Valse facturen, valse factuur · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 22/1253/A 28 mei 2026

Zoeken

Valse facturen, valse factuur

https://juriel.be/nl/rechtspraak/valse-facturen-factuur-rechtbank-gent-2026-05-28-43db

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Rolnummer
22/1253/A
Datum
28 mei 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

151 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 28.05.2026 (22/1253/A)

FIN 5496512001

Valse facturen

Samenvatting

Niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

afdeling Gent

6e burgerlijke kamer

Vonnis

Rolnummer: 22/1253/A

In de zaak van :

cie1, KBO ..., met zetel te ...,

eisende partij, hebbende als raadslieden mr. DEFOOR WIM, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, en mr. CALMEYN KRISTIAAN, advocaat te 8670 Oostduinkerke, Europaplein 22/1504;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de:

- Algemene Administratie van de Inning en Invordering, handelend ten verzoeke van de Adviseur Invordering — Team Invordering Rechtspersonen Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, Dr. André Sierensstraat 16 bus 1,

- Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal BBI Brussel, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert II Laan 33 bus 49, met als correspondentieadres 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 806,

verwerende partij, voor wie optreedt de heer VANWIJNSBERGHE NICK, adviseur bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank als volgt:

1. Rechtspleging

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van donderdag 30 april 2026 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. Vorderingen van de partijen

2.1. Eiseres vordert in synthesebesluiten het volgende :

- De vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- Bijgevolg, in hoofdorde, de bestreden fiscale schuld (btw), zoals opgenomen en uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister btw met schuldnummer 500248234288 te vernietigen, minstens op passende wijze te ontheffen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van btw, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn;

- In ondergeschikte orde: de administratieve geldboeten van 200 % te vernietigen en/of te ontheffen, kwijt te schelden of de tenuitvoerlegging ervan uit te stellen;

- De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ten titel van btw, geldboeten en interesten, die reeds door eiseres zouden zijn betaald of door de Belgische Staat zouden zijn ingehouden ter delging van de beweerde fiscale schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de dag van betaling/inhouding, te kapitaliseren overeenkomstig artikel 5.207 BW (voorheen art. 1154 Oud BW);

- De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van i) de vaste bijdrage t.b.v. 24,00 euro voor de juridische tweedelijnsbijstand (inwerkingtreding op 1 mei 2017 van de wet van 19 maart 2017) en ii) de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2007) (geïndexeerd basisbedrag: 22.500,00 euro).

2.2. Verweerder vordert in syntheseconclusie het volgende :

De vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. Relevante feiten en procedurevoorgaanden

3.1. Eiseres werd op 28 mei 2008 opgericht door de heer K.A. en mevrouw S.B.. Eiseres houdt zich bezig met het uitvoeren van grond¬, riolerings- en wegeniswerken. Meer bepaald met het herstellen van voetpaden nadat de straten waren opengelegd voor werken zoals voor waterleidingen. Daarbij wordt een beroep gedaan op onderaannemers zodat grote projecten kunnen worden verwezenlijkt, zoals voor de cie2, cie3, cie4, ...

Voor de betrokken jaren werden door eiseres regelmatige BTW-aangiften ingediend.

3.2. Naar aanleiding van een fiscale controle bij eiseres werd gemeld dat de facturen van het jaar 2019 door de Federale Gerechtelijke Politie Antwerpen werden opgehaald in het kader van een gerechtelijk onderzoek (stuk 3 verweerder). In opvolging hiervan werd door de adviseur-generaal van de BBI Brussel bij brief van 4 februari 2021 aan de Procureur des Konings te Antwerpen gevraagd om de inzage en afschrift van het strafdossier. Bij brief van 17 februari 2021 werd de gevraagde inzage en kopiename in het dossier (…) verleend (stuk 3 verweerder). In opvolging hiervan werd door verweerder op 6 mei 2021 inzage genomen in het betrokken dossier, waarvan een PV werd opgesteld (stuk 3 verweerder). Opgemerkt zij dat deze inzage aan geen enkele voorwaarde onderworpen werd vanwege het parket.

Eerder werd door verweerder reeds inzage en kopiename gevraagd in de gerechtsdossiers (…) betreffende de heer A.W., waartoe toelating werd verleend bij brief van 3 oktober 2019 (stuk 4 verweerder). Daarbij werd wel de uitdrukkelijke voorwaarde aan de inzage gekoppeld dat 'op basis van de gegevens bekomen ingevolge de inzage van het strafdossier vooralsnog geen enkele administratieve sanctie (administratieve geldboete of belastingverhoging) wordt opgelegd in hoofde van alle in het dossier opgenomen natuurlijke en rechtspersonen, behoudens uitdrukkelijk akkoord van mijn ambt'. In opvolging van de verleende machtiging werd door verweerder op onder meer 15 oktober 2019 inzage en kopie genomen van de gegevens van de betrokken gerechtsdossiers (stukken 4 verweerder).

3.3. Bij aangetekende zending van 18 november 2021 werd aan eiseres een kennisgeving gericht tot toepassing van de 7-jarige verjaringstermijn inzake BTW (art. 84ter BTW-Wb. — stuk 1 verweerder). Blijkbaar volgt deze kennisgeving op eerder onderzoek dat gebeurde bij eiseres op 11 februari 2021 en 24 maart 2021 en bij klanten van eiseres. Van deze eerdere onderzoeken wordt enkel van het onderzoek dat plaatsvond op 11 februari 2021 een PV voorgelegd (stuk 14 verweerder). Door verweerder wordt wel uitgebreid naar deze onderzoeken verwezen (zie p. 3 en 4 syntheseconclusie verweerder).

In de kennisgeving wordt melding gemaakt van de inlichtingen uit de gerechtsdossiers, meer bepaald met betrekking tot de onderaannemers waarop eiseres een beroep deed en de banden met de heer A.W.. Verder wordt ook verwezen naar de informatie bekomen naar aanleiding van de fiscale controle waarbij ook de BTW m.b.t. de 'overige kosten' aan bod komt (controle 24 maart 2021). Verweerder besluit in de betrokken kennisgeving dat 'er op basis van voormelde vaststellingen ernstige vermoedens van belastingontduiking inzake BTW in hoofde van (eiseres) voor de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 aanwezig zijn. Alles wijst er op dat (eiseres) de BTW tijdens de gehele periode 2014 t.e.m. 2018 met voorbedachten rade systematisch ten onrechte in aftrek heeft gebracht. Daarnaast blijkt uit de vaststellingen dat (eiseres) in dit kader ook gebruik heeft gemaakt van valse stukken.'

Vervolgens wordt in een proces-verbaal van taxatie van 19 november 2021 (stuk 2 verweerder), ter kennis gesteld aan eiseres bij brief van 23 november 2021, gemeld welke fiscale inbreuken eiseres ten laste worden gelegd en welk bedrag aan BTW uit dien hoofde verschuldigd is. Meer bepaald gaat het om de volgende bedragen aan BTW die gevorderd worden, die op basis van onder meer artikel 45 § 1, 1° BTW-Wb en de artikelen 1 § 2 KB nr. 3 van 10 december 1969 en 3 § 1, 1° KB nr. 3 van 10 december 1969, ten onrechte in aftrek werden gebracht :

onderaannemingen voor de periode 01/01/14 t/m 31/12/18: 344.606,24 EUR;

uitgaven zonder factuur: 9.383,26 EUR;

uitgaven voor inrichting magazijn en werfcontainers: 4.282,48 EUR; uitgaven aan leverancier cie9: 8.861,37 EUR;

andere uitgaven: 31.238,26 EUR.

Verder wordt in het PV van taxatie melding gemaakt van een boete overeenkomstig artikel 70 § ibis BTW-Wb. gelijk aan het dubbel van de rechten of 200 %, zijnde in casu 796.740,00 EUR. Dit alles meer de interesten vanaf 21 januari 2021 overeenkomstig artikel 91 § 1 BTW-Wb.

Uit de conclusies van partijen leidt de rechtbank af (dienaangaande worden door geen van de partijen stukken voorgelegd) dat vervolgens bij innings- en invorderingsbericht van 6 januari 2022, onder artikelnummer 500248234288, uitvoerbaar verklaard op 29 december 2021, de betrokken BTW-vordering werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister.

3.4. Bij verzoekschrift van 9 mei 2022, neergelegd ter griffie op 9 mei 2022, maakte eiseres de vordering aanhangig bij deze rechtbank.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Aangezien de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid vaststelt, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, is de vordering ontvankelijk.

4.2. Ten gronde

4.2.1. Onregelmatige bewijsgaring

4.2.1.1. Eiseres stelt dat verweerder zich voor de taxatie gesteund heeft op verklaringen uit de strafdossiers die werden afgelegd tijdens verhoren zonder de bijstand van een advocaat en aldus in strijd met de Salduz-rechtspraak. Volgens eiseres moeten de betrokken PV's met de verklaringen van de heer A.W. uit de debatten worden geweerd, te meer omdat betrokkene zijn verklaringen later heeft ingetrokken.

Verder stelt eiseres dat zij geen toegang heeft gekregen tot de volledige strafdossiers waarop verweerder haar vordering heeft gebaseerd. Een schending van het eerlijk proces ligt volgens eiseres eveneens voor doordat in het PV van 19 november 2021 een aantal onleesbare passages voorkomen. Dit zou eveneens tot gevolg hebben dat het PV van taxatie niet gemotiveerd is overeenkomst de Wet van 29 juli 1991.

Verder stelt eiseres dat bij het verlenen van de inzage, het Openbaar Ministerie de inzage koppelde aan de uitdrukkelijke voorwaarde dat op basis van de gegevens uit het strafdossier geen enkele administratieve sanctie wordt opgelegd in hoofde van alle in het dossier opgenomen natuurlijke en rechtspersonen. Niettemin werd in casu een administratieve geldboete van 200 % opgelegd. Bijgevolg werd, aldus nog eiseres, gebruik gemaakt van de gegevens van het gerechtsdossier zonder geldige toelating en moeten ook om die reden deze stukken uit de debatten worden geweerd.

Volgens eiseres is de BTW-navordering om voormelde reden integraal nietig.

4.2.1.2. Voor wat de mogelijke schending van de Salduz-rechtspraak betreft doordat verklaringen werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat, verwijst verweerder naar het feit dat betrokkenen uitdrukkelijk vermeldden geen bijstand van een advocaat te vragen. Verweerder wijst ook op het feit dat deze PV's niet onrechtmatig werden bevonden door de strafrechter (vonnis van 18 november 2022 — stuk 15 verweerder). Verder wijst verweerder erop dat de taxatie niet enkel gesteund is op de gegevens uit het strafdossier, maar eveneens op de resultaten van het eigen onderzoek.

Verweerder stelt dat de fiscaal relevante stukken van het strafdossier aan eiseres werden meegedeeld op 24 oktober 2022 in het kader van de behandeling van de bezwaren inzake directe belastingen. Verder heeft eiseres inzage genomen van het volledige administratieve dossier op 28 juni 2023 (stuk 21 verweerder). Verweerder is van oordeel dat zij enkel de stukken moet voorleggen waarop zij zich heeft gesteund en niet verplicht is het volledige gerechtsdossier te kopiëren. Niet al de stukken hebben betrekking op eiseres. Verweerder wijst in dit verband naar het beroepsgeheim zoals bepaald door artikel 93bis BTW waaraan hij gebonden is. Geen documenten mogen worden overgemaakt indien deze afbreuk doen aan het beroepsgeheim. Verweerder verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie van 25 september 2020 (C.17.0561.N) waarin beslist werd dat de administratie toegang kan weigeren tot die stukken of gedeelten van stukken indien die vreemd zijn aan de tegen de belastingplichtige gerichte fiscale vervolging. Het is aan belastingplichtige om dan aannemelijk te maken dat hij toegang moet hebben tot deze stukken en dat dit noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten. Voor wat de onleesbare pagina's uit het PV van 19 november 2021 betreft, stelt verweerder dat een leesbaar overzicht van de werven reeds werd voorgelegd aan eiseres op 21 oktober 2022 (stuk 5 verweerder). De betrokken tabellen met aankoopfacturen zouden ten andere van eiseres zelf afkomstig zijn. Het detail van de facturen en de reden van de verwerping van de aftrek zou verder op p. 62 van het PV zijn verduidelijkt.

Voor wat de stelling van eiseres betreft, dat de uitdrukkelijke voorwaarde voor de inzage en kopiename van de strafdossiers, door verweerder niet werd nageleefd doordat wel een administratieve boete werd opgelegd, stelt verweerder dat uit het latere PV van 28 september 2021 blijkt dat hiervan afgestapt werd. De Procureur des Konings bepaalde immers dat van de personen die niet werden opgenomen in de eindvordering als inverdenkinggestelde, het dossier via administratieve weg afgehandeld diende te worden. Eiseres kreeg inzage van dit stuk (PV Una Via - stukken 17 en 18 verweerder).

4.2.1.3. Voor wat de ingeroepen schending van de Salduz-rechtspraak en - wetgeving betreft, is de rechtbank van oordeel dat uit de voorgelegde PV's blijkt dat betrokkenen erop werden gewezen dat zij recht hebben op de bijstand van een advocaat en hier ook van op de hoogte waren. Verwezen wordt bijvoorbeeld naar stuk 6 van eiseres houdende het PV van 7 november 2019 m.b.t. het verhoor van de heer K.A., waarin duidelijk voorafgaandelijk gemeld wordt dat betrokkene niet heeft gevraagd een vertrouwenspersoon te verwittigen en verder in het verhoor meldt wel een beroep te willen doen op een advocaat indien hem gevraagd wordt bepaalde documenten voor te leggen. Betrokkene was dan ook wel degelijk op de hoogte van zijn recht op bijstand van een advocaat. Ook in de verhoren van de heer A.W. werd deze erop gewezen dat hij recht had op de bijstand van een raadsman (zie PV van 9 januari 2019 — stuk 10 verweerder). Daarbij komt dat in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 18 november 2022 (stuk 15 verweerder), dat zich uitsprak in de strafzaak betreffende onder meer de heer A.W., de rechtbank in dit verband geen enkele onregelmatigheid vaststelde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een schending van de Salduz-rechtspraak en -wetgeving niet aangetoond is.

Voor wat de inzage en voorlegging van het volledige strafdossier betreft, waarin eiseres, noch de heer K.A. strafrechtelijk vervolgd werden, is de rechtbank van oordeel dat de administratie niet gehouden is daarvan een volledige kopie voor te leggen. Waar verweerder gehouden is door het beroepsgeheim en derhalve geen stukken uit het strafdossier ter beschikking kan stellen die betrekking hebben op derden, is het aan de administratie om aan de hand van de door haar naar voor gebrachte stukken, haar vordering aan te tonen. Daarbij kan de rechtbank vanzelfsprekend enkel die stukken beoordelen die door verweerder aan haar worden voorgelegd. De rechtbank stelt in dit verband vast dat verweerder in het kader van deze procedure aan eiseres, in toepassing van de Wet van 11 april 1994, een uitgebreid bundel met stukken heeft voorgelegd (zie stuk 18 verweerder). Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat er mogelijk stukken zouden zijn achtergehouden die betrekking zouden hebben op eiseres en die in haar voordeel zouden zijn. Eiseres maakt het verder niet aannemelijk en motiveert haar verzoek tot volledige voorlegging van het strafdossier niet waarom haar rechten zouden zijn geschonden zijn doordat niet alle stukken van het strafdossier zouden zijn voorgelegd. Het verzoek tot volledige voorlegging van het strafdossier wordt dan ook afgewezen.

Voor wat de slechte leesbaarheid van bepaalde stukken uit het PV van 19 november 2021 betreft, merkt verweerder terecht op dat verder in de tekst van het PV wordt verduidelijkt over welke facturen de aftrek van de BTW werd verworpen en om welke reden, zodat er om deze reden geen gebrek is in de motivering.

Voor wat ten slotte de stelling van eiseres betreft dat het niet toegestaan was, gelet op de uitdrukkelijke voorwaarde zoals vermeld in de voorwaarde tot de inzage en kopiename door het Openbaar Ministerie, volstaat het te verwijzen naar het PV van 28 september 2021 (stuk 17 verweerder). Het gaat ter zake om een PV betreffende het overleg dat plaatsvond met verweerder in het kader van de 'una-via'-wetgeving omtrent eiseres en K.A. en waarin het volgende beslist werd:

"Mijn ambt heeft, na raadpleging, analyse en bespreking van de voorgelegde documenten, beslist dat het dossier verder via administratieve weg dient te worden afgehandeld, doch enkel voor zover dit betrekking heeft op de natuurlijke en/of rechtspersonen die niet als dusdanig uitdrukkelijk als inverdenkinggestelde werden opgenomen in de door mijn Ambt opgestelde eindvordering in het dossier (…)".

Opgemerkt zij dat eiseres van dit stuk inzage verkreeg, zoals vermeld op de namens eiseres ondertekende verklaring van inzage en kopiename (stuk 18 verweerder, p. 5/30). Uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 18 november 2022 (stuk 15 verweerder) volgt dat eiseres, noch de heer K.A. strafrechtelijk werden vervolgd voor de betrokken feiten.

4.2.2. Verjaring van de rechtsvordering

4.2.2.1. Eiseres stelt dat de verlengde verjaringstermijn van zeven kalenderjaren (art. 81bis § 1, lid 2 BTW-Wb.) enkel van toepassing is indien het gaat om een overtreding begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden (art. 81bis § 1, lid 2, 4° BTW-Wb.). Volgens eiseres kunnen enkel de overtredingen die doelbewust met een frauduleus oogmerk zijn begaan binnen de verlengde verjaringstermijn worden getroffen. Volgens eiseres is van een aantal overtredingen niet aangetoond dat het vereiste opzet aanwezig is. Verder is volgens eiseres de kennisgeving overeenkomstig artikel 84ter BTW-Wb. niet rechtsgeldig gemotiveerd. Volgens eiseres is er geen sprake van enige overtreding begaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden.

Niet aangetoond zou zijn dat de facturen van de onderaannemers werden geboekt met het opzet de belasting te ontduiken. Eiseres stelt in dit verband dat er blijkbaar uit het gerechtelijk onderzoek lastens eiseres niet voldoende bezwaren naar voor kwamen zodat het zonder gevolg lastens eiseres werd afgesloten. Hieruit volgt volgens eiseres dat er geen sprake was van enig bedrieglijk opzet in hoofde van de vennootschap en derhalve van de toepassing van artikel 81bis § 1, tweede lid, 4° WIB 92. Fraude kan volgens eiseres niet worden vermoed, maar moet worden bewezen. Daarbij wijst eiseres nog op het feit dat ook de aftrek van facturen van onderaannemers werden verworpen die niets te maken hadden met de heer A.W.. De bouwwerken van de gezinswoning, zouden verder door eiseres ten laste zijn genomen omdat zij opstalhouder is en omdat de terbeschikkingstelling van de woning kaderde in de loonpolitiek van eiseres.

4.2.2.2. Vastgesteld moet worden dat verweerder niet ten gronde ingaat op het afzonderlijk door eiseres naar voorgebrachte middel dat minstens voor bepaalde facturen, waarvan de aftrek van de BTW wordt verworpen, niet voldaan is aan het bewijs dat dit gebeurde met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Blijkbaar beperkt verweerder zich tot de facturen van de onderaannemers die vermeld worden in de gerechtelijke dossiers en wordt slechts summier ingegaan op de 'verworpen aftrek overige zaken' (punt 4.2.3. op blz. 28 syntheseconclusie verweerder). Gemeld wordt dat de uitgaven waarvoor er geen factuur werd voorgelegd, uitgaven die bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan de economische activiteit en uitgaven die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 § 1, 1° BTW-Wb., uitvoerig werden besproken in het PV van taxatie van 19 november 2021 (stuk 2 verweerder). De stelling van eiseres dat de uitgaven voor de oprichting en inrichting van de woning belastbare handelingen zouden zijn, wordt volgens verweerder niet geconcretiseerd. Ter zake zou in het kader van de taxatie door de bestuurder van eiseres zelf verklaard zijn dat het ging om privéuitgaven.

Verder wordt bij de motivering van de opgelegde boete door verweerder, die ook enkel van toepassing is indien aangetoond is dat met opzet belastingen werden ontdoken, omzeggens enkel verwezen naar de facturen van de onderaannemers vermeld in het gerechtsdossier van A.W.. Voor de overige facturen waarvan de BTW wordt verworpen wordt door verweerder gesteld dat deze BTW systematisch en over een lange periode in aftrek werd gebracht terwijl deze betrekking hebben op privéaangelegenheden of dat er geen enkel bewijsstuk van kon worden voorgelegd.

4.2.2.3. Artikel 81bis § 1 BTW-Wb. bepaalt dat er verjaring is van de voldoening van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het 3de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Artikel 81bis § 1, tweede lid, 4° bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, er evenwel verjaring is na het verstrijken van het 7de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 en 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Voor de toepassing van de termijn van 7 jaar, moet derhalve worden aangetoond dat de overtredingen bedoeld in de artikelen 70 en 71 BTW-Wb. begaan werden met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Bedoeld zijn onder meer de overtreding van de verplichting de belasting te voldoen of nog, het op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek brengen van de belasting. Daarbij houdt het 'bedrieglijk opzet' in dat de overtreding werd begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Van 'oogmerk om te schaden' is sprake indien de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de belastingplichtige enig voordeel uit de handeling haalt. De bewijslast van de aanwezigheid van het 'bedrieglijk opzet' en 'oogmerk om te schaden', rust op verweerder.

4.2.2.4. Voor wat de aftrek van de BTW m.b.t. onderaannemers betreft die niet betrokken of vernoemd zijn in het strafdossier van A.W., is de rechtbank van oordeel dat daarvoor de administratie niet heeft gemotiveerd, laat staan bewezen, dat deze aftrek ten onrechte werd uitgeoefend met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Het gaat meer bepaald om de facturen van de onderaannemers cie5, cie6 en cie7 van het jaar 2014 en de facturen van cie8 van het jaar 2018. Merk daarbij op dat verweerder zelf beslist heeft om de facturen van cie8 van 2018 alsnog te aanvaarden (zie p. 28 syntheseconclusie verweerder en p. 49 onderaan van PV 19 november 2021). Van voornoemde facturen van het jaar 2014 is de rechtbank van oordeel dat hiervan niet het bewijs werd geleverd van de aanwezigheid van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Op p. 26/27 van het PV van 19 december 2021 (stuk 2 verweerder) wordt met betrekking tot de factuur van de BV E. enkel gesteld dat deze betrekking zou hebben op 2013 en verder dat uit onderzoek zou blijken dat deze vennootschap onder meer geen loonfiches indiende en dat er geen registratie was van werknemers van deze onderneming in de databank Dolsis. Met betrekking tot de factuur van de BV W. wordt ook vermeld dat deze vennootschap geen loonfiches indiende en dat er geen registratie was in Dolsis van de, volgens verweerder, enige werkende zaakvoerder op een werf. Het zelfde voor de facturen van de BV B. van 2014 en 2015. Geen loonfiches en blijkbaar geen werknemers in dienst en ook geen registratie ervan op een werf. Verder werden er m.b.t. deze firma's geen aannemingscontracten of verdere stukken zoals bestelbons voorgelegd. Deze door verweerder aangebrachte elementen, die vooral wijzen op onvolkomenheden in hoofde van de betrokken ondernemingen, bewijzen niet de aanwezigheid van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden in hoofde van eiseres. Een mogelijkheid of vermoeden volstaat ter zake niet als bewijs.

Gevolg is dat derhalve de aftrek van deze facturen van het jaar 2014 (10.885,98 EUR) en van de facturen m.b.t. de BV B. van 2015 (5.462,10 EUR) niet meer kon worden herzien einde 2021, zodat de invordering hiervan verjaard is.

4.2.2.5. Voor een aantal uitgaven van 2014 werden tijdens de controle door verweerder in 2021 geen facturen voorgelegd. Het gaat om facturen m.b.t. de aankoop van voornamelijk bouwmaterialen waarvan de facturen niet meer teruggevonden werden door eiseres maar waarvan door hem vermoed wordt dat het gaat om facturen m.b.t de afhandeling van schadegevallen (totaal bedrag aan aftrek verworpen van 9.383,26 EUR). Verder gaat het om uitgaven die betrekking zouden hebben op het magazijn achteraan de maatschappelijke zetel en werfcontainers. Van deze uitgaven van 2014 zou de echtheid niet bewezen zijn (totaal bedrag aan aftrek verworpen van 4.082,48 EUR). Uit hoofde van uitgaven aan de leverancier cie9 werd voor het jaar 2015 de aftrek van BTW voor een bedrag van 8.861,37 EUR verworpen. Ter zake wordt een opdrachtbrief voorgelegd waarbij de betrokken onderneming werkzaamheden voor eiseres zou verrichten zoals een audit, aanvraag van attest ISO, het bekomen van werven van de overheid en gemeenten. Na aanvraag kon eiseres van deze verrichte werkzaamheden geen stukken voorleggen. De betalingen werden cash gedaan en er werd een factuur dubbel geboekt. De cie9 diende zelf een nihilklantenlisting in. Tot slot zijn er nog 'andere uitgaven' die betrekking hebben op de jaren 2014 en volgende voor een totaal bedrag aan verworpen BTW van 31.238,26 EUR (voornamelijk van 2018 voor een bedrag van 24.137,07 EUR). Deze uitgaven hadden, nog volgens de vermeldingen in het PV van 19 november 2021 (stuk 2 verweerder, p. 56 e.v.), betrekking op privédoeleinden of op andere doeleinden dan voor de economische activiteit van belastingplichtige, zodat de BTW hiervan eveneens verworpen diende te worden. De loutere verklaringen dat dit niet het geval zou zijn of dat niet meer geweten was waarvoor deze aangekochte materialen dienden, zou niet volstaan. Indien geen verklaring kan worden gegeven voor bepaalde aankopen, dan wordt de BTW ervan verworpen. Voor bepaalde van de uitgaven heeft verweerder diepgaander onderzoek verricht zoals blijkt uit het PV van 19 november 2021.

Uit het PV van taxatie van 19 november 2021 blijkt dat verweerder weliswaar over de periode van 2014 tot en met 2018 een diepgaand onderzoek heeft gedaan naar de aftrekbaarheid van de BTW, waarbij het vaststaat dat eiseres voor een deel daarvan zelf heeft toegegeven, volgens de verklaringen vermeld in het PV, dat deze uitgaven betrekking hadden op privédoeleinden zodat de BTW ervan niet aftrekbaar is. Voor een groot deel van de vermelde facturen wordt de BTW verworpen omdat volgens verweerder geen of geen afdoende verklaring wordt gegeven. Nergens wordt evenwel gemotiveerd door verweerder dat er ter zake sprake is in hoofde van eiseres van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Het enige wat ter zake is terug te vinden in het PV van 19 november 2021 (stuk 2 verweerder, p. 66/76), is de vermelding bij de motivering van de opgelegde administratieve boete, in toepassing van artikel 70 § ibis BTW-Wb. dat het gaat om een systematisch en over een lange periode in aftrek brengen van BTW via de BTW-aangifte m.b.t. goederen en diensten die betrekking hebben op privéaangelegenheden (bouw van villa) of waarvoor geen enkel bewijsstuk kon worden voorgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft gemotiveerd, laat staan het bewijs heeft geleverd, dat er met betrekking tot deze uitgaven in hoofde van eiseres sprake is van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Het loutere feit dat niet aangetoond kan worden dat een uitgave betrekking heeft op de economische activiteit, dat niet de nodige bewijsstukken worden voorgelegd of nog dat een factuur niet voldoet aan de vormvoorwaarden voor de aftrek van de BTW, houdt niet in dat er sprake is in hoofde van de betrokken belastingplichtige van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden.

Voor wat de uitgaven betreft waarvan de heer K.A. zelf toegaf dat deze betrekking hadden op privédoeleinden, moet worden vastgesteld dat eiseres stelt dat, voor wat de uitgaven met betrekking tot de privéwoning betreft, er sprake zou zijn van een stilzwijgende verzaking van het recht van natrekking (niet betwist wordt dat eiseres eigenaar is van de grond) en dat dit zou kaderen in de loonpolitiek van eiseres. Ter zake wordt evenwel geen enkel stuk voorgelegd door eiseres waardoor dit wordt onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Aan de andere kant blijkt wel (stuk 22 verweerder) dat voor de privéuitgaven die door eiseres werden gedaan, minstens deels crediteringen gebeurden op de rekening-courant van de heer K.A. in eiseres, dan wel dat deze hierop werd belast onder de vorm van een bezoldiging (voordeel van alle aard). Het is dan ook aanneembaar dat in hoofde van eiseres om deze reden met betrekking tot deze zogezegde privéuitgaven geen bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden aanwezig is.

Gevolg van het gebrek aan de motivering en het bewijs van de aanwezigheid van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden met betrekking tot deze uitgaven, is dat de invordering van de BTW met betrekking tot deze 'overige uitgaven', over de jaren 2014 tot en met 2017, ten bedrage van 29.628,30 EUR verjaard is.

Voor wat het jaar 2018 betreft (verworpen aftrek van 24.137,07 EUR), moet worden opgemerkt dat voor de verwerping van de aftrek van deze BTW, geen bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden moet worden aangetoond door verweerder. Dit gelet op het feit dat de vordering van de administratie uitvoerbaar werd verklaard op 29 december 2021 en derhalve, voor het jaar 2018, binnen de driejarige termijn van artikel 81bis BTW-Wb. Eiseres stelt in dit verband evenwel, in het algemeen, dat verweerder aldus het bestemmings- en neutraliteitsbeginsel en 'substance over form' schendt (zie verder hierna onder punt 4.2.4.).

4.2.3. Aftrek van de BTW m.b.t. de onderaannemers met een band met A.W.

4.2.3.1. Eiseres is van oordeel dat de BTW met betrekking tot de facturen van de betrokken onderaannemers aftrekbaar is. Daarbij wordt ook verwezen naar het feit dat de facturen betrekking hebben op 'werken in onroerende staat' en dus onderworpen zijn aan de verlegging van de heffing zodat de medecontractant of eiseres zelfde BTW moet aangeven en betalen via de BTW-aangifte.

Eiseres betwist het fictief karakter van de facturen en wijst op het feit dat zij in de gerechtsdossiers niet in verdenking werd gesteld. Daarbij wijst eiseres ook op het feit dat de heer A.W. terugkwam op zijn verklaringen dat de betrokken facturen fictief zouden zijn. Eiseres stelt dat de facturen in haar BTW-aangiften werden verwerkt volgens de voorschriften, met als gevolg dat het recht op aftrek van de BTW haar niet kan worden ontzegd. Tot bewijs verwijst eiseres naar de documenten die zij in de procedure neerlegde met de onderaannemingscontracten, de diverse facturen met eventueel de prestatiebonnen en het overzicht van de betalingsbewijzen van de bank van de facturen aan de onderaannemers. Verder verwijst eiseres naar de door haar opgestelde facturen aan haar opdrachtgevers, waarbij zij deze werken enkel kon verrichten door beroep te doen op de externe werkkrachten van de onderaannemers (stukken 11 e.v. eiseres).

Verweerder is volgens eiseres volkomen willekeurig en arbitrair te werk gegaan. Door alle uitgaande facturen van eiseres aan de BTW te onderwerpen, heeft verweerder de werkelijkheid van de uitgevoerde werken erkend. Vervolgens haalt eiseres het principe aan dat de aftrek van de BTW enkel kan worden verworpen in het geval dat de ontvanger wist of had moeten weten dat de aan hem verrichte levering of dienst het voorwerp uitmaakte van fraude.

4.2.3.2. Verweerder verwijst naar de gerechtsdossiers die handelen over de facturen, waaronder de facturen aan eiseres, die werden opgesteld door vennootschappen die getinkt zijn aan de heer A.W.. Uit de gerechtelijke dossiers volgt, aldus nog verweerder, dat in de betrokken vennootschappen geen personeel tewerkgesteld was en dat de door deze vennootschappen opgestelde facturen fictief zijn. Verder blijkt uit de gerechtelijke dossiers dat de betalingen van de betrokken facturen, zoals ook door eiseres, gebeurden aan vennootschap cie10 en niet op naam van de vennootschappen die de facturen uitschreven. Het geld werd dan door A.W. overgeschreven naar één van zijn vennootschappen, waarna het geld door deze werd afgehaald en cash terugbetaald aan eiseres, onder afhouding van een commissie. Het feit dat de heer A.W. zijn verklaring introk na een confrontatie met de bestuurder van eiseres, waarna ineens de heer R.V.Z. op de voorgrond werd gebracht, is ongeloofwaardig, te meer omdat eiseres meldde betrokkene niet te kennen. Ook door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, werd in het vonnis van 18 november 2022 bevestigd dat de betrokken prestaties fictief zijn en de facturen vervalst. Het vonnis werd, aldus verweerder, bevestigd door het hof van beroep te Gent in het arrest van 29 juni 2023.

Verweerder verwijst nog naar het eigen fiscaal onderzoek, waaruit eveneens volgt dat de uitgereikte facturen niet overeenstemmen met de werkelijkheid.

Verweerder verwijst in dit verband naar het gebrek aan stukken zoals contracten, bestelbonnen, de registratie op de werven, ... Al deze elementen wijzen erop dat de facturen van de betrokken onderaannemers niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 § 1, 1° BTW-Wb. en dat de aftrek van de BTW terecht werd verworpen.

Verweerder is van oordeel dat eiseres met de in laatste instantie door haar voorgelegde stukken niet het tegendeel bewijst. Eiseres tracht aan te tonen dat er extra werkkrachten nodig waren om de door haarzelf gefactureerde prestaties te kunnen uitvoeren. Verweerder stelt dat de onderaannemers waarnaar in stuk 11 van eiseres verwezen wordt, niet voorkomen in het PV van 19 november 2021. Vervolgens overloopt verweerder verder de door eiseres neergelegde stukken 12 e.v. om te besluiten dat de alsnog neergelegde stukken, waarnaar eerder was gevraagd, niet meer controleerbaar zijn. Uit de stukken blijkt niet dat effectief werkzaamheden door de betrokken onderaannemers werden uitgevoerd. Daarbij wijst verweerder ook op inconsequenties zoals het gebruiken van een naam van een vennootschap in een overeenkomst en op facturen, nog voordat de naam bestond en verder het melden van adresgegevens op facturen nog voordat het nieuwe adres werd overgemaakt. Nooit zijn er aanmeldingen op werven geweest van de betrokken onderaannemers. De nummers van bestelbonnen werden gewijzigd en er werden bestelbonnen opgesteld na de facturen.

4.2.3.3. De rechtbank is van oordeel dat de facturen die werden opgesteld door onderaannemers die een link hebben met de heer A.W., niet overeenstemmen met de werkelijkheid en derhalve fictief of vals zijn en geen recht geven op aftrek van de BTW.

Dit volgt niet enkel uit de gegevens (PV's) die bijgebracht worden uit de gerechtelijke dossiers en uit de door verweerder zelf uitgevoerde controle zoals weergegeven in het PV van 19 november 2021. Dit volgt eveneens uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 18 november 2022, waarin de rechtbank het volgende besliste in verband met de betrokken facturen (stuk 15 verweerder):

"28. Over de materiële misdriifbestanddelen van facturenzwendel en de daarmee verband houdende btw-fraude

De rechtbank oordeelt dat ook de facturenzwendel zoals omschreven in de strafinformatie bewezen is. In dat verband verwijst de rechtbank naar :

- de initiële heldere en spontane bekentenissen van de eerste beklaagde, waaruit blijkt dat cie11 aan verschillende bedrijven (waaronder cie1 en bv ... fictieve facturen leverde, waarin prestaties werden vermeld die niet werkelijk uitgevoerd werden (of, voor cie10, goederen die niet werkelijk geleverd werden); deze facturen stonden de klanten toe om een zwarte kas te creëren; op basis van deze facturen schreven deze klanten gelden over naar de rekening van cie10 die deze op haar beurt overmaakte aan cie12, waar de gelden in contanten werden afgehaald en, na afhouding van een commissie van 4% tot 6%, terug bezorgd werden aan de klanten;

- de vaststelling dat de verklaringen van de eerste beklaagde verenigbaar zijn met het Whats App verkeer dat werd aangetroffen op de telefoon van de eerste beklaagde ter gelegenheid van de huiszoekingen op 15 januari 2019;

- de vaststelling dat uit niets blijkt dat de eerste beklaagde beschikte

over personeel dat de in de facturen vermelde werken kon uitvoeren;

- de resultaten van de telefoontap en het onderzoek van het informaticasysteem van de eerste beklaagde, waaruit geen enkel element of document naar voor komt dat erop wijst dat de eerste beklaagde personeel rekruteerde of aanstuurde om grondwerken uit te voeren of dat hij (de stand van zaken op) enige werven opvolgde;

- de resultaten van het bankonderzoek, waaruit de omvangrijke afhalingen van contante bedragen van de bedrijfsrekeningen) van cie12 blijken (zie tenlasteleggingen G2 en H2), die sporen met de verklaringen van de eerste beklaagde dat hij cash gelden van deze rekening(en) afhaalde om aan de ontvangers van de facturen te overhandigen;

- de volgehouden bekentenissen van de tweede beklaagde, die — ook bij confrontatie met de eerste beklaagde — aangaf dat hij facturen had opgemaakt (voor .. en cie16) maar nooit werken had laten uitvoeren en dat aan de facturen geen werkelijke prestaties ten grondslag lagen; de tweede beklaagde stelde op geloofwaardige wijze dat hij geen personeel had en ook niet wist wie hij daarvoor zou moeten aanspreken.

Noch de ontkennende verklaringen van de heer K.A. als aangestelde voor cie1 en van ..., noch de door hen bijgebrachte stukken, noch de gewijzigde verklaringen van de eerste beklaagde toen hij geconfronteerd werd met de heren K.A. en ... zijn van aard om het standpunt van de rechtbank te wijzigen.

Immers, uit geen van deze verklaringen of stukken blijkt in concreto dat de eerste beklaagde de in de facturen vermelde diensten daadwerkelijk uitvoerde of liet uitvoeren. De eerste beklaagde schoof tijdens de confrontaties met de heren K.A. en ... de schuld in de schoenen van de tweede beklaagde (die op dat ogenblik nog spoorloos was) en bleef bijzonder vaag over de wijze waarop de werken dan wel uitgevoerd konden zijn. Bovendien blijven de vaststellingen (1) dat er geen enkel spoor is naar enige daadwerkelijke uitvoering van werken door of via de eerste beklaagde, (2) dat de eerste beklaagde niet over personeel beschikte om deze werken uit te voeren of te laten uitvoeren en (3) dat tijdens de telefoontap geen enkel gesprek ging over het uitvoeren van deze werken of het opvolgen van werven, overeind. Mochten er daadwerkelijk werken in onderaanneming uitgevoerd zijn, dan zou het onderzoek sporen in die richting blootgelegd hebben, ofwel via de telefoontap op nummers van de eerste beklaagde, ofwel in de documenten op diens computer of internetsysteem. Het ontbreken van ieder spoor in die richting is naar het oordeel van de rechtbank decisief.

De rechtbankbesluit dat het openbaarministerie de facturen voorwerp van tenlastelegging D3 terecht vals noemt in de zin van artikel 73bis WBTW. Evenzeer is bewezen dat de Belgische vennootschappen vermeld onder tenlastelegging F de aldus valselijke gefactureerde Belgische btw — die verschuldigd is door het loutere feit dat hij werd gefactureerd, ook al werden de prestaties niet werkelijk geleverd — niet correct opnamen in hun btw-aangiften — voor zover zij al aangifte deden, zie randnummer 9 — en de verschuldigde btw niet afdroegen (tenlastelegging F)."

Voor zoveel als nodig zij opgemerkt dat de eerste beklaagde de heer A.W. was en de tweede beklaagde, de heer R.V.Z.. Verder worden de facturen van de vennootschappen cie11, de cie12, de cie13, de cie14 en de cie10 aangehaald in het vonnis. Merk verder op dat het vonnis als dusdanig niet bevestigd werd door het hof van beroep te Gent in het arrest van 29 juni 2023 (stuk 16 verweerder). Het hof verklaarde het hoger beroep onontvankelijk wegens laattijdigheid.

Eiseres merkt terecht op dat zij geen partij was in de aangehaalde zaken voor de strafrechter. Met als gevolg dat het vonnis haar niet tegenstelbaar zou zijn en eiseres aldus niet gebonden is door hetgeen de strafrechter besliste en dit standpunt derhalve kan weerleggen. Verder verwijst eiseres herhaaldelijk naar het feit dat de Procureur des Konings besliste haar en haar bedrijfsleider niet te vervolgen en dat eiseres niet in verdenking werd gesteld en dus niet veroordeeld werd. Eiseres leidt hieruit af dat de zaak lastens haar zonder gevolg werd afgesloten en dat er daarom ook geen bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres aanwezig zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres een foutieve conclusie trekt uit het feit dat beslist werd niet strafrechtelijk tot haar vervolging over te gaan. Deze keuze kwam er ingevolge het una-via overleg dat plaatsvond met verweerder en waarin uitdrukkelijk besloten werd dat de procedure lastens eiseres via administratieve weg verder zou worden afgehandeld (stuk 17 verweerder). Hieruit volgt dus geenszins dat besloten zou zijn dat er met betrekking tot de facturen van de vennootschappen gelinkt aan de heer A.W., geen sprake zou kunnen zijn in hoofde van eiseres van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden.

Waar eiseres inderdaad niet gehouden is door het betrokken vonnis, gelet op het feit dat zij in de strafzaak geen partij was, stelt de rechtbank evenwel vast, zoals eerder de administratie op basis van de gegevens van het gerechtelijk dossier en haar eigen onderzoek, dat de heer A.W. en de aan hem getinkte vennootschappen zich schuldig hebben gemaakt aan facturenzwendel en daarmee verband houdende BTW-fraude. Daarbij worden ook uitdrukkelijk de facturen aangehaald die door de betrokken vennootschappen werden gericht aan eiseres. Het gaat ter zake om een beoordeling van de feiten die ook eiseres aanbelangen en die door haar niet weerlegd worden. De rechtbank maakt zich bij deze de argumentatie van de correctionele rechtbank zoals vermeld in het vonnis van 18 november 2022 tot de hare en beslist dat uit het geheel van de voorgelegde stukken volgt dat de facturen zoals gericht door de vennootschappen verbonden aan de heer A.W. aan eiseres, niet overeenkomen met de werkelijkheid en derhalve vals zijn. Eiseres kan niet voorhouden dat zij daarvan onwetend was en hierin geen rol heeft gespeeld, al was het maar om de betrokken facturen te aanvaarden, te betalen en op te nemen in haar BTW-aangiftes, zodat het bedrieglijk opzet en oogmerk om te schaden in hoofde van eiseres wel degelijk aangetoond is.

In opvolging daarvan werd de aftrek van de BTW met betrekking tot de facturen cie15, de cie12, cie13, cie11, cie10 en cie14 terecht verworpen. Het feit dat de facturen van de jaren 2015 en 2016 uitgaande van cie15 en de cie12, niet het voorwerp uitmaakten van het vonnis van de correctionele rechtbank, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Gelet op de gegevens uit het eigen onderzoek van de administratie en de vaststaande binding met de heer A.W., volgt ten genoege dat ook deze facturen fictief en derhalve vals zijn. Dit heeft ook tot gevolg dat de BTW met betrekking tot deze facturen niet voor aftrek in aanmerking komt. Gelet op het feit dat eiseres aan de fraude heeft deelgenomen en de werking van het stelsel van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in gevaar heeft gebracht, kan eiseres zich ter zake niet beroepen op het neutraliteitsbeginsel om te stellen dat de BTW alsnog aftrekbaar zou zijn. Eiseres haalt in dit verband zelf de rechtspraak aan van het Europees Hof van Justitie waarin dit wordt bevestigd (p. 14 onderaan syntheseconclusie eiser). Verder wordt ook verwezen naar de rechtspraak zoals aangehaald door verweerder (p. 29-30 syntheseconclusie verweerder). Ingeval van bedrog of misbruik kunnen belastingplichtigen zich niet op het Unierecht beroepen. Het feit dat het gaat om facturen waarvoor de verleggingsregeling werd toegepast, speelt daarbij geen rol, aangezien de aanwezigheid van het bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden is aangetoond.

4.2.4. Schending van het bestemmings- en neutraliteitsbeginsel en 'substance over form"

4.2.4.1. Eiseres geeft een uitgebreide uiteenzetting over het bestemmings- en neutraliteitsbeginsel in de BTW en het feit dat de aftrek van de BTW daarbij een essentiële rol speelt. Het is voldoende dat er een verband is met de goederen en diensten die de belastingplichtige gebruikt of bestemt voor het verrichten van belastbare verrichtingen. Ook wanneer het gaat om handelingen die in de toekomst zullen gesteld worden, is de BTW aftrekbaar. Het is daarbij niet vereist dat deze handelingen reeds onmiddellijk zelf belastbare inkomsten opbrengen. Verwezen wordt verder naar de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie waarin deze principes worden uiteengezet.

Het is verder, aldus nog eiseres, niet aan de administratie om te oordelen over de opportuniteit van bepaalde uitgaven. Eiseres stelt dat de oprichting en inrichting van de ... wel degelijk bestemd was voor het uitvoeren van belaste handelingen als bedoeld in artikel 45 § 1 BTW-Wb. Het onroerend goed wordt voor belastbare handelingen gebruikt of bestemd.

Verder beroept eiseres zich op het neutraliteitsbeginsel voor de uitgaven waarvoor geen factuur kan worden voorgelegd. Eiseres verwijst naar de rechtspraak die stelt dat de BTW in aftrek moet worden aanvaard wanneer aangetoond is dat de materiële voorwaarden daartoe vervuld zijn ('substance over form'). Eiseres is van oordeel dat in die omstandigheden ten onrechte de voorbelasting verworpen werd, verbonden aan de uitgaven opgesomd op pagina 51 van het PV van taxatie van 19 november 2019.

4.2.4.2. Verweerder stelt dat de BTW niet in aftrek kan geworden gebracht, niettegenstaande de door het Unierecht ingestelde principes zoals door eiseres verwoord, indien er in hoofde van de belastingplichtigen sprake is van het opzettelijk deelnemen aan belastingfraude waardoor het functioneren van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in gevaar wordt gebracht.

4.2.4.3. Hiervoor werd reeds beslist dat voor de facturen uitgaande van de vennootschappen die een link hebben met de heer A.W., de BTW niet aftrekbaar is, omdat daarvan bewezen is dat eiseres opzettelijk heeft deelgenomen aan de fraude met betrekking tot deze facturen zodat daarvoor de door eiseres aangehaalde principes uit het Unierecht niet van toepassing zijn. Verder heeft de rechtbank eerder reeds beslist dat de invordering van de BTW met betrekking tot de andere uitgaven die betrekking hebben op de jaren 2014 tot en met 2017 verjaard is. Bijgevolg kunnen de door eiseres ingeroepen argumenten in verband met het bestemmings- en neutraliteitsprincipe en het beginsel van 'substance over form' enkel betrekking hebben op de andere uitgaven met betrekking tot het jaar 2018, waarvoor verder door de rechtbank reeds werd aanvaard dat hiervoor het bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden niet aangetoond is.

Eiseres verwijst dienaangaande terecht op de daarbij geldende principes maar laat na concreet aan te geven voor de betrokken uitgaven waarom deze dan ook effectief gebruikt of bestemd zijn voor het stellen van belastbare handelingen. Daarbij heeft de bedrijfsleider van eiseres zelf tijdens het onderzoek van de administratie gemeld dat de meeste van de betrokken uitgaven betrekking hebben op privézaken. Het is niet zo, zoals eiseres het laat voorkomen, dat in eerste instantie de BTW met betrekking tot iedere uitgave die verricht wordt door eiseres als vennootschap aftrekbaar is, en dat het aan verweerder zou toekomen om aan te tonen dat dit niet zo is. Waar mogelijk de BTW principieel aftrekbaar is, is het, in geval de administratie de aftrek van de BTW in vraag stelt, aan eiseres om aan te tonen of minstens aannemelijk te maken dat aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden voldaan is en dat de uitgaven werden verricht of bestemd met het oog op het stellen van belastbare handelingen. Dit geldt des te meer indien eiseres zelf stelt dat de uitgaven betrekking hadden op privézaken. Vastgesteld moet worden dat eiseres nalaat dienaangaande enige verduidelijking te verstrekken, zodat de aftrek van de BTW m.b.t. de andere uitgaven van het jaar 2018 terecht werd verworpen.

4.2.5. De administratieve boete van 200

4.2.5.1. Eiseres is van oordeel dat de opgelegde administratieve boete niet naar behoren werd gemotiveerd overeenkomstig artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 en de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Gevolg is de nietigheid van de opgelegde geldboete.

Verder is eiseres van oordeel dat de geldboete in strijd is met het 'non bis in idem'-beginsel. Eiseres stelt dat zij het voorwerp heeft uitgemaakt van een strafrechtelijk onderzoek waarbij het Openbaar Ministerie beslist zou hebben om haar niet te vervolgen.

Tot slot vraagt eiseres om de geldboete kwijt te schelden dan wel te verminderen. Nagegaan moet worden, aldus nog eiseres, of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve boete van een dergelijke omvang. Deze bevoegdheid ontleent de rechter, aldus nog eiseres, aan artikel 6 EVRM zodat het feit dat niet eerst een genadeverzoek werd ingediend, hieraan geen afbreuk doet. Daarbij merkt eiseres op dat een geldboete van 200 % een sanctie is in de zin van artikel 6 EVRM. In casu is eiseres van oordeel dat gelet op het tijdsverloop (meer dan 10 jaar), de sanctie zijn ontradende en repressieve functie totaal voorbijschiet. De bestraffing moet worden beoordeeld in het licht van de 'redelijke termijn'-vereiste.

Eiseres stelt dat in het kader van de evenredigheidstoets een proportionele en evenwichtige sanctionering ook kan worden bereikt door het verlenen van uitstel van de tenuitvoerlegging van de geldboete. Dit geldt ook inzake BTW-discussies. Wanneer de fiscale rechter oordeelt dat er uitstel moest zijn verleend indien de wet in die maatregel had voorzien, verleent hij het passende herstel door de toepassing van de administratieve sanctie te weigeren. In casu verzoekt eiseres om uitstel van de tenuitvoerlegging van de administratieve boete van 200 %. Eiseres wijst in dit verband nog naar het blanco fiscale strafblad van eiseres.

4.2.5.2. Verweerder stelt dat gelet op het frauduleuze karakter van het handelen van eiseres de boete van 200 % verantwoord is. Daarbij werden, aldus nog verweerder, systematisch onjuiste aangiften in de BTW ingediend. Volgens verweerder werd er met opzet belasting ontdoken door gebruik te maken van valse facturen opgesteld door vennootschappen van de heer A.W..

Eiseres kan de echtheid van de prestaties van de zogenaamde onderaannemers niet aantonen.

Daarnaast heeft eiseres ook systematisch en over een langere periode BTW in aftrek gebracht m.b.t. goederen en diensten die betrekking hebben op privéaangelegenheden zoals de bouw van de woning van de heer K.A. en diens echtgenote of waarvoor geen enkel bewijsstuk is voorgelegd.

Volgens verweerder is gelet op het frauduleuze karakter van het handelen van eiseres de boete van 200 % ten volste verantwoord en is er geen reden om kwijtschelding of uitstel voor de boete toe te staan. Tot slot merkt verweerder nog elders op dat van een 'non bis in idem' geen sprake is omdat eiseres noch vrijgesproken, noch strafrechtelijk veroordeeld is. In het kader van de una-via regelgeving werd beslist om de afhandeling aan de fiscale administratie over te laten.

4.23.3. Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, is er in casu geen reden voor de toepassing van het 'non bis in idem'-beginsel. Het feit dat via het 'una-via'-overleg werd besloten dat de fiscale administratie verder zou zorgen voor de afhandeling van het dossier van eiseres (stuk 17 verweerder), houdt niet in dat er sprake is van een buitenvervolgingstelling zoals eiseres verkeerdelijk stelt, noch van een beslissing over het al dan niet schuldig zijn van eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat de administratie geldboete van 200 % voldoende gemotiveerd werd in de zin van artikel 109 van de Wet van 4 augustus en de Wet van 29 juli 1991. Gemeld wordt op basis van welke wettelijke bepalingen de geldboete van 200 % wordt opgelegd en om welke redenen.

Artikel 1, laatste lid van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 bepaalt dat de in de tabellen A tot J van de bijlagen bij dit besluit opgenomen schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Artikel 70 § ibis BTW-Wb. bepaalt dat ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbel (200 %) van die belasting verbeurt.

Hiervoor werd beslist, dat de vordering met betrekking tot de andere 'uitgaven' met betrekking tot de jaren 2014 tot en met 2017 voor een bedrag van 29.628,30 EUR, verjaard is aangezien ter zake geen bedrieglijk opzet aangetoond is. Dit geldt eveneens voor de facturen van de onderaannemers van het jaar 2014 (10.885,98 EUR) en van de facturen m.b.t. de BV B. van 2015 (5.462,10 EUR), die niet meer konden worden herzien einde 2021, zodat de invordering hiervan eveneens verjaard is.

Verder heeft de rechtbank met betrekking tot de andere facturen van het jaar 2018 (21.137,07 EUR), waarvoor er geen verjaring is, beslist dat er in dit verband geen bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden aangetoond is, maar dat niettemin eiseres niet ten genoege heeft aangetoond dat deze uitgaven gebruikt of bestemd zijn voor de uitoefening van de economische activiteit. Gelet op de afwezigheid van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden, is op dit bedrag geen administratie geldboete van 200 % van toepassing, maar wordt deze door de rechtbank herleid tot 20 %.

Voor de aftrek van de BTW met betrekking tot de facturen van de onderaannemers die een band hebben met de heer A.W., en waarvan de rechtbank oordeelde dat in dat verband het bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres aangetoond is, is in beginsel een proportionele boete van 200 % van toepassing op de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW. Het is niet betwist dat proportionele geldboeten inzake BTW een strafrechtelijk karakter hebben omdat ze tot doel hebben een bepaald gedrag te bestraffen teneinde herhaling te voorkomen, eerder dan als schadevergoeding te gelden (E.H.R.M. 21 februari 1984, F.J.F. No. 94/104 (0ztürk), zie ook E.H.R.M. 29 augustus 1997, R.W. 1998¬99, 511; E.H.R.M. 27 maart 1998, Fiscoloog 1998, nr. 656, 7). Het Hof van Cassatie heeft reeds in haar arrest van 25 mei 1999 deze rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bijgetreden (zie o.m. Cass. 25 mei 1999, F.J.F. No. 99/126; zie ook Brussel 12 oktober 2000, T.F.R. 2001, 194, noot S. HUYGE; Cass. 26 juni 2000, T.F.R. 2000, 971, noot M. MAUS; Antwerpen 13 juni 2000, niet gepubl.; Antwerpen 29 juni 1999, F.J.F. No. 99/286). Gelet op het feit dat het gaat om een administratieve sanctie met een strafrechtelijk karakter, moet de wettigheid van de sanctie worden nagegaan en in het bijzonder of deze verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Onder meer het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de rechter aldus over een volle rechtsmacht beschikt om over deze administratieve sancties te oordelen en om deze desgevallend te verminderen in de mate dat deze boetes ook onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie vallen.

Aangezien in casu geen verzoek werd gedaan voor een vermindering of kwijtschelding van de boetes volgens artikel 9 van het Regentsbesluit, heeft de administratie hierover niet kunnen oordelen met als gevolg dat in principe ook de rechter in casu deze bevoegdheid niet zou hebben. De rechtbank is van oordeel dat, nu vaststaat dat de opgelegde proportionele boete van 200 onbetwistbaar moet worden beschouwd als een sanctie met een strafrechtelijk karakter, aan de belastingplichtige alle waarborgen en rechten moeten worden verleend die hij ook zou hebben indien het ging om een opgelegde strafsanctie. Dit houdt in dat de rechtbank van oordeel is dat zij met volle rechtsmacht kan oordelen over de opgelegde sanctie. Het feit dat in casu niet effectief door eiseres een beroep werd gedaan op het Regentsbesluit om een kwijtschelding of vermindering te bekomen, belet niet dat deze mogelijkheid wel degelijk bestaat en de administratie wel degelijk de bevoegdheid heeft om de opgelegde proportionele boetes te verminderen. Uit artikel 6 van het EVRM en het Unierecht volgt rechtstreeks dat een sanctie in overeenstemming moet zijn met de algemene beginselen waaronder het evenredigheidsbeginsel zodat, eenmaal vaststaat dat het gaat om een sanctie met een strafrechtelijk karakter, de evenredigheidstoetsing aan de orde is en indien gevraagd door de belastingplichtige, door de rechter moet worden beoordeeld. En dit afgezien van de vraag of een beroep werd gedaan op het Regentsbesluit of niet. Daarbij was verweerder, die ook op basis van het Regentsbesluit zou moeten beslissen over een gevraagde kwijtschelding of vermindering, in de gelegenheid, nu de evenredigheidstoetsing door eiseres werd gevraagd voor de rechtbank, om zich hierover uit te spreken en haar rechten dienaangaande te doen gelden. Het weze ten andere opgemerkt dat indien deze toetsing nu niet wordt toegelaten, het de belastingplichtige nog steeds vrijstaat om dan later nog een beroep te doen op het Regentsbesluit, waarvan het dan zonder meer vaststaat dat daartegen voor de rechtbank kan worden opgekomen en waarbij de rechtbank dan wel, zonder enige discussie, volle rechtsmacht heeft. Het druist in tegen het beginsel van het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, zoals eveneens vervat in artikel 6 van het EVRM, om deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel te ontzeggen indien dit aan het oordeel van de rechtbank wordt voorgelegd waarbij verweerder wel degelijk de mogelijkheid had zich hierover uit te spreken.

In casu is de rechtbank evenwel van oordeel dat een proportionele boete van 200 % evenredig is met de begane inbreuken. Voor de vennootschapsbelasting werd eveneens een belastingverhoging van 200 % toegepast, hetgeen bevestigd werd bij vonnis van 15 april 2026 (stuk 22 verweerder). Het bedrieglijk opzet en oogmerk om te schaden is aangetoond in hoofde van eiseres. Zij heeft bewust meegewerkt aan een systeem van valse facturen uitgaande van de vennootschappen verbonden met de heer A.W.. Door de opname van deze valse facturen in haar boekhouding en door hiervan melding te maken in de BTW-aangiftes, is er sprake van het gebruik van valse stukken waarvoor een evenredige geldboete van 200 % gerechtvaardigd is. En dit ondanks het feit dat als dusdanig, door de verlegging van de heffing de Belgische Staat, buiten een mogelijk financieringsvoordeel, geen schade geleden heeft. Zoals gemeld gaat het in casu evenwel niet over een schadevergoeding, maar om een strafsanctie, waarover geen discussie bestaat.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er gelet op de ernst van de inbreuk met het gebruik van valse stukken geen reden is om in casu uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen voor de administratieve geldboete.

4.2.6. De nalatigheidsinteresten

Eiseres verzoekt de terugbetaling van de reeds betaalde of ingehouden sommen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten die volgens eiseres gekapitaliseerd moeten worden overeenkomstig artikel 1154 BW (oud).

Daarbij moet worden opgemerkt dat de berekening van de moratoriuminteresten met de verwijzing naar de regels geldende in burgerlijke zaken, en dus eventueel met toepassing van de kapitalisatie op basis van artikel 1154 BW mits alle voorwaarden ervan voldaan zijn, werd gewijzigd met ingang van 1 januari 2023 door de Wet van 20 november 2022. Met ingang van 1 januari 2023 wordt niet meer verwezen naar de regels geldende in burgerlijke zaken. Aan de hand van de stukken en de door eiseres neergelegde conclusies blijkt dat de kapitalisatie door eiseres pas gevraagd werd in de synthesebesluiten neergelegd op 3 juli 2024 zodat deze in principe niet van toepassing is. Verder merkt de rechtbank op dat zij geen kennis heeft van eventuele betaalde of ingehouden bedragen lastens eiseres, zodat niet kan nagegaan worden of een eventuele kapitalisatie van toepassing is.

5. Gerechtskosten

Eiseres wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet derhalve de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, is geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

- verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

- verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond:

de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500248234288, in de mate dat deze betrekking heeft op de verworpen aftrek van de BTW m.b.t. de facturen van de onderaannemers van het jaar 2014 (10.885,98 EUR) en van de facturen m.b.t. de BV B. van 2015 (5.462,10 EUR) en die niet meer konden worden herzien einde 2021, is ongegrond wegens verjaring;

- de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500248234288, in de mate dat deze betrekking heeft op de verworpen aftrek van de BTW m.b.t. de facturen van de 'andere uitgaven' van de jaren 2014 tot en met 2017 voor een bedrag van 29.628,30 EUR, en die niet meer konden worden herzien einde 2021, is ongegrond wegens verjaring;

de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500248234288, in de mate dat deze betrekking heeft op de verworpen aftrek van de BTW m.b.t. de facturen van de andere 'uitgaven' van het jaar 2018, voor een bedrag van 21.137,07 EUR is gegrond, met uitzondering van de opgelegde evenredige boete die moet worden verminderd van 200 naar 20 %;

- beveelt dat de BTW-vordering opgenomen onder artikel 500248234288 moet worden herberekend en verminderd zoals hiervoor aangegeven;

- beveelt de terugbetaling van de aldus te veel betaalde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 § 4 en 5 BTW-Wb;

- veroordeelt eiseres tot de gerechtskosten.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 28 mei 2026, (…)

Aangehaalde teksten

3
KB nr. 3 art. 11 voorkomen
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 73bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8