieve doctrine

3

« … Europese Unie, Arresten E en Z, gevoegde zaken C-45/20 en C-46/20, van 14.10.2021, punten 33 tot 36). De belastingplichtige dient het bewijs te leveren dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek voorzien in artikel 45, § 1, van het Btw-Wetboek (Arrest van het Hof van Beroep van Luik nr. WF 706-15-14/058842, van 19.04.2022 ). Ook al is het recht op aftrek voorbehouden aan personen met de hoedanigheid van belastingplichtige, kunnen niet alle belastingplichtigen dit recht genieten. Bovendien hebben bepaalde belastingplichtigen slechts een gedeeltelijk recht op aftrek. b. De … »

Inleiding (01.04.2025)Administratieve commentaar11.04.2025

Bekijk de 3 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8