Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Brussel d.d. 11.06.2025 - Rolnr. 2023/1768/A
WF 502-15-23/038979
Finaliti nr. 54917504/01
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Fiscale simulatie - fraude - valse facturen - uitvoervrijstelling - bedrieglijk opzet
Wettelijke bepalingen
Art. 39, § 1, 4°, W.Btw
Samenvatting
Indien er bij het toepassen van een vrijstelling inzake btw sprake zou zijn van fiscale simulatie, dan moet in beginsel niet (meer) worden onderzocht of eiseres (formeel) aanspraak kan maken op de vrijstelling voorzien in artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek.
Op basis van de voorgelegde gegevens maakt verweerder afdoende aannemelijk dat er sprake is van fiscale simulatie bij de verkoop van 15 horloges...
De schijnbare rechtshandelingen zijn enkel gesteld zodat eiseres geen btw moet aanrekenen en de consorten B. op de verkoopprijs van de horloges geen btw moeten betalen, met name door met bedrieglijk opzet toepassing te maken van artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek.
In het licht van de voormelde vaststellingen is het feit dat sommige horloges effectief buiten de gemeenschap zijn gebracht na de aankoop ervan, en hiervoor bepaalde documenten worden voorgelegd, niet relevant, ook niet om van een uitvoer te spreken aangezien afdoende blijkt dat de uitvoer deel uitmaakt en van fiscale simulatie en de horloges onmiddellijk terug naar België zijn gekomen...
Rekening houdend met de fiscale simulatie en het gebruik van valse facturen kan de rechtbank buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding met toepassing van artikel 9 Regentbesluit niet verminderen tot beneden het wettelijk tarief van 200% van de verschuldigde belasting.
Voor zover als nodig stelt de rechtbank vast dat de geldboete van 200%, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten zoals hiervoor vastgesteld, in elk geval niet kennelijk onredelijk is.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Brussel, 7de Kamer,
11.06.2025,
Rolnummer 2023/1768/A
In de zaak van:
De NV X…, met zetel te X… met ondernemingsnummer X…,
eiseres,
vertegenwoordigd X…
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, KBO 0308.357.159, FOD Financien, vertegenwoordigd door de minister van Financien, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie Brussel, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 806,
verweerder,
vertegenwoordigd door mevrouw X…, attaché
In deze zaak, in beraad genomen op 19 mei 2025,
spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
- het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 8 juni 2023,
- de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 22 september 2023,
- de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 10 januari 2025,
- de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 17 april 2025,
- de stukken van de partijen.
De raadslieden van eiseres en mevrouw X… zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 19 mei 2025. Vervolgens zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.
II. FEITEN
De NV X…, eiseres, is sinds 1 januari 1971 geregistreerd onder het btw-nummer X…, en dit voor de activiteit van detailhandel in uurwerken en sieraden in gespecialiseerde winkels.
Op 18 december 2018 verleent de federaal procureur aan verweerder machtiging om het strafrechtelijk dossier met notitienummer FD10.96.51/17 te raadplegen en afschriften te nemen van de relevante stukken. Het dossier heeft betrekking op het gerechtelijk onderzoek naar witwaspraktijken, omkoping en matchfixing in het Belgisch voetbal, onderzoek onder Ieiding van onderzoeksrechter X… en opgestart door het federaal parket.
Op 26 augustus 2022 stuurt verweerder, blijkbaar nadat reeds communicatie is gevoerd (stukken niet voorgelegd door de partijen), een vraag om inlichtingen naar eiseres. Er wordt aan eiseres gevraagd een aantal gegevens te verstrekken met betrekking tot de verkoop van horloges van het merk Patek Philippe, waarbij onder meer de voorlegging wordt gevraagd van de volgende documenten:
•verkoopfacturen/creditnota's vanaf 1 januari 2015 opgemaakt op naam van X…
•een historiek kianten vanaf 1 januari 2015 voor de verkopen aan X…
•onderliggende stukken, in voorkomend geval, voor de toepassing van de
vrijstelling inzake btw,
•enz...
Naast de naam X... is in de vraag om inlichtingen onder meer sprake van X... (makelaar in de voetbalwereld), X... (voormalig bestuurder van eiseres) en X... (zoon van X... ).
Blijkbaar antwoordt eiseres op 14 september 2022 (stukken niet voorgelegd door de partijen).
Op 21 november 2022 doet eiseres afstand van de verlopen tijd van de verjaring inzake btw.
Eiseres verzoekt op 17 februari 2023 om inzage in het strafdossier doch dit wordt door de onderzoeksrechter op 2 maart 2023 geweigerd omdat het verzoek volgens hem niet uitgaat van een rechtstreeks belanghebbende overeenkomstig artikel 21bis van het Wetboek van Strafvordering.
Vervolgens maakt verweerder op 13 april 2023 een proces-verbaal van regularisatie op voor de periode van 1 januari 2015 tot 31 december 2018 waarin onder meer sprake is van inbreuken op artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek en de artikelen 8 en 9 van het Koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992. In het proces-verbaal wordt onder meer het volgende overwogen met betrekking tot de verkoop door eiseres van 15 horloges van het merk Patek Philippe:
“3. INBREUK OP ARTIKEL 39, §1, 4 ° W. WI3TW
3.2.1 VALSE FACTUREN
Uit de vaststellingen in ons onderzoek, en dat van de Federale Gerechtelijke Politie, blijkt
dat X... , en zijn toenmalige gedelegeerd bestuurder X... ,
op de hoogte waren en op systematische wijze meewerkten aan de opmaak van valse facturen met het oog op de onterechte toepassing van de vrijstelling BTW. X... reikte op systematische wijze valse facturen uit op naam van X... , in voile besef dat dit niet de werkehjke koper was van de goederen.
Dat X... op de hoogte is dat niet X... maar X... of zijn entourage de echte kopers/eigenaars van de horloges zijn, en dat X... actief meewerkte aan deze frauduleuze praktijken, blijkt uit de onderstaande vaststellingen:
· X... maakte op vraag van X... facturen op met vermelding van een onjuiste koper, meer bepaald een koper die buiten de EU woont en waarmee X... geen enkel contact had;
· Uit de betaaIbewijzen blijkt dat geen enkele betaling werd uitgevoerd door X... . De betalingen gebeurden door X... en "derde partijen ". Behalve K.A..., die een neef van X... zou zijn, zijn (of waren) alle partijen, net als X... , actief in de voetbalwereld,
· Er werden door de Federate Gerechtelijke Politie certificaten van oorsprong aangetroffen voor een aantal van de betreffende horloges, geen enkele was door X... opgemaakt met de vermelding van X... als eigenaar,
· X... haalde steeds de goederen op, (...)
We lichten dit uitgebreider toe:
3.2.1.1 Het bewust niet vermelden van de werkelijke koper
(—)
3.2.1.2 Betalingen door derden
In totaal werden er door X... 15 horloges gefactureerd aan X... , in de periode 01.01.2015 tot 31.12.2018, voor een totaal bedrag van 663.545 euro exclusief btw.
Op basis van de gegevens uit het gerechtsdossier en het antwoord op de vraag om inlichtingen van 26.08.2022, omtrent de betaling van deze facturen, stellen we vast dater 9.200 euro in cash werd betaald (waarvan de identiteit van de betaler niet werd bijgehouden), 62.195 euro door X... werd betaald en 592.150 euro door derden. Voor de cash betalingen konden we niet bepalen door wie deze betaald werden. De gegevens over de identiteit van de betaler(s) werd niet bijgehouden door X... .
BETALING DOOR„. TOTAALBEDRAG
X... 152 560,00 €
X... 152 400,00 €
X... 123 400,00 €
X... 98 990,00 €
X... 64 800,00 €
X... 62 195,00 €
Cash 9 200,00 €
3.2.1.3 Certificaten van Oorsprong
De certificaten van oorsprong werden opgemaakt door X... (zie 2.3.5), onder meer de naam en adresgegevens van de geautoriseerde verkoper X... werden vermeld.
De AABBI stelt vast dat de vermelde adressen van de eigenaar, op de aangetroffen certificaten van oorsprong, voormalige domicilieadressen zijn van X… voor de gecontroleerde periode 2015-2018 was het domicilieadres van X… Domicilieadres tot 30.07.2017 : X…
Al de horloges waarvoor een certificaat van oorsprong werd aangetroffen door de Gerechtelijke Politie (zie 22.2) zouden door X... verkocht zijn aan X... , echter staat hij op geen enkel certificaat van oorsprong vermeld als eigenaar van de horloges:
(..)
3.2.1.4 Ophaling van de goederen
In het PV 008383/2018 D.D.10.10.2018 verklaarde X... dat de horloges door X... werden opgehaald.
X… verklaarde geen enkel contact te hebben gehad met X... . Hij stelt dat X... een goede klant is via zijn kinderen, X... en X… verklaart dat hij dacht dat X... de aankoop van de horloges met zijn vader X... besprak, echter zonder contact met hem gehad te hebben.
X… maakte aldus de facturen op naam van X... op, op de loutere vraag van zijn kinderen X... en X….
3.2.1.5 Conclusie
X… verklaart X... nooit gesproken of gezien te hebben, X... is dus nooit in de winkel geweest. Er was enkel contact met X… , hij koos de horloges, hij bestelde de horloges, hij zorgde voor de betaling, hij haalde de horloges op, hij zorgde voor de "uitvoer" en hij gaf de instructies om op de certificaten van oorsprong hem als eigenaar van de horloges te vermelden of deze informatie niet of onvolledig te vermelden.
Uit de vaststellingen blijkt dat X... bewust valse facturen opmaakte op naam van X... , een niet in de EU gevestigde particulier. Uit alle elementen blijkt echter dat X... en zijn entourage de werkelijke eigenaars van de goederen worden en dat het ook niet de bedoeling was dat de goederen effectief uitgevoerd zouden worden.
De facturen bevatten aldus onjuiste vermeldingen ten aanzien van de naam en het adres van de bij de handeling betrokken partijen.
De valse facturen werden door X... opgemaakt met het oog op het frauduleus toepassen van de vrijstelling BTW op basis van artikel 39 §14° van het Wetboek van de BTW, dit op instructie van X...
De AABBI stelt vast dat het een gebruikelijke modus operandi was om horloges die bestemd zijn voor X... en zijn entourage te factureren op naam van X... . X... vermeldde in een gesprek met W.J.... dat het horloge voor X… "zoals gewoonlijk" mocht gefactureerd worden op naam van X... en X… antwoordde bevestigend."
Het proces-verbaal overweegt dat er sprake is van een inbreuk op artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek en de artikelen 8 en 9 van het Koninklijk besluit nr. 18 wegens de volgende redenen (samenvatting):
- Er is niet voldaan aan de voorwaarde dat de goederen worden geleverd aan een niet in de gemeenschap gevestigde reiziger die deze goederen in België in bezit neemt. X... en zijn entourage, woonachtig in België, zijn de werkelijke eigenaar van de horloges en de eerste heeft deze ook bij eiseres opgehaald. 7 van de 15 horloges en 9 van de 15 certificaten van oorsprong zijn aangetroffen in kluizen in België op naam van X... of waarvan hij mandataris was.
-Er is niet voldaan aan de voorwaarde dat de uitvoer uiterlijk op het einde van de derde maand volgens op de maand waarin de levering plaatsvond, moet gebeuren, en dit minstens voor het horloge dat verbonden is met de factuur 6073. Er is niet voldaan aan de voorwaarde dat de aankopen geen handels- of beroepskarakter mogen hebben, evenals dat het moet gaan om aankopen met een incidenteel karakter, waarbij onder meer wordt gewezen op het feit dat in de 'korte periode' 2015-2018 een hele reeks horloges zijn aangekocht op naam van X... .
Aan de voorwaarde tot voorlegging van een exemplaar van de factuur, of een als zodanig geldend stuk, bekleed met het visum van het douanekantoor van uitgang uit de gemeenschap is slechts voldaan bij de facturen 6444 en 8921.
Voor bepaalde horloges kan geen bewijs van uitvoer worden voorgelegd.
Ook stelt het proces-verbaal nog dat de artikelen 39, §1, 1° en 39, §1, 2° van het Btw-wetboek niet kunnen worden toegepast.
Het proces-verbaal maakt gewag van 139.344,45 euro na te vorderen btw, een proportionele geldboete van 278.680,00 euro (200 %, afgerond) en nalatigheidsintrest vanaf 21 januari 2019.
Op 1 juni 2023 stuurt verweerder voor de voormelde navordering inzake btw een innings-en invorderingsbericht naar eiseres met artikelnummer 500268900544.
Op 8 juni 2023 stelt eiseres een vordering in bij deze rechtbank.
III. VORDERING
Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:
“In hoofdorde
De vorderingen van concluante ontvankelljk en gegrond te verkIaren;
Dienvolgens het proces-verbaal opgesteld lastens concluante op 13 april 2023, met betrekking tot de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2018, door mevrouw X… , attaché bij de Federale Overheidsdienst Financien, Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Directie Brussel, Inspectie Brussel 3 geheel te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren;
Dienvolgens de inschrijving in het innings- en invorderingsregister met schuldnummer 500268900544 en met registernummer 202305NL022 met datum van opmaak d. d. 30 mei 2023 en uitvoerbaar verklaard lastens concluante d.d. 1 juni 2023 geheel te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren;
Dienvolgens te horen zeggen voor recht dat concluante de middels voormeld proces-verbaal gevorderde bedragen die zijn opgenomen in het innings- en invorderingsregister lastens concluante niet verschuldigd is en verweerder te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden.
In ondergeschikte orde
Minstens de geldboete van 200% te vernietigen, minstens substantieel te verminderen, dan wel met uitstel op te leggen, of vast te stellen dat de voorwaarden van uitstel zijn voldaan en de sanctie disproportioneel is met de vooropgestelde inbreuk waardoor de geldboete ontheven moet warden.
In elk geval
Concluante te ontslaan van betaling van de in het proces-verbaal gevorderde bedragen die zijn opgenomen in het innings- en invorderingsregister lastens concluante en verweerder te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend op de sommen vermeld in het proces-verbaal en opgenomen in het innings- en invorderingsregister, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, en dit vermeerderd met moratoire interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.;
Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 10.500 EUR en inclusief de verplichte bijdrage aan het Fonds voor de Juridische Tweedelijnsbijstand van 24 EUR."
Verweerder vraagt de vordering of te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Tussen de partijen is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank ontwaart geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid.
Ten gronde
Algemeen
Eiseres betwist de (volledige) belastingschuld, met inbegrip van de proportionele geldboete van 200 %.
Een eerste vaststelling hierbij is dat de btw-schuld in beginsel de openbare orde raakt. Bijgevolg moet de rechtbank - behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld en met voorbehoud voor de verjaring - zelf in feite en naar recht uitspraak doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de grond van nietigheid van de beslissingen of handelingen van de administratie, zoals een aangevoerde nietigheid van een proces-verbaal (vgl. Cass. AR F.08.0082.F, 3 maart 2011; Cass. AR F.12.0188.N, 22 mei 2014; Cass. AR F.11.0124.F, 9 oktober 2014; Cass. AR F.18.0073.N, 12 december 2019). Aangezien de administratieve beslissing waarmee een administratieve geldboete inzake btw wordt opgelegd, noodzakelijk is voor de totstandkoming van zulke boete, geldt het voorgaande principe niet voor de geldboete opgelegd conform artikel 70 en volgende van het Btw-Wetboek (vgl. Cass. AR C.19.0605.N, 22 januari 2021).
Geen van de partijen betwist dat de btw-schuld niet verjaard is, en de rechtbank ziet evenmin redenen om dienaangaande een ambtshalve middel op te werpen.
Een tweede vaststelling is dat eiseres, blijkbaar in navolging van wat in het proces-verbaal van regularisatie is opgenomen, in haar conclusie uitgebreid ingaat op de vraag of voldaan is aan de voorwaarden van de vrijstelling zoals opgenomen in artikel 39 van het Btw-wetboek. Zij voert hierbij onder meer aan dat verweerder niet betwist dat er een uitvoer heeft plaatsgevonden zoals bedoeld in deze wettelijke bepaling.
Voor de vraag of voldaan is aan de voorwaarden om beroep te kunnen doen op een vrijstelling van btw, ligt de bewijslast in beginsel op de belastingplichtige, hier eiseres.
Echter, en hoewel verweerder enkel spreekt over 'fraude', blijkt afdoende dat zij in hoofdzaak aan eiseres verwijt met bedrieglijk opzet te hebben meegewerkt aan een systeem waarbij de Belgische staat is misleid en btw is ontdoken door toepassing van de vrijstelling zoals voorzien in artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek, onder meer door het gebruik van valse facturen (zie onder meer randnummer 21 van de conclusie van verweerder). In het proces-verbaal van regularisatie wordt onder meer gewag gemaakt van het feit dat de werkelijke eigenaar van de horloges X... is, de facturen niet zijn opgesteld op naam van de werkelijke begunstigde (koper) en er sprake is van een 'fictieve uitvoer'.
Hoewel verweerder het niet met zoveel woorden zegt, leidt de rechtbank uit het proces-verbaal van taxatie en uit de conclusie van verweerder of dat deze van oordeel is dat er sprake is van fiscale simulatie of veinzing.
Rekening houdend met het standpunt van verweerder, is het dan ook enigszins verrassend dat eiseres voorhoudt dat verweerder de uitvoer niet zou betwisten. Dit biijkt wel degelijk het geval te zijn aangezien verweerder onder meer spreekt van een 'fictieve uitvoer' (zie bladzijde 62 van het proces-verbaal van regularisatie) en het felt dat eiseres bewust de schijn heeft willen wekken dat de horloges bestemd waren voor uitvoer (zie bladzijde 10 van de conclusie van verweerder). Overigens betwist verweerder in randnummer 37 van haar conclusie uitdrukkelijk dat zij de uitvoer in het kader van de gevraagde vrijstelling zou erkennen.
Eiseres lijkt zich, wat betreft de door verweerder aangevoerde fraude, in haar conclusie in wezen te beperken tot de problematiek van de `valse facturen', niettegenstaande het felt dat het voor haar duidelijk moet zijn dat verweerder — en dit niet enkel voor de boete -aan haar verwijt met bedrieglijk opzet te hebben meegewerkt aan een fraudesysteem waarbij er sprake is van fiscale simulatie.
De rechtbank gaat in het licht van de voorgaande vaststellingen eerst na of er sprake is van fiscale simulatie.
Indien er bij het toepassen van een vrijstelling inzake btw sprake zou zijn van fiscale simulatie, dan moet in beginsel niet (meer) worden onderzocht of eiseres (formeel) aanspraak kan maken op de vrijstelling voorzien in artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek.
Fiscale simulatie
in fiscale zaken is er sprake van veinzing wanneer een belastingplichtige met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden een inbreuk pleegt op de fiscale wet door de veruitwendiging van een juridische akte die niet overeenstemt met een andere geheim gehouden overeenkomst. De veinzing blijkt uit de vaststelling dat de veruitwendigde akte in werkelijkheid niet is gesteld of dat de partijen niet alle gevolgen ervan aanvaarden (vgl. Cass. AR F.21.0118.N, 16 juni 2023; Cass. AR F.19.0052.N, 25 juni 2020).
Er is geen verboden simulatie jegens de fiscus, noch derhalve fiscale fraude, wanneer partijen, teneinde een voordeliger fiscale regeling te genieten, gebruik makend van de contractsvrijheid, zonder evenwel enige wetteiijke verplichting te schenden, akten opstellen waarvan zij al de gevolgen aanvaarden, zelfs wanneer deze akten worden verricht met het uitsluitend doel de fiscale last te verlagen (vgl. Cass. AR F.19.0099.F, 22 mei 2020; Cass. AR F.13.0165.F, 4 december 2015; Cass. AR F.99.0075.F, 20 december 1999).
Het komt in beginsel aan verweerder toe te bewijzen dat er sprake is van fiscale simulatie. Hij mag dit bewijs leveren met alle nniddelen van gemeen recht, met inbegrip van vermoedens (zie artikel 59 van het Btw-wetboek).
De navordering heeft betrekking op de verschuldigde btw bij de verkoop van 15 horloges van het merk Patek Philippe door eiseres aan X... — volgens verweerder in werkelijkheid aan X… en anderen - in de periode 2015-2018.
In het proces-verbaal van taxatie is het volgende overzicht opgenomen:
X…
Op basis van de voorgelegde gegevens maakt verweerder afdoende aannemelijk dat er sprake is van fiscale simulatie bij de verkoop van de 15 horloges. In het bijzonder toont verweerder aan dat eiseres met bedrieglijk opzet een inbreuk heeft gepleegd op de fiscale wet (onder meer artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek) door wetens en willens en in functie van een voorgehouden uitvoer buiten de gemeenschap — en de hieraan gekoppelde vrijstelling van btw - facturen op to stellen voor de verkoop van de horloges op naam van X... terwijl zij wist dat deze horloges in wezen bestemd waren voor X... of X... Medhi, die hun woonplaats hebben in België, of personen uit hun entourage. Hiertoe wijst de rechtbank onder meer op de volgende elementen:
De facturen voor de verkoop van de horloges met toepassing van de vrijstelling van artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek, opgemaakt door eiseres op naam van X... ;
Het verhoor op 26 november 2018 door de gerechtelijke politie van X… , voormalige bestuurder van eiseres, waaruit onder meer naar voor komt dat het bijna altijd de kinderen zijn van X... , in het bijzonder X… en X… , die de horloges komen bekijken, het nodige doen voor de bestelling en de ophaling van de horloges, en hierbij nooit btw wordt betaald in het vooruitzicht van de (aangevoerde) uitvoer (zie de bladzijden 5-6 van het proces-verbaal van taxatie);
De certificaten van oorsprong voor de horloges, opgemaakt door eiseres, waarbij op verschillende certificaten X… wordt aangeduid als zijnde de eigenaar van de horloges met aanduiding van de datum van de verkoop (zie de bladzijden 6-9 van het proces-verbaal van taxatie, evenals de bijiagen bij het proces-verbaal), en waarbij 10 van de betrokken certificaten van oorsprong worden aangetroffen in bankkluizen op naam van X… en X… (zie bladzijde 31 van het proces-verbaal van taxatie);
- De (boekhoudkundige) vaststellingen van de gerechtelijke politie dat voor geen enkel horloge een betaling is uitgevoerd aan eiseres door X... en dat de betalingen hoofdzakelijk gebeurden door derden die actief zijn in de voetbalwereld of in sommige gevallen door zijn kinderen (totaal bedrag van 592.150,00 euro) (zie onder meer de bladzijden 36 en volgende van het proces-verbaal van taxatie), waarbij verweerder naar aanleiding van het antwoord op de vraag om inlichtingen —dot niet wordt voorgelegd door de partijen — vaststeit dat de door eiseres voorgelegde betalingsbewijzen overeenstemmen met de vaststellingen van de gerechtelijke politie (zie bladzijde 45 van het proces-verbaal van taxatie);
- 7 van de betrokken horloges worden door de gerechtelijke politie aangetroffen in bankkluizen op naam van X… en X… (zie bladzijde 31 van het proces-verbaal van taxatie).
Het is in het licht van deze elementen afdoende duidelijk dat de juridische handelingen (koop met navolgende levering en uitvoer) in werkelijkheid niet zijn gesteld tussen eiseres en X... en dat zij de gevolgen van deze handelingen niet hebben aanvaard (cf. certificaten van oorsprong, betalingen, vindplaats horloges, enz...). Het blijkt dat de verkoopovereenkomsten tussen eiseres en X... , de hieraan gekoppelde facturen en de documenten van uitvoer aan geen enkele realiteit beantwoorden. De koop is in werkelijkheid immers afgesloten tussen eiseres en X… en anderen, ingezetenen in België De schijnbare rechtshandelingen zijn enkel gesteld zodat eiseres geen btw moet aanrekenen en de consorten X... op de verkoopprijs van de horloges geen btw moeten betalen, met name door met bedrieglijk opzet toepassing te maken van artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek.
In het licht van de voormelde vaststellingen is het feit dat sommige horloges effectief buiten de gemeenschap zijn gebracht na de aankoop ervan, en hiervoor bepaalde documenten worden voorgelegd, niet relevant, ook niet om van een uitvoer te spreken, aangezien afdoende blijkt dat de uitvoer deel uitmaakt van de fiscale simulatie en de horloges onmiddellijk terug naar België zijn gekomen, en met name naar hun werkelijke eigenaars, in hoofdzaak X… en X… .
De argumentatie van eiseres dat X… of een andere EU-inwoner in bepaalde gevalien ook zou kunnen genieten van een vrijstelling bij uitvoer — waarbij eiseres onder meer verwijst naar de artikelen 39, §1, 1° en 39, §1, 2° van het Btw-wetboek (zie de bladzijden 9-10 en 12-14 van de conclusie van eiseres) — en er bijgevolg geen sprake zou zijn van een bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres kan niet worden gevolgd.
Vooreerst doet deze argumentatie geen afbreuk aan het felt dat eiseres met bedrieglijk opzet een inbreuk heeft gepleegd op de fiscale wet — onder meer op artikel 39, §1, 4° van het Btw-wetboek - door het afsluiten van koopovereenkomsten (horloges) met X... terwijl deze overeenkomsten niet overeenstemmen met andere geheim gehouden overeenkomsten, met name de verkoop van de horloges aan Belgische ingezetenen, waaronder X… , en de eiseres niet alle gevolgen heeft aanvaard van de overeenkomsten die zij naar de buitenwereld toe heeft afgesioten met X... (zie hierboven).
Ten tweede blijkt ook niet dat de geheim gehouden overeenkomst in het kader van de veinzing - met name het feit dat de verkooptransacties in werkelijkheid hebben plaatsgevonden tussen eiseres en (in hoofdzaak) X... en X... — en dus niet X... - aanleiding zou (moeten) geven tot een vrijstelling van de btw. X... en X... zijn op het ogenblik van de feiten woonachtig in België en kopen horloges aan bij eiseres, een verkoper die ook gevestigd is in België. Er kan in die omstandigheden niet worden ingezien op welke wijze deze personen beroep zouden kunnen doen op de vrijstellingen voorzien in de artikelen 39, §1, 1° en 39, §1, 2° van het Btw-wetboek.
Eiseres verlangt voorts, rekening houdend met de vastgestelde fiscale simulatie, tevergeefs van verweerder dat deze aantoont dat geen belasting is geheven naar aanleiding van de zogenaamde invoer van de horloges aangezien het terug naar België brengen van de horloges een geheel vormt met de gesimuleerde uitvoer ter verkrijging van de vrijstelling van btw.
Overigens kan van verweerder, die stelt dat zij geen weet heeft van enige belasting op de horloges wanneer deze naar België zijn gebracht, niet worden verwacht dat zij een negatief bewijs levert, met name dat geen belasting is geheven.
Om de voormelde redenen stelt eiseres ook ten onrechte dat verweerder de 'invoer' moet belasten 'in hoofde van familie X …. Eiseres verwijst in dat verband tevergeefs naar rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot belastingplichtigen die in beginsel niet kunnen worden aangesproken voor het frauduleus handelen van derden waarop zij geen enkele invloed hebben. Onder meer rekening houdend met de vermeldingen op de (door haar opgestelde) facturen, de modus operandi bij de aankoop van de horloges, de vermeldingen op de door haar opgestelde certificaten van oorsprong en de wijze van betaling van de horloges staat het immers afdoende vast dat eiseres perfect op de hoogte was van het frauduleus systeem om een vrijstelling van de btw te bekomen, en zij meewerkte aan dit systeem en dus ipso facto ook een, niet onaanzienlijke, invloed had op het frauduleus handelen van de zogenaamde derden (X…).
Het felt dat verschillende van de voormelde elementen gebaseerd zijn op gegevens afkomstig uit een (lopend) gerechtelijk onderzoek maakt, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, niet dat verweerder de btw-schuld niet kan invorderen en/of, zoals eiseres lijkt te impliceren, dat zou moeten worden gewacht op het einde van het gerechtelijk onderzoek of een definitieve strafrechtelijke uitspraak.
In dat verband merkt de rechtbank op dat de regel bepaald in artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering weliswaar de openbare orde raakt, doch dat de vordering waarbij een belastingplichtige opkomt tegen een fiscale navordering inzake btw geen burgerlijke vordering is in de zin van de voormelde wetsbepaling. De fiscale rechter is niet verplicht om de behandeling van de vordering te schorsen maar mag dit wel doen indien hij dit aangewezen acht (vgl. Cass. AR F.23.0029.N, 21 maart 2025; Cass. AR F.06.0111.N, 12 december 2008).
Op de vraag van de rechtbank ter zitting over een eventuele schorsing van de (fiscale) vordering in afwachting van een definitieve uitspraak over de strafvordering, stellen de raadslieden van eiseres dat hierover is nagedacht doch dat zij een dergelijke schorsing niet vragen aangezien eiseres geen betrokken partij is in het strafrechtelijk onderzoek. Het is in die omstandigheden dan ook enigszins bevreemdend dat eiseres verwijt aan verweerder reeds te zijn overgegaan tot de navordering van btw met bijhorende boete doch anderzijds de uitkomst van de strafprocedure niet wenst af te wachten omdat zij geen 'betrokken partij' zou zijn.
De rechtbank is in elk geval van oordeel dat het in de voorliggende omstandigheden niet nodig is de uitkomst van de strafvordering af te wachten om uitspraak te doen over onderhavig fiscaal geschil.
Het is wel zo dat in een fiscale procedure die aanleiding geeft of kan geven tot een administratieve geldboete of een belastingverhoging met het karakter van een straf als bedoeld door artikel 6.1 EVRM, zoals hier het geval is, het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging in beginsel vereisen dat de belastingplichtige toegang heeft tot alle gegevens behorend tot het fiscale dossier van de administratie, met inbegrip van de stukken die de administratie heeft verkregen door inzage van een strafdossier na machtiging van de bevoegde gerechtelijke overheid. Indien de belastingplichtige van oordeel is dat de toegang tot bepaalde stukken of gedeelten van die stukken noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten en hij die aanvoering ook enigszins aannemelijk maakt, staat het aan de rechter in de fiscale procedure om daarover te oordelen, zo nodig de overlegging van die stukken of gedeelten van die stukken te bevelen, en desnoods een miskenning van de rechten van de belastingplichtige te sanctioneren (vgl. Cass. AR F.22.0031.N, 30 mei 2024; Cass. AR C.17.0561.N, 25 september 2020).
Eiseres viseert met betrekking tot de door verweerder aangewende stukken van het strafdossier in het bijzonder een 'drietal transcripties van telefoongesprekken'. Zij stelt dat verweerder zich op deze transcripties stoelt hoewel het onwaarschijnlijk is dat deze in het Nederlands zijn gevoerd, er veelvuldig sprake is van storing of onverstaanbare gedeelten en het steeds gaat over 'Langere gesprekken' waarbij het onmogelijk is de context van deze gesprekken, laat staan de volledige gesprekken te analyseren. Eiseres stelt dat zij niet beschikt over de originele opnames van de telefoongesprekken en lijkt te impliceren, hoewel dit niet uitdrukkelijk wordt gevorderd, dat deze moeten worden voorgelegd door verweerder.
De rechtbank stelt op dat punt vast dat:
- uit het proces-verbaal van taxatie duidelijk blijkt op welke stukken de vaststellingen en de navordering van btw gesteund is,
eiseres afdoende op de hoogte is van de onderliggende gegevens en de materiele vaststellingen (opmaak facturen op naam van X... , modus operandi bij de bestelling en afhaling, gerechtelijke vondst horloges en certificaten in België, betalingen door derden, soms in cash,...) in wezen ook niet betwist, behalve dan de inhoud van de geregistreerde telefoongesprekken, hiervoor is vastgesteld dat er sprake is van fiscale simulatie, zelfs zonder rekening te houden met de door eiseres geviseerde telefoongesprekken.
Voor zover als nodig, louter ten overvloede, stelt de rechtbank vast dat de voorlegging van de volledige transcripties van de drie telefoongesprekken niet noodzakelijk is ter vrijwaring van de rechten van eiseres. De in het proces-verbaal opgenomen uittreksels zijn voldoende duidelijk, ook wat betreft de context waarin de gesprekken zijn gevoerd. Het loutere feit dat bepaalde delen van de gesprekken niet zijn weergegeven wegens een storing of omdat zij onverstaanbaar waren of dat zij in de Nederlandse taal zijn gesteld, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor eiseres om haar rechten te laten gelden met betrekking tot de inhoud ervan. Het valt in dat verband overigens op dat eiseres zich beperkt tot een abstracte argumentatie en niet ingaat op de vraag wat dan wel door haar (bestuurder) zou zijn gezegd tijdens deze gesprekken en in welke context dit dan wel moet worden begrepen, of waarom een lacune of een storing het gesprek in een andere richting zou kunnen duwen.
Bijgevolg stelt de rechtbank in het licht van de voormelde elementen vast dat verweerder afdoende aannemelijk maakt dat er sprake is van fiscale simulatie en zij ten aanzien van eiseres de ontdoken btw kan navorderen.
Geldboete (200 %)
In het kader van de opgelegde geldboete van 200 % voert eiseres samengevat het volgende aan:
- Zij heeft geen belang bij de beweerde fraude aangezien zij niet meer winst heeft
geboekt op de horloges;
Er is niet bewezen dat er sprake is van opzet om de belastingen te ontduiken, en in elk geval is dit niet afdoende gemotiveerd in het proces-verbaal van taxatie;
- Er is sprake van een 'principieel-juridische betwisting' zodat geen boete kan worden opgelegd;
- De geldboete is niet proportioneel aan de 'vermeende overtreding', en de rechtbank heeft voile rechtsmacht om de opgelegde boete te toetsen aan onder meer het evenredigheidsbeginsel;
De opgelegde geldboete moet minstens met uitstel worden uitgesproken of ontheven indien de rechtbank van oordeel is dat aan de voorwaarden voor een uitstel is voldaan.
Verweerder heeft een proportionele geldboete opgelegd van 200 % conform artikel 70 van het Btw-wetboek, in het bijzonder rekening houdend met het feit dat eiseres wetens en willens valse facturen heeft opgesteld met het oogmerk de ontduiking van belasting mogelijk te maken.
In tegenstelling tot wat eiseres beweert, is er bij haar wet degelijk sprake van een oogmerk om de ontduiking van belasting mogelijk te maken (zie de bespreking hiervoor van de fiscale simulatie) en, voor zover dit al van belang zou zijn, blijkt wet degelijk dat zij belang heeft bij het fraudesysteem dat zij samen met de consorten X… heeft opgezet, met name het verkopen van horloges zonder btw, wat voordelig is voor de koper (geen btw betalen) en de verkoper (onder meer de mogelijkheid tot het aanrekenen van een verkoopprijs voor de horloges die lager ligt dan normaal aangezien er geen btw moet worden aangerekend).
Het oogmerk om de ontduiking van belasting mogelijk te maken is, ook in het kader van de opgelegde geldboete, uitvoerig en op afdoende wijze gemotiveerd in het proces-verbaal van taxatie (zie in het bijzonder de bladzijden 65-66).
Het betreft geen louter principiële discussie doch een geschil over concrete feiten waarbij is vastgesteld dat er sprake is van fiscale simulatie.
Voorts stelt de rechtbank samen met verweerder vast dat een vermindering conform artikel 84 van het Btw-wetboek en artikel 1, tweede lid van het Koninklijk besluit 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde in die omstandigheden (oogmerk de ontduiking van belasting mogelijk te maken) niet mogelijk is.
Rekening houdend met de fiscale simulatie en het gebruik van valse facturen kan de rechtbank buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding met toepassing van artikel 9 Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, de boete met toepassing van artikel 6.1 EVRM niet verminderen tot beneden het wettelijk tarief van 200 % van de verschuldigde belasting (vgl. Cass. AR F.22.0162.N, F.22.0166.N, 25 april 2025, uitspraak van het Hof van Cassatie in voltallige zitting). Aangezien niet blijkt dat eiseres een verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend als bedoeld in artikel 9 van het voormelde Regentbesluit, kan de rechtbank de geldboete niet verminderen beneden het wettelijke tarief van 200 %.
Voor zover als nodig stelt de rechtbank vast dat de geldboete van 200 %, rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten zoals hiervoor vastgesteld, in elk geval niet kennelijk onredelijk is.
Er is rekening houdend met deze vaststellingen geen reden voorhanden om de boete te verminderen of kwijt te schelden, en evenmin om enig uitstel van de opgelegde boete te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.
V. KOSTEN
Eiseres is in het ongelijk gesteld en wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, zoals hierna bepaald. Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat zodat hij geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding.
Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt II Circ. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
Beschikkend gedeelte
VI. BESLISSING
De rechtbank,
Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
In eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder vastgesteld op 0,00 euro.
Deze beslissing is uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 7de kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 11 juni 2025, waar aanwezig waren en zitting namen:
X…
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.