Procesverloop
2 stappen · 3 jaar 4 maanden- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Brussel19.06.2012
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Brussel04.11.2015
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 04.11.2015 (2012/AR/2278)
Belasting over de toegevoegde waarde - Reisbureau – tussenpersoon - bijzondere regeling reisbureaus – reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie
Wettelijke bepalingen
Art.1, § 7 en art. 21ter WBTW
Art. 306 tot 309, en 370 van de Europese Richtlijn 2006/112/EG
Arrest Hof van Justitie van 13 maart 2014 (C-599/12)
Samenvatting
De rechter in eerste aanleg oordeelde dat de handelingen van de belastingplichtige niet konden beschouwd worden als handelingen van reisbureaus in de zin van in de zin van art. 306 van de Richtlijn 2006/112/EG, maar enkel als handelingen uitgeoefend door een tussenpersoon. De handelingen van belastingplichtige met betrekking tot reizen buiten de EU werden door gefactureerd naar reisagenten, waarbij de naam van de reiziger louter vermeld werd.
De rechter in beroep verwijst echter naar art. 21 van de Reiscontractenwet: “Elk contract door een reisbemiddelaar gesloten of met personen die afzonderlijke prestaties verstrekken, wordt geacht gesloten te zijn door de reiziger”. Het WBTW is niet zo precies in zijn definitie van het begrip reisbureau. Het kan daarom niet worden beschouwd af te wijken van het gemeen recht, dat derhalve toepasselijk is. Het valt trouwens niet in te zien hoe de belastingplichtige als tussenpersoon kan optreden van reizen die zij zelf organiseerde.
De beroepsrechter bevestigd hier ook het arrest van het Hof van Justitie van 13 maart 2014: “Art. 370 van de btw richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage X, deel A, punt 4, het recht van de Unie niet schendt, en de lidstaten de mogelijkheid biedt diensten van reisbureaus in verband met reizen buiten de Unie te blijven belasten”. Er is derhalve geen reden hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen.
Ook de in eerste aanleg toegekende eis tot schadevergoeding is ongegrond, nu vaststaat dat de verkochte reizen die buiten de EU plaatsvinden door de administratie terecht niet van de btw werden vrijgesteld .
De administratie zou volgens belastingplichtige soortgelijke vorderingen tot teruggaaf van andere reisbureaus wel hebben ingewilligd en zo de concurrentie hebben verstoord. De rechter in beroep meent echter dat dergelijke handelswijze van de administratie nergens werd aangetoond. De eis tot schadevergoeding is ongegrond.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep te Brussel
dd. 04.11.2015
(2012/AR/2278)
1.De BELGISCHE STAAT. Federale Overheidsdienst Financiën, in naam van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controle-kantoor van Brussel l, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3504,
2.De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in naam van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controle-kantoor van Lier, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2500 Lier, Kruisbogenhofstraat 24,
appellant,
vertegenwoordigd door Mter J.H., advocaat, met kantoor te …
TEGEN
1. Mter G.V. , advocaat, kantoorhoudend te … , in zijn hoedanigheid van curator van de N.V. O., met laatste maatschappelijke zetel te… , failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te M. van 23 januari 2012,
2. Mter J.D.S., advocaat, kantoorhoudend te … en Mter J. M. advocaat, kantoorhoudend te…, in hun hoedanigheid van curatoren van de B.V.B,A. H.M.C.B., met laatste maatschappelijke zetel te…, failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te B. van 23 december 2010,
eerste, tweede en derde geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Mter M.C.en Mter N.M. , advocaten, met kantoor te …
In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.
PROCEDURE
Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 19 juni 2012, betekend op 1 augustus 2012, waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 29 augustus 2012.
Eerste geïntimeerde zet het geding voort qq. curator van het faillissement van de N.V. O. verklaard op 23 januari 2012.
Bij beschikking van 30 april 2014 bepaalde het hof op verzoek van geïntimeerden bij toepassing van artikel 748, § 2 Ger. W. nieuwe conclusietermijnen, op grond dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2014 zaak C-599/12 inzake J. een nieuw en ter zake doend feit vormt.
Appellant vraagt de wering uit het debat van de nieuwe middelen vervat in de laatste synthese-conclusie van geïntimeerden, die Immers geen betrekking hebben op het voormelde arrest van het Hof van Justitie.
Het betreft enerzijds de drie prejudiciële vragen die geïntimeerden in ondergeschikte vorderen aan het Hof van Justitie te stellen:
"Schendt België vanaf de opheffing vanaf 1 januari 2000 van de expliciete afwijking van de principiële vrijstelling van diensten van reisbureaus ten aanzien van reizen buiten de EU bij artikel 41, § 2, tweede lid w.btw de rechtstreekse werking van artikel26, lid 3 Van Richtlijn 771388/EEG(thans artikel 309 van Richtlijn 2006/112/EG)door dit artikel zonder meer buiten toepassing te laten en op grond hiervan de reisbureaus die diensten verrichten ten aanzien van reizen buiten de EU te blijven belasten?",
"Schendt België de standstillbepaling van artikel28, lid 3 van RichtliJn 77/388IEEG (thans artlkel370 van Richtlijn 2006/112/EG) door de expliciete afwijking van artikel 26, lid 3 van Richtlijn 77/388/EEG (thans artikel 309 van Richtlijn 2006/112/fG) op te heffen vanaf 1 januari 2000 en te trachten deze afwijking weder in te voeren/te handhaven door artikel 26, lid 3 van Richtlijn 77/388/EEG (thans artikel 309 van Richtlijn 2006/112/EG) vanaf 1 januari 2000 zonder meer buiten toepassing te laten door de opheffing van de vroegere omzetting ervan?". en
"Schendt artikel 28, lid 3 van Richtlijn 77/388/EEG (thans artikel 370 van Richtlijn 2006/112/EG) het algemene rechtszekerheidsbeginsel indien het zo moet worden geïnterpreteerd dat Lidstaten die op 1januarl1978 een belasting hadden van diensten van reisbureaus ten aanzien van reizen buiten de EU op grond hiervan deze diensten mogen belasten door het louter buiten toepassing laten van artikel 26, lid 3 van Richtlijn 77/388/EEG (thans artikel 309 van Richtlijn 2006/112/EG) en de rechtstreekse werking ervan, terwijl Lidstaten die op 1 januari 1978 geen belasting hadden van deze diensten en die artikel 26, lid 3 van Richtlijn 77/388/EEG (thans artikel 309 van Richtlijn 2006/112/EG) zonder meer buiten toepassing laten op grond van een identieke regeling deze diensten niet mogen belasten en deze diensten ingevolge de rechtstreekse werking van artikel 26, lid 3 van Richtlijn 77/388/EEG (thans artikel 309 van Richtlijn 2006/112/EG) moeten vrijstellen?".
De schendingen van het Unierecht, voorwerp van de prejudiciële vragen die geïntimeerden formuleren, vertonen een nauw verband met de rechtsvragen die het Hof van Justitie in het arrest J. onderzocht, en derhalve ook met het voorwerp van de beschikking van 30 april 2014 bij toepassing van artikel 748, § 2 Ger.W.
Er is dan ook geen reden om de middelen desbetreffend uit het debat te weren (zie ook infra Beoordeling nr. 3).
Het betreft anderzijds de middelen die geïntimeerden afleiden uit: (1) de schending door de door België gehanteerde regelgevende techniek van artikel 105 WBTW en de artikelen 105 en 170 van de Grondwet, en (2) de strijdigheid van de mogelijkheid voorzien in de nieuwe BTW-Richtlijn van 2006 voor de lidstaten om handelingen van reisbureaus in het kader van reizen buiten de Europese Unie die in principe van BTW zijn vrijgesteld toch te belasten, met de algemene beginselen van het Unierecht, meer bepaald met het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van kapitaal.
Dit zijn middelen die volledig vreemd zijn aan het arrest J. De prejudiciële vragen die het Hof van Justitie in het arrest beantwoordde hebben geenszins betrekking op de schending van het gelijkheidsbeginsel en van de communautaire verkeersvrijheden.
Deze middelen zijn nieuw in de zin dat ze niet werden geformuleerd in de vorige conclusies die geïntimeerden binnen de conclusietermijnregeling bij toepassing van artikel 747, § 2 Ger.W. dienden neer te leggen. Die nieuwe middelen worden dan ook uit het debat geweerd.
FEITEN EN BESTREDEN VONNIS
1. De N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.B., volgens eigen zeggen actief in de reissector met het oog op de organisatie van pakketreizen, d.i, all inclusive reizen: vluchten, hotel, vervoer van en naar, eten en drinken, pasten in het verleden over hun handelingen t.a.v, dergelijke pakketreizen die plaatsvin-den buiten de Europese Unie de BTW op de winstmarges van reisbureaus (het hof verstaat: de speciale margeregeling voorzien in artikel 29. § 2 WBTW) toe en droegen af aan de Schatkist.
Van mening dat die handelingen zijn vrijgesteld van BTW, oefenden de N,V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.via hun BTW-aangifte voor november 2009 een (beperkte) vordering tot teruggaaf uit. nl. de N.V. ODYSSEUS voor de ten onrechte betaalde BTW t.b.v. 14.312,42 EUR voor april en mei 2006, en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.voor de ten onrechte betaalde BTW t.b.v, 176.203,20 EUR voor april en november 2006.
De administratie betwistte de vorderingen tot teruggaaf.
De N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.stelden bij schrijven van 21 december 2009 de administratie in gebreke tot teruggaaf van alle BTW die werd betaald in 2006 over diensten die verband houden met reizen buiten de Europese Unie, en van de overige ten onrechte betaalde BTW over de handelingen t.a.v. pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie vanaf 1 januari 2006 tot aan het faillissement van de N.V. O. dan wel het faillissement van de B.V.B.A. H.M.C.B., meer de wettelijke interesten.
Zij dagvaardden appellant op 31 december 2009.
Op 16 maart 2010 werd lastens de N.V. O. een correctie-opgave opgesteld die een BTW-bedrag in hoofdsom van 14.312,42 EUR en een proportionele geldboete van 10 % tot voorwerp had.
Met het oog op de invordering van deze vordering verrichtte de administratie op 23 maart 2010 een inhouding lastens de N.V. O. van een bedrag van 15.856,90 EUR in het voordeel van de N,V, O. dat bleek uit het saldo van haar rekening-courant per 31 januari 2010.
Op 25 maart 2010 werd lastens de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.een proces-verbaal opgesteld dat een BTW-bedrag in hoofdsom van 176.203,20 EUR en een proportionele geldboete van 10 % tot voorwerp had.
Met het oog op de invordering van deze vordering verrichtte de administratie op 17 maart 2010 lastens de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.een inhouding van een bedrag van 182.469,84 EUR in het voordeel van de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.dat bleek uit het saldo van haar rekeningcourant per 31 januari 2010.
2. De N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.B., en nadien tweede en derde geïntimeerden die het geding hervatten qq. curatoren van het faillissement van de B.V.B.A. H.M.C.B., vorderden voor de eerste rechter te zeggen voor recht dat de handelingen die door de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.werden/worden verricht rn.b.t. reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie van BTW zijn vrijgesteld, minstens vanaf 1 januari 2000 (vanaf welke datum de Belgische BTW-reglementering voor reisbureaus werd aangepast, teneinde rekening te houden met de kritiek van de Europese Commissie op de wijze waarop België de Europese regelgeving terzake omzette).
Zij vorderden appellant te veroordelen om al de ten onrechte ingehouden of door hen ten onrechte betaalde BTW over hun van BTW vrijgestelde handelingen t.a.v. reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie vanaf 1 januari i!006 tot op de datum van het tussen te komen vonnis terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke interesten.
In dit kader vorderden zij de correctie-opgave van 16 maart 2010 en het proces-verbaal van 25 maart 2010 van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de erin gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn.
In ondergeschikte orde, vorderden zij appellant te veroordelen tot vergoeding van alle schade, provisioneel begroot op 1,00 EUR, die zij lijden door het onjuist omzetten, toepassen, toelichten en/of controleren van de BTW-reglementering betreffende reisbureaus en tussenpersonen bij reizen die plaatsvinden bulten de Europese Unie t.a.v. hen en hun concurrenten, waardoor de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.onherstelbare concurrentiële schade leden, door het (quasi) onmogelijk maken van de uitoefening van hun recht op teruggaaf van de door hen ten onrechte betaalde BTW, en door het bestendigen van deloyale concurrentie door reisbureaus en andere actoren uit de reissector vanuit andere Lidstaten die artikel 309 juncto artikel 153 juncto artikel 370 van de Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 (d.i. de nieuwe BTW-Richtlijn van 2006) wel correct toepassen.
Zij vorderden nog de gemeenverklaring van het vonnis aan de N.V. S.V., die zij daartoe eveneens hadden gedagvaard.
3. De eerste rechter verklaarde de hoofdvordering en de vordering in gemeenverklaring beide ontvankelijk doch enkel de hoofdvordering gegrond zoals gesteld zowel in hoofd- als in onderge-schikte orde.
Meer bepaald zegde de eerste rechter voor recht dat de handelingen die door de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.werden verricht m.b.t. reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie tijdens de aan de orde zijnde belaste periode va" BTW zijn vrijgesteld vanaf 1 januari 2000.
Hij veroordeelde appellant om al de ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen over hun van BTW vrijgestelde handelingen t.a.v, reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie gedurende de aan de orde zijnde belaste periode, en vanaf 1 januari 2006 tot de datum van het tussen te komen vonnis terug te betalen.
Hij verklaarde de correctieopgave die middels aangetekend schrijven van 16 maart 2010 aan de N.V. O. werd ter kennis gebracht van nul en generlei waarde en zegde voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn.
Hij verklaarde het proces-verbaal, ter kennis gebracht middels aangetekend schrijven van 25 maart 2010 aan de B.V.B.A. H.M.C.- B.T., van nul en generlei waarde en zegde voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn.
Hij zegde voor recht dat de vordering tot teruggaaf van alle door de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.ten onrechte vanaf 1 januari 2006 tot de datum van het vonnis betaalde BTW over hun van BTW vrijgestelde handelingen t.a.v. pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie, meer de wettelijke interesten met de ingestelde vordering tijdig en geldig is uitgeoefend en dienovereenkomstig moet worden begroot in overleg tussen de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.en appellant en dit binnen de maand van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.
Hij veroordeelde tenslotte appellant, zij het niet in het dispositief van het vonnis, dan wel in het motiverend gedeelte ervan (blz. 8), tot betaling van een schadevergoeding ten provisionele titel van 1,00 EUR.
Appellant werd verwezen in de gedingkosten m.b.t. de hoofdvordering en de N.V. O. en tweede en derde geïntimeerden werden verwezen in de gedingkosten rn.b.t. de vordering in gemeenverklaring.
GRIEVEN
Appellant streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.
Hij vordert de (hoofd)vordering van geïntimeerden af te wijzen als ongegrond en hen te veroor-delen in de kosten van beide aanleggen.
Eerste, tweede en derde geïntimeerden tekenen incidenteel beroep aan wat betreft de rechts-plegingsvergoeding die de eerste rechter begrootte op het bedrag van 1.250,00 EUR en die zij vorderen te begroten op het bedrag van 22.000,00 EUR.
Zij vorderen het bestreden vonnis voor het overige te bevestigen en appellant te veroordelen in de kosten van beide aanleggen.
BEOORDELING
1. Luidens artikel 1. § 7, eerste lid, 2°, en tweede lid WBTW, ingevoegd bij koninklijk besluit van 8 december 1999, zoals van toepassing vanaf 1 januari 2000, wordt onder reisbureaus voor de toepassing van de BTW verstaan: "eenieder die, voor zover hij zijn activiteit als volgt uitoefent, in eigen naam, reizen, beoogd In 1·, organiseert en verkoopt aan reizigers, en die door die persoon worden verwezen/ijkt door gebruik te maken van met het oog hierop door anderen aan hem verstrekte goederen en diensten.
Als reisbureau wordt derhalve niet aangemerkt voor de toepassing van dit Wetboek, eenieder die handelt als volgt:
1° hij die, in eigen naam, reizen, beoogd in het eerste lid, 1°, organiseert en verkoopt aan reizigers en die zelf rechtstreeks met eigen middelen de uitvoering ervan verzekert;
2° hij die in de hoedanigheid van tussenpersoon bemiddelt in de verkoop van reizen, beoogd in het eerste lid 1°”.
Artikel 1, § 7, eerste lid, 1° WBTW definieert reizen als "de gehelen van samenhangende prestaties van vervoer, logies, spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt ontspanning of dergelijke, verblijven tegen een vaste som, welke inzonderheid logies omvatten, toeristische rondreizen, alsook het uitvoeren van één of meerdere prestaties die deel uit maken van die gehelen of die in dezelfde lijn ervan liggen".
2. In hoofdorde, stellen geïntimeerden dat de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.bij reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie voor BTW-doeleinden geen reisbureaus waren, waarop de bijzondere margeregeling van toepassing is, dan wel tussenpersonen wier tussenkomst is vrijgesteld van BTW bij toepassing van artikel 41, § 2, eerste lid, WBTW juncto artikel 20, § 2 WBTW.
Geïntimeerden beweren dat de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.aan anderen reizen leverden door in de hoedanigheid van een tussenpersoon tussen te komen in de verkoop van de reis, zodat de reisbureauregeling niet van toepassing is.
Overeenkomstig artikel 41, § 2, eerste lid, a) WBTW, zijn van BTW vrijgesteld: "de diensten door makelaars en lasthebbers, die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2 (vervangen bij koninklijk besluit van 28 december 1999) (m.n. als commissionair). wanneer die makelaars en lasthebbers tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die buiten de Gemeenschap plaatsvinden".
Krachtens artikel 20, § 2 WBTW (vervangen bij koninklijk besluit van 28 december 1999) (dat betrekking heeft op diensten van commissionairs) zijn "de bepalingen van § 1 (m.n. de BTW-behandeling van een commissionair of een andere tussenpersoon als bedoeld in artikel 13, § 2 die tussenkomst verleent bij diensten) niet van toepassing op
1° de reisbureaus in de zin van artikel 1, §7, eerste lid, 2°
2° de tussenpersonen in reizen, beoogd in 1, § 7, tweede lid_.2°''.
De eerste rechter oordeelde dat "Aan de hand van de beperkte stukken van het dossier blijkt dot eisende partijen blijkbaar pakketreizen verkopen en factureren aan andere belastingplichtigen. Het betreft reisbureaus of reisagenten. Deze verkopen deze paketten vervolgens door aan reizigers. Bijgevolg dient geconcludeerd te worden dat eiseressen niet kunnen worden aangemerkt als reisbureaus voor BTW doeleinden. Nergens uit het dossier blijkt trouwens dat de Fiscale Administratie vaststelde dat eiseressen rechtstreeks aan reizigers verkochten, dit terwijl de bewijslast dienaangaande op de Fiscale Administratie rust.
De verwijzing door verwerende partij naar art. 9 van de reiswet van 16 februari 1994 verandert hieraan niets. Zoals hoger aangehaald wordt in het kader van de BTW-wetgeving een specifieke omschrijving gegeven aan de ter discussie staande activiteiten. De handelingen van eiseressen kunnen zodoende niet worden beschouwd als handelingen van reisbureaus zoals bedoeld in artikel 306 van de (nieuwe BTW-Richtlijn van 2006)".
Partijen zijn het oneens aangaande de bewijslast. De bewijslast dient te worden verdeeld.
De administratie, die de BTW invordert, draagt de bewijslast. Evenwel hebben geïntimeerden de bewijsstukken in hun bezit, die hun bewering als zouden de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T. als
tussenpersoon hebben gehandeld bij de verkoop van reizen buiten de Europese Unie, moeten staven.
Op vraag van het hof legden geïntimeerden bijkomende stukken neer, die een inzicht moeten verschaffen in de rechtsverhoudingen van de activiteit van de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.- B.T.
Uit de aldus overgelegde samenwerkingsovereenkomsten, die de N. V. O. en de
B.V.B.A. H.M.C.-B.T. als reisorganisatoren sloten met de reisagenten, corresponderende dossiers en facturen, blijkt dat de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.-B.T. zelf reizen organiseerden door gebruik te maken van met het oog hierop door anderen aan hen verstrekte diensten, zoals vervoeronder-nemingen en hotelhouders.
Uit deze stukken blijkt weliswaar ook dat de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.-B.T. de reizen factureerden aan de reisagenten met wie samenwerkingsovereenkomsten werden gesloten (S., J.,
F., D. D., ...) en dat de facturen louter de naam van de reiziger vermeldden, zonder dat deze op de facturen als afnemer werd aangemerkt.
Dit laat geïntimeerden echter niet toe op basis van dergelijke facturatiestroom staande te houden dat de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.-B.T. aan anderen reizen leverden door in de hoedanigheid van tussenpersoon tussen te komen in de verkoop van de reis, zodat de reisbureauregeling niet van toepassing zou zijn.
Geïntimeerden stellen dat de factuur de bevestiging is van de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst, maar voegen daar terecht aan toe dat dit slechts geldt tot bewijs van het tegendeel.
De N.V. O. en de B.V.BA H.M.C.-B.T. factureerden hun handelingen m.b.t. de reizen buiten de Europese Unie weliswaar aan de reisagenten en niet aan de reizigers.
Dit neemt niet weg dat krachtens het gemeen recht, te dezen het reisrecht, meer bepaald de wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling (Reiscontractenwet), één van de essentiële elementen van de wettelijke definitie van het contract tot reisorganisatie er in bestaat dat een reisorganisator zich in eigen naam verbindt t.o.v. de reiziger (artikel 1,1° van de Reiscontractenwet), en dat tussen reisorganisator en reiziger een rechtstreeks contract tot stand komt door tussenkomst van de reisbemiddelaar in zijn hoedanigheid van lasthebber van de reiziger (artikel 21 van de Reiscontractenwet:
"Elk contract door een reisbemiddelaar gesloten met een reisorganisator of met personen die afzonderlijk prestaties verstrekken, wordt geacht gesloten te zijn door de reiziger").
Het WBTW is niet zo precies in zijn definitie van het begrip reisbureau dat het kan worden beschouwd af te wijken van het gemeen recht, dat derhalve toepasselijk is.
Het valt overigens niet in te zien hoe de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.-B.T. als tussenpersoon konden optreden bij de verkoop van reizen die zij zelf organiseerden.
3. In ondergeschikte orde, indien het hof zou oordelen dat de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.-B.T.
wel moeten worden aangemerkt als reisbureaus voor BTW-doeleinden, stellen geïntimeerden dat de betreffende handelingen (van reisbureaus) van de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.-B.T. minstens vanaf 1 januari 2000 zijn vrijgesteld van BTW.
Het Hof van Justitie oordeelde evenwel in zijn arrest van 13 maart 2014 dat de Belgische administratie wel degelijk BTW mag eisen op door Belgische reisbureaus verkochte reizen die buiten de Europese Unie plaatsvinden (H.v.J. 13 maart 2014, C-599/12, J. Nv en BTW-eenheid
BTWE T./FOD Financiën).
Geïntimeerden vorderen in ondergeschikte orde aan het Hof van Justitie de hierboven vermelde prejudiciële vragen voor te leggen (zie supra Procedure).
Volgens geïntimeerden werden de schendingen die zij aanvoeren door het Hof van Justitie in zijn arrest van 13 maart 2014 niet beoordeeld.
Geïntimeerden doen een verkeerde lezing van het arrest. als zou het de Belgische wetgeving die geldt vanaf 1 januari 2000 niet in zijn beoordeling hebben betrokken. Dit wordt stellig tegenge-sproken door de punten 12 tot 15 van het arrest, waarin het Belgisch recht wordt uiteengezet. met inbegrip van het koninklijk besluit van 28 december 1999, in werking getreden op 1 januari 2000, dat het WBTW wijzigde. Krachtens dit koninklijk besluit, zijn diensten van reisbureaus die betrekking hebben op reizen buiten de Europese Unie niet meer gelijkgesteld aan de handelingen van tussenpersonen. Zoals het Hof van Justitie opmerkte, zijn die diensten van reisbureaus nog steeds aan de BTW onderworpen (punt 15).
Derhalve geldt het oordeel van het Hof van Justitie, luidens hetwelk "Artikel 28,lid 3 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG)van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevin-gen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toege-voegde waarde: uniforme grondslag, en artikel 370 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, verzetten zich niet tegen de invoering door een lidstaat, vóór 1 januari 1978, tijdens de omzettingsperiode van de Zesde richtlijn (77/388), van een bepaling tot wijziging van de bestaande wetgeving waarbij handelingen van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de Europese Unie aan de belasting over de toegevoegde waarde worden onderworpen" en luidens hetwelk "Een lidstaat schendt artikel 309 van richtlijn 2006/112 niet door diensten van reisbureaus die betrekking hebben op reizen buiten de Europese Unie, niet gelijk te stellen aan vrijgestelde handelingen van tussenpersonen en deze diensten te onderwerpen aan de belasting over de toegevoegde waarde, indien zij in de betrokken lidstaat op 1 januari 1978 werden belast", ook voor het koninklijk besluit van 28 december 1999.
De eerste en tweede prejudiciële vragen dienen dan ook aan het Hof van Justitie niet te worden voorgelegd (vgl. H.vJ. 6 oktober 1982, C., 283/81, Jur. 1982, 3415, rechtsoverwegingen 13 tot 21: het hoogste rechtscollege moet een prejudiciële vraag niet voorleggen, wanneer de rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat de betrokken EU-bepaling al door het Hof is uitgelegd, hetzij in een prejudicieel arrest hetzij in het raam van een prejudiciële of andere procedure waarin het Hof zich over een nagenoeg identieke vraag heeft uitgesproken) (A fortiori hoeft het hof dat geen hoogste rechtscollege is, de prejudiciële vraag in dergelijk geval niet voor te leggen).
In de derde prejudiciële vraag, betwisten geïntimeerden de geldigheid van artikel 28, derde lid van de Zesde WTW-Richtlijn en van artikel 310 van de nieuwe BTW-Richtlijn van 2006.
Artikel 28, derde lid, sub a, en vierde lid van de Zesde BTW-Richtlijn, opgenomen in titel XVI met het opschrift "Overgangsbepalingen”, luidde:
"Gedurende de in lid 4 genoemde overgangsperiode kunnen de lidstaten: a) de in de lijst van bijlage E genoemde handelingen die krachtens (...) artikel 15 zijn vrijgesteld, blijven belasten;
(...)
De overgangsperiode duurt aanvankelijk vijf jaar, te rekenen vanaf 1januari 1978 (...)”
De in bijlage E genoemde handelingen die krachtens artikel 15, punt 14, van de Zesde BTW-Richtlijn zijn vrijgesteld. omvatten "diensten van reisbureaus a's bedoeld in artikel 26 alsmede van reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen, voor reizen buiten de Gemeenschap".
Artikel 370 van de nieuwe BTW-Richtlijnvan 2006 bepaalt: "De lidstaten die op l1januari 1978 de in de lijst van bijlage X. deel A, genoemde handelingen belastten, mogen deze blijven betasten"
Bijlage X, deel A, bij deze richtlijn, met het opschrift "Handelingen die de lidstaten mogen blijven belasten", bepaalt in punt 4: "diensten van reisbureaus bedoeld in artikel 306 alsmede van reisbureaus die in naam en voor rekening van de reiziger handelen, voor reizen buiten de Gemeenschap"
Dit zijn EU-handelingen. Dit betekent niet noodzakelijk dat het hof de vraag over de geldigheid van de voormelde EU-handeling aan het Hof van Justitie moet voorleggen. De nationale rechter kan immers zelf de geldigheid van een EU-handeling onderzoeken en, indien hij meent dat de aangevoerde middelen van ongeldigheid ongegrond zijn, deze verwerpen door vast te stellen dat de handeling geldig Is. Het is enkel wanneer een nationale rechter meent dat één of meer van de door partijen aangevoerde middelen van ongeldigheid gegrond zijn - of indien hij meent een dergelijk middel te moeten opwerpen - dat hij het Hof moet verzoeken de geldigheid te beoordelen (vgl. H.v.J. 10 januari 2006, Iata en Elfaa. en E. ,C-344/04, Jur. 2004, I-403, rechtsoverwegingen 27 tot 32).
Met hun derde prejudiciële vraag, verliezen geïntimeerden uit het oog dat het Hof van Justitie in zijn arrest Jetair overwoog, t.a.v. de verschillende behandeling van reisbureaus en tussenpersonen, dat uit artikel 370 van de nieuwe BTW-Richtlijn van 2006 (Richtlijn 2006/112/EG van de raad van van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde) volgt dat lidstaten onder omstandigheden de handelingen kunnen blijven belasten en artikel370 van de nieuwe BTW-Richtlijn aan deze bevoegdheid niet afdoet (rechtsoverwegingen 41 en 42 van het arrest), en wat betreft de keuzeruimte voor de lidstaten om diensten i.v.m, reizen buiten de Europese Unie te belasten, overwoog dat "48 Zoals het Hof al eerder heeft geoordeeld, komt uit de handhaving van deze uitzonderingsregeling naar voren dat de harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen ter zake van de btw geleidelijk verloopt en nog gedeeltelijk is (zie in die zin arrest van 7 december 2006, Eurodental, C-24O/05, Jurispr. blz. I-11479, punt 50). De voorgenomen harmonisatie is nog niet verwezenlijkt In zoverre artikel 28, lid 3, sub a van de Zesde richtlijn en artikel 370 van de btw-richtlijn de lidstaten hebben toegestaan, sommige van de op 1 januari 1978 geldende bepalingen van nationaal recht te handhaven die zonder die toestemming onverenigbaar met deze richtlijnen zouden zijn (zie in die zin met betrekking tot de Zesde richtlijn arrest Euradental, reeds aangehaakt punt 51).
49 Het staat aan de wetgever van de Unie, de definitieve regeling voor de vrijstellingen van de btw vast te stellen en aldus de nationale btw-wetgevingen geleidelijk te harmoniseren (zie arrest van 13juli 2000, Idéal tourisme, C-36/99, Jurisp». blz. I-6049, punt 39).
50 Zolang de wetgever van de Unie die definitieve regeling nlet heeft vastgesteld en de lidstaten hun bestaande wetgeving kunnen handhaven kunnen er verschillen blijven bestaan tussen de lidstaten zonder dat zulks in strijd is met het recht van de Unie.
51 Op de vierde vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 370 van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage X, deel A, punt 4, bij deze richtlijn, het recht van de Unie niet schendt, door de lidstaten de mogelijkheid te bieden diensten van reisbureaus in verband met reizen buiten de Unie te blijven belasten" (rechtsoverwegingen 48 tot 51).
Meer bepaald verliezen geïntimeerden uit het oog dat naar het oordeel van het Hof van Justitie de verschillen die tussen de lidstaten blijven bestaan ingevolge de standstill-bepalingen van artikel 28, derde lid van de Zesde BTW-Richtlijn en artikel 370 van de nieuwe BTW-Richtlijn van 2006 niet in strijd zijn met het Unierecht (rechtsoverweging 50). Hieruit volgt dat deze standstill-bepalingen zelf evenmin strijdig zijn met het Unierecht waarvan het door geïntimeerden ingeroepen algemeen rechtszekerheidsbeginsel deel uitmaakt.
Er is derhalve geen reden om de derde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen.
4. Nog in ondergeschikte orde, indien het hof zou oordelen dat België de diensten van reisbureaus t.a.v, reizen buiten de Europese Unie vanaf 1 januari 2000 correct kon onderwerpen aan BTW door louter impliciet af te wijken van de ter zake geldende Europese BTW-vrijstelling, m.n. door de Europese regelgeving hieromtrent zonder buiten toepassing te laten en de expliciete uitsluiting van de BTW-vrijstelling op te heffen, stellen geïntimeerden dat de hiervoor door België gehanteerde regelgevende techniek artikel 105 WBTW en de artikelen 105 en 170 van de Grondwet schendt.
Op grond hiervan besluiten geïntimeerden dat België nooit geldig de bedoelde handelingen van reisbureaus aan BTW heeft onderworpen en de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.-B.T. zich t.a.v. hun handelingen geldig beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 26, derde lid, van de Zesde BTW-Richtlijn (thans artikel 309 van de nieuwe BlW-Richtlijn van 2006).
Zoals hierboven gesteld, dienen deze middelen uit het debat te worden geweerd (zie supra Procedure).
5. In meest ondergeschikte orde, menen geïntimeerden dat de mogelijkheid voorzien in de nieuwe BTW-Richtlijn van 2006 voor de lidstaten om handelingen van reisbureaus in het kader van reizen buiten de Europese Unie die in principe van BTW zijn vrijgesteld toch te belasten, strijdig is met de algemene beginselen van het Unierecht. meer bepaald met het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van kapitaal, doordat als gevolg van zulke regelgeving sommige lidstaten reizen buiten de Europese Unie zullen belasten en andere lidstaten deze reizen zullen vrijstellen. Dergelijke regelgeving werkt, volgens geïntimeerden, concurrentie-verstorend en vormt een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel, alsook de beginselen van vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van kapitaal.
Zoals hierboven gesteld, dient dit middel uit het debat te worden geweerd (zie supra
Procedure).
6. De eerste rechter kende aan geïntimeerden een schadevergoeding ten provisionele titel van 1,00 EUR toe, op grond dat "Nu uit het dossier blijkt dot de Belgische Staat wetens en willens aangaande een belangrijke controverse naliet/nalaat een standpunt in te nemen, ook niet na herhaalde vraag van belastingplichtigen, schendt zij de beginselen van behoorlijk bestuur, minstens de algemene zorgvuldigheidsnorm".
Geïntimeerden handhaven voor het hof hun schadeëis die zij in ondergeschikte orde instelden.
De schadeëis is ongegrond, nu uit bovenstaande vaststellingen en overwegingen volgt dat appellant terecht de door de reisbureaus N.V.O. en B.V.B.A. H.M.C.-B.T. verkochte reizen die buiten de Europese Unie plaatsvinden niet vrijstelde van BTW.
Appellant nam dit standpunt tegenover de N.V. O. en de B.V.B.A. H.M.C.-B.T. in vanaf de administratieve fase, door hun vorderingen tot teruggaaf af te wijzen.
De administratie zou soortgelijke vorderingen tot teruggaaf van andere Belgische reisbureaus wel hebben ingewilligd, hetgeen volgens geïntimeerden de concurrentie zou hebben verstoord. Dergelijke handelwijze van de administratie wordt echter niet aangetoond. De schadeëis is ongegrond.
Uit vorenstaande vaststellingen en overwegingen volgt dat het hoofdberoep gegrond is.
7. De eerste rechter begrootte de rechtsplegingsvergoeding op het basisbedrag van 1.250,00 EUR, op grond dat “uit het dossier blijkt dat partijen het erover eens zijn dat deze vergoeding ( ..).begroot dient te worden op € 1.250,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden" .
De eerste rechter zag aldus volledig over het hoofd dat in hun conclusies, eerste geïntimeerde erop wees dat voor zijn vordering, waarvan de waarde gelegen is in de schijf van 10.001,00 EUR tot 20.000,00 EUR, (het basisbedrag van) de rechtsplegingsvergoeding 1.210,00 EUR bedraagt, en tweede en derde geïntimeerden erop wezen dat voor hun vordering, waarvan de waarde gelegen is in de schijf van 100.001,00 EUR tot 250.000,00 EUR, (het basisbedrag van) de rechtsplegings-vergoeding 5.500,00 EUR bedraagt. en dat alledrie geïntimeerden vorderden de rechtsplegings-vergoeding te begroten op het bedrag van 22.000,00 EUR, zijnde het maximumbedrag waarop tweede en derde geïntimeerden aanspraak kunnen maken, en dit bedrag onder de drie geïntimeerden te verdelen.
Geïntimeerden vorderden het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, gelet op de complexiteit van de zaak en de kennelijk onredelijke houding van appellant.
Geïntimeerden tekenen incidenteel beroep aan wat betreft de rechtsplegingsvergoeding.
Appellant van zijn kant vorderde voor de eerste rechter de rechtsplegingsvergoeding te begroten, t.a.v. eerste geïntimeerde op het basisbedrag van 1.210,00 EUR, gelet op de waarde van zijn vordering, gelegen in de schijf van 10.001,00 EUR tot 20.000,00 EUR, en t.a.v. tweede en derde geïntimeerden op het basisbedrag van 5.500,00 EUR, gelet op de waarde van hun vordering, gelegen in de schijf van 100.001,00 EUR tot 250.000,00 EUR.
Thans vordert ook appellant de rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg (en van hoger beroep) te begroten op het bedrag van 22,000,00 EUR.
Zoveel is duidelijk dat het een complexe zaak betreft, nl. de BTW-behandeling van handelingen t.a.v. reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie, zodat de rechtsplegingsvergoeding dient te worden begroot op het maximumbedrag van 22.000,00 EUR, dat geïntimeerden onder elkaar zullen dienen te verdelen, zoals zij vragen.
Het incidenteel beroep is gegrond.
Partijen zijn het eens over een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van het maximumbedrag van 22.000,00 EUR.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
HET HOF
rechtdoende op tegenspraak,
gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
verklaart het hoofd- en incidenteel beroep beide ontvankelijk en gegrond als volgt,
hervormt het bestreden vonnis, uitgezonderd in zoverre het de vordering ontvankelijk
verklaarde,
verklaart de vordering ongegrond,
veroordeelt geïntimeerden in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellant begroot op de rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg van 22.000,00 EUR en de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 22.000,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerden samen op de rechtsplegings-vergoeding eerste aanleg van 22.000,00 EUR en de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 22.000,00 EUR.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare Zitting van 04 november 2015 door
P. V. alleenzetelend Raadsheer
B. H. Griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.