Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 15.01.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel – 33ste Kamer
AR 2007/1579/A
- BTW
- op tegenspraak
- tussenvonnis – heropening der debatten op 07/12/009 om 14:00 uur voor 30 min.
In zake van :
De NV V. B., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. D. B. loco Mr. St. L., advocaat te …, … (ref. : …),
tegen :
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Federale Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, afdeling BTW, Tweede directie, op vervolging en benaarstiging van dhr. J. J., rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, met burelen te 1000 Brussel, Cantersteen 47/01,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, … (ref. : …),
Na beraad op 30 maart 2009 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 30 januari 2007,
• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 14/9/2007,
• de conclusie van verweerder, neergelegd. ter griffie op 16/1/2008 en 7/1/2009,
• de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 25/7/2008.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 30 maart 2009; waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1. Eiseres is actief in de olie-industrie en maakt deel uit van een internationale groep. Het maatschappelijk doel van eiseres betreft het verlenen van diensten aan ondernemingen van de groep die actief zijn in de olie-industrie in het kader van hun commerciële activiteiten en meer in het bijzonder ondersteunende diensten in het kader van onderzoek, promotie, verkoop, marketing, publiciteit, public relations, marktstudies en marktonderzoek en onderzoek naar exploitatiemethodes en exploitatiesystemen.
Eiseres factureert haar kosten door aan de Zwitserse moedervennootschap, de S.A. V., met zetel te …. Tussen beide vennootschappen werd een overeenkomst afgesloten tot het verlenen van diensten op 30 september 1983 (stuk 1 bundel eiseres). De overeenkomst voorziet in de betaling aan eiseres van een vergoeding gelijk aan haar kosten van uitbating verhoogd met 8 %. Na overleg met de administratie zou dit percentage zijn verhoogd tot 10 %.
De eigenlijke prestaties aan de moedervennootschap worden verricht door de heer M. W., die door de administratie werd erkend als buitenlands kaderlid.
Eiseres is ingeschreven als belastingplichtige sinds 1 februari 1983 onder het nummer BE ….
2. Op 29 september 2003 en 12 november 2003 werd door de administratie van verweerder een eerste controle uitgevoerd bij eiseres inzake de toepassing van de BTW-wetgeving over de periode 1/1/2001 tot 30/8/2003.
Op 16 december 2003 werden inbreuken vastgesteld in een correctie~opgave. Daarin werd een bedrag van € … gevorderd uit hoofde van BTW, € … en € … uit hoofde van administratieve geldboete, meer de intresten vanaf 21 september 2003.
Op 5 januari 2004 diende de gemachtigde van eiseres een bezwaarschrift in.
Op 16 maart 2004 werd een proces-verbaal opgesteld met als bijlage de correctie-opgave van 16 december 2003.
Op 25 maart 2004 werd een akte van inhouding opgesteld door de administratie van verweerder ten belope van € ….
3. Op 9 februari 2006 werd een tweede controle uitgevoerd bij eiseres inzake de toepassing van de BTW-wetgeving over de periode 1/1/2004 tot 31/12/2005.
Op 16 november 2006 werden de vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal. Daarin werd een BTW-schuld vastgesteld van € …, te vermeerderen met een geldboete van € … en intresten.
Enerzijds werd de aftrek van BTW verworpen wat betreft :
- Autokosten (50 %) : € …
- Belgacom : € …
- Takeldienst : € …
- Service d'eau : € …
- UPC Belgium : € …
Anderzijds weerhield de administratie van verweerder een inbreuk op de artikelen 13 en 20 BTW-Wetboek, omdat eiseres als een commissionair dient te worden aanzien. Daardoor zouden een aantal kosten zijn doorgerekend aan de moedervennootschap van eiseres met vrijstelling van BTW. Volgens de administratie van verweerder had eiseres een bedrag van … euro moeten aanrekenen op deze uitgaande verrichtingen.
Op 1 december 2006 werd het BTW-tegoed van de rekening-courant ten belope van € … toegerekend op de BTW-schuld vastgesteld in het proces-verbaal van 16/11/2006.
Op 6 december 2006 werd een dwangbevel uitgevaardigd door de administratie van verweerder, dat op 12 december 2006 aan eiseres werd betekend met bevel tot betalen.
4. Op 31/1/2007 diende eiseres een verzoekschrift in overeenkomstig artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek strekkende tot fiscaal verhaal, waarin eiseres verzet doet tegen voornoemd dwangbevel.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
5. De vordering van eiseres, zoals geformuleerd in haar synthesebesluiten, strekt ertoe "de vordering van de Belgische Staat vertegenwoordigd door de BTW-administratie en zoals opgenomen in het dwangbevel van 12/12/2006, tot betaling door eiseres van een bedrag van BTW, ingevolge de controle voor de periode 01/01/2004 tot en met 31/12/2005, slechts gegrond te verklaren ten belope van € … in hoofdsom, dienvolgens de Belgische Staat te veroordelen tot betaling aan eiseres van de moratoriumintresten op het bedrag van … euro in hoofdsom te rekenen vanaf 31/1/2004 tot en met 12 januari 2007, i.e. € …, dienvolgens de Belgische Staat te veroordelen tot teruggave van de ten onrechte geïnde bedragen. De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding".
Verweerder vordert de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
6. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.
3.2. Gegrondheid
3.2.1. Aftrek van BTW
7. Wat de beweerdelijk ten onrechte in aftrek gebrachte BTW betreft betwist eiseres enkel nog de door de administratie verworpen aftrek van de BTW op facturen Belgacom (zie p. 3 in fine van haar synthesebesluiten).
8. De betrokken kosten betreffen een pand te … dat eigendom is van de NV V. I. B. en dat ter beschikking wordt gesteld van de gedelegeerd bestuurder van eiseres. Het betrokken pand heeft volgens eiseres een dubbele functie. Het is met name bestemd als woning en als verblijf van alle relaties of leden van de internationale groep. Er worden dan ook geen hotelkosten in rekening gebracht. De telefoonlijnen zouden zijn verbonden met een telefooncentrale en de gedelegeerd bestuurder van eiseres zou dagelijks gebruik maken van telefoon, fax en internet. De daaraan verbonden kosten zouden derhalve wel degelijk bestemd zijn voor de bedrijfsuitoefening.
Volgens verweerder betreft het diensten bestemd voor het privé-gebruik van de belastingplichtige.
9. Artikel 45, § 1 BTW-Wetboek bepaalt :
"§ 1. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden; (...)"
Het BTW-stelsel beoogt de onmiddellijke aftrek van de voorbelasting geheven op alle aan een belastingplichtige geleverde goederen en verstrekte diensten, van de door hem ingevoerde goederen en op de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, ingeval en voorzover hij die goederen en diensten zal gebruiken voor het verrichten van één of meer van de handelingen, vermeld in artikel 45, § 1, 1°tot 3° van het W.BTW :
• belaste handelingen;
• handelingen vrijgesteld van de BTW krachtens de artikelen 39 tot 42;
• handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden.
Het recht op aftrek is dus afhankelijk van de bestemming die de belastingplichtige aan de ingekomen goederen en diensten geeft. Deze moeten zijn bestemd voor de economische activiteit van de belastingplichtige.
Uit artikel 45, § 1 BTW-Wetboek volgt dat degene die voorbelasting wenst af te trekken, moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan en, inzonderheid, dat hij voldoet aan de criteria om als belastingplichtige te worden aangemerkt. De belastingplichtige moet zelf het bewijs leveren dat het recht op aftrek bestaat, d.w.z. dat de door hem ontvangen leveringen en diensten gebruikt werden voor het verrichten van handelingen die recht op aftrek verlenen.
In zijn arrest van 11 juli 1991 (Hof van Justitie, C-97/90; Lennartz, Jurispr. 1991, blz. I-3795) heeft het Hof van Justitie beslist, dat een van de omstandigheden aan de hand waarvan de belastingdienst moet nagaan of een. belastingplichtige goederen ten behoeve van zijn economische activiteiten heeft betrokken, de aard van die goederen is. Indien een zaak of dienst naar haar aard zowel voor economische doeleinden als voor privé-doeleinden kan worden gebruikt, moeten alle exploitatieomstandigheden worden onderzocht, teneinde uit te maken of zij werkelijk worden gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen (Hof van Justitie, 11 maart 1996, C-94/230, ro. 26-27).
De vergelijking tussen, enerzijds, de voorwaarden waarin de belanghebbende het goed of de dienst exploiteert en, anderzijds, de voorwaarden waarin de overeenstemmende economische activiteit gewoonlijk wordt uitgeoefend is één van de methoden die kan worden gebruikt om te bevestigen dat de betrokken activiteit wordt verricht om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
10. Uit de stukken van het dossier, met name het proces-verbaal van 16/11/2006 blijkt dat er op het adres te … tien aansluitingsnummers beschikbaar zijn en dat de gedelegeerd bestuurder van eiseres up dit adres woont.
Het is aan eiseres aan te tonen dat deze aansluitingsnummers bestemd zijn voor de uitoefening van de economische activiteit van eiseres.
Uit het loutere feit dat op het betrokken adres tien aansluitingsnummers zijn aangesloten kan niet noodzakelijk worden afgeleid dat deze aansluitingsnummers allen daadwerkelijk en volledig worden gebruikt voor de activiteiten van eiseres.
Eiseres toont immers niet aan de hand van objectieve, aantoonbare gegevens dat deze aansluitingsnummers worden gebruikt in het kader van de activiteiten van eiseres en niet louter zijn bestemd (geheel of gedeeltelijk) voor privé-doeleinden. Met name staat het vast dat de maatschappelijke zetel niet is gevestigd op het betrokken adres, maar wel te …. Er wordt niet aangetoond dat de gedelegeerd bestuurder van eiseres (een deel van) zijn beroepsactiviteiten uitoefent vanuit de hem ter beschikking gestelde woning. Evenmin worden stukken voorgelegd aangaande de aard en de omschrijving van de diensten verbonden aan de aansluitingsnummers, die inzicht zouden kunnen verschaffen aangaande de bestemming van de diensten. Het is ook niet duidelijk in welke mate de woning zou zijn gebruikt voor het verblijf van relaties en leden van de groep. Aangaande de omvang van dit gebruik worden geen gegevens verstrekt.
Aangenomen moet daarentegen worden, dat minstens een gedeelte van de diensten voor telefoon voor privé-doeleinden waren bestemd, vermits de gedelegeerd bestuurder op het betrokken adres tevens zijn woning had.
Het middel faalt.
3.2.2 Uitgaande verrichtingen
11. Eiseres stelt dat zij een globale overeenkomst heeft afgesloten met haar moedervennootschap in het kader waarvan zij diensten en prestaties heeft verricht ten behoeve van de ondernemingen van de groep. Voor deze diensten heeft eiseres een factuur opgesteld voor de jaren 2004 en 2005. Volgens eiseres vormen de doorgerekende kosten een bijzaak van de hoofdhandeling, nl. het verrichten van diensten zoals omschreven in de overeenkomst. Het gaat volgens eiseres om diensten van onderzoek, promotie, verkoop, marketing, publiciteit, public relations, marktstudies, onderzoek naar exploitatiemethodes en exploitatiesystemen. Deze vallen, nog volgens eiseres, onder de bepaling van artikel 21, § 3 7° d BTW-Wetboek.
Volgens verweerder heeft eiseres de door haar gemaakte kosten van exploitatie doorgefactureerd aan de SA V. te … en moet toepassing worden gemaakt van de artikel 13, § 2 en 20, § 1 van het BTW-Wetboek. De belastingplichtige wordt bijgevolg geacht de diensten of leveringen waarop de doorgerekende bedragen betrekking hebben, zelf te hebben ontvangen en op zijn beurt zelf te hebben verstrekt. Voor elk van de doorgerekende diensten en prestaties dient bijgevolg hetzelfde tarief te worden toegepast als het tarief dat van toepassing was op de aan haar in eerste instantie aangerekende levering of dienstverrichting. In de doorgefactureerde diensten treedt eiseres op in eigen naam en handelt zij in hoedanigheid van commissionair. In de verhouding met de derde klant (in casu de SA V.) treedt zij op als eigenlijke verkoper of dienstverrichter.
12. De in casu toepasselijke bepalingen van het BTW-Wetboek inzake de bepaling van de plaats van een dienst vinden hun oorsprong in artikel 9 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag (PB I, 145, blz. 1; hierna : “Zesde richtlijn").
Bijgevolg moet de Belgische wet zoveel als mogelijk worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van deze Richtlijn (Hof van Justitie, 13 november 1990, Marleasing, C-106/89).
13. Artikel 9 van de Zesde richtlijn luidt :
“1. Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht [...]
2. In afwijking hiervan is :
[…]
e) de plaats van de hieronder vermelde diensten, die worden verleend aan ontvangers die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd of aan belastingplichtigen die weliswaar in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter zijn gevestigd, de plaats waar de ontvanger de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats;
- [...]
- [...]
- diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, accountants en andere soortgelijke diensten, alsmede informatieverwerking en -verschaffing […]”
Deze bepaling werd als volgt omgezet in het Belgische recht (artikel 21, § 2 en § 3, 7°, d BTW-Wetboek) :
"§ 2. Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.
§ 3. In afwijking van § 2 wordt als plaats van de dienst aangemerkt :
[...]
7° de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit, en voor zover de dienst tot voorwerp heeft :
[...]
d) intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters alsook informatieverwerking en -verschaffing, met uitzondering van de in 1° bedoelde diensten en de in 2° bedoelde expertises"
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie aangaande de verhouding tussen artikel 9, lid 1 en artikel 9, lid 2 van de Zesde Richtlijn volgt, dat artikel 9, lid 2, een hele reeks bijzondere aanknopingspunten aangeeft, terwijl lid 1 dienaangaande een regel van algemene strekking stelt. Doel van deze bepalingen is, enerzijds, bevoegdheidsconflicten vermijden die tot dubbele belasting kunnen leiden, anderzijds niet-belasting van inkomsten vermijden (Hof van Justitie, SPI, 15 maart 2001, C 108/00, r.o. 15). Het Hof heeft hieruit afgeleid, dat wat de uitlegging van artikel 9 betreft, lid 1 van de Richtlijn geen voorrang heeft boven lid 2. Voor elke situatie dient de vraag te worden gesteld, of zij valt onder een van de in artikel 9, lid 2, genoemde gevallen. Zoniet, is lid 1 van toepassing. Bijgevolg is artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje, van de Zesde richtlijn geen uitzondering op een algemene regel is, die strikt moet worden uitgelegd.
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moet artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje (omgezet in artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek) aldus worden uitgelegd, dat de aard van de dienstvetrichting op zich als aanknopingspunt geldt.
Voorts heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het loutere feit dat diensten worden doorgefactureerd door een eerste dienstontvanger aan de eindontvanger de toepassing van artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje van de Zesde Richtlijn niet uitsluit. In een geval van indirecte diensten met een eerste dienstverrichter, een eerste ontvanger en een eindontvanger die diensten ontvangt van de eerste ontvanger, moet de door de eerste dienstverrichter aan de eerste ontvanger verleende dienst apart worden onderzocht teneinde vast te stellen waar die transactie moet worden belast (Hof van Justitie, 5 juni 2003, Design Concept, C438/01; Hof van Justitie, 15 maart 2001, SPI, 108/00).
14. In de mate dat de stelling van verweerder zou moeten worden gevolgd dat eiseres is aan te merken als een commissionair in de zin van artikel 13, § 2 BTW-Wetboeken dat deze kwalificatie tot gevolg heeft dat eiseres moet worden geacht de diensten of leveringen waarop de doorgerekende bedragen betrekking hebben, zelf te hebben ontvangen en op zijn beurt zelf te hebben verstrekt, zodat op deze handelingen hetzelfde tarief moet worden toegepast als op de diensten die werden verstrekt aan eiseres, is aan te nemen dat deze stelling strijdt met het gemeenschapsrecht zoals hiervoor uiteengezet en zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.
Immers, overeenkomstig het gemeenschapsrecht dienen de diensten die door de eerste dienstverrichters worden verstrekt aan eiseres apart te worden beoordeeld voor de bepaling waar de transactie moet worden belast en kan enkel de aard van de dienstverrichting tussen de eerste ontvanger en de eindontvanger gelden als aanknopingspunt voor het bepalen van de plaats ervan.
Bijgevolg kan voor de bepaling van de plaats van diensten zoals verleend door eiseres aan de SA V. te … geen gebruik gemaakt worden van de fictie die volgt uit de toepassing van de artikelen 13, § 2 en 20, § 1 BTW~Wetboek. Enkel de aard van de door eiseres aan de SA V. verleende diensten kan in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de plaats waar deze diensten moeten worden belast.
Bijgevolg moet besloten worden dat het loutere feit dat eiseres aan haar verleende diensten door factureert aan de SA V. in … en als commissionair zou moeten worden beschouwd, de toepassing van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek niet uitsluit.
15. Vervolgens moet worden nagegaan of de door eiseres aan de SA V. verstrekte diensten vallen onder één van de gevallen opgesomd in artikel 9, lid 2, sub e (meer bepaald het derde streepje van deze bepaling, zoals omgezet in artikel 21, § 3 7°, d BTW-Wetboek.
Artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje, van de Zesde richtlijn betreft geen beroepen, zoals het beroep van advocaat, raadgever, accountant of ingenieur, maar wel de door deze beroepsbeoefenaars verrichte diensten en soortgelijke diensten. De gemeenschapswetgeving gebruikt de in deze bepaling genoemde beroepen als middel om de daarin bedoelde categorieën van diensten te omschrijven (arrest van 16 september 1997, von Hoffman, C-145/96, Jurispr. blz. I-4857, punt 15).
De vraag die aldus moet worden beantwoord is of de diensten die door eiseres worden verstrekt aan de SA V. diensten zijn die hoofdzakelijk en gewoonlijk worden verricht in het kader van de in artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje, van de richtlijn genoemde beroepen (Zie Hof van Justitie, von Hoffmann, C145/96 r.o. 16; Hof van Justitie, 6 maart 1997, zaak C-167/95, Linthorst, Pouwels en Scheres, Jurispr. 1997, blz. I-1195, r.o. 18, 22 en 25).
In dit verband stelt de rechtbank vast dat uit de stukken van het dossier onvoldoende de aard van de door eiseres verstrekte diensten blijkt. Eiseres verwijst in dit verband naar de overeenkomst die werd afgesloten tussen haar en haar moedervennootschap de SA V.. Artikel 1 van deze overeenkomst bepaalt :
"Tijdens de duur van deze overeenkomst, zal V. B. de volgende diensten verschaffen aan V., overeenkomstig de instructies en verzoeken, die V. van tijd tot tijd zal mededelen :
1) marketingonderzoek voor potentiële klanten/leveranciers, voornamelijk in de olie-industrie;
2) Promotie van de naam V. in bepaalde geografische gebieden;
3) Het voorleggen van informatie aangaande de oliehandel en het introduceren van potentiële overeenkomsten;
4) Administratieve en andere diensten met betrekking tot de opvolging van contracten gesloten door V..
5) Elk andere dienst waaromtrent de partijen een overeenkomst zullen sluiten van tijd tot tijd.' (vrije vertaling door de rechtbank)
Uit de bewoordingen van de overeenkomst blijkt reeds dat deze overeenkomst een kaderovereenkomst uitmaakt, in het kader waarvan naderhand individuele overeenkomsten worden afgesloten. Aldus kan uit de omschrijving van de door eiseres te verlenen diensten in deze kaderovereenkomst niet worden afgeleid welke de aard is van de door eiseres uiteindelijk verleende diensten, die aan de SA V. daadwerkelijk werden verschaft in uitvoering van de kaderovereenkomst.
In dat verband lijkt eiseres ervan uit te gaan dat de diensten die zij verschaft aan de SA V. als één geheel moeten worden aanzien. De bepaling van de omvang, van de handeling is vanuit BTW-oogpunt van bijzonder belang voor de bepaling van de plaats van de belastbare handelingen (zie Hof van Justitie, 27 oktober 2005, Levob, r.o. 18). De door artikel 1 van de kaderovereenkomst omschreven diensten hebben immers niet allen dezelfde aard en vallen niet noodzakelijk allemaal onder de bepaling van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek. Bovendien is een deel van de contractueel bepaalde diensten onbepaald. Artikel 1, punt 5) van de kaderovereenkomst voorziet dat ook andere niet nader gespecifieerde diensten kunnen worden opgedragen aan eiseres. De aard van deze bijkomende diensten blijkt evenwel niet uit deze overeenkomst.
De loutere bewering dat door eiseres ondersteunende diensten worden geleverd in het kader van onderzoek, promotie, verkoop, marketing, publiciteit, public relations, marktstudies, onderzoek naar exploitatiemethodes en exploitatiesystemen en de verwijzing naar de BTW-Handleiding met betrekking tot ''toezicht op marktonderzoek, verkoopsontwikkeling en administratieve activiteiten" volstaat op zich niet om te bepalen of de door eiseres verleende diensten vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek. Minstens een deel van de aldus omschreven diensten vallen prima facie niet binnen de werkingssfeer van voormelde bepaling.
Bijgevolg dient eiseres in de gelegenheid te worden gesteld om de concrete aard aan te tonen van de door haar aan de SA V. verleende diensten ten einde na te gaan of deze diensten zijn die hoofdzakelijk en gewoonlijk worden verricht in het kader van de in artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje, van de Richtlijn genoemde beroepen. Tevens dienen partijen standpunt in te nemen omtrent de vraag op welke grondslag de BTW moet worden berekend, zo zou komen vast te staan dat (bepaalde) door eiseres verstrekte diensten niet binnen het toepassingsgebied vallen van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek.
De debatten worden met dit doel heropend.
3.2.3 Schending van het vertrouwensbeginsel
16. Eiseres werpt op dat de administratie van verweerder in de eerste correctieopgave eveneens vaststellingen heeft gedaan aangaande de onterechte aftrek van Belgacomfacturen en de hoedanigheid van commissionair bij de doorfacturatie van kosten. Verweerder zou evenwel geen proces-verbaal hebben opgesteld en geen dwangbevel hebben uitgevaardigd, ondanks het niet-akkoord van eiseres met deze correctieopgave. Door de betekening van het dwangbevel op 12/12/2006 aan eiseres zou. de administratie het vertrouwensbeginsel hebben geschonden.
Vooreerst moet worden opgemerkt dat wel degelijk een proces-verbaal werd opgesteld naar aanleiding van de eerste correctieopgave, met name op 16 maart 2004 met als bijlage de correctie-opgave van 16 december 2003.
Verder zijn de beginselen van behoorlijk bestuur die het recht op rechtszekerheid omvatten, bindend voor de belastingadministratie. De belastingadministratie moet de wet toepassen en het staat haar niet vrij afstand te doen van haar verplichting om de wettelijk verschuldigde belasting vast te stellen. Het recht op rechtszekerheid houdt niet in dat de belastingschuldige zich zou kunnen beroepen op de vroegere gedragslijn van de administratie, zelfs niet als die gedurende verschillende aanslagjaren ongewijzigd blijft, wanneer die gedragslijn bij hem niet de gewettigde overtuiging kon wekken dat de administratie afzag van de strikte toepassing van de wet (in dezelfde zin : Cass., 30 mei 2008, F.06.0083.F, www.cass.be ).
Het loutere feit dat de administratie van verweerder, om redenen die haar eigen zijn, geen dwangbevel heeft uitgevaardigd op grond van de vaststellingen vervat in de eerste correctieopgave met betrekking tot de periode 1/1/2001 tot 30/8/2003, was niet van aard om bij eiseres het gewettigde vertrouwen te wekken dat de administratie afstand deed van de strikte toepassing van de wet en met name dat zij het standpunt van eiseres aangaande de in deze correctieopgave vervatte elementen zou hebben aangenomen.
Het middel faalt.
3.2.4. Vordering in hoofdsom en de moratoriumintresten
17. Het staat vast en wordt niet betwist dat op 31/1/2004 aan eiseres een tegoed was verschuldigd van … euro. Op 25 maart 2004 werd een akte van inhouding opgesteld door de administratie van verweerder ten belope van € …. Deze akte wordt echter niet voorgelegd.
Dit bedrag werd toegerekend op de BTW-belastingschuld uit hoofde van het dwangbevel van 16/12/2006.
Eiseres stelt dat hierbij geen rekening werd gehouden met de moratoriumintresten op het bedrag van … euro sedert 31/1/2004 tot 12/1/2007.
Verweerder stelt dat wel degelijk rekening werd gehouden met de intresten, nu de toerekening als datum van uitwerking 31/1/2004 draagt.
18. Partijen zijn het erover dat ingevolgde de eerste correctie opgave, waarmede eiseres zich niet-akkoord heeft verklaard, geen proces-verbaal werd opgesteld (zie nochtans het proces-verbaal van 16 maart 2004) en geen dwangbevel werd uitgevaardigd. Partijen lijken aldus aan te nemen dat de inhouding steunde op een niet-bestaande belastingschuld en derhalve ten onrechte geschiedde.
Verweerder stelt evenwel ten onrechte dat het ingehouden bedrag op 31 januari 2004, dit is de datum van ontstaan van het recht op teruggave en de datum van inhouding, werd toegerekend op de belastingschuld die het voorwerp uitmaakt van het proces-verbaal van 16/11/2006.
Deze stelling kan niet worden gevolgd. Immers, op 31 januari 2004 werd het bedrag van·… euro ingehouden op grond van een niet-bestaande belastingschuld, terwijl de belastingschuld die het voorwerp uitmaakte van het proces-verbaal van 16 november 2006 op dat ogenblik nog niet werd vastgesteld. Meer nog, de periode gedurende dewelke deze belastingschuld is ontstaan en waarop zij betrekking heeft was nog maar net aangevangen (periode van 1/1/2004 - 31/12/2005). De datum waarop het bedrag van … euro werd toegerekend op de belastingschuld die het voorwerp uitmaakt van het proces verbaal van 16/11/2006 en het dwangbevel van 16/12/2006 was 12 januari 2007.
Nu de inhouding van het bedrag van … euro in de periode 31/1/2004 tot 12/1/2007 ten onrechte was geschied bij gebrek aan belastingschuld, is de Belgische Staat moratoire intresten verschuldigd op voornoemd bedrag tijdens deze periode.
De vordering is in zoverre gegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk.
Verklaart de vordering van eiseres ongegrond in de mate dat deze betrekking heeft op de aftrek van voorbelasting over de periode 1/1/2004 tot 31/12/2005.
Verklaart de vordering van eiseres gegrond wa.t betreft de gevorderde moratoire intresten.
Veroordeelt verweerder tot betaling van de moratoire intresten op het ingehouden bedrag van … euro 31/11/2004 tot 12/1/2007.
Alvorens verder recht te doen, heropent de debatten op de zitting van 7 december 2009 om 14:00 uur voor 30 min. aangaande bovenvermelde punten.
Zeggen dat partijen uiterlijk op de hiernavolgende data bun conclusies ter griffie dienen neer te leggen en dienen mede te delen aan de tegenpartijen :
• aanvullende conclusie (synthese)
voor eiseres uiterlijk op 30/07/2009
voor verweerder uiterlijk op 30/10/2009
Houdt de uitspraak over de kosten aan.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 29 april 2009.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. B., toegevoegd rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I.D. M.B.
Door de FOD bijgevoegde beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL – 33ste Kamer
AR 2007/1579/A
- Federale belastingen – BTW
- op tegenspraak
- eindvonnis
In zake van :
De NV V. B., met maatschappelijke zetel te …, …, .ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …,
eisende partij,
Vertegenwoordigd door Mr. A. B. loco Mr. St. L., advocaat te …, … (ref. : …),
tegen :
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Federale Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, afdeling BTW, Tweede directie, op vervolging en benaarstiging van dhr. J. J., rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingsplichtigen, met burelen te 1000 Brussel, Cantersteen 47/01,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, … (ref. : …).
Na beraad op 7 december 2009 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
• het tussenvonnis van deze rechtbank van 29/4/2009,
• de conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie op 9/10/2009,
• de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 24/7/2009
• de stukken bundels van partijen neergelegd op 24/7/2009, 19/10/2009 (eiseres) en ter zitting van 7/12/2009 (verweerder).
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 7 december 2010 waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN, PROCEDUREVOORGAANDEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING
1. Wat betreft de uiteenzetting van de feiten, de procedurevoorgaanden en de uiteenzetting van de respectievelijke vorderingen, kan gemakshalve worden verwezen naar hetgeen werd uiteengezet in het tussenvonnis van 29 april 2009.
2. BEOORDELING TEN GRONDE
2. De rechtsmacht van de rechtbank is uitgeput, behoudens met betrekking tot de uitgaande verrichtingen.
Uitgaande verrichtingen
Standpunt van de partijen
3. Eiseres stelt dat zij een globale overeenkomst heeft afgesloten met haar moedervennootschap in het kader waarvan zij diensten en prestaties heeft verricht ten behoeve van de ondernemingen van de groep. Voor deze diensten heeft eiseres een factuur opgesteld voor de jaren 2004 en 2005. Volgens eiseres vormen de doorgerekende kosten een bijzaak van de hoofdhandeling, nl. het verrichten van diensten zoals omschreven in de overeenkomst. Het gaat volgens eiseres om diensten van onderzoek, promotie, verkoop, marketing, publiciteit, public relations, marktstudies, onderzoek naar exploitatiemethodes en exploitatiesystemen. Deze vallen, nog volgens eiseres, onder de bepaling van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek.
Volgens verweerder heeft eiseres de door haar gemaakte kosten van exploitatie doorgefactureerd aan de SA V. te … en moet toepassing worden gemaakt van de artikel 13, § 2 en 20, § 1 van het BTW-Wetboek. De belastingplichtige wordt bijgevolg geacht de diensten of leveringen waarop de doorgerekende bedragen betrekking hebben, zelf te hebben ontvangen en op zijn beurt zelf te hebben verstrekt. Voor elk van de doorgerekende diensten en prestaties dient bijgevolg hetzelfde tarief te worden toegepast als het tarief dat van toepassing was op de aan haar in eerste instantie aangerekende levering of dienstverrichting. In de doorgefactureerde diensten treedt eiseres op in eigen naam en handelt zij in hoedanigheid van commissionair. In de verhouding met de derde klant (in casu de SA V.) treedt zij op als eigenlijke verkoper of dienstverrichter.
4. Na heropening van de debatten stelt verweerder dat hij “niet [betwist] dat deze diensten vallen onder het toepassingsgebied van artikel 21, § 3, 7° BTW-Wetboek en dat "in het "proces-verbaal van 16 november 2006 [...] voormelde dienstprestaties niet [voorkomen]" (conclusie verweerder na heropening der debatten van 9/10/2009 p. 3).
Beoordeling door de rechtbank
5. Uit het proces-verbaal van 16 november 2006 blijkt dat de diensten die volgens verweerder werden doorgefactureerd de volgende diensten betreffen :
- Levering van gas en benzine voor bedrijfswagen :
- in 2004 : € …
- in 2005 : € …
- Diensten van onderhoud aan onroerende goederen in België gelegen (…) :
- in 2004 : € …
- in 2005 : € …
- Onderhoud kantoormateriaal, kantoorkosten en kosten bedrijfswagen :
- in 2004 : € … + € … + € …
- in 2005 : € + € + € …
Deze goederen en diensten werden door de administratie onderworpen aan de Belgische BTW volgens de regels in verband met de plaats van de levering eigen aan de desbetreffende goederen of diensten.
6. Zoals in het tussenvonnis reeds werd overwogen moet volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje (omgezet in artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek) aldus worden uitgelegd, dat de aard van de dienstverrichting op zich als aanknopingspunt geldt (Hof van Justitie, 15 maart 2001, SPI, 108/00, ov. 19). Dit wordt afgeleid uit de zevende overweging van de considerans van de Zesde richtlijn betreffende het vraagstuk van de plaats van belastbare handelingen, dat heeft geleid tot competentiegeschillen tussen de Lid-Staten, met name met betrekking tot de levering inclusief montage van een goed en met betrekking tot diensten. Deze overweging luidt als volgt :
“(...) dat de plaats van diensten in beginsel moet worden vastgesteld op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, maar dat die plaats evenwel in bepaalde gevallen moet worden vastgesteld in het land van de ontvanger van de diensten, met name voor sommige diensten tussen belastingplichtigen waarvan de kosten in de prijs van de goederen worden opgenomen".
Voorts heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het loutere feit dat diensten worden doorgefactureerd door een eerste dienstontvanger aan de eindontvanger de toepassing van artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje van de Zesde Richtlijn niet uitsluit. In een geval van indirecte diensten met een eerste dienstverrichter, een eerste ontvanger en een eindontvanger die diensten ontvangt van de eerste ontvanger, moet de door de eerste dienstverrichter aan de eerste ontvanger verleende dienst apart worden onderzocht teneinde vast te stellen waar die transactie moet worden belast (Hof van Justitie, 5 juni 2003, Design Concept, C438/01; Hof van Justitie, 15 maart 2001, SPI, 108/00).
De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat het loutere feit dat eiseres aan haar verleende diensten zou doorfactureren en als commissionair zou moeten worden beschouwd (zie in dat verband verder), de toepassing van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek niet uitsluit.
7. In het voorliggende geval moet een onderscheid worden gemaakt tussen :
- enerzijds, de goederen en diensten die door een eerste leverancier/dienstverrichter aan eiseres werden geleverd in België en waarop eiseres -naar mag worden aangenomen- in België BTW heeft betaald; Het gaat om leveringen van gas en benzine, diensten van onderhoud aan onroerende goederen in België gelegen en diensten van onderhoud kantoormateriaal, kantoorkosten en kosten bedrijfswagen, en,
- anderzijds, de diensten die door eiseres werden geleverd aan de S.A. V., waarvan verweerder uitdrukkelijk aanneemt dat deze vallen onder de toepassing van artikel 21, § 3, 7° BTW-Wetboek (p 3 conclusie na heropening debatten van verweerder). Nu verweerder erkent dat deze diensten vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek staat het vast dat deze diensten tot voorwerp hebben "intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters alsook informatieverwerking en -verschaffing".
Uit dit onderscheid moet worden afgeleid dat er van "doorfacturatie" of “doorrekening" van (exploitatie)kosten door eiseres aan de SA V. in, casu geen sprake kan zijn. Eiseres heeft de goederen en diensten die haar werden geleverd in het kader van haar exploitatie - leveringen van gas en benzine, diensten van onderhoud aan onroerende goederen in België gelegen en diensten van onderhoud kantoormateriaal, kantoorkosten en kosten bedrijfswagen - niet op haar beurt geleverd aan de SA V.. Dit was, zoals blijkt uit de voormelde opsomming, overigens uit de aard van deze goederen en diensten onmogelijk. Deze goederen en diensten werden geleverd aan eiseres als eindverbruiker. Eiseres heeft deze goederen en diensten immers aan gewend voor haar eigen exploitatie en aldus "verbruikt". De uiteindelijke (eind)ontvanger van de voormelde goederen en diensten was derhalve niet de SA V., maar wel eiseres zelf.
Het loutere feit dat de vergoeding die tussen eiseres en de SA V. werd overeengekomen voor de diensten die vallen onder artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek variabel is en wordt berekend aan de hand van de kostprijs van de goederen en diensten die werden geleverd aan eiseres, vermeerderd met een bepaald percentage, heeft geen invloed op de aard van de door eiseres aan de SA V. geleverde diensten en kan de conclusie niet rechtvaardigen dat eiseres deze kosten zou hebben "doorgerekend" of "doorgefactureerd", zoals bedoeld door verweerder. De incorporatie van deze kosten betreft enkel de berekeningswijze van de vergoeding, doch wijzigt niet de aard van de geleverde diensten, die - het moet herhaald - door verweerder uitdrukkelijk worden erkend als beantwoordend aan de omschrijving van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek.
Overigens is op te merken dat elke handelaar de prijs of vergoeding voor de door hem aan derden geleverde diensten in min of meerdere mate bepaalt in functie van de kosten van de aan hem zelf geleverde goederen en diensten, die van de eerstgenoemde diensten zijn te onderscheiden.
Verweerder dwaalt waar zij lijkt te stellen dat er naast de dienstprestaties bedoelt in artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek, die werden geleverd door de NV V. aan de SA V., nog andere diensten zouden zijn geleverd aan deze laatste, met name deze die zijn vermeld in het proces-verbaal van 16 november 2006 (zie conclusie verweerder na heropening p. 3, par. 1 en 2). Dit strookt niet met de feiten en kan in elk geval niet worden afgeleid uit het feit dat de vergoeding voor de diensten bedoeld in artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek werd berekend op basis van de prijs van de aan de eiseres zelf geleverde diensten en goederen.
Bijgevolg moet niet worden onderzocht of de goederen en diensten die het voorwerp uitmaken van het proces-verbaal van 16 november 2006 al dan niet deel uitmaken van een complexe handeling. De door eiseres aan de SA V. geleverde diensten bestonden immers uitsluitend uit de diensten, zoals omschreven in de kaderovereenkomst afgesloten tussen eiseres en de SA V.. Deze laatste diensten vallen binnen het toepassingsgebied van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek, hetgeen verweerder uitdrukkelijk heeft erkend.
8. Aan het voorgaande doet niet af de bepaling van artikel 13 en artikel 20 BTW-Wetboek. Eiseres is immers niet als een commissionair aan te merken. Een commissionair veronderstelt immers dat deze optreedt als tussenpersoon en dat het voorwerp van de levering tussen de eerste leverancier of dienstverrichter en de commissionair, enerzijds, en de commissionair en de lastgever/derde anderzijds hetzelfde is. Dit blijkt met name uit de tekst zelf van deze bepalingen :
Artikel 13, §§1 en 2 BTW-Wetboek luiden :
"§ 1. De inkoopcommissionair wordt aangemerkt als koper en, ten opzichte van zijn lastgever, als verkoper van het goed dat door zijn toedoen wordt gekocht; de verkoopcommissionair wordt aangemerkt als verkoper en, ten opzichte van zijn lastgever, als koper van het goed dat door zijn toedoen wordt verkocht.
§ 2 Als commissionair wordt aangemerkt niet alleen hij die op eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever handelt, maar ook de tussenpersoon bij inkoop of de tussenpersoon bij verkoop, die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt” (onderlijning door de rechtbank).
Uit deze bepaling volgt dat een persoon slechts als commissionair kan worden aangemerkt wanneer hij optreedt als tussenpersoon en wanneer hij een goed koopt (respectievelijk verkoopt) en datzelfde goed vervolgens verkoopt (respectievelijk koopt van) een derde-lastgever, met dien verstande dat hij reeds als commissionair wordt aangemerkt wanneer een factuur of debetnota op zijn naam wordt gesteld (zie het gebruik in artikel 13, § 1 BTW-Wetboek van het bepaalde lidwoord "het", hetgeen veronderstelt dat eenzelfde goed het voorwerp is van de opeenvolgende koop-verkooptransacties).
Eenzelfde conclusie volgt uit de lezing van artikel 20, § 1 BTW-Wetboek :
"Onder voorbehoud van de toepassing van § 2 hierna, wordt een commissionair of een andere tussenpersoon als bedoeld in artikel 13, § 2, die tussenkomst verleent bij diensten, geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt." (onderlijning door de rechtbank).
Maar zelfs indien eiseres zou zijn aan te merken als commissionair, dan nog volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat het loutere feit dat diensten worden doorgefactureerd door een eerste dienstontvanger aan de eindontvanger de toepassing van artikel 9, lid 2, sub e, derde streepje van de Zesde Richtlijn niet uitsluit. In een geval van indirecte diensten met een eerste dienstverrichter, een eerste ontvanger en een eindontvanger die diensten ontvangt van de eerste ontvanger, moet de door de eerste dienstverrichter aan de eerste ontvanger verleende dienst apart worden onderzocht teneinde vast te stellen waar die transactie moet worden belast (Hof van Justitie, 5 juni 2003, Design Concept, C438/01; Hof van Justitie, 15 maart 2001, Syndicat des producteurs indépendants 108/00).
9. Bijgevolg moet enkel de aard zelf van de door eiseres aan de SA V. verleende diensten worden onderzocht. Van deze diensten wordt niet betwist dat deze vallen onder de bepaling van artikel 21, § 3, 7°, d BTW-Wetboek.
De plaats van dienstverlening voor deze diensten moet aldus worden bepaald op grond van deze uitzonderingsbepaling en niet op grond van de respectievelijke bepalingen die betrekking hebben op de plaats van de levering van de goederen en de diensten die aan eiseres werden verleend in België.
Bijgevolg is de plaats van levering van deze diensten door eiseres "de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht, of bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats”, in casu Zwitserland.
De gevorderde BTW is dan ook niet verschuldigd in België.
De vordering is gegrond.
3. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDlNG
10. Aangezien de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van verweerder.
De waarde van de vordering situeert zich tussen € 10.000,01 en € 20.000,00.
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € …. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basis bedrag, kan dit bedrag toegekend worden.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Zegt voor recht dat de fiscale vordering van de Belgische Staat zoals opgenomen in het dwangbevel van 12 december 2006 tot betaling door eiseres van een bedrag van … euro op de uitgaande verrichtingen zonder rechtsgrond is en ontheft eiseres van deze vordering.
Veroordeelt de Belgische Staat tot teruggave van alle uit dien hoofde ten onrechte geïnde bedragen, met inbegrip van de moratoriumintresten.
Veroordeelt de Belgische Staat tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot op … euro.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 15 januari 2010.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. B., toegevoegd rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I.D. M. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.