Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 20.12.2022
WF 714-15-19/045996
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – bewijs – vermoedens – boete - evenredigheid
Wettelijke bepalingen
Samenvatting
1. Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige is actief als eenmanszaak voor de detailhandel in uurwerken en sieraden alsook handelsbemiddeling in meubelen, huishoudelijke artikelen en ijzerwaren. Tijdens een controle voor de jaren 2016 en 2017 werden inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling betreffende privékosten alsook een verdoken meeromzet. Deze inbreuken worden betwist.
In een vonnis van 31 mei 2021 (niet gepubliceerd) verklaarde de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge de vordering toelaatbaar doch ongegrond. Tegen dit vonnis ging belastingplichtige in beroep.
2. Het arrest van het hof van beroep
a. Betreffende de meeromzet
De administratie heeft de taxatie van de cashstortingen als (verdoken) meeromzet gebaseerd op een vermoeden. Overeenkomstig artikel 8.1, 9° BW is een feitelijk vermoeden een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten. Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit kunnen volgen (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, op monkey.be).
Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op juportal.be)
Uit het vaststaande feit dat de appellant de ING-rekening met nummer BE XXX heeft opgegeven als beroepsmatig gebruikte rekening kan de administratie rechtsgeldig afleiden dat deze ING-rekening beroepsmatig wordt gebruikt. Op basis van het vaststaande feit dat de beroepsmatige activiteiten van de appellant onder meer bestaan uit contante verkopen aan particulieren en op basis van het (middels voormeld vermoeden aangenomen) vaststaande feit dat de bankrekening wordt gebruikt voor de beroepsmatige activiteiten van de appellant, kan de administratie rechtsgeldig afleiden dat de regelmatige cashstortingen op deze rekening inkomsten zijn die belasthaar zijn inzake btw. De administratie hoeft daarvoor de voorraad niet te controleren en hoeft evenmin de bestemming van de gelden verkregen van mevrouw V. na te gaan.
De door de administratie aangewende vermoedens zijn voldoende ernstig, nauwkeurig en met elkaar overeenstemmend. De administratie heeft op correcte wijze toepassing gemaakt van de bewijstechniek door vermoedens. Het opleggen van een proportionele geldboete van 20% in plaats van 50% impliceert niet dat de administratie twijfelt aan het door haar aangebrachte bewijs van de middels vermoedens vastgestelde verschuldigde btw.
De administratie heeft haar taxatie gesteund op een vermoeden. In het kader van deze procedure is het de appellant toegelaten om de bewijswaarde van dit vermoeden te ontkrachten dan wel om het tegenbewijs te leveren. Het hof besluit dat de appellant er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren en om hetgeen door de administratie werd bewezen met toepassing van artikel 59 whtw, te weerleggen.
b. Betreffende de boete
De administratie stelt ten onrechte dat een herleiding of kwijtschelding van de opgelegde geldboete niet kan worden verleend bij gebrek aan verzoek op basis van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. Immers, uit artikel 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van ’s lands middelen volgt niet dat, bij ontstentenis van een bij de minister ingediend verzoek tot kwijtschelding, de rechter de bevoegdheden van de minister kan uitoefenen door louter naar opportuniteit te oordelen over de omvang of de kwijtschelding van de boete. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat, wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend bij de minister of zijn gemachtigde op grond van voormeld artikel 9 Regentsbesluit, de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete mag toetsen (zie ook Cass. 23 september 2022, AR F.20.0112.N, op juportal.be).
In de gegeven omstandigheden is de opgelegde belastingverhoging in evenredigheid met de door de appellant begane inbreuken, en kon die belastingverhoging in redelijkheid door de administratie worden opgelegd.
Opmerking
Inzake inkomstenbelastingen werd op dezelfde datum eveneens een gunstig arrest geveld met rolnummer 2021/AR/1862, zie workflownummer 714-01-19/045994
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Gent, vijfde kamer
Vonnis van 20.12.2022
Rol: 2021/AR/1861
P. K., ON 064...73, RRN ...,
wonende te …,
appellant,
hebbende als raadsman mr. A. A.-S., advocaat te … en mr. L. S., advocaat te …
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Ontvanger Team invordering Natuurlijke Personen Kortrijk, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, en de Adviseur-Generaal, Centrumdirecteur KMO Kortrijk, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. B. T., advocaat te … en mr. D. C., advocaat te …
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift neergelegd op 28 oktober 2021 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 31 mei 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/1130/A.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 15 november 2022, waarop de zaak werd behandeld. Daarna nam het hof de zaak in beraad.
Het bestreden vonnis werd op verzoek van de geïntimeerde betekend op 30 september 2021.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
Volgend op het faillissement van de vennootschap nv C. P. uitgesproken bij vonnis van 20 november 2015 van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, waarvan de appellant bestuurder was, was de appellant vanaf 14 oktober 2015 actief onder de vorm van een eenmanszaak onder het btw-nummer BE064...73 met als activiteiten detailhandel in uurwerken en sieraden alsook handelsbemiddeling in meubelen, huishoudelijke artikelen en ijzerwaren. De appellant was voor deze activiteit ook ingeschreven als btw-belastingplichtige onder voornoemd nummer.
Volgend op een controle bij de fiscaal raadgever van de appellant stuurde de administratie hem op 3 juni 2019 een correctieopgave op voor de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017. Er werden inbreuken op de aftrekregeling betreffende privé-kosten vastgesteld alsook een verdoken meeromzet. Voor de beide boekjaren 2016 en 2017 zouden op een tweede beroepsmatig gebruikte rekening … BE... regelmatig stortingen van cashgelden zijn gebeurd die niet zouden zijn opgenomen in het kasdagboek (en in de btw-aangifte). Voor boekjaar 2016 zou het gaan om een bedrag van 8.150,00 euro en voor boekjaar 2017 zou het gaan om een bedrag van 22.950,00 euro. Deze bedragen werden als belastbaar inzake btw beschouwd en de hierop verschuldigde btw bedroeg volgens de administratie 5.690,81 euro. Een proportionele geldboete van 20% werd aangekondigd. Een proces-verbaal werd opgesteld op 23 juli 2019 en ter kennis gebracht aan de appellant bij brief van 24 juli 2019.
De appellante diende hiertegen willig bezwaar in bij brief van zijn raadsman van 4 september 2019. Hij stelde dat hij ingevolge het faillissement van zijn vennootschap en de opstart van zijn nieuwe eenmanszaak nood had aan heel wat financiële middelen en dat zijn moeder, mevrouw A. V., hem bij wijze van handgift deze bedragen ter beschikking stelde. Zij zou deze bedragen cash hebben afgehaald van haar rekening bij …, waarna de appellant deze in cash stortte op zijn rekening bij …. Dit bezwaar werd afgewezen bij beslissing van 5 februari 2020.
Met een verzoekschrift neergelegd op 7 mei 2020 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. In het vonnis van 31 mei 2021 heeft de tiende kamer van deze rechtbank de vordering van de appellant toelaatbaar doch ongegrond verklaard.
Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellant
De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:
het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren en omwille van de middelen, zoals hier boven aangehaald, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende,
te zeggen voor recht dat het proces-verbaal d.d. 24 juli 2019, het invorderingsorder met artikelnummer ... en de administratieve beslissing d.d. 5 februari 2020 met kenmerk ...AD nietig, minstens onwettelijk of ongegrond zijn en bijgevolg geen enkel gevolg mogen hebben, en dat de sommen aan BTW-vordering, de vordering van de boete en de interesten die er in opgenomen zijn niet verschuldigd zijn door appellant; appellant vraagt de terugbetaling te bevelen van alle eventueel in uitvoering van bovenstaand invorderingsorder betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de intresten vanaf datum van betaling of inhouding;
minstens, in ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat de boeten en de interesten, niet verschuldigd zijn door eiseres;
gedaagde te veroordelen tot de kosten van het geding, zoals de bijdrage aan het pro deo fonds en met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2007}, basisbedrag 1.260,00 EUR voor de procedure in eerste aanleg en 1.260,00 EUR voor de procedure in hoger beroep.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
- de vorderingen van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer de dato 31/05/2021 (ra/nummer 20/1130/A) te bevestigen;
- Dienvolgens te horen zeggen voor recht dat:
• de berekende belastingschuld niet onwettig is opgenomen in het inning- en invorderingsregister zoals beoogd door artikel 85, §1 wbtw; het invorderingsbericht is niet nietig;
• het bewijs van de verschuldigde btw is geleverd op basis van een vermoeden zoals wettelijk bepaald in artikel 59, §1 wbtw; afdoende tegenbewijs vanwege appellant is niet geleverd;
• er geen kwijtschelding of vermindering van de opgelegde geldboete mogelijk is aangezien een verzoek daartoe niet eerder aan de minister van Financiën is gericht op grond van het Regentsbesluit; rechtvaardige gronden om af te wijken van de wettelijke -doch verminderde- proportionele geldboete zijn ook niet opgeworpen, noch aanwezig.
- appellant te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van geïntimeerde begroot op het basisbedrag van 1.170 euro.
- Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.
4. De betwistingen en hun beoordeling
4.1. De administratie heeft de taxatie van de cashstortingen als (verdoken) meeromzet gebaseerd op een vermoeden. Het is de administratie toegelaten om zowel de opeisbaarheid van de btw of van een geldboete te bewijzen aan de hand van vermoedens (artikel 59 wbtw). Wanneer op correcte wijze een beroep wordt gedaan op een vermoeden als bewijstechniek, is de aanslag niet willekeurig en wordt artikel 170 GW (het grondwettelijk legaliteitsbeginsel) niet geschonden.
Overeenkomstig artikel 8.1, 9° BW is een feitelijk vermoeden een bewijsmiddel waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid. Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit kunnen volgen (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, op juportal.be).
Voor de vermoedens als bewijstechniek is het essentieel dat het bekende feit of de bekende feiten waaruit de redenering vertrekt, bekend zijn, dat wil zeggen, dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of nopens de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (zie ook Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op juportal.be).
4.2. Uit het vaststaande feit dat de appellant de …-rekening met nummer BE ... heeft opgegeven als beroepsmatig gebruikte rekening bij zijn inschrijving bij het ondernemingsloket in oktober 2015 en uit het feit dat deze vermelding niet werd gewijzigd, kan de administratie rechtsgeldig afleiden dat deze …-rekening beroepsmatig wordt gebruikt. Het beroepsmatig karakter van deze rekening wordt bevestigd door het feit dat de appellant deze rekening gebruikte voor diverse beroepsuitgaven. De bewering van de appellant dat deze rekening ook voor privé-doeleinden werd gebruikt, doet op zich niets af aan het door de administratie geleverde bewijs dat deze rekening beroepsmatig wordt gebruikt.
De bankuittreksels van voormelde rekening vermelden voor de beide inkomstenjaren verschillende cashstortingen, die niet in het kasdagboek werden opgenomen. Op basis van het vaststaande feit dat de beroepsmatige activiteiten van de appellant onder meer bestaan uit contante verkopen aan particulieren en op basis van het (middels voormeld vermoeden aangenomen) vaststaande feit dat de bankrekening wordt gebruikt voor de beroepsmatige activiteiten van de appellant, kan de administratie rechtsgeldig afleiden dat de regelmatige cashstortingen op deze rekening inkomsten zijn die belastbaar zijn inzake btw, net zoals de overige cashstortingen op de andere beroepsmatig gebruikte …-rekening die de appellant zelf aangaf in zijn btw-aangifte.
Op basis van het feit dat de cashstortingen niet waren opgenomen in het kasdagboek en aldus niet waren opgenomen in de btw-aangifte van de appellant, heeft de administratie afdoende aangetoond dat op voormelde cashstortingen nog btw was verschuldigd (aan een tarief van 21%). De administratie hoeft daarvoor de voorraad niet te controleren en hoeft evenmin de bestemming van de gelden verkregen van mevrouw V. na te gaan.
De door de administratie aangewende vermoedens zijn voldoende ernstig, nauwkeurig en met elkaar overeenstemmend. De administratie heeft op correcte wijze toepassing gemaakt van de bewijstechniek door vermoedens. Het opleggen van een proportionele geldboete van 20% in plaats van 50% impliceert niet dat de administratie twijfelt aan het door haar aangebrachte bewijs van de middels vermoedens vastgestelde verschuldigde btw.
4.3. De administratie heeft haar taxatie gesteund op een vermoeden. In het kader van deze procedure is het de. appellant toegelaten om de bewijswaarde van dit vermoeden te ontkrachten dan wel om het tegenbewijs te leveren.
Zo is het de appellant toegelaten om het bewijs te leveren dat de cashstortingen op de rekening afkomstig zijn van handelingen die niet btw-plichtig zijn. Dit bewijs wordt evenwel niet geleverd door de enkele vaststelling dat de … rekening een gemengd karakter zou hebben of dat de cash ontvangsten die wel werden ingeschreven in het kasdagboek niet op deze rekening werden gestort.
De appellant stelt dat de cashstortingen gelden betreffen die hij contant bij wijze van handgift zou hebben gekregen van zijn moeder, mevrouw A. V.. Deze bedragen zouden door mevrouw V. zijn afgehaald in contanten van haar … rekening, daarna aan de appellant contant ter beschikking gesteld zijn en vervolgens door de appellant op zijn …-rekening zijn gestort. De appellant stelt dat deze handgiften kaderen in een periode dat hij financieel zeer beperkt was volgend op het faillissement van zijn vennootschap en de opstart van zijn eenmanszaak. Het vereiste tegenbewijs kan alvast niet geleverd worden door te stellen dat handgiften aan geen enkele formaliteit zijn onderworpen en dat handgiften perfect rechtsgeldig zijn zonder geschrift. Het is aan de appellant om te bewijzen hetgeen hij beweert. Loutere beweringen zijn niet voldoende.
Uit de door de appellant neergelegde stukken (vergelijking tussen stukken 4 en 5, bundel appellant) blijkt evenwel dat de afhalingen van de rekening van mevrouw V. en de stortingen op de rekening van de appellant geenszins met elkaar overeenstemmen qua bedrag en qua datum. De reconciliatie die de appellant zelf maakt in conclusie toont het gebrek aan overeenstemming overigens duidelijk aan. Zo zou de storting van 750,00 euro op 4 februari 2016 voortkomen uit twee afhalingen van 300,00 euro resp. 500,00 euro die mevrouw V. zou hebben verricht op 14 januari en op 21 januari 2016. Noch het bedrag noch de data komen overeen. Hieruit kan niet afgeleid worden dat de afgehaalde bedragen handgiften zijn van mevrouw V. aan de appellant die deze dan op zijn rekening zou hebben gestort. Het is overigens ongeloofwaardig dat dit zo zou zijn. Uit de reconciliatie die de appellant zelf heeft gemaakt, blijkt dat hij de stortingen van telkens 750,00 euro op 3 maart 2016 en op 12 maart 2016 linkt aan afhalingen van 500,00 euro, 500,00 euro, 200,00 euro en 1.000,00 euro die zouden zijn gebeurd tussen 16 februari en 1 maart 2016. Indien deze bedragen werkelijk handgiften betroffen, is het niet duidelijk waarom deze bedragen op twee verschillende tijdstippen, nl. op 3 en 12 maart 2016, moesten worden gestort, daar waar de laatste afhaling reeds op 1 maart 2016 was gebeurd. Deze inconsistenties, minstens het gebrek aan bewijs van hetgeen de appellant beweert, vallen op voor de ganse periode 2016-2017. Zoals de administratie terecht aangeeft, werd deze reconciliatie zelfs tijdens de gerechtelijke procedure gewijzigd teneinde bepaalde door de administratie opgemerkte inconsistenties eruit te halen. De reconciliatie die de appellant bijbrengt, overtuigt niet en is niet coherent. De linken lijken eerder op willekeurige wijze gemaakt te zijn teneinde de afhalingen te 'doen' matchen met de stortingen. De appellant bewijst niet hetgeen hij beweert.
De administratie wijst er in dat verband terecht op dat, indien de bedragen zouden zijn overgeschreven door mevrouw V. aan de appellant, het voor de appellant makkelijk zou zijn geweest om te bewijzen hetgeen hij beweert. Zo heeft mevrouw V. wel op drie tijdstippen in 2016 en 2017 bedragen overgeschreven naar voormelde rekening van de appellant, waarvan de administratie aanvaard heeft dat het niet om bedragen gaat die onderworpen zijn aan btw. Ook om die reden is het weinig geloofwaardig dat de cashstortingen afkomstig waren van handgiften gedaan door mevrouw V.. Het is onsamenhangend dat de ene gift wordt verricht via overschrijving en de andere via diverse afhalingen van relatief kleine bedragen die dan middels handgiften geschonken zouden zijn aan de appellant die bepaalde bedragen dan opnieuw stortte op zijn rekening, dit bij dezelfde bank. Waar de appellant zich de vraag stelt waarvoor mevrouw V. dergelijke grote bedragen zou afhalen dan om die cash te schenken, wijst het hof er op dat uit het regelmatig afhalen van dergelijke diverse sommen geld door een oudere dame geen vermoeden kan worden afgeleid dat zij deze sommen wou schenken. Het is aan de appellant om hiervan het bewijs te leveren.
De gestorte bedragen in conclusies komen evenmin overeen met de bedragen waarvan beweerd wordt dat deze werden geschonken aan de appellant, zoals die voorkomen op stuk 3 (bundel appellant). De administratie wijst er in eerste instantie terecht op dat op de handgeschreven verklaringen de handtekening van mevrouw V. ontbreekt. De handtekening van mevrouw V., zoals die voorkomt op stuk 25 {bundel administratie), is merkelijk verschillend van deze vermeld op de tweede reeks handgeschreven verklaringen (de A4-cursusbladeren). Op de eerste reeks handgeschreven verklaringen {de A5-Atomabladeren) komt geen enkele handtekening van mevrouw V. voor. Zelfs al mocht de handtekening van mevrouw V. voorkomen op de tweede reeks handgeschreven verklaringen (de A4-cursusbladeren), wijst de administratie er ook terecht op dat het totaal van de bedragen vermeld op deze verklaringen niet overeenstemt met het totaal van de gedane stortingen, alsook dat de beweerdelijk geschonken bedragen niet overeenstemmen met de gegevens vermeld op de reconciliatie in conclusie gedaan door de appellant. Kortom, ook de door de appellant neergelegde verklaringen onder stuk 3 (bundel appellant) zijn dermate onsamenhangend dat deze, zelfs indien ze samen worden gelezen met de stukken onder 4 en 5 (bundel appellant), niet bewijzen hetgeen de appellant beweert.
Het hof besluit dat de appellant er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren en om hetgeen door de administratie werd bewezen met toepassing van artikel 59 wbtw, te weerleggen.
4.4. De cashstortingen werden terecht toegevoegd aan de aan btw onderworpen omzet in hoofde van de appellant voor de betrokken jaren 2016 en 2017. De btw hierop werd correct berekend en is verschuldigd. Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.
4.5. In hoofde van de appellant werd een proportionele geldboete opgelegd van 20%.
De administratie stelt ten onrechte dat een herleiding of kwijtschelding van de opgelegde geldboete niet kan worden verleend bij gebrek aan verzoek op basis van het Regentsbesluit van 18 maart 1831. Immers, uit artikel 9 van het organiek Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen volgt niet dat, bij ontstentenis van een bij de minister ingediend verzoek tot kwijtschelding, de rechter de bevoegdheden van de minister kan uitoefenen door louter naar opportuniteit te oordelen over de omvang of de kwijtschelding van de boete. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat, wanneer de belastingplichtige geen verzoek tot kwijtschelding heeft ingediend bij de minister of zijn gemachtigde op grond van voormeld artikel 9 Regentsbesluit, de rechter de evenredigheid van de opgelegde geldboete mag toetsen (zie ook Cass. 23 september 2022, AR F.20.0112.N, op juportal.be).
Zo moet de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag de rechter in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Ook wanneer de rechter vaststelt dat het bestuur niet over enige beoordelingsvrijheid beschikt, doordat het verplicht was de wettelijk voorziene administratieve geldboete op te leggen, mag de rechter de evenredigheid van de wettelijk voorziene administratieve geldboete toetsen. De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar hierbij desgevallend als beoordelingsfactor in rekening nemen de mate waarin het bestuur zelf gebonden was. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
Op zich betwist de administratie niet dat de kwestieuze geldboete strafrechtelijk van aard is in de zin van artikel 6.1 EVRM. De geldboetes wegens overtreding van het Wetboek btw sanctioneren immers een norm die gericht is tot eenieder die verplicht is de btw-wetgeving te volgen. Uit de aard en de wijze van bepaling van de omvang van de boete blijkt dat deze geen vergoedende functie heeft, maar in wezen ertoe strekt te straffen en herhaling van inbreuken te voorkomen.
De proportionele geldboete werd opgelegd op grond van artikel 70, §1 WBTW dat een geldboete van het dubbel van de belasting oplegt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen. Krachtens artikel 84 WBTW werd het bedrag van de proportionele fiscale geldboete binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, bepaalt de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, met verwijzing naar de als bijlage aan het besluit gevoegd tabellen A tot J. In uitvoering van dit KB nr. 41 (rubriek G, V) werd de boete bepaald op 20% van de verschuldigde BTW, afgerond tot 1.140,00 euro.
In de gegeven omstandigheden is de opgelegde belastingverhoging in evenredigheid met de door de appellant begane inbreuken, en kon die belastingverhoging in redelijkheid door de administratie worden opgelegd. Op zicht van de omvang van de effectief opgelegde belastingverhoging van 20% van de verschuldigde belasting, kan ook niet aangenomen worden dat deze niet evenredig met de inbreuk zou zijn. Een belangrijk bedrag aan belastbare omzet werd niet aangegeven. Dat in de inkomstenbelastingen slechts een belastingverhoging van 10% werd opgelegd, is geen reden om inzake btw de belastingverhoging eveneens te herleiden tot 10%. Rubriek G, V differentieert zelf reeds tussen een geldboete van 10% en 20%, en de btw betreft een belasting die de belastingplichtige int van de consument en moet doorstorten aan de Belgische Staat. Ook om die reden is het geenszins onevenredig om voor de door de appellant begane inbreuk een proportionele geldboete van 20% op te leggen. Met de goede trouw van de appellant werd reeds rekening gehouden door de geldboete te verminderen van 200% naar 20%.
Het hoger beroep is ook op dit punt ongegrond.
4.6. In het beschikkend gedeelte vordert de appellant tevens om te oordelen dat de interesten niet verschuldigd zijn, doch motiveert zijn verzoek daartoe niet. Bij gebrek aan afdoende argumenten op basis waarvan hiertoe zou kunnen worden besloten, gaat het hof er niet op in.
5. De gerechtskosten
De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.
Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.
De partijen gaan akkoord dat de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 5.000,01 tot 10.000,00 euro bevindt. Het basisbedrag voor deze schijf bedraagt 1.350,00 euro voor de procedure in hoger beroep, wat kan worden toegekend.
Beschikkend gedeelte
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
• het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond;
• het bestreden vonnis wordt bevestigd;
• het hof veroordeelt de appellant tot de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):
• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde:
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.350,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 20 december 2022.
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer
Vonnis van 31/05/2021
Rol: 20/1130/A
P. K. (RRN: … en KBO nr.: 064...73), wonende te …,
eisende partij,
voor wie is opgetreden meester A. A.-S. loco meester L. S., beiden advocaat te … (ref.: …),
tegen:
de BELGISCHE STAAT, F.O .D. FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van:
- de adviseur (ontvanger) van de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Inning en Invordering, Team Invordering Natuurlijke Personen KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31;
- de adviseur-generaal (centrumdirecteur) van de FOD FINANCIËN, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Administratie KMO, Centrum KMO KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31;
verwerende partij,
voor wie optreedt de heer X, attaché, (ref.:…).
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 7 mei 2020.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 26 april 2021.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE064...73, voor de activiteit van detailhandel in uurwerken en sierraden. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Na een controle bij eiseres worden door X, adviseur bij KMO centrum Kortrijk, op 23 juli 2019 de overtredingen en vaststellingen in hoofde van eiser opgenomen in een proces-verbaal inzake BTW. Volgens de administratie heeft eiser (o.a.) cashontvangsten in het kader van zijn eenmanszaak niet opgenomen bij zijn omzet. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiser verschuldigd is als BTW 5.851,80 EUR, als geldboete 1.140,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2018.
Door eiser wordt een bezwaarschrift ingediend op 4 september 2019. Bij beslissing d.d. 5 februari 2020 wordt het bezwaar afgewezen.
Door eiser wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift d.d. 7 mei 2020.
2. Eiser vraagt dat:
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het proces-verbaal d.d. 23 juli 2019, het invorderingsorder en de beslissing d.d. 5 februari 2020 nietig worden verklaard en voor recht wordt gezegd dat de sommen niet verschuldigd zijn;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de in uitvoering van het invorderingsorder betaalde of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de intresten;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.080,00 EUR en de bijdrage aan het pro deo fonds.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiser veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. bewijs meeromzet
Een mogelijk bewijsmiddel zijn vermoedens (artikel 59 §1 W.BTW).
Bekende feiten zijn dat eiser de …- bankrekening BE... heeft vermeld als beroepsmatige rekening bij de inschrijving bij het ondernemingsloket en dat deze vermelding niet is gewijzigd; dat op deze …-bankrekening gedurende de jaren 2016 en 2017 regelmatig cashstortingen zijn gebeurd; dat eiser contant verkoopt aan particulieren; dat de cashstortingen op de bankrekening niet overeenkomen met de bedragen opgenomen in het dagontvangstenboek (de cashstortingen zijn veel hoger dan de cashverkopen ogenomen in het kasboek en slechts heel sporadisch wordt geld vanuit de kas gestort op de …-rekening).
Al deze materiële vaststellingen zijn opgenomen in het proces-verbaal van 23 juli 2019. Deze vaststellingen hebben een bijzondere bewijswaarde. Deze materiële vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel (artikel 59 §1 W.BTW).
Op basis van bekende feiten is derhalve rechtsgeldig het bewijs geleverd door een vermoeden dat eiser in de jaren 2016 en 2017 meer cashgeld heeft ontvangen in het kader van zijn eenmanszaak dan werd geboekt door eiser in zijn dagontvangstenboek. Er is geen sprake van willekeur en/of opeenstapeling van vermoedens.
Volgens eiser betreffen de cashstortingen op zijn rekening giften van zijn moeder. Uit de stukken blijkt dat de moeder van eiser in de jaren 2016 en 2017 regelmatig cashgeld afhaalde van haar bankrekening. Uit een vergelijking blijkt evenwel dat de afhalingen op geen enkele wijze overeenstemmen met de cashstortingen door eiser, noch wat betreft bedragen noch wat betreft tijdstippen. Eiser heeft verschillende stukken neergelegd betreffende deze beweerde giften, maar deze stukken vermelden geen datum, werden niet ondertekend door de moeder en/of werden duidelijk niet per beweerde gift opgesteld maar in 1 keer ingevolge de fiscale controle bij eiser. In het proces-verbaal is genoteerd dat werd vastgesteld dat op 20 juli 2017 tweemaal een bedrag van 1.000 EUR werd gestort op de … rekening. Dit is een materiële vaststelling die geldt tot bewijs van het tegendeel. Eiser bewijst niet (bijvoorbeeld door neerlegging van de uittreksels van de bankrekening) dat dit niet zo zou zijn. Door eiser wordt derhalve geen afdoende tegenbewijs geleverd.
2. geldboete
Een administratieve boete van 20 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Volgens het Hof van Cassatie (Cass. 17 januari 2019, F.J.F. 2019, afl. 4, 151) zijn de hoven en rechtbanken onbevoegd om BTW-boeten te herleiden tot onder de bedragen die zijn voorgeschreven door het KB nr. 41 indien niet eerst kwijtschelding of vermindering is gevraagd aan de Minister van Financiën op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Uit niets blijkt dat eiser eerst kwijtschelding of vermindering van de geldboete heeft gevraagd op grond van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
Uit het proces-verbaal d.d. 23 juli 2019 blijkt dat tijdens de gecontroleerde periode eiser cashgelden heeft ontvangen in het kader van zijn eenmanszaak die niet werden opgenomen in zijn dagontvangstenboek of in de BTW-aangiften.
De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 20 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk. Gezien eiser niet eerst de vermindering of kwijtschelding van de geldboete heeft gevraagd bij de Minister van Financiën op grond van het Regentbesluit van 18 maart 1831, kan de rechtbank de geldboete ook niet verlagen tot onder het wettelijk tarief.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017,1° lid GerW de gerechtskosten dragen.
Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste
blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG EENENDERTIG MEI TWEEDUIZEND EENENTWINTIG waar zitting hadden:
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.