Bewijskracht van de boekhouding, Omzetberekening · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 19 maart 2024

Zoeken

Bewijskracht van de boekhouding, Omzetberekening

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskracht-boekhouding-omzetberekening-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-19-1a5d

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
19 maart 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

168 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 19.03.2024

WF 707-15-20/037630

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Bewijskracht van de boekhouding – Omzetberekening

Wettelijke bepalingen

Art. 59 WBTW

Art. 1349 en 1353 BW

Samenvatting

1) Feiten en voorgaande procedure

Er vond een controle plaats bij de belastingplichtige inzake directe belastingen en btw voor de boekjaren 2016 en 2017. De administratie stelde vast dat de boekhouding niet bewijskrachtig was en verzond een eerste correctieopgave voor de boekjaren 2016 en 2017 waarin de brutowinstmarge werd bepaald op 1,45. De belastingplichtige verklaarde zich hiermee niet akkoord.

Daarna werd er een tweede correctieopgave verzonden enkel met betrekking tot boekjaar 2016. Hierin werd opnieuw gesteld dat de boekhouding niet bewijskrachtig was en de winstmarge voor dat jaar werd bepaald op 1,38. Aangezien ook hierover geen akkoord worden bereikt werd er een proces-verbaal opgesteld.

Hiertegen diende de belastingplichtige een administratief bezwaar in. Dit bezwaar werd gedeeltelijk aanvaard. De uitbatingsvoorwaarden voor boekjaar 2015 waren niet dezelfde als deze voor boekjaar 2016 aangezien in de loop van 2015 de uitbating van de vestiging in Brussel werd opgestart. Bijgevolg kon voor de berekening van de brutowinstmarge enkel rekening worden gehouden met de boekjaren 2017 en 2018 en deze werd bepaald op 1,36. De btw-vordering werd dan ook in die zin aangepast.

Vervolgens werd de zaak aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg. De rechter verklaarde de vordering van de belastingplichtige ontvankelijk, maar ongegrond. Hiertegen werd hoger beroep ingesteld.

2) Het arrest van het hof van beroep

Met betrekking tot de bewijskracht van de boekhouding is het hof net zoals de administratie van oordeel dat de boekhouding niet bewijskrachtig is. Het controleren van de ontvangsten is niet mogelijk aangezien er geen overeenstemming is tussen de dagontvangstenbladen en het voorgelegde kasboek.

Voor wat betreft de gehanteerde winstmarges is het hof van mening dat de administratie voldoende aantoont dat de uitbatingsvoorwaarden voor boekjaar 2016 identiek zijn aan die van 2017 en 2018. De belastingplichtige had namelijk in 2017 en 2018 dezelfde zaakvoerders als in 2016. Ook het aantal vestigingen en de plaats van de vestigingen te Antwerpen en Brussel waren identiek. Bijgevolg zijn de gegevens van 2017 en 2018 voldoende representatief om te kunnen worden gebruikt voor 2016.

Tenslotte stelt het hof vast dat de opgelegde administratieve geldboetes wettelijk zijn, voldoende gemotiveerd en in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en de ernst van de feiten.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken

Arrest van 19 .03.2024

Rol: 2022/AR/1650

E. A. BV, ON 081...55, met zetel te ...,

eiseres in hoger beroep

vertegenwoordigd door mr. W. S. loco mr. B. J., advocaat te ...

tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 17 juni 2022, gekend onder rolnummer 21/1449/A

tegen

BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN EXPERTISE 1, met diensten te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 2, en van de ADVISEUR-ONTVANGER VAN HET TEAM INVORDERING RECHTSPERSONEN ANTWERPEN 1, met diensten te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 1

verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. K. B.loco mr. M. K., advocaat te

...(ref.: ...)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 17 juni 2022, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 6 oktober 2022, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;

I. Feiten

Eiseres in hoger beroep is geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van onder meer "detailhandel in niet-gespecialiseerde winkels waarbij voedings- en genotmiddelen overheersen".

De Belgische Staat voerde een controle uit bij eiseres in hoger beroep met betrekking tot de btw en de directe belastingen en dit voor de boekjaren 2016 en 2017.

Op 30 oktober 2019 ontving eiseres in hoger beroep een btw-correctieopgave voor de boekjaren 2016 en 2017. De belastingadministratie stelde dat de boekhouding van eiseres in hoger beroep niet bewijskrachtig was en bepaalde de brutowinstmarge op 1,45. Eiseres in hoger beroep verklaarde zich niet akkoord.

Op 13 november 2019 ontving eiseres in hoger beroep een tweede correctieopgave, enkel met betrekking tot boekjaar 2016. De administratie stelde dat de boekhouding voor boekjaar 2016 niet bewijskrachtig was en bepaalde de brutowinstmarge op 1,38.

Op 3 december 2019 stelde de administratie een proces-verbaal op. Op 10 december 2019 werd de btw-vordering opgenomen in het innings- en invorderingsregister.

De volgende bedragen werden van eiseres in hoger beroep gevorderd voor boekjaar 2016:

- 6.681,46 euro btw

- 1.240,00 euro boete

- Te vermeerderen met intresten.

Op 30 juni 2020 diende eiseres in hoger beroep een bezwaar in hetgeen gedeeltelijk werd aanvaard bij administratieve beslissing van 22 december 2020. Er werd gesteld dat de uitbatingsvoorwaarden voor boekjaar 2015 niet dezelfde waren als deze voor boekjaar 2016 aangezien in de loop van 2015 de uitbating van de vestiging in Brussel werd opgestart zodat voor de berekening van de brutowinstmarge enkel rekening werd gehouden met de boekjaren 2017 en 2018 en deze werd bepaald op 1,36. De btw-vordering werd in die mate herleid.

II. Vorderingen eerste aanleg en bestreden vonnis

1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 maart 2021 maakte eiseres in hoger beroep de zaak aanhangig voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen.

Voor de eerste rechter vorderde eiseres in hoger beroep haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de inschrijving in het innings- en invorderingsregister van nul en generlei waarde te verklaren. Ze verzocht haar te ontslaan van de ten onrechte ingekohierde belastingen en in voorkomend geval terugbetaling te bevelen van de reeds betaalde sommen en/of door de belastingadministratie ten onrechte ingehouden bedragen, meer moratoriumintresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de gerechtskosten.

2 Verweerder in hoger beroep verzocht de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.

3 De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op 0,00 euro.

De eerste rechter was van oordeel dat de boekhouding van eiseres in hoger beroep voor boekjaar 2016 niet als bewijskrachtig kon worden beschouwd. De eerste rechter wees erop dat verweerder in hoger beroep aantoonde dat de omzet uit de dagontvangsten zonder factuur bijna de volledige omzet uitmaakte zodat de controleerbaarheid ervan zeer belangrijk was voor de controleerbaarheid van de boekhouding. De eerste rechter stelde dat te dezen bleek dat tijdens het bezoek ter plaatse geen dagontvangstenboek kon worden voorgelegd, dat er geen kassagegevens werden bewaard en dus niet konden voorgelegd worden (enkel Z-totalen) en dat er geen opsplitsing in btw-tarieven werd vermeld in de dagontvangstenbladen. De aangegeven inkomsten konden zonder onderliggende bewijsstukken dan ook niet worden gecontroleerd. Bovendien stelde de eerste rechter vast dat er geen overstemming was in de cijfers van de dagontvangsten zoals ingeschreven in het voorgelegde kasboek en de voorgelegde dagontvangstenbladen. Uit het voorgelegde kasboek bleek dat er bovendien aanzienlijke loonkosten in cash werden uitbetaald.

Verder was de eerste rechter van oordeel dat verweerder in hoger beroep rekening kon houden met de brutowinstmarge van 2017 en 2018 gelet op de ongewijzigde uitbatingsomstandigheden en dat er terzake geen sprake was van verboden extrapolatie of willekeur. De eerste rechter stelde vast dat de nieuwe supermarkt in de nabijheid van eiseres in hoger beroep werd geopend in 2016, zodoende dat dit eveneens gold voor 2017 en 2018. Verder stelde de eerste rechter dat eiseres in hoger beroep zich beperkte tot loutere beweringen aangaande prijsverlaging of meer verrotting van fruit en groenten. Tevens stelde de eerste rechter dat uit de aan de rechtbank voorgelegde stukken niet kon afgeleid worden dat de aanslagen in Brussel enige invloed hadden op de brutowinstmarge.

De eerste rechter was tot slot van oordeel dat de opgelegde boetes in redelijke verhouding stonden met de gepleegde inbreuken.

III. Vorderingen in hoger beroep

1 Eiseres in hoger beroep vraagt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dientengevolge de bestreden beslissing teniet te doen/te hervormen en de inschrijving in het innings- en invorderingsregister van nul en generlei waarde te verklaren. Ze verzoekt haar te ontslaan van de ten onrechte nagevorderde btw en in voorkomend geval terugbetaling te bevelen van de reeds betaalde sommen en/of door denbelastingadministratie ten onrechte ingehouden bedragen, meer moratoriumintresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de gerechtskosten.

2 De Belgische Staat verzoekt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. Hij verzoekt eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.

IV. Beoordeling

A. Bewijskracht van de boekhouding

1 Vooreerst bestaat er betwisting tussen partijen omtrent de bewijskracht van de boekhouding van eiseres in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep is van oordeel dat haar boekhouding wel degelijk bewijskrachtig is. Een bewijsvoering aan de hand van vermoedens en de toepassing van een forfaitaire brutowinstmarge is volgens haar niet aan de orde.

2 Opdat er sprake is van een bewijskrachtige boekhouding moet aan de hand van de voorgelegde bewijsstukken kunnen worden nagegaan in hoeverre de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen en moet kunnen worden nagegaan of de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen op grond waarvan het belastbaar inkomen nauwkeurig kan worden bepaald. Een boekhouding is bewijskrachtig wanneer ze volledig is en wanneer het geheel van de vermeldingen controleerbaar, nauwkeurig en overeenstemmend is en gestaafd door bewijsstukken. Het feit dat de boekhouding niet volledig volgens de wettelijke regels wordt gevoerd is daarbij van ondergeschikt belang.

3 De administratie stelde tijdens de controle vast dat de kassagegevens van eiseres in hoger beroep niet werden bewaard en voorgelegd. Evenmin kon er een dagontvangstenboek worden voorgelegd. Enkel de Z-totalen werden bewaard maar deze waren voor bepaalde maanden deels of volledig onleesbaar geworden waardoor geen controle mogelijk was. De (leesbare) kassatickets gaven ook blijk van btw-tarieven van 0 en 12% hoewel er geen producten die aan deze tarieven dienden belast te worden, verkocht werden. Tijdens een bezoek ter plaatse op 27 augustus 2019 werd vastgesteld dat er ook producten verkocht werden die aan het tarief van 21% dienden belast te worden, hoewel dit niet in de btw-aangifte werd vermeld. Op de Z-totalen stond ook dat regelmatig werd verkocht aan 21%. Dit werd echter niet zo opgenomen in de later voorgelegde dagontvangstenbladen waar enkel de totale inkomsten werden ingeschreven zonder opsplitsing naar tarieven. Er werd geen enkel detail noch verduidelijking omtrent de verkochte producten gegeven. In de btw-aangifte werd alles aan 6% geboekt. Tevens werd vastgesteld dat er tijdens minstens twee periodes geen dagelijkse invulling van de dagontvangsten gebeurden. De administratie nam deze vaststellingen op in haar proces-verbaal van 3 december 2019.

4 Het proces-verbaal is een bewijsmiddel, naast onder meer de bewijsmiddelen van het gemene recht, dat, wat de vaststellingen van de verbalisanten betreft, een bijzondere bewijswaarde heeft. Zulks houdt in dat de vaststellingen van de verbalisanten gelden tot bewijs van het tegendeel. Het komt eiseres in hoger beroep toe het tegendeel te bewijzen.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep de vaststellingen vanwege verweerder in hoger beroep niet weerlegt. Eiseres in hoger beroep beperkt zich terzake tot loutere beweringen.

Het hof is van oordeel dat de administratie er terecht op basis van de door haar gedane vaststellingen toe besloten heeft dat de boekhouding niet bewijskrachtig was. Een ernstige controle van de ontvangsten was immers niet mogelijk. Het hof stelt tevens op basis van de voorliggende stukken, zoals de eerste rechter, vast dat er geen overeenstemming is tussen de dagontvangstenbladen en het voorgelegde kasboek. De boekhouding kan dan ook niet als bewijskrachtig beschouwd worden bij gebrek aan verantwoordingsstukken.

Geenszins wordt de bewijskracht van de boekhouding verworpen omwille van de loutere niet-leesbaarheid van 3 Z-totalen zoals eiseres in hoger beroep voorhoudt zodat haar standpunt evenmin kan gevolgd worden dat de bewijskracht van de boekhouding wel dient aanvaard te worden met betrekking tot de winkel te Brussel. Uit de stukken zoals voorgelegd door de Belgische Staat (stuk 7 bundel verweerder in hoger beroep) blijkt overigens dat er heel wat meer Z-totalen onleesbaar waren dan 3 zoals eiseres in hoger beroep ten onrechte voorhoudt.

Eiseres in hoger beroep kan evenmin gevolgd worden waar deze stelt dat de administratie de bewijskracht van de boekhouding zou erkend hebben door de winstmarge van 2017 in aanmerking te nemen om deze van 2016 te bepalen.

B. Winstmarges

5 De administratie vertrekt inzake btw vanuit de aangegeven omzetten. Dit neemt evenwel niet weg dat de administratie, indien zij andere bedragen dan de aangegeven bedragen in aanmerking wil nemen voor het bepalen van de omzet inzake BTW, het bewijs hiervan moet leveren. Dit kan aan de hand van alle middelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed en aan de hand van de bijzondere bewijsmiddelen, voorzien in het Btw-wetboek (artikel 59 Btw-wetboek).

In onderhavig geval maakt de administratie gebruik van het gemeenrechtelijk bewijs door vermoedens. Een vermoeden is een gevolgtrekking die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Er moet aldus gesteund worden op zekere en vaststaande feiten en de gevolgtrekking moet berusten op een logische redenering. Er is sprake van een willekeur indien de administratie een rechtsdwaling heeft begaan of zich op onjuiste feiten heeft gebaseerd, of omdat zij uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen heeft afgeleid.

5 In deze past de administratie, tot vaststelling van de belastbare omzet voor boekjaar 2016, de brutowinstmarge toe van de daaropvolgende jaren 2017 en 2018.

De extrapolatie van winstmarges naar andere jaren is in beginsel toegestaan wanneer de uitbatingsvoorwaarden voor de betrokken jaren identiek zijn (Cass. 10 maart 1995, F.J.F., 1995, 298 enhttp://www.monkey.be; Cass. (le k.) AR C.12.0375.N, 19 september 2014 (L. nv / Belgische Staat) Arr.Cass. 2014, afl. 9, 1943, concl. THIJS, D.). Het komt de administratie toe aan te tonen dat de uitbatingsvoorwaarden gedurende de in aanmerking genomen jaren dezelfde zijn gebleven (Brussel 6 februari 2009, F.J.F., 2009, 985; DEFOOR, W., "Kan de administratie zich voor de wedersamenstelling van de omzet baseren op een theoretische winstmarge en een gemiddeld uurtarief waarmee de belastingplichtige zich in het verleden akkoord heeft verklaard? Onder welke omstandigheden is de extrapolatie van feitelijke gegevens naar een ander inkomstenjaar een geldige bewijstechniek? Wie draagt de bewijslast omtrent de vraag of de uitbatingsvoorwaarden van een onderneming dezelfde zijn gebleven (of integendeel zijn gewijzigd)?", Fisc.Koer. 2011, afl. 16, 464-466).

Het is dus aan de administratie om aan te tonen dat de uitbatingsvoorwaarden voor boekjaar 2016 identiek zijn aan die van 2017 en 2018. Het hof is van oordeel dat de administratie dit bewijs levert. Eiseres in hoger beroep had in 2017 en 2018 immers dezelfde zaakvoerders als in 2016. Ook het aantal vestigingen en de plaats van de vestigingen te Antwerpen en Brussel waren identiek. Het hof is dan ook van oordeel dat de gegevens van 2017 en 2018 voldoende representatief kunnen worden geacht om voor 2016 te kunnen gelden.

Eiseres in hoger beroep haalt allerlei redenen aan waarom ze meent dat de uitbatingsvoorwaarden met betrekking tot 2017 en 2018 niet identiek waren doch het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep zich terzake beperkt tot loutere beweringen zonder deze op enige manier te staven. De veranderingen die zich zouden voorgedaan hebben in 2016 ten gevolge van de opening van concurrent Pit Stop II en ten gevolge van de uitbreiding van het assortiment groenten en fruit hadden, voor zover deze al bewezen zouden zijn — quod non-, ook uitwerking in 2017 en 2018. Eiseres in hoger beroep toont niet aan haar prijzen verlaagd te hebben. Evenmin toont ze aan dat er tijdens 2016 sprake was van meer verrotting van fruit en groenten dan in 2017 en 2018. Evenmin wordt aangetoond dat de aanslagen in Brussel enig effect hebben gehad op de omzet van eiseres in hoger beroep. Uit de voorgelegde dagontvangstenbladen blijkt dat eiseres in hoger beroep tijdens de maand april 2016 haar hoogste omzet had zodat dit uit de voorliggende gegevens niet kan afgeleid worden.

Het hof is van oordeel dat verweerder in hoger beroep, gelet op het gebrek aan bewijskracht van de boekhouding, zich terecht kon beroepen op de brutowinstmarge van 2017 en 2018 zoals deze bleken uit de door eiseres in hoger beroep ingediende aangiftes, en zich terzake niet schuldig heeft gemaakt aan enige willekeur of verboden extrapolatie.

C. Boetes

6 Eiseres in hoger beroep betwist tot slot de in haren hoofde opgelegde proportionele geldboetes. Ze meent dat indien er al sprake zou zijn van enige overtreding, de opgelegde boete allerminst evenredig is. Ze wijst erop dat naast de opgelegde boetes tevens nalatigheidsintrest opgelegd wordt hetgeen een dubbele bestraffing uitmaakt.

7 Krachtens artikel 70, §1, 1e lid Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 70, §1bis Btw-wetboek verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van artikel 70, §1, 1 e lid Btw-wetboek. Krachtens artikel 84, derde lid Btw-wetboek wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Deze boeten worden, krachtens artikel 1, 1 e lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, verminderd overeenkomstig de schaal bepaald in de tabellen van de bijlage bij dit koninklijk besluit.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

8 Het hof is van oordeel dat de administratieve geldboetes van 5 en 20% wettelijk zijn, voldoende gemotiveerd en in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

Het hof is van oordeel dat er geen reden bestaat om deze boetes kwijt te schelden of te verminderen.

9 Het enkele feit dat nalatigheidsintresten inzake btw verschuldigd waren, volgt uit de laattijdige betaling van verschuldigde btw. De navordering van nalatigheidsintresten heeft als doel de schade te vergoeden, geleden door de laattijdige betaling. Dit vormt geenszins een bestraffing in haren hoofde. Van enige schending van het 'non bis in idem'-beginsel door de navordering van een geldboete omdat reeds nalatigheidsintresten werden voldaan, is dan ook geen sprake. De verschuldigdheid van nalatigheidsintresten heeft in casu dan ook op zich niet tot gevolg dat de navordering van de geldboete onevenredig zou zijn.

10 Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van eiseres in hoger beroep af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

D. Gerechtskosten

11 Het hoger beroep wordt afgewezen als ongegrond.

Rekening houdende met het procedureresultaat wordt eiseres in hoger beroep veroordeeld tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten van het geding in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 975,00 euro (rechtsplegingsvergoeding).

De kosten van het geding in hoofde van eiseres in hoger beroep blijven te haren laste.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Beschikkend gedeelte

V Uitspraak

Het hof doet uitspraak bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hoger beroep van E. A. bv is ontvankelijk maar ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Het hof veroordeelt E. A. bv tot de kosten van de procedure in hoger beroep. Deze worden in hoofde van E. A. bv niet begroot aangezien ze te haren laste blijven. In hoofde van de Belgische Staat worden deze begroot op 975,00 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 19 maart 2024 door

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

E. D. B. Raadsheer

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFil

Datum van het vonnis:17.06.2022

Rol: 21/1449/A

Inzake:

E. A. BV

met zetel te ..., KBO: 08...55

eiseres

- vertegenwoordigd ter zitting door meester S. W. loco meester J. B. en loco meester M. V B., advocaten, beiden met kantoor te ...,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen - Expertise 1, met kantoren gevestigd te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 2, KBO : 0308.357.159

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 24 maart 2021, ingeschreven op 25 maart 2021,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 28

mei 2021,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 20 mei 2022.

1. Procedurele voorgaanden

De betwisting heeft betrekking op de btw-vordering vastgesteld in het innings- en

invorderingsregister inzake btw met schuldnummer 50...52.

Eiseres baat een slagerij uit te Antwerpen en heeft sinds 2015 ook een vestiging in Brussel (stukken 1 en 2 van eiseres). Op 13 juni 2019 kondigde de belastingadministratie een fiscale controle aan en dit inzake vennootschapsbelasting en btw voor de boekjaren 2016 en 2017 (stuk 3 van eiseres). De belastingadministratie verzocht de voorlegging van de boekhouding van eiseres en deze werd door eiseres voorgelegd (stuk 4 van eiseres). Op 30 oktober 2019 ontving eiseres een btw-correctieopgave opgesteld voor de boekjaren 2016 en 2017 (stuk 6 van eiseres). De administratie stelde dat de boekhouding van eiseres niet bewijskrachtig was en bepaalde de brutowinstmarge op 1,45. Eiseres verklaarde zich niet akkoord met de inhoud van deze correctieopgave (stuk 8 van eiseres). Op 13 november 2019 ontving eiseres een tweede btw-correctieopgave enkel en alleen wat betreft boekjaar 2016 (stuk 9 van eiseres). De administratie stelde dat de boekhouding voor boekjaar 2016 niet bewijskrachtig was en bepaalde de brutowinstmarge op 1,38.

Op 3 december 2019 stelde de administratie een proces-verbaal op (stuk 10 van eiseres) en op 10 december 2019 werd de btw-vordering opgenomen in het innings-en invorderingsregister (stuk 11 van eiseres).

De volgende bedragen worden van eiseres gevorderd voor boekjaar 2016:

- 6.681,46 euro btw

- 1.240,00 euro btw-boete (5% en 20%)

- te vermeerderen met de interesten.

Op 30 juni 2020 werd namens eiseres een bezwaarschrift ingediend (stuk 5 van verweerder), in de administratieve beslissing d.d. 22 december 2020 werd dit bezwaar gedeeltelijk aanvaard, met name stelde de administratie dat de uitbatingsvoorwaarden voor boekjaar 2015 niet dezelfde zijn als deze voor boekjaar 2016, zodoende dat voor de berekening van de brutowinstmarge enkel werd rekening gehouden met boekjaren 2017 en 2018 en deze werd bepaald op 1,36. De btw-vordering werd in die mate herleid.

Bij verzoekschrift ingediend op 24 maart 2021 maakte eiseres de betwisting aangaande deze btw-vordering aanhangig bij de rechtbank.

2. Vorderingen van partijen

Eiseres verzoekt de rechtbank om de btw-vordering opgenomen in het innings- en invorderingsregister met schuldnummer 50...52 van nul en generlei waarde te verklaren, in voorkomend geval de terugbetaling te bevelen van de eventueel reeds betaalde en/of ingehouden bedragen vermeerderd met de moratoriuminteresten en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. een rechtsplegingsvergoeding begroot op 845,00 euro en de verplichte bijdrage t.b.v. 20,00 euro. Ter terechtzitting vordert eiseres de geïndexeerde rechtsplegingvergoeding.

De Belgische Staat verzoekt de rechtbank om de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van eiseres ontvankelijk is.

4. Beoordeling: middel in hoofdorde van eiseres m.b.t. de bewijskracht van de boekhouding

Volgens eiseres laat de door haar gevoerde boekhouding een objectieve controle toe en kan de juiste belastbare grondslag worden bepaald. Eiseres verwijst dienaangaande naar twee correctieopgaves, één van 30 oktober 2019 en één van 13 november 2019 (stukken 6 en 9 van eiseres), enkel deze laatste correctieopgave wordt door verweerder voorgelegd. Waarbij in de eerste correctieopgave de boekhouding van de boekjaren 2016 en 2017 als niet bewijskrachtig werd beschouwd, wordt in de tweede correctieopgave enkel boekjaar 2016 weerhouden. Volgens eiseres is er geen enkele reden om dienaangaande voor boekjaar 2016 een ander standpunt in te nemen dan voor boekjaar 2017.

Verweerder stelt dat de boekhouding van eiseres niet bewijskrachtig is en geen objectieve controle toelaat die de belastingadministratie in staat zou stellen om de juiste belastbare grondslag te bepalen. Verweerder verwijst naar de volgende elementen:

- de goederenstromen zijn niet opvolgbaar/gebrekkige registratie van de dagontvangsten;

- het gebrek aan overeenstemming inzake btw tussen de Z-totalen, het dagontvangstenboek en de btw-aangifte;

- de cashgeldstromen zijn niet opvolgbaar.

De rechtbank stelt vast dat eiseres aantoont dat verweerder een controle heeft gevoerd over de boekhouding van de jaren 2016 én 2017, maar waarbij aanvankelijk de bewijskracht van de boekhouding van 2016 en 2017 door verweerder werd betwist, huidige procedure enkel en alleen handelt over boekjaar 2016. De rechtbank is dus enkel en alleen gevat om een oordeel te vellen over boekjaar 2016.

Aangaande de bewijskracht van de boekhouding beperkt eiseres zich in haar verweer tot de elementen zoals opgenomen in de correctieopgave (stuk 2 van verweerder). Evenwel dient de rechtbank vast te stellen dat verweerder verschillende andere elementen aanhaalt teneinde de bewijskracht van de boekhouding te verwerpen (stuk 3 van verweerder) en het dus niet enkel en alleen de al dan niet leesbaarheid van de Z-totalen betreft of een (beperkte) toepassing van een verkeerd btw-tarief.

Opdat er sprake is van een bewijskrachtige boekhouding, moet aan de hand van de voorgelegde bewijsstukken kunnen worden nagegaan in hoeverre de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen en moet kunnen worden nagegaan of de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen op grond waarvan het belastbaar inkomen nauwkeurig kan worden bepaald. Een boekhouding is bewijskrachtig wanneer ze volledig is en wanneer het geheel van de vermeldingen controleerbaar, nauwkeurig en overeenstemmend is en gestaafd door bewijsstukken.

De bewijskracht van de boekhouding is aangetast indien aan de hand van de bewijsstukken niet kan worden nagegaan in hoeverre de geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen, indien niet kan worden nagegaan of de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen op grond waarvan het belastbaar inkomen nauwkeurig kan worden bepaald of indien niet kan worden vastgesteld dat de geschriften gestaafd zijn door bewijsstukken.

Verweerder toont aan, en dit wordt ook niet betwist door eiseres, dat de omzet uit de dagontvangsten zonder factuur bijna de volledige omzet van eiseres uitmaakt, zodoende dat de controleerbaarheid van de dagontvangsten zeer belangrijk is voor de controleerbaarheid van de boekhouding. Te dezen blijkt dat er tijdens het bezoek ter plaatse geen dagontvangstenboek kon worden voorgelegd, dat er geen kassagegevens werden bewaard en dus ook niet konden voorgelegd worden (enkel Z-totalen) en dat er geen opsplitsing in btw-tarieven wordt vermeld in de dagontvangstenbladen (stukken 3 en 9 van verweerder). Verweerder stelt dan ook terecht dat de aangegeven inkomsten zonder onderliggende stukken niet kunnen worden gecontroleerd. De rechtbank stelt bovendien vast dat er geen overeenstemming is in de cijfers van de dagontvangsten zoals ingeschreven in het voorgelegde kasboek (stuk 10 van verweerder) en de voorgelegde dagontvangstenbladen (stuk 9 van verweerder). Uit het voorgelegde kasboek blijkt dat er bovendien aanzienlijke loonkosten in cash werden uitbetaald.

De rechtbank oordeelt dat verweerder dan ook terecht stelt dat de manier van registratie van de ontvangsten geen ernstige controle van de werkelijke ontvangsten toelaat. Op basis van het aan de rechtbank voorgelegde dossier oordeelt de rechtbank dat de boekhouding van eiseres voor 2016 niet als bewijskrachtig kan beschouwd worden.

De vordering van eiseres is in die mate ongegrond.

5. Beoordeling: middel in ondergeschikte orde van eiseres m.b.t. de door verweerder gehanteerde brutowinstmarge

Eiseres stelt dat de boekhouding door verweerder enkel en alleen wordt verworpen op basis van 3 niet leesbare Z-totalen, zodoende dat enkel voor deze drie dagen een aanpassing van de omzet dient te gebeuren en dan enkel en alleen voor de vestiging te Antwerpen. Eiseres stelt tevens dat de uitbatingsomstandigheden voor 2017 en 2018 verschillend zijn ten aanzien van 2016 (sterke schommeling in aankoop van groenten en fruit, de opening van een supermarkt in de nabijheid van de vestiging van eiseres waardoor eiseres haar prijzen moest verlagen, de impact van de aanslagen in Brussel in 2016).

Volgens verweerder zijn de uitbatingsvoorwaarden in 2016 hetzelfde gebleven in vergelijking met de referentiejaren 2017 en 2018 (twee vestigingen zijn actief sinds 2015, dezelfde zaakvoerders, zelfde vestigingsadres, verkoop van dezelfde producten).

Zoals hoger geoordeeld, wordt de boekhouding van eiseres niet enkel en alleen verworpen door drie beweerd niet leesbare Z-totalen.

De rechtbank stelt vast dat de nieuwe supermarkt in de nabijheid van eiseres werd geopend in 2016, zodoende dat dit eveneens geldt voor 2017 en 2018. Tevens beperkt eiseres zich tot loutere beweringen aangaande prijsverlagingen of meer verrotting van fruit en groenten. De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke omstandigheden waarin moest gewerkt worden in de periode van de aanslagen in Brussel, maar uit de aan de rechtbank voorgelegde stukken kan niet vastgesteld worden dat deze omstandigheden een invloed hadden op de brutowinstmarge, waarbij verweerder terecht verwijst naar de belangrijke dagontvangsten in april 2016.

De rechtbank oordeelt dat verweerder rekening kon houden met de brutowinstmarge van 2017 en 2018 gelet op de ongewijzigde uitbatingsomstandigheden en dat er geen sprake is van verboden extrapolatie of willekeur.

De vordering van eiseres is in die mate ongegrond.

6. Beoordeling: de btw-boete t.b.v. 20% en 5%

Wat betreft de btw-boete stelt eiseres dat deze niet evenredig is, een buitensporige last uitmaakt en dat er reeds nalatigheidsinteresten, die bestraffend werken, worden gevorderd. Eiseres verzoekt de kwijtschelding van de btw-boete, minstens de vermindering.

De rechtbank oordeelt dat de nalatigheidsinteresten van toepassing zijn wegens laattijdige betaling en niet worden beschouwd als een bestraffing.

De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om de herleide administratieve boete nog verder te herleiden. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde geldboeten in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en zulks rekening houdende met het KB nr. 41.

De vordering van eiseres is in die mate ongegrond.

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op zeventien juni tweeduizend tweeëntwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:

A. B., rechter

N. D., griffier

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 593 voorkomens
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8