Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 05.10.2007 (F.06.0036.F)
Vrijstelling – Weddenschappen - Loterijen - Kans- of geldspelen
Wettelijke bepalingen
Art. 44, § 3, 13°, W.BTW
Samenvatting
Het verrichten van diensten ten behoeve van een organisator van weddenschappen, waarbij het personeel van de verrichter van deze diensten de weddenschappen aanneemt namens de organisator kan niet worden aangemerkt als weddenschappen, loterijen en andere kans- of geldspelen in de zin van artikel 44, §3, 13°, van het BTW-wetboek, daar alleen de weddenschapsverrichting voor belastingvrijstelling in aanmerking komt en zij gekenmerkt wordt door de toekenning van een winstkans aan de wedders en de aanvaarding, als tegenprestatie, van het risico om die winst te moeten uitbetalen.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 05.10.2007
(F.06.0036.F)
BELGISCHE STAAT, Mr. F.K., advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
T.F.B., naamloze vennootschap, Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 5 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.
Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert een middel aan :
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1134, 1156, 1165, 1319, 1321, 1322, 1341, 1348, 1349, 1350, 1352, 1353, 1984,1985,1986,1987, 1988, 1989, 1991, 1997, 1998 en 1999 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 12 en 13 van de wet van 8 mei 1872 tot herziening van de bepalingen van het Wetboek van Koophandel betreffende het pand en de commissie;
- de artikelen 13, inzonderheid § 2, 18, § 1, tweede lid, 3°, 20, § 1, eerste lid, en 44, § 3, 13°, ingevoegd bij artikel 50 van de wet van 28 december 1992 tot wijziging van het BTW-wetboek, van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het BTW-wetboek;
- de artikelen 6,§ 4 en 13, B, f) van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad, van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag;
- artikel 66, § 2, 3°; van het koninklijk besluit van 23 november 1965 houdende het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde taksen.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest "sluit zich volledig aan bij de (bestreden) beslissing en de daarmee niet-strijdige argumentatie van de rechter in eerste aanleg", die had erkend dat "de door (de eiser) gemaakte analyse van de toestand juist schijnt te zijn, doordat effectief blijkt dat de wedders, wanneer ze naar de weddenschapagentschappen gaan die te dezen door de betrokken zelfstandige exploitanten worden gerund, zich ervan bewust zijn dat het in werkelijkheid (de verweerster) is die de spelen inricht. Tevens moet de juistheid worden erkend van het feit dat de door de agentschaphouders uitgereikte biljetten in watermerk de vermeldingen ‘PMU', ‘Tiercé Franco-Belge', ‘Tiercé belge' en ‘Belgische Tiercé' dragen". Vervolgens verklaart het bestreden arrest het hoger beroep van de eiser niet gegrond, bevestigt het bestreden vonnis dat "voor recht had gezegd dat er geen BTW verschuldigd is op de litigieuze commissies die voor de jaren 1997 tot 2000 aan de zelfstandige agentschaphouders zijn gestort", en veroordeelt de eiser in de kosten van beide instanties, welke kosten voor de verweerster zijn begroot op het bedrag van 1.157,28 euro, op de volgende gronden:
"(...) artikel 44, § 3, 13° van het BTW-wetboek verleent vrijstelling voor de ‘weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen', terwijl artikel 20, § 1, van dat wetboek, dat een algemene strekking heeft, bepaalt dat, wanneer een commissionair of een ander tussenpersoon bij diensten tussenkomst verleent, geacht wordt die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt, voor zover hij voldoet aan de in artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek bepaalde voorwaarden, namelijk dat hij handelt in eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever of als tussenpersoon die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk aan een klant uitreikt; (...) die voorwaarden zijn te dezen in rechte en in feite vervuld, aangezien de betrokken ‘agentschaphouder' zijn tussenkomst verleent bij het verrichten van diensten en een biljet uitreikt met daarop zijn naam, voornaam, handelsregisternummer en BTW-nummer; de naam ‘Tiercé franco-belge' komt samen met andere vermeldingen zoals ‘PMU' en ‘Tiercé belge' alleen in het watermerk voor en gaat van geen enkele aanduiding vergezeld, noch aangaande de firmanaam, de zetel van de vennootschap, het BTW-nummer of het nummer van het handelsregister; (...) het is trouwens artificieel en bedrieglijk te stellen dat de dienstverrichtingen van de agentschaphouders niet zouden samenvallen met de vrijgestelde verrichtingen, omdat deze enkel betrekking zouden hebben op de weddenschappen, loterijen en andere kans- of geldspelen (die [de verweerster] zou sluiten met de wedders) en niet op de weddenschapverrichtingen of de verrichtingen betreffende weddenschappen; (...) voor zover immers de voorwaarden, zoals te dezen vervuld zijn, vallen de bemiddelingsdiensten bij de spelen en weddenschappen evenzeer onder de BTW-vrijstelling als de inrichting van de spelen en weddenschappen zelf. Die gelijkstelling volgt immers uit de bovengenoemde specifieke wetsbepalingen volgens welke de betrokken tussenpersoon geacht wordt de dienst zelf verleend te hebben; (...) bovendien (...) blijkt uit de omschrijving van de weddenschapverrichtingen door (de verweerster) duidelijk genoeg dat de weddenschap met de klant maar kan worden afgesloten dankzij de zelfstandige agentschaphouders; (...) die motivering maakt het tevens mogelijk het argument te verwerpen volgens hetwelk de vrijstelling enkel ten goede kan komen aan de houder van de wettelijke vergunning om spelen en weddenschappen te aanvaarden, dat is (de verweerster); (...) het verlenen van vrijstelling betekent geenszins dat hier afgeweken wordt van het beginsel van de strikte interpretatie van de vrijstellingen die zowel in het BTW-Wetboek als in de zesde Europese richtlijn worden opgesomd, aangezien hier alleen maar de klare en duidelijke Europese bepalingen die een algemene strekking hebben en getrouw in het Belgisch recht zijn omgezet, worden toegepast op een bijzonder geval betreffende een welbepaalde vrijstellingsregeling; (...) het is aldus geenszins vereist dat de zesde richtlijn in een specifieke vrijstelling voorziet voor de verrichtingen die door de lasthebbers worden gedaan in zake spelen en weddenschappen, zoals zij dat bijvoorbeeld uitdrukkelijk doet voor de verrichtingen van de verzekeringsmakelaars" en dat "het hof [van beroep] voor het overige de niet daarmee strijdige argumentatie overneemt die (de verweerster) heeft uiteengezet in haar conclusie".
Grieven
De eerste rechter, naar wie het bestreden arrest uitdrukkelijk verwijst, had erkend dat alleen de verweerster de spelen en weddenschappen inricht waaraan de wedders deelnemen door naar de agentschappen te gaan die onder de firmanaam van de verweerster bestaan, en dat het de verweerster is met wie de klanten een contract sloten door tussenkomst van de agentschaphouders, aangezien op de door hen uitgereikte biljetten de identiteit van de verweerster vermeld stond.
(...)
Derde onderdeel
Artikel 13, B, f), van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 luidt als volgt: "onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lid-Staten, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de onderstaande vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling voor:
(...) weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen, met inachtneming van de door elke Lid-Staat vastgestelde voorwaarden en beperkingen".
Die vrijstelling is opgenomen in artikel 44, § 3, 13°, van het BTW-Wetboek volgens hetwelk "van de belasting nog zijn vrijgesteld: (...) 13° weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen, met inachtneming van de door de Koning vastgestelde voorwaarden en beperkingen".
Artikel 13, B, f) van de zesde richtlijn spreekt enkel van "weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen".
De dienstverrichtingen van de tussenpersonen bij spelen en weddenschappen worden niet uitdrukkelijk vrijgesteld noch door die bepaling van gemeenschapsrecht, noch door artikel 44, § 3, 13° van het BTW-wetboek dat haar omzet in Belgisch recht. Aangezien die bepalingen op strikte wijze moeten worden toegepast en uitgelegd, moet worden aangenomen dat zij geen vrijstelling verlenen voor de door de lasthebbers inzake spelen en weddenschappen gedane verrichtingen: de vrijstelling wordt dus uitdrukkelijk beperkt tot de spelen en weddenschappen zelf. De dienstverrichtingen van de agentschaphouders vallen evenwel niet samen met de vrijgestelde verrichtingen, dat zijn de verrichtingen onder bezwarende titel naar aanleiding waarvan prognoses over een onzekere zaak gemaakt worden met als inzet een prijs in geld of in natura, wat de specifieke en essentiële functie is van de spelen en weddenschappen en derhalve de strikte voorwaarde is voor de belastingvrijstelling. Onder die vrijstelling vallen niet de dienstverrichtingen van de agentschaphouders die ermee belast zijn de inzet van de klanten te innen en deze door te storten aan de verweerster, die als enige en onder haar uitsluitende verantwoordelijkheid de winsten bepaalt die toekomen aan de wedders. Laatstgenoemden sluiten geen contract met de agentschaphouders en kunnen op hen geen rechten laten gelden, daar het contract gesloten wordt tussen de verweerster en de klanten.
Daaruit volgt dat het bestreden arrest noch op de in het middel vermelde gronden noch op de "daarmee niet strijdige" gronden van de eerste rechter en de conclusie van de verweerster wettig heeft kunnen beslissen dat de diensten van de agentschaphouders die de verweerster bezoldigt door commissies te storten voor de door hen aan haar bewezen diensten, in dezelfde mate van BTW vrijgesteld zijn als de verrichtingen betreffende de organisatie van de spelen en weddenschappen zelf (schending van artikel 13, B, f), van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977, en van de artikelen 13, § 2, 20, §1, en 44, § 3, 13°, van het BTW-wetboek).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Derde onderdeel
Het bestreden arrest stelt vast dat weddenschappen op paardenwedrennen en andere sportgebeurtenissen door zelfstandige agentschaphouders ingezameld worden onder de naam van de verweerster.
Artikel 13, B, f) van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag bepaalt dat, onverminderd andere communautaire bepalingen, de Lid-Staten, onder de voorwaarden die zij vaststellen, vrijstelling verlenen voor de weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen, met inachtneming van de door elke Lid-Staat vastgestelde voorwaarden en beperkingen.
Die bepaling van gemeenschapsrecht is in het nationaal recht omgezet door artikel 44, § 3, 13°, van het BTW-wetboek, krachtens hetwelk dezelfde verrichtingen van de belasting vrijgesteld zijn.
In zijn arrest 89/05 van 13 juli 2006 in zake United Utilities plc overweegt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat alleen de weddenschappen, die belastingvrijstelling genieten, worden gekenmerkt door de toekenning van een winstkans aan de wedders en de aanvaarding, als tegenprestatie, van het risico van uitbetaling van deze winst, en het zegt voor recht dat het verrichten van diensten ten behoeve van een organisator van weddenschappen waarbij het personeel van de verrichter van deze diensten de weddenschappen namens de organisator aanvaardt, niet als een weddenschap in de zin van het bovenaangehaalde artikel 13, B, f) kan worden aangemerkt en dus niet in aanmerking komt voor de in deze bepaling voorziene BTW-vrijstelling.
Daaruit volgt dat het arrest zijn beslissing om belastingvrijstelling te verlenen voor de door de verweerster aan de zelfstandige agentschaphouders doorgestorte bedragen niet naar recht verantwoordt.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.