Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 25.09.2020 (C.17.0561.N)
WF 501-15-14/002712
[Gunstig voor de Belgische Staat]
inzage stukken gerechtsdossier – openbaarheid van bestuur – recht van verdediging – recht op eerlijk proces
Wettelijke bepalingen
Art. 6 EVRM
Samenvatting
Het beginsel van de wapengelijkheid zoals vervat in het door artikel 6.1. EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en in het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat in een dergelijke procedure de belastingplichtige in de regel toegang heeft tot alle gegevens behorend tot het fiscale dossier van de administratie, met inbegrip van de stukken die de administratie heeft verkregen door inzage van een strafdossier na machtiging van de bevoegde gerechtelijke overheid.
De administratie kan evenwel de toegang weigeren tot die stukken of gedeelten van die stukken, indien die vreemd zijn aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging. In dat geval vereisen het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de belastingplichtige immers niet dat hij toegang ertoe heeft.
Ingeval de belastingplichtige niettemin van oordeel is dat de toegang tot die stukken noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten en hij die aanvoering ook enigszins aannemelijk maakt, staat het aan de rechter in de fiscale procedure om daarover te oordelen en desgevallend een miskenning van de rechten van de belastingplichtige te sanctioneren.
Verder volgt uit het voormelde beginsel van de wapengelijkheid niet dat de enkele omstandigheid dat de administratie stukken heeft verkregen door inzage van een strafdossier na machtiging van de bevoegde gerechtelijke overheid, voor de belastingplichtige automatisch een recht creëert op toegang tot dit gehele strafdossier. Het staat aan die belastingplichtige aan te voeren dat een dergelijke toegang voor de uitoefening van zijn rechten noodzakelijk is en die aanvoering ook enigszins aannemelijk te maken.
Het staat vervolgens aan de rechter in de fiscale procedure om daarover te oordelen die beoordeling vereist niet dat de rechter kennis neemt van het gehele strafdossier. De toegang tot een strafdossier wordt immers geregeld door bepalingen uit het strafprocesrecht en het is, behoudens andersluidende regelingen, aan de bevoegde gerechtelijke autoriteit om over een toegang tot het strafdossier te beslissen. Indien de rechter in de fiscale procedure van oordeel is dat een weigering van een gehele of gedeeltelijke toegang tot het strafdossier de rechten van de belastingplichtige miskent, staat het aan hem om daaraan in de fiscale procedure het gepaste gevolg te geven.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België, Arrest Nr. C.17.0561.N van 25 SEPTEMBER 2020
J.N. bv, met zetel te ..., eiseres, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ...,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur van de btw, registratie en domeinen, Directie btw Antwerpen, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste btw-Ontvangkantoor Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4, en vertegenwoordigd door X, attaché, BBI-Geschillen Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. ..., advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te ....
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 9 mei 2017.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 18 juni 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. In een fiscale procedure die aanleiding geeft of kan geven tot een administratieve geldboete of een belastingverhoging met het karakter van een straf als bedoeld door artikel 6.1 EVRM dienen vanaf het ogenblik dat de belastingplichtige het voorwerp uitmaakt van een vervolging in de zin van die verdragsbepaling de daarin opgenomen waarborgen te worden nageleefd.
2. Het beginsel van de wapengelijkheid zoals vervat in het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en in het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat in een dergelijke procedure de belastingplichtige in de regel toegang heeft tot alle gegevens behorend tot het fiscale dossier van de administratie, met inbegrip van de stukken die de administratie heeft verkregen door inzage van een strafdossier na machtiging van de bevoegde gerechtelijke overheid.
3. De administratie kan evenwel de toegang weigeren tot die stukken of gedeelten van die stukken, indien die vreemd zijn aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging. In dat geval vereisen het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de belastingplichtige immers niet dat hij toegang ertoe heeft.
4. In geval de belastingplichtige niettemin van oordeel is dat de toegang tot die stukken noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten en hij die aanvoering ook enigszins aannemelijk maakt, staat het aan de rechter in de fiscale procedure om daarover te oordelen en desgevallend een miskenning van de rechten van de belastingplichtige te sanctioneren.
5. Verder volgt uit het voormelde beginsel van de wapengelijkheid niet dat de enkele omstandigheid dat de administratie stukken heeft verkregen door inzage van een strafdossier na machtiging van de bevoegde gerechtelijke overheid, voor de belastingplichtige automatisch een recht creëert op toegang tot dit gehele strafdos- sier. Het staat aan die belastingplichtige aan te voeren dat een dergelijke toegang voor de uitoefening van zijn rechten noodzakelijk is en die aanvoering ook enigszins aannemelijk te maken.
6. Het staat vervolgens aan de rechter in de fiscale procedure om daarover te oordelen. Die beoordeling vereist niet dat de rechter kennis neemt van het gehele strafdossier. De toegang tot een strafdossier wordt immers geregeld door bepalingen uit het strafprocesrecht en het is, behoudens andersluidende regelingen, aan de bevoegde gerechtelijke autoriteit om over een toegang tot het strafdossier te beslissen. Indien de rechter in de fiscale procedure van oordeel is dat een weigering van een gehele of gedeeltelijke toegang tot het strafdossier de rechten van de belastingplichtige miskent, staat het aan hem om daaraan in de fiscale procedure het ge- paste gevolg te geven.
7. De appelrechters stellen vast dat:
- een beperkte btw-controle werd verricht bij de eiseres;
- door de procureur-generaal te Antwerpen op 23 oktober 2012 toelating tot inzage en afschrift werd verleend aan de gewestelijke directie BBI te Antwerpen van het strafdossier met notitienummer AN.45.F.../2009 ten laste van de eiseres;
- naar aanleiding van de verrichte inzage een controle werd uitgevoerd inzake btw over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2011;
- volgens de administratie uit inzage van het strafdossier is gebleken dat aan de facturatie aan twee vennootschappen in Spanje en een vennootschap in Cyprus met betrekking tot de verkoop van platina, geen levering aan het factuuradres beantwoordde;
- op 7 juni 2013 een proces-verbaal werd opgesteld waarin werd vastgesteld dat middels deze facturatie de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen werd nagestreefd zonder enig bewijs van zulke leveringen;
- de niet-bewezen intracommunautaire leveringen in het proces-verbaal werden opgenomen en daarbij werd verwezen naar verschillende vaststellingen uit het strafdossier;
- in het dwangbevel van de eiseres 27.495.489,00 euro aan btw werd gevorderd evenals een boete gelijk aan 200 pct. van dit bedrag, hetzij 54.990.970,00 euro.
- aanvankelijk de inzage van het gedeelte van het fiscale dossier afkomstig uit het gerechtsdossier (lees: strafdossier) werd geweigerd, maar de verweerder zijn standpunt heroverwoog en aan de raadsman van de eiseres kopie bezorgde van alle relevante stukken uit de processen-verbaal van het gerechtelijk onderzoek, met dien verstande dat de delen van de processen-verbaal die betrekking hebben op andere belastingplichtigen en die volgens de administratie niet relevant zijn voor de belastingsituatie van de eiseres blanco werden gemaakt;
- de administratie in haar schrijven van 30 augustus 2013 aan de raadsman van de eiseres uitdrukkelijk stelde dat de stukken uit de processen-verbaal van het ge- rechtelijk onderzoek die blanco gemaakt werden betrekking hadden personen en vennootschappen die niet aan bod kwamen in haar proces-verbaal, dat deze stuk- ken dan ook niet relevant waren voor de taxatie ten laste van de eiseres, zij haar beroepsgeheim en discretieplicht zou schenden indien zij deze stukken toch ken- baar zou maken en zij tevens schade zou kunnen toebrengen aan lopende onder- zoeken en aan de bescherming van de opsporing en de vervolging van strafbare feiten.
De appelrechters oordelen dat:
- uit het proces-verbaal duidelijk blijkt op welke stukken de vaststellingen en de btw-vordering gesteund zijn;
- de eiseres niet kan stellen niet alle gegevens van de taxatie te kennen;
- de eiseres geenszins aannemelijk maakt dat de blanco gemaakte stukken haar zouden aanbelangen en de eiseres de gegevens geput uit het strafdossier op zich niet betwist, laat staan tegenspreekt;
- aangezien de blanco gemaakte stukken zonder fiscale relevantie zijn voor het fiscaal dossier ten laste van de eiseres, de handelwijze van de verweerder niet wegneemt dat de eiseres kopie en inzage heeft gekregen van alle relevante uit- treksels van de stukken van het strafdossier, waarnaar verwezen wordt in het proces-verbaal van 7 juni 2013;
- de wettigheid van de taxatie bovendien enkel wordt beoordeeld op grond van stukken voorgelegd aan het hof van beroep en die aan tegenspraak onderworpen zijn.
8. De appelrechters die op die gronden beslissen dat de rechten van de eiseres werden gerespecteerd, verantwoorden hun beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.031,36 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 september 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Rechtspraak
2België
2Rechtbank van eerste aanleg te Gent22/1253/A28.05.2026
Valse facturen, valse factuur
Rechtbank van eerste aanleg te Brussel11.06.2025