Procesverloop
2 stappen · 3 jaar 4 maanden- Weergegeven beslissingRechtbank van eerste aanleg te Brussel19.06.2012
- Beslissing in beroepHof van beroep te Brussel04.11.2015
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 19.06.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 35ste Kamer
In zake van :
1) NV O., met zetel te …, …, nr. 34 KBO nummer …,
2) Mr. J. D. S., advocaat, kantoor houdende te …, … en Mr. J. M., advocaat, kantoor houdende te …, … in hun hoedanigheid van curatoren van BVBA H. M. A. C. - B.-T. BVBA (hierna HMC), met laatste maatschappelijke zetel te met zetel te …, … nr. 114, KBO nr. …, failliet verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 23/12/2010.
Eisende partijen
Vertegenwoordigd door Mr. N. M. loco Mr. M. C., advocaat met kantoor te …, …
tegen :
1) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de heer Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-controlekantoor van Brussel 1, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3504
2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de heer Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-controlekantoor van Lier, met kantoren te 2500 Lier, Kruisbogenhofstraat nr. 24
Vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. J. H., advocaat met kantoor te …, …
verwerende partijen
4) NV S. V., met zetel te …, … KBO nr. …
Vertegenwoordigd door Mr. M. loco Mr. 0. B., advocaat met kantoor te …, …
VERWEERSTER IN GEDWONGEN TUSSENKOMST
In deze zaak, in beraad genomen op 13/03/2012, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :
Gelet op :
- de dagvaarding betekend op 31/12/2009;
- gelet op de beschikking genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. dd. 16/02/2010;
- de conclusies, syntheseconclusies, laatste syntheseconclusies en bijkomende syntheseconclusies voor verwerende partijen neergelegd ter griffie op 14/05/10, 15/11/10, 9/05/11 en op 7/02/12;
- de conclusies, syntheseconclusies en tweede syntheseconclusies voor verwerende partij in gedwongen tussenkomst neergelegd ter griffie op 16/07/10, 13/01/11 en op 9/02/12;
- de conclusies, syntheseconclusies en syntheseconclusies voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 16/09/10, 16/03/11 en op 3/01/12;
- het bundel met stukken van eisers neergelegd ter griffie op 3/01/2012;
- de conclusies met stukken van verweerder in gedwongen tussenkomst neergelegd ter griffie op 9/02/12;
- het bundel met stukken van eisende partijen neergelegd ter griffie op 20/06/11;
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 13/03/2012, waarna de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
_____
1. FEITEN
Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW-wetgeving.
Eisende partijen zijn BTW-plichtige.
Zij zijn 'touroperators' en verkopen pakketreizen ("all-in reizen"), hoofdzakelijk voor bestemmingen buiten de Europese Unie.
Deze verkopen gebeuren d.m.v. reisbureaus aan de consument.
Na een door de bevoegde diensten van verwerende partij bij O. uitgevoerde BTW-controle werden er een aantal vermeende overtredingen vastgesteld.
Op grond daarvan werd een correctie-opgave opgesteld.
Uit deze correctie-opgave blijkt dat O. volgende bedragen aan BTW en aanhorigheden verschuldigd zou zijn aan verwerende partij :
BTW : € …
Boetes : € …
Interest : p.m.
Op 23/03/10 deed verwerende partij een inhouding lastens O. van een bedrag van € ….
Lastens HMC formuleerde verwerende partij bij proces-verbaal dd. 25/03/10 volgende vordering :
BTW : € …
Boetes : € …
Interest : p.m.
Op 17/03/10 deed verwerende partij een inhouding lastens HMC van een bedrag van € ….
Voor de behandeling van deze zaak zijn voorts volgende gegevens van belang.
De wetgeving m.b.t. de BTW behandeling van de tussenkomst van reisbureaus en touroperators is onduidelijk en de Fiscale Administratie liet en laat na van een algemeen officieel standpunt in te nemen.
Deze onduidelijke situatie brengt met zich mee dat bepaalde belastingplichtigen / concurrenten blijkbaar m.b.t. dezelfde handelingen geen BTW aanrekenen en verschuldigd zijn terwijl eisende partijen dit voorzichtigheidshalve wel deden en het blijkbaar ook moeten doen.
In hun BTW aangiftes voor 2009 oefenden eisende partijen hun recht op teruggaaf uit voor BTW ten onrechte opgenomen in de aangiftes voor april en november 2006 van O. en in de aangiftes voor april en mei 2006 voor HMC.
D.m.v. dagvaarding betekend op 31/12/2009 stelden eiseressen een vordering in rechte in tegen de Belgische Staat. Zij dagvaardden tevens de NV S. V. in gedwongen tussenkomst.
2. VOORWERP VA N DE VORDERING
De vordering van eisende partijen strekken ertoe :
- voor recht te zeggen dat de handelingen die door eiseressen werden/worden verricht m.b.t. reizen die plaatsvinden buiten de europese unie van BTW zijn vrijgesteld, minstens vanaf 1/01/2000;
- verwerende partij te veroordelen om al de ten onrechte ingehouden of al de ten onrechte door O. en HMC betaalde bedragen over hun van BTW vrijgestelde handelingen t.a.v. reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie vanaf 1/01/06 tot de datum van het tussen te komen vonnis terug te betalen
- in dat kader de correctieopgave die middels aangetekend schrijven dd. 16/03/10 aan O. ter kennis werd gebracht van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn;
- het p.v. ter kennis gebracht middels aangetekend schrijven dd. 25/03/10 aan HMC van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn;
- te zeggen voor recht dat de vordering tot teruggaaf van alle door O. en HMC ten onrechte vanaf 1/01/06 tot de datum van het tussen te komen vonnis betaalde BTW over hun van BTW vrijgestelde handelingen t.a.v. pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie, meer de wettelijke interesten met de ingestelde vordering tijdig en geldig is uitgeoefend en dienovereenkomstig moet worden begroot in overleg tussen eisende en verwerende partijen en dit binnen de maand te rekenen vanaf het in kracht van gewijsde gaan van de tussen te komen beslissing;
- verwerende partij te horen veroordelen 'tot alle schade bedoeld in randnummer 31, provisoir begroot op … EUR, meer gerechtelijke interesten vanaf de datum van dagvaardingen dd. 31/12/2009.
- verwerende partij te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
De vorderingen van eisende partijen werden ingesteld bij dagvaardingen betekend op 31/12/2009.
Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vorderingen van eisende partijen niet. Verweerster in gedwongen tussenkomst evenmin.
Nu de rechtbank van oordeel is dat er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering van eisende partijen ontvankelijk te worden verklaard.
3.II. Gegrondheid
M.b.t. de hoofdvordering
Eisende partijen voeren aan dat :
- zij geen reisbureaus zijn;
- de diensten van reisbureaus voor reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie in elk geval van BTW zijn vrijgesteld;
- de ten onrechte door hen betaalde BTW dient te worden terugbetaald;
- verwerende partij ertoe gehouden is de schade die zij hebben geleden te vergoeden.
M.b.t het argument dat eisende partijen geen reisbureaus zijn
Eisende partijen argumenteren dat zij voor BTW doeleinden niet kunnen worden gekwalificeerd als reisbureaus zoals bedoeld in de Europese en Belgische reglementering ter zake, maar wel als tussenpersoon bij reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie.
Zij zouden naar eigen zeggen niet vallen onder de omschrijving van reisbureau zoals bepaald in art. 1, § 7,1° lid ,2° en tweede lid W.BTW (artikel in uitvoering van art. 306 van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006), dit omdat ze in casu niet in eigen naam optreden t.a.v. de reizigers voor de organisatie en voor de verkoop van reizen maar hun handelingen t.a.v. de geviseerde reizen steeds leverden/leveren en factureerden/factureren aan reisagenten die vervolgens in hun naam optraden/optreden t.a.v. de reizigers.
Verder verwijzen eiseressen desbetreffend nog naar een persbericht van de Europese Commissie.
Verwerende partij stelt op blz. 9 van haar syntheseconclusies dat uit art. 1, § 7, eerste lid, 2° W.BTW in samenlezing met art. 1, § 7, tweede lid, 2° W.BTW duidelijk blijkt dat de kwalificatie van een belastingplichtige als reisbureau overeenkomstig het bepaalde in art. 306 van de richtlijn 2006/11/EG vereist dat de betrokkene optreedt in eigen naam ten aanzien van de reizigers of met andere woorden, dat hij niet handelt als een "tussenpersoon".
Verder stelt verwerende partij op blz. 12 dat eiseressen reisbureaus zijn omdat het contract tot reisorganisatie tot stand komt tussen de reisorganisator en de reiziger eens de reiziger de reisbevestiging van de reisorganisator heeft ontvangen, en verwijst daarbij naar art. 9 van de reiswet. Aangezien ze in eigen naam tegenover de reiziger optreden verkopen zij de betreffende reizen aan de reiziger, zij het door tussenkomst van een bemiddelend reisbureau.
Daarnaast argumenteren eisende partijen dat diensten van tussenpersonen bij reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie steeds van BTW zijn vrijgesteld, dit in toepassing van art. 41, § 2 eerste lid W.BTW juncto art. 20, § 2 W.BTW.
Volgens eisende partijen is in de reissector de toepassing van art. 42, § 2, eerste lid W.BTW niet beperkt tot diensten van makelaars en lasthebbers tot zij die handelen in naam en voor rekening van hun opdrachtgever, maar strekt de toepassing van dat artikel zich ook uit tot tussenpersonen in de reissector die als commissionair handelen en in eigen naam of in enigerlei hoedanigheid een op hun naam gesteld stuk ontvangen of uitreiken zoals Odysseus en HMC.
Verwerende partij voert, op blz. 8 van haar syntheseconclusies aan, dat eiseressen niet de vrijstelling van art. 41, § 2 W.BTW kunnen genieten indien ze tussenkomst verlenen in diensten die buiten de Gemeenschap plaatsvinden omdat ze niet langer als lasthebbers van de reizigers kunnen worden beschouwd. Verwerende partij verwijst daarbij steeds maar naar 'de huidige wetgeving' ...
Beoordeling
Om te weten wie er nu al dan niet een reisbureau is in het kader van de toepassing van de BTW-wetgeving dient er onderzocht te worden of de BTW-wetgever (nationaal of europees) een van het gemeen recht afwijkende definitie van reisbureau hanteert of niet.
Wordt er in de het kader van de BTW-wetgeving in een definitie, een omschrijving voorzien, dan kan dient deze definitie te worden gehanteerd.
In titel XII, hoofdstuk 3, met als opschrift "Bijzondere regeling voor reisbureaus", bepaalt artikel 306 van de BTW-richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 (Publicatieblad L347/54, 11/12/2006) :
"1. De lidstaten passen overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk een bijzondere regeling voor de BTW op de handelingen van reisbureaus toe, voor zover de reisbureaus op eigen naam tegenover de reiziger handelen en zij voor de totstandbrenging van de reizen gebruikmaken van goederenleveringen en diensten van andere belastingplichtigen.
Deze bijzondere regeling is niet van toepassing op reisbureaus die alleen handelen als tussenpersoon en waarop artikel 79, eerste alinea, punt c), van toepassing is om de maatstaf van heffing te berekenen.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden reisorganisatoren (tour-operators) als reisbureaus beschouwd."
In uitvoering daarvan bepaalt art. 1, § 7, eerste lid, 2° W.BTW dat :
…”
§ 7. Voor de toepassing van dit Wetboek dient te worden verstaan onder :
1° " reizen " : de gehelen van samenhangende prestaties van vervoer, logies, spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt, ontspanning of dergelijke, verblijven tegen een vaste som welke inzonderheid logies omvatten, toeristische rondreizen, alsook het uitvoer en van één of meerdere prestaties die deel uit maken van die gehelen of die in dezelfde lijn ervan liggen;
2° " reisbureau " : eenieder die, voor zover hij zijn activiteit als volgt uitoefent, in eigen naam, reizen beoogd in 1°, organiseert en verkoopt aan reizigers, en die door die persoon worden verwezenlijkt door gebruik te maken van met het oog hierop door anderen aan hem verstrekte goederen en diensten.
Als reisbureau wordt derhalve niet aangemerkt voor de toepassing van dit Wetboek, eenieder die handelt als volgt :
1° hij die, in eigen naam, reizen beoogd in het eerste lid, 1°, organiseert en verkoopt aan reizigers en die zelf rechtstreeks met eigen middelen de uitvoering ervan verzekert;
2° hij die in de hoedanigheid van tussenpersoon bemiddelt in de verkoop van reizen beoogd in het eerste lid, 1°.
…”
De rechtbank stelt vooreerst vast dat partijen met geen woord reppen over art. 306, tweede lid, richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 (dat bepaalt dat "2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden reisorganisatoren (tour-operators) als reisbureaus beschouwd." en een eventuele rechtstreekse toepassing daarvan in het Belgisch recht.
Gelet op het beschikkingsbeginsel beperkt de rechtbank zich tot de behandeling van de opgeworpen discussiepunten.
Uit art. 306 richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 en art. 1, § 7, eerste lid, 2° W.BTW blijkt dat de BTW-wetgever in een eigen definitie van het begrip reisbureau voorziet.
Op grond daarvan is een reisbureau eenieder die, voor zover hij zijn activiteit als volgt uitoefent, in eigen naam, reizen beoogd in 1°, organiseert en verkoopt aan reizigers, en die door die persoon worden verwezenlijkt door gebruik te maken van met het oog hierop door anderen aan hem verstrekte goederen en diensten.
Is geen reisbureau volgens die definitie eenieder die handelt als volgt :
- hij die, in eigen naam, reizen (beoogd in het eerste lid, 1° van art. 7 W.BTW) organiseert en verkoopt aan reizigers en die zelf rechtstreeks met eigen middelen de uitvoering ervan verzekert;
- hij die in de hoedanigheid van tussenpersoon bemiddelt
De rechtbank dient zodoende elk woord en elke voorwaarde van de definitie af te wegen inzake.
De rechtbank stelt vast dat eiseressen de volgende activiteit uitoefenen (de omschrijving van het maatschappelijk doel wordt evenwel noch door eiseressen noch door verwerende partij bijgebracht) : zij verkopen en organiseren reizen. Dit wordt niet betwist.
Vervolgens rijst de vraag of zij in eigen naam die reizen organiseren en verkopen aan reizigers.
Om dit te beoordelen wordt aan de rechtbank bijzonder weinig informatie voorgelegd.
Dat zij (in eigen naam) organiseren, staat blijkbaar niet ter discussie.
Aan de hand van de beperkte stukken van het dossier blijkt dat eisende partijen blijkbaar pakketreizen verkopen en factureren aan andere belastingplichtigen.
Het betreft reisbureaus of reisagenten.
Deze verkopen deze pakketten vervolgens door aan reizigers.
Bijgevolg dient geconcludeerd te worden dat eiseressen niet kunnen worden aangemerkt als reisbureaus voor BTW doeleinden.
Nergens uit het dossier blijkt trouwens dat de Fiscale Administratie vaststelde dat eiseressen rechtstreeks aan reizigers verkochten, dit terwijl de bewijslast dienaangaande op de Fiscale Administratie rust.
De verwijzing door verwerende partij naar art. 9 van de reiswet van 16 februari 1994 verandert hieraan niets. Zoals hoger aangehaald wordt in het kader van de BTW-wetgeving een specifieke omschrijving van gegeven aan de ter discussie staande activiteiten.
De handelingen van eiseressen kunnen zodoende niet worden beschouwd als handelingen van reisbureaus zoals bedoeld in artikel 306 van de BTW-richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 (Publicatieblad 1347/54, 11/12/2006) en in art. 1, § 7 W.BTW.
Nu voorts in toepassing van art. 41, § 2 eerste lid W.BTW juncto art. 20, § 2 W.BTW volgt dat de diensten van makelaars en lasthebbers wanneer die makelaars en lasthebbers tussenkomst verlenen bij leveringen van goederen of diensten die buiten de Gemeenschap plaatsvinden vrijgesteld zijn (van BTW) en diensten van alle tussenpersonen in de reissector noodzakelijk als diensten van makelaars of lasthebbers moeten worden gekwalificeerd, zijn de diensten van O. en HMC als tussenpersonen bij reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie van BTW vrijgesteld.
Dit middel van eiseressen is gegrond.
Nu dit middel gegrond is dienen de andere middelen van eisende partijen niet verder te worden onderzocht omdat zij niet tot een ruimere nietigverklaring aanleiding geven.
M.b.t. de vordering tot schadevergoeding
Eiseressen vorderen de veroordeling van verwerende partijen tot het betalen van € … provisioneel schadevergoeding omwille van het pertinent weigeren een algemeen officieel standpunt in te nemen.
Nu uit het dossier blijkt dat de Belgische Staat wetens en willens aangaande een belangrijke controverse naliet/nalaat een standpunt in te nemen, ook niet na herhaalde vraag van belastingplichtigen, schendt zij de beginselen van behoorlijk bestuur, minstens de algemene zorgvuldigheidsnorm.
Het past dan ook verwerende partijen te veroordelen tot het betalen van € … schadevergoeding ten provisionele titel.
De hoofvordering van eiseressen dient gegrond te worden verklaard.
M.b.t. de vordering in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring
Verweerder in gedwongen tussenkomst en vrijwaring en gemeenverklaring speelt geen rol in of m.b.t. de fiscale situatie van eiseressen. Er kan verweerster in gedwongen tussenkomst en vrijwaren en gemeenverklaring niets worden verweten en er is niets gemeen te verklaren aan haar.
Deze vordering is ongegrond.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN GEVORDERDE RECHTSLEGINGSVERGOEDING
Aangezien de vorderingen van eisende partijen gegrond zijn, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verwerende partij.
Uit het dossier blijkt dat partijen het erover eens zijn dat deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007 begroot dient te worden op € …. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de hoofdvorderingen van eisende partijen gericht tegen verwerende partij ontvankelijk en gegrond,
Zegt voor recht dat de handelingen die door eiseressen werden verricht m.b.t. reizen die plaatsvinden buiten de europese unie tijdens de aan de orde zijnde belast periode(s) van BTW zijn vrijgesteld vanaf 1/01/2000;
Veroordeelt verwerende partij om al de ten onrechte ingehouden of al de ten onrechte door O. en HMC betaalde bedragen over hun van BTW vrijgestelde handelingen t.a.v. reizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie gedurende de aan de orde zijnde belaste periode, en vanaf 1/01/06 tot de datum van het tussen te komen vonnis terug te betalen;
Verklaart de correctieopgave die middels aangetekend schrijven dd. 16/03/10 aan O. ter kennis werd gebracht van nul en generlei waarde en zegt voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn;
Verklaart het proces-verbaal kennis gebracht middels aangetekend schrijven dd. 25/03/10 aan HMC van nul en generlei waarde en zegt voor recht dat de ermee gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn;
Zegt voor recht dat de vordering tot teruggaaf van alle door O. en HMC ten onrechte vanaf 1/01/06 tot de datum van het tussen te komen vonnis betaalde BTW over hun van BTW vrijgestelde handelingen t.a.v. pakketreizen die plaatsvinden buiten de Europese Unie, meer de wettelijke interesten met de ingestelde vordering tijdig en geldig is uitgeoefend en dienovereenkomstig moet worden begroot in overleg tussen eisende en verwerende partijen en dit binnen de maand en het in kracht van gewijsde gaan van de tussen te komen beslissing;
Veroordeelt verwerende partijen tot de kosten dienaangaande in hoofde van eiseressen begroot op € … voor beide samen en tot de kosten van de dagvaarding.
Verklaart de vordering in gedwongen tussenkomst ontvankelijk maar ongegrond; Veroordeelt eiseressen tot de kosten dienaangaande;
Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 19 juni 2012.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. L. : rechter
Mevrouw L. D. : afgevaardigd-griffier.
L. D. M .L.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.