Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 02.06.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE KAMER – OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 JUNI 2008
Algemene rol nummer : 05/112/A
In de zaak van :
BVBA N. D. T., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nummer … en hebbende als ondernemingsnummer …;
eiseres,
hebbende als raadsman Mr. A. D., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van mevrouw de eerstaanwezend inspecteur a.i. van het 2de BTW ontvangkantoor van Gent, wiens kantoren gevestigd zijn te 9000 Gent, G. Crommenlaan 6 \
verweerder,
hebbende als raadsman Mr. C. D., advocaat te …, …;
vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
1.1.
Partijen werden gehoord op de openbare terechtzittingen van 5 mei 2008, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
1.2.
Het dossier van de rechtspleging werd ingezien, in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 6 januari 2005, en de conclusies van de partijen.
2. DE VORDERING
2.1.
De eiseres tekent door middel van haar verzoekschrift, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 6 januari 2005, verzet aan tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 7 november 2002 door de Belgische Staat (BTW Gent II), Administratie der belastingen over de toegevoegde waarden registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Gent, en uitvoerbaar verklaard op 13 november 2002 door G. L., e.a. inspecteur van de BTW te Gent 8, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent, en betekend door gerechtsdeurwaarder H. V. D., in vervanging van gerechtsdeurwaarder I. G., op 31 maart 2004.
2.2.
De aanvankelijke vordering van eiseres luidt als volgt :
"De vordering overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32° Ger. W. ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Derhalve het dwangbevel uitgevaardigd op 7 november 2002 door de Belgische Staat (BTW GENT 11) Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Gent (E.a. inspecteur M. D.), wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Martelaarslaan 23, en uitvoerbaar verklaard op 13 november 2002 door G. L., E.a. inspecteur van de BTW te Gent 8, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent, te vernietigen.
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding (...) en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belasting over de toegevoegde waarde, boete en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan eiseres aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.
"
2.3.
In de conclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op 14 september 2006, wordt haar vordering als volgt geformuleerd :
"
De vordering overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32° Ger. W. ontvankelijk en gegrond te verklaren.
In hoofdorde :
Het dwangbevel uitgevaardigd op 7 november 2002 door e Belgische Staat (BTW GENT 11), Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW ontvang kantoor te Gent (E.a. inspecteur M. D.), wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Martelaarslaan 23, en uitvoerbaar verklaard op 13 november 2002 door G. L., E.a. inspecteur van de BTW te Gent 8, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent, te vernietigen omdat [eiseres] niet is opgetreden als een commissionair in de zin van artikel 20, § 1 W.BTW.
In eerste ondergeschikte orde :
Het dwangbevel uitgevaardigd op 7 november 2002 door de Belgische Staat (BTW GENT 11) Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Gent (E.a. inspecteur M. D.), wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Martelaarslaan 23, en uitvoerbaar verklaard op 13 november 2002 door G. L., E.a. inspecteur van de BTW te Gent 8, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent, te vernietigen omdat in casu de commissionairsfictie niet van toepassing is.
In tweede ondergeschikte orde :
Het dwangbevel uitgevaardigd op 7 november 2002 door de Belgische Staat (BTW GENT 11) Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Gent (E.a. inspecteur M. D.), wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Martelaarslaan 23, en uitvoerbaar verklaard op 13 november 2002 door G. L., E.a. inspecteur van de BTW te Gent 8, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent, te vernietigen omdat de fictiebepaling van artikel 13, § 2 W.BTW in strijd is met artikel 6,4 van de Zesde Richtlijn.
In derde ongeschikte orde :
De volgende prejudiciële vraag voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie :
“Moet artikel 6, lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting in die zin uitgelegd worden dat ten aanzien van een belastingplichtige, die in werkelijkheid handelt in naam en voor rekening van een ander, het voldoende is dat deze belastingplichtige naar aanleiding van zijn tussenkomst een factuur op zijn naam ontvangt of uitreikt opdat deze geacht kan worden de dienst zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verricht, zelfs wanneer dat in werkelijkheid niet zo blijkt te zijn en de facturatie naderhand wordt rechtgezet.”
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding (...) en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belasting over de toegevoegde waarde, boete en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan eiseres aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.
“
3. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
3.1.
De relevante feiten en voorgaanden zoals deze door eiseres worden voorgesteld, kunnen samengevat als volgt worden weergegeven.
Eiseres, de BVBA N. D. T. werd opgericht op 21 mei 1999. Zij treedt in België op als tussenpersoon voor autoverhuurbedrijven die zich toeleggen op de verhuur van personenwagens aan vakantiegangers tijdens hun verblijf in het buitenland.
Vakantiegangers bestellen geregeld bij het boeken van hun reis ook een huurwagen voor verplaatsingen ter plaatse. De reisagent geeft vervolgens het order door aan eiseres die op haar beurt het autoverhuurbedrijf contacteert. De activiteit van eiseres bestaat er in om de verhuuronderneming (doorgaans gevestigd in het buitenland) te benaderen die de wagens dan ter beschikking zal stellen aan de klanten van de reisagent op het moment dat ze aankomen in het land van bestemming :
Eiseres licht toe dat op het moment van aankomst in dat land, de reiziger zich naar de lokale afdeling van de verhuurmaatschappij begeeft die de sleutels van het vervoermiddel overhandigt. Er wordt dan een huurcontract met betrekking tot de wagen gesloten tussen de verhuurmaatschappij en de reiziger.
De huurprijs voor de wagen wordt geïnd door de reisagent op het ogenblik van de reservatie. Voor zijn tussenkomst ontvangt de reisagent een vergoeding. Het nettobedrag (d.i. de huurprijs verminderd met de vergoeding voor haar tussenkomst) wordt overgemaakt aan eiseres, die dan op haar beurt het nettobedrag, verminderd met de vergoeding voor haar tussenkomst, doorstort naar het verhuurbedrijf.
De functie van eiseres bestaat erin om de verschillende reisagenten in verbinding te brengen met de verschillende buitenlandse verhuurondernemingen. Hiervoor verkrijgt zij een vergoeding, net zoals de reisagent. Uiteraard gaat het grootste deel van de opbrengst naar de verhuurfirma die de wagens effectief ter beschikking stelt.
Volgens eiseres is het gebruikelijk in de sector toepassing te maken van de BTW-regeling voor makelaars. De toepassing van deze regeling heeft tot gevolg dat geen Belgische BTW verschuldigd is op de factuur van de makelaar aan de buitenlandse verhuuronderneming (cf. artikel 21, § 3, 8° W.BTW), voor zover aan deze in een ander land dan België een registratienummer werd toegekend.
Aanvankelijk was het zo dat de buitenlandse verhuurondernemingen het huurgeld voor de wagens met inbegrip van de in het buitenland verschuldigde BTW aanrekenden aan eiseres. Eiseres factureerde op haar beurt zowel de huurgelden als haar makelaarsloon door aan de reisagenten zonder aanrekening van Belgische BTW. De reisagenten rekenden op hun beurt het huurgeld vermeerderd met de makelaarslonen door aan hun klanten.
De makelaarslonen die aan de klant werden doorgerekend bestonden uit :
- het makelaarsloon dat eiseres had aangerekend aan de reisagent;
- het makelaarsloon van de reisagent zelf.
Volgens eiseres was het probleem bij dit systeem dat door de wijze van factureren ook geen BTW werd ingehouden op de makelaarsvergoeding van de reisagent. Het is evenwel zo dat de plaats van de dienst van de reisagent als tussenpersoon bij de verhuur van de wagens België is, zodat Belgische BTW verschuldigd is op diens makelaarsvergoeding.
Eiseres merkt opdat zich bovendien het gevaar stelde dat zij ten onrechte zou beschouwd worden als een commissionair.
Teneinde dit probleem te voorkomen werd door het accountantskantoor van eiseres, contact gezocht met de BTW-controle (Gent 8). Eiseres laat gelden dat volgens de analyse met de BTW controle bleek dat de plaats van de dienst verricht door eiseres (waarvoor het autoverhuurbedrijf ontvanger van de dienst is) inderdaad niet België is voor zover aan de buitenlandse autoverhuurbedrijven in een ander land van die Gemeenschap dan België een registratienummer is toegekend of voor zover de verhuur buiten de Gemeenschap plaatsvindt. De plaats van de dienst verricht door de reisagent (waarvoor eiseres ontvanger van de dienst is) zou volgens deze analyse België zijn voor zover de verhuur van het vervoermiddel geacht wordt in de Europese Gemeenschap plaats te vinden. Bijgevolg moet op het bedrag van de makelaarsvergoeding van de reisagent Belgische BTW aangerekend worden. Wanneer de verhuur van het vervoermiddel buiten de Europese Gemeenschap plaatsvindt, moet evenwel volgens eiseres geen BTW aangerekend worden, aangezien de dienst dan vrijgesteld is van BTW.
Naar aanleiding van de contacten met de BTW controle werd een voorstelling gegeven van de boekhoudkundige verwerking van voormelde handelingen, alsook van de verwerking in de periodieke BTW-aangiften. Tenslotte werd gevraagd aan de Controlediensten of zij het met deze analyse van de situatie eens konden zijn, zodat de nodige aanpassingen konden worden doorgevoerd.
Eiseres stelt dat bij de bespreking van het dossier E.a. Inspecteur G. L. erkend heeft dat eiseres optreedt als makelaar. Om volledig correct te handelen en geen risico te lopen dat eiseres zou beschouwd worden als commissionair moest de facturatie eigenlijk ook volledig aangepast worden. Volgens eiseres achtte de controleur dit evenwel niet noodzakelijk, aangezien dit toch een nuloperatie voor de Belgische Staat betrof.
Bij brief van 18 juni 2001 bevestigde de behandelende controleur (E.a. inspecteur G. L. van de Administratie van de BTW, Controle Gent 8) dat voormelde analyse een correcte interpretatie weergeeft van de toepasselijke BTW-reglementering.
Eiseres houdt voor vervolgens haar manier van factureren, alsook de BTW-technische en boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen volledig te hebben aangepast. Betreffende de facturen van eiseres van de verschillende reisagenten werden creditnota's opgemaakt. De reisagenten maakten aan eiseres een factuur op voor hun makelaarslonen met aanrekening van BTW. De BTW werd door eiseres betaald en als aftrekbare BTW opgenomen in hun aangifte. Op haar beurt heeft eiseres facturen opgemaakt voor haar makelaarslonen kan de buitenlandse verhuurondernemingen.
Op 23 mei 2002 werd op de maatschappelijke zetel van de vennootschap een controle uitgevoerd door E.a. inspecteur M. C. van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit met betrekking tot de periode 20 juli 1999 tot 31 maart 2001.
Bij proces-verbaal van 22 oktober 2002 werd aan eiseres meegedeeld dat zij voor BTW-doeleinden moest worden aangemerkt als ken commissionair in de zin van artikel 13, § 2 W.BTW. Volgens eiseres Was deze houding van de administratie in tegenstelling tot hetgeen was overeengekomen met E.a. inspecteur G. L. en de dienovereenkomstig uitgevoerde correcties.
In toepassing van artikel 20, § 1 W.BTW zou eiseres geacht worden zelf de verhuring van de wagens ontvangen te hebben en zelf te hebben door eiseres verleende diensten met betrekking tot de verhuur van autovoertuigen in België hebben plaatsgevonden. Er zou Belgische BTW verschuldigd zijn voor een bedrag van 191.831,20 EUR vermeerderd met een geldboete van 10 %.
Op 19 november 2002 (bij aangetekend schrijven) en vervolgens op 31 maart 2004 (bij deurwaardersexploot) werd het dwangbevel uitgevaardigd op 7 november 2002 ter kennis gebracht van eiseres waarbij de betaling werd gevorderd van voormelde belastingen, boeten en interesten. Het is tegen dit dwangbevel dat eiseres een vordering in rechte inleidt.
Volgens eiseres is ze derhalve een BTW-plichtige rechtspersoon die in naam en voor rekening van buitenlandse verhuurondernemingen diensten verricht. Eiseres is van oordeel dat ze hierbij slechts optreedt als makelaar (artikel 18, § 1, 3° W.BTW). Hiervoor ontvangt zij een makelaarsvergoeding. Haar activiteit dient te worden beschouwd als een contractuele lastgeving. Volgens eiseres brengt ze enkel de partijen bij elkaar brengt, aangezien zij niet tussenkomt in de overeenkomst zelf tussen de reiziger en de verhuurmaatschappij
3.2.
Volgens de administratie dient eiseres als een commissionair te worden beschouwd.
4. BESPREKING
4.1.
In de huidige betwisting stelt zich de vraag op BTW technisch vlak of eiseres als een commissionair dient te worden beschouwd in de zin van artikel 13, § 2 van het BTW-Wetboek, hetzij als een makelaar en tussenpersoon waarbij de plaats van de dienst zich situeert in. het buitenland overeenkomstig artikel 21, § 3, 8° van het BTW-Wetboek.’
4.2.
De artikelen 13 en 20, § 1 BTW-Wetboek bevatten een wettelijk vermoeden dat in het bijzonder van toepassing is voor de toepassing van het BTW-Wetboek (W.BTW). Op burgerlijke vlak en inzake het handelsrecht is de commissionair juridisch niet de werkelijke ontvanger van de dienst of de dienstverrichter. Uit de samenlezing van de artikelen 13 en 20, § 1 W.BTW volgt dat deze begrippen "commissionair" en "tussenpersoon" inzake BTW een autonome betekenis hebben. In die zin wordt gebruik gemaakt van het begrip van de commissionairsfictie.
Het verhuur van een wagen betreft een dienst zodat bij de beoordeling van de vraag of eiseres al dan niet als een commissionair dient te worden aangemerkt, de toepassing van artikel 20, § 1 W.BTW dient te worden onderzocht. De personen beoogd door art. 20, § 1 W.BTW zijn enerzijds de commissionairs inzake diensten en, anderzijds de tussenpersonen die handelen onder de voorwaarden van art. 13, § 2 W.BTW.
Zelfs wanneer men geen commissionair in de zin van het burgerlijk recht, wordt een tussenpersoon, bijvoorbeeld een makelaar of een lasthebber, op grond van artikel 13, § 2 W.BTW gelijkgesteld met een commissionair indien de tussenpersoon in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debet nota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de dienstverrichter ontvangt of aan de ontvanger van de dienst uitreikt.
De tussenpersoon wordt niet gelijkgesteld met een commissionair voor de toepassing van de BTW indien deze een op zijn naam opgestelde factuur uitreikt aan de dienstverrichter dat enkel het bedrag van zijn commissie bevat. De tussenpersoon wordt evenmin aangemerkt als een commissionair voor de toepassing van de BTW indien hij wordt belast met het uitreiken aan de ontvanger van de dienst van een op naam van de dienstverrichter gestelde factuur. Het uitreiken van deze factuur heeft niet de toepassing van art. 20, § 1 W.BTW tot gevolg, aangezien de factuur niet is opgesteld op naam van de tussenpersoon.
4.3.
Eiseres betwist niet dat in de door de administratie onderzochte periode voor de verhuur van wagens op eigen naam facturen of debet nota’s werden uitgereikt waarbij aan de klant de huurprijs of een deel van die huurprijs van het vervoermiddel wordt aangerekend. Ingevolge deze feitelijke vaststelling voldoen die handelingen aan de voorwaarden gesteld in artikel 20, § 1 van het W.BTW.
4.4.
Eiseres beroept zich op de brief van 18 juni 2001 van eerstaanwezend inspecteur L.. Deze brief werd door de inspecteur opgesteld naar aanleiding van een vraag om inlichtingen van 18 mei 2001 in naam van eiseres door haar accountantskantoor.
In het antwoord van 18 juni 2001 heeft eerstaanwezend inspecteur L. meegedeeld dat de hij van mening was dat het schrijven van het accountantskantoor een correcte interpretatie weergaf van de toepasselijke BTW-reglementering. Hij heeft daaraan toegevoegd dat zijn interpretatie gebaseerd was op de ter beschikking gestelde informatie en als zodanig steeds herroepbaar was.
De administratie merkt terecht op dat de in de vraag om inlichtingen vanwege eiseres het volgende te lezen was : "terwijl onze klant haar makelaarsloon door factureert aan het autoverhuurbedrijf....". Deze voorstelling van de feiten stemde inderdaad niet overeen met de werkelijkheid, tengevolge waarvan de administratie niet kan worden geacht te zijn gebonden door haar instemming met de werkwijze van eiseres.
Bovendien merkt de administratie terecht op dat de beslissing van eerstaanwezend inspecteur L. van 18 juni 2001 geen verwachtingen kan hebben opgewekt in hoofde van eiseres voor de onderzochte periode vanaf 20 juli 1999 tot en met 31 maart 2001. In de brief van e.a. inspecteur L. wordt daarenboven het volgende gesteld : "Ik stel daarom voor dat toekomstige verrichtingen afgehandeld worden op de wijze zoals omschreven in uw brief." Deze brief houdt evenmin een verzoek of toestemming in om over te gaan tot enige regularisatie voor de daaraan voorafgaande periode.
Eveneens moet worden vastgesteld dat de zaakvoerder van eiseres bij brief van 8 juni 1999 reeds een vraag stelde aan de BTW-controle waarbij een voorstelling van de feiten en de facturatie werd gegeven zoals deze zich nadien ook werkelijk heeft voorgedaan en waarop door de eerstaanwezend inspecteur van het destijds bevoegde controlekantoor Gent 4, op 11 juni 1999 het volgende werd meegedeeld : "De BVBA N.D.T. is derhalve een commissionair inzake diensten, bedoeld in artikel 20, § 1 van het BTW-wetboek. M.a.w. de BVBA N.D.T. wordt geacht de verhuurdiensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt."
In deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de administratie de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Eiseres kan niet worden bijgetreden in de stelling dat zij een vergissing beging bij de facturatie en op basis van deze vergissing niet als een commissionair kan worden beschouwd.
4.5.
Eiseres werpt op dat zij ingevolge het antwoord van eerstaanwezend inspecteur L., creditnota's heeft opgesteld ten aanzien van de reisbureau's. De reisagenten maakten vervolgens aan eiseres en factuur op voor hun makelaarslonen met aanrekening van BTW. De BTW werd door verzoekster betaald en als aftrekbare BTW opgenomen in hun aangifte. Eiseres houdt voor dat zij op haar beurt facturen heeft opgemaakt voor haar makelaarslonen aan de buitenlandse verhuurondernemingen.
Er werden geen creditnota's ontvangen vanwege de buitenlandse verhuurders. De door de dienstverrichter aan de tussenpersoon uitgereikte facturen zijn behouden, tengevolge waarvan eiseres alsnog op grond van artikel 13, § 2 en 20, § 1 als een commissionair wordt aangemerkt. De administratie stelt terecht dat ook deze facturen dienden te worden gecrediteerd om niet als commissionair te worden beschouwd.
4.6.
Gelet op het voorgaande heeft eiseres met betrekking tot haar tussenkomsten bij de verhuring van vervoermiddelen gehandeld in de hoedanigheid van commissionair op grond van artikel 20, § 1 W.BTW en wordt zij geacht de diensten zelf te hebben verstrekt.
Overeenkomstig artikel 21, § 2 W.BTW wordt als plaats van een dienst aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.
Overeenkomstig artikel 21, § 3, 6° W.BTW wordt in afwijking van 21, § 2° W.BTW als plaats van de dienst wordt aangemerkt de plaats waar het gebruik plaatsvindt van een vervoermiddel dat is verhuurd :
a) door een verhuurder die in België is gevestigd in de mate waarin dit vervoermiddel buiten de Europese Unie wordt gebruikt;
b) door een verhuurder die buiten de Europese Unie is gevestigd.
Door eiseres wordt niet betwist dat zij voor geen enkele verhuring heeft kunnen aantonen dat het voertuig buiten de Europese Unie zou gebruikt worden, zodat overeenkomstig artikel 21, § 2 W.BTW de Belgische BTW op de verhuringen verschuldigd is.
4.7.
Eiseres kan gelet op haar activiteiten, die door haar zaakvoerder worden omschreven als tussenpersoon in de verhuring van voertuigen, niet worden beschouwd als een tussenpersoon in reizen in de zin van artikel 20, § 2 W.BTW.
4.8.
Eiseres werpt tenslotte de strijdigheid op van artikel 13, § 2 W.BTW met de Zesde Richtlijn en vraagt uiterst ondergeschikt dat volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Europese Hof van Justitie :
"Moet artikel 6, lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting in die zin uitgelegd worden dat ten aanzien van een belastingplichtige, die in werkelijkheid handelt in naam en voor rekening van een ander, het voldoende is dat deze belastingplichtige naar aanleiding van zijn tussenkomst een factuur op zijn naam ontvangt of uitreikt opdat deze geacht kan worden de dienst zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verricht, zelfs wanneer dat in werkelijkheid niet zo blijkt te zijn en de facturatie naderhand wordt rechtgezet."
De rechtbank is van oordeel dat de vaststelling dat artikel 13, § 2 W.BTW in een fictie voorziet die niet is opgenomen in artikel 6, lid 4 van de zesde richtlijn, zoals door eiseres voorgesteld, op zich niet de strijdigheid inhoudt met de zesde richtlijn.
Zoals door de administratie wordt opgemerkt, kunnen de lidstaten op grond van artikel 28, lid 3 van de zesde richtlijn, afwijken van artikel 6, lid 4, gedurende de 'overgangsperiode'.
De overeenkomstig artikel 13, § 2 en 20, § 1 W.BTW voorziene commissionairsfictie, houdt geen strijdigheid in met de tekst en doelstellingen van de zesde richtlijn, voor zover bij de toepassing ervan in het bijzonder geen afbreuk wordt gedaan aan de neutraliteit van die belasting, zoals voorzien in de eerste, zesde en achtste richtlijn. De administratie heeft met betrekking tot de Belgische regeling inzake de gelijkstelling met de commissionair in conclusie deze neutraliteit uitdrukkelijk bevestigd en stelt dat de dubbele heffing van de belasting kan worden voorkomen door toepassing van de regeling voor teruggaaf. De rechtbank acht het in deze omstandigheden niet nodig, noch nuttig de voorstelde vraag aan het Europese Hof van Justitie voor te leggen.
4.9.
Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, werd door verweerder een nota neergelegd met betrekking tot de waardering van de vordering en de toepassing van het basisbedrag, waarmee eiseres zich ter terechtzitting van 5 mei 2008 akkoord heeft verklaard. De vordering van eiseres is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op het akkoord van de partijen en in het bijzonder de omvang van; het bestreden dwangbevel en intresten, in de schijf van 250.000,01 tot 1.500.000,00 EUR.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.
Veroordeeld eiseres tot de kosten van de hoofdvordering.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van eiseres : 0 EUR;
- aan de zijde van verweerder : rechtsplegingsvergoeding : 7.000 EUR;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent" op maandag twee juni tweeduizend en acht, waar aanwezig waren :
- de heer S. R., rechter, voorzitter van deze kamer,
- mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.