1. De eventueel in de Lid-Staten geldende bepalingen welke ingevolge de eerste vier streepjes van artikel 17 van de tweede richdijn van de Raad van 11 april 1967 zijn vastgesteld, zijn in elk van de betrokken Lid-Staten niet meer van toepassing met ingang van de respectieve datum waarop de in artikel 1, tweede alinea, bedoelde bepalingen in werking treden.
1 bis. Tot en met 30 juni 1999 kan het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland voor invoer van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten waarvoor op 1 januari 1993 een vrijstelling gold, artikel 11, onderdeel B, lid 6, zodanig toepassen dat de bij invoer verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde in ieder geval gelijk is aan 2,5% van het overeenkomstig artikel 11, onderdeel B, leden 1 tot en met 4, bepaalde bedrag.
2. Onverminderd artikel 12, lid 3, zijn gedurende de in artikel 28 terdecies bedoelde overgangsperiode de volgende bepalingen van toepassing:
a) De op 1 januari 1991 bestaande vrijstellingen met teruggaaf van voorbelasting en verlaagde tarieven die onder het in artikel 12, lid 3, gestelde minimum voor de verlaagde tarieven liggen, die in overeenstemming zijn met het Gemeenschapsrecht en die voldoen aan de voorwaarden in het laatste streepje van artikel 17 van de Tweede richtlijn van 11 april 1967, kunnen worden gehandhaafd.
De Lid-Staten treffen de nodige voorzieningen om de vaststelling van de eigen middelen die betrekking hebben op deze handelingen te verzekeren.
Indien de bepalingen van dit lid in Ierland tot verstoringen van de mededinging leiden bij de levering van energie voor verwarming en verlichting, kan de Commissie op uitdrukkelijk verzoek van Ierland aan dat land toestaan om voor de leveringen een verlaagd tarief toe te passen overeenkomstig artikel 12, lid 3. Ierland doet in dit geval zijn verzoek aan de Commissie vergezeld gaan van alle nodige informatie. Indien de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek geen besluit heeft genomen, wordt Ierland geacht toestemming te hebben om de voorgestelde verlaagde tarieven toe te passen.
b) De Lid-Staten die op 1 januari 1991 in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht vrijstellingen met teruggaaf van voorbelasting dan wel verlaagde tarieven toepasten die onder het in artikel 12, lid 3, gestelde minimum voor de verlaagde tarieven liggen, met betrekking tot andere dan de in bijlage H genoemde goederen en diensten, kunnen voor die goederen of diensten het verlaagde tarief of een van de twee in artikel 12, lid 3, genoemde verlaagde tarieven toepassen.
c) De Lid-Staten die uit hoofde van artikel 12, lid 3, verplicht zijn hun op 1 januari 1991 geldende normale tarief met meer dan 2 % te verhogen, kunnen voor goederen en diensten bedoeld in bijlage H, een verlaagd tarief toepassen dat onder het in artikel 12, lid 3, bepaalde minimum ligt. Voorts kunnen deze Lid-Staten een dergelijk tarief hanteren voor restauratie, kinderkleding en -schoeisel en huisvesting. De Lid-Staten kunnen op grond van dit lid geen vrijstellingen met teruggaaf van voorbelasting invoeren.
d) De Lid-Staten, die op 1 januari 1991 een verlaagd tarief toepasten voor restauratie, kinderkleding en -schoeisel en huisvesting, kunnen hiervoor een verlaagd tarief blijven toepassen.
e) De Lid-Staten die op 1 januari 1991 een verlaagd tarief toepasten voor andere dan de in bijlage H genoemde goederen en diensten, kunnen voor die goederen of diensten het verlaagde tarief of een van de twee in artikel 12, lid 3, bepaalde verlaagde tarieven toepassen, die echter niet lager mogen zijn dan 12 %.
Deze bepaling kan niet worden toegepast op leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten die overeenkomstig een van de bijzondere regelingen van artikel 26 bis, onderdelen B en C, aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen.
f) De Helleense Republiek mag BTW-tarieven die tot 30 % lager liggen dan de overeenkomstige tarieven op het Griekse vasteland toepassen in de departementen Lesbos, Chios, Samos, de Dodekanesos en de Cycladen, en op de volgende eilanden in de Egeïsche Zee: Thassos, de noordelijke Sporaden, Samothraki en Skiros.
g) Aan de hand van een verslag van de Commissie onderwerpt de Raad vóór 31 december 1994 de bepalingen van bovenstaande punten a) tot en met f) aan een nieuw onderzoek, met name ten aanzien van de goede werking van de interne markt. In geval zich aanzienlijke verstoringen van de mededinging voordoen, neemt de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen passende maatregelen.
h) De Lid-Staten die op 1 januari 1993 gebruik maakten van de in artikel 5, lid 5, onder a), geboden mogelijkheid zoals geldend op die datum, kunnen voor de oplevering van een werk in roerende staat het tarief toepassen dat van toepassing is op het na de uitvoering van het aangenomen werk verkregen goed.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt als „oplevering van een werk in roerende staat” beschouwd de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld met behulp van stoffen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verschaft.
i) de Lid-Staten kunnen een verlaagd tarief toepassen op leveringen van levende planten en andere produkten van de bloementeelt (met inbegrip van bollen, wortelen en dergelijke, snijbloemen en snijgroen) alsmede op voor verbranding bestemd hout.
j) de Republiek Oostenrijk mag een van de twee verlaagde tarieven als bedoeld in artikel 12, lid 3, onder a), derde alinea, toepassen op de verhuring van onroerend goed voor residentieel gebruik, op voorwaarde dat dit tarief niet lager ligt dan 10 %.
k) de Republiek Portugal mag een van de twee verlaagde tarieven als bedoeld in artikel 12, lid 3, onder a), derde alinea, toepassen voor restauratie, op voorwaarde dat dit tarief niet lager ligt dan 12 %.
3. Gedurende de in lid 4 genoemde overgangsperiode kunnen de Lid-Staten:
a) de in de lijst van bijlage E genoemde handelingen die krachtens artikel 13 of artikel 15 zijn vrijgesteld, blijven belasten;
b) de handelingen, genoemd in bijlage F blijven vrijstellen onder de in de Lid-Staat vigerende voorwaarden;
c) de belastingplichtigen de mogelijkheid geven te kiezen voor belasting van de handelingen die op de in bijlage G vastgestelde voorwaarden zijn vrijgesteld;
d) bepalingen waarbij wordt afgeweken van het beginsel van onmiddellijke aftrek als bedoeld in artikel 18, lid 2, eerste alinea, blijven toepassen;
e) bepalingen waarbij wordt afgeweken van ————— artikel 6, lid 4, en artikel 11, A, punt 3, sub c), blijven toepassen;
f) bepalen dat, voor de leveringen van gebouwen en bouwterreinen die met het oog op wederverkoop zijn gekocht door een belastingplichtige welke voor die aankoop geen recht op aftrek had, de maatstaf van heffing kan bestaan uit het verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs;
g) in afwijking van artikel 17, lid 3, en artikel 26, lid 3, de diensten van reisbureaus als bedoeld in artikel 26, lid 3, blijven vrijstellen, zonder recht op aftrek van de voorbelasting. Deze afwijking is ook van toepassing op reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen.
3 bis In afwachting van een besluit van de Raad, die krachtens artikel 3 van Richtlijn 89/465/EEG ( 7 ) moet beslissen over de intrekking van de in lid 3, onder b), bedoelde tijdelijke afwijkingen, mag Spanje de in bijlage F, punt 2, bedoelde handelingen, voor zover deze betrekking hebben op diensten van auteurs, alsmede de in bijlage F, punten 23 en 25, bedoelde handelingen vrijstellen.
4. De overgangsperiode duurt aanvankelijk vijf jaar, te rekenen vanaf 1 januari 1978. Uiterlijk zes maanden vóór het einde van deze periode, en nadien voor zover nodig, beziet de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie, de toestand met betrekking tot de afwijkingen, zoals bedoeld in lid 3 opnieuw, en beslist hij, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie over de eventuele intrekking van deze afwijkingen of van een gedeelte daarvan.
5. In de uiteindelijke regeling zal het personenvervoer in het land van vertrek worden belast voor de binnen de Gemeenschap afgelegde afstand, volgens door de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen vast te stellen nadere bepalingen.
De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie een lidstaat machtigen om uiterlijk tot en met 31 december 2010 de in artikel 12, lid 3, onder a), derde alinea, bedoelde verlaagde tarieven toe te passen op diensten die in ten hoogste twee van de in bijlage K vermelde categorieën worden genoemd. In uitzonderlijke gevallen mag het een lidstaat worden toegestaan het verlaagde tarief toe te passen op diensten in drie van bovengenoemde categorieën.
De desbetreffende diensten moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) arbeidsintensief zijn;
b) grotendeels rechtstreeks voor eindverbruikers worden verricht;
c) hoofdzakelijk lokaal zijn en vermoedelijk geen aanleiding geven tot concurrentiedistorsies;
d) er moet een nauw verband bestaan tussen de prijsverlaging als gevolg van de tariefverlaging en de te verwachten toename van de vraag en de werkgelegenheid.
De toepassing van een verlaagd tarief mag de goede werking van de interne markt niet in gevaar brengen.
Iedere lidstaat die uit hoofde van deze bepaling na 31 december 2005 voor het eerst een verlaagd tarief op een of meerdere van de in de eerste alinea bedoelde diensten wenst toe te passen, stelt de Commissie daarvan uiterlijk op 31 maart 2006 op de hoogte. Hij verstrekt haar voor die datum alle gegevens die dienstig zijn voor de beoordeling van de nieuwe maatregelen die hij wenst in te stellen, met name:
a) het toepassingsgebied van de maatregel en de nauwkeurige beschrijving van de betrokken diensten;
b) de gegevens waaruit blijkt dat aan de in de tweede en de derde alinea genoemde voorwaarden is voldaan;
c) gegevens waaruit de kosten van de voorgenomen maatregel voor de begroting blijken.
De lidstaten die machtiging hebben verkregen om het in de eerste alinea bedoelde verlaagde tarief toe te passen, stellen vóór 1 oktober 2002 een uitvoerig verslag op met een algehele evaluatie van de doeltreffendheid van de maatregel uit een oogpunt van met name schepping van werkgelegenheid en efficiëntie.
Vóór 31 december 2002 stuurt de Commissie een algemeen evaluatieverslag toe aan de Raad en het Europees Parlement, zo nodig voorzien van een voorstel voor passende maatregelen voor een eindbeslissing over het op zeer arbeidsintensieve diensten toepasselijke BTW-tarief.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Geconsolideerde tekst gepubliceerd door het Publicatiebureau van de Europese Unie, per artikel opgesplitst en opnieuw opgemaakt · Licentie CC BY 4.0
Rechtspraak
97België
7Hof van CassatieF.22.0145.N16.10.2026
Vrijstelling, Standstillbepaling
Hof van beroep te Brussel2012/AR/227804.11.2015
Reisbureau, tussenpersoon, bijzondere regeling reisbureaus
Hof van beroep te Brussel04.04.2003
Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist
Europese Unie
90Hof van JustitieC-599/1213.03.2014
Bijzondere regeling voor reisbureaus
Hof van JustitieC-462/0512.06.2008