Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 30.04.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 30 APRIL 2009
Rolnummer AR 06/112/A
In de zaak van :
F. C. NV, met zetel te …, …, met als ondernemingsnummer ….
eiseres,
hebben de als raadsman A. A. CVBA, voor wie optreedt meester F. V., advocaat, kantoorhoudende te …, …;
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, Kabinet van de Minister van Financiën, gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12.
2. DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, gevestigd te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4.
verweerders,
hebbende als raadsman meester E. V. A., advocaat, te …, …,
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusie op de openbare terechtzitting van 2 februari 2009 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 2 januari 2006, evenals de conclusies en de stukkenbundels van de partijen.
2. DE VORDERING
De eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel, Reg. …, uitgevaardigd op 9 december 2005 door de mevrouw M. M., Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, gevestigd te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12 december 2005 door de heer J. V., E.a. Inspecteur, gevolmachtigd door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent en per aangetekend schrijven van 14 december 2005 aan de eiseres verstuurd.
De vordering van de eiseres strekt tot de vernietiging van het voormelde dwangbevel, en de veroordeling van de verweerders tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, te vermeerderen met interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.
3. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
3.1.
De eiseres is BTW-belastingplichtige overeenkomstig artikel 4 van het BTW-wetboek (W.BTW), en ingeschreven in het BTW-register onder nr. BE …. De eiseres heeft als activiteit de analyse van voedingswaren.
De eiseres richtte destijds een gebouw op, gelegen te …, …. De eiseres nam voor dit gebouw te gebruiken voor haar BTW-activiteit en bracht de BTW (… €) volledig in aftrek.
Op 8 juni 2005 werd bij de eiseres een fiscale controle verricht betreffende het jaar 2004. Naar aanleiding van de controle ter plaatse werd vastgesteld dat door de belastingplichtige, destijds gekend onder de benaming NV M. C., het voormelde gebouw werd opgericht, waar ook de maatschappelijke zetel van de NV F. C. is gevestigd. De administratie stelde vast dat de BTW op dit gebouw als bedrijfsmatig volledig in aftrek werd gebracht. De administratie stelde eveneens vast dat het gebouw privaat wordt bewoond door het echtpaar W. D. en M. B. (gedelegeerd bestuurder), en hun twee kinderen.
Op 24 januari 2001 werd op basis van de voorziene bestemming, een percentage van 33 % bedrijfsmatig aanvaard door de BTW-administratie. Ten gevolge van deze minnelijke regeling tussen de administratie en de eiseres, werd door de eiseres een bedrag van … BEF of … EUR terugbetaald via vak 61 van de BTW-aangifte betreffende het 4e kwartaal 2000, zijnde 67 % van de afgetrokken BTW over de ontvangen facturen tot en met het jaar 2000.
Na een controle bij de eiseres op 8 juni 2005, werd aan de eiseres op 9 augustus 2005 een correctieopgave toegestuurd waarin werd gesteld dat het beroepsmatig gedeelte slechts 55 m2 bedraagt op een totale oppervlakte van 1053 m2. Het beroepsmatig percentage werd bijgevolg gereduceerd tot ongeveer 5 %.
Bij aangetekend schrijven van 13 september 2005 werd door de eiseres geantwoord dat niet met deze correctieopgave kon worden akkoord gegaan.
Op 23 november 2005 werd aan de eiseres een proces-verbaal overgemaakt.
Bij aangetekend schrijven van 14 december 2005, werd aan de eiseres kennis gegeven van het betwiste dwangbevel.
3.2.
De administratie argumenteert dat naar aanleiding van de controle d.d. 24 januari 2001 een voorlopig bedrijfsgedeelte van 33 % werd aanvaard op basis van de verklaringen, plannen en exploitatievooruitzichten. De administratie neemt aan dat de eiseres aanvankelijk de bedoeling had het gebruik van een deel van het gebouw door te factureren aan haar zusterfirma, met name de NV F.-D.. Deze vennootschap is gevestigd op zelfde adres en bevindt zich thans in vereffening.
De administratie zet uiteen dat naar aanleiding van de controle op 8 juni 2005 is gebleken dat het aanvankelijk aangenomen percentage van 33 % om de volgende redenen niet kon worden aanvaard :
- er werd tijdens de gecontroleerde periode 2002, 2003 tot en met 2004 nooit enige doorfacturatie verricht aan de NV F.-D., noch aan een andere vennootschap, voor het verstrekken van diensten overeenkomstig artikel 18 W.BTW;
- volgens de administratie was de NV F.-D. de "dekmantel' om de BTW op de oprichting van het desbetreffende gebouw in aftrek te brengen. Op 20 april 2001 werd deze vennootschap in vereffening gesteld en heeft deze nooit beroep gedaan op enige prestatie verricht door de NV F. C..
De administratie is van oordeel dat uit het onderzoek is gebleken dat slechts een beperkte oppervlakte van het gebouw beroepsmatig wordt aangewend, met name slechts een gedeelte van 55/1053. Aldus vordert de administratie overeenkomstig het voormelde dwangbevel de hiernavolgende sommen vanwege de eiseres, te verhogen met interesten per 21 oktober 2003 :
- BTW in hoofdsom : … EUR
- Administratieve geldboete … EUR
Totaal … EUR
3.3.
De eiseres verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, in eerste instantie naar het arrest Rompelman (H.v.J., 14 februari 1985, "Rompelman", BTW-Revue, 1994, nr. 109,735). Het Hof van Justitie oordeelde dat de belastingplichtige de BTW die hij betaalt op de aan hem geleverde goederen en diensten onmiddellijk in aftrek kan brengen voor zover uit de bedoeling van de belastingplichtige blijkt dat de goederen en diensten worden aangewend voor het stellen van belastbare handelingen. De eiseres verwijst naar het schriftelijk akkoord dat zij afsloot met de administratie dat deze intenties bevestigt. Volgens de eiseres is de administratie gebonden door het akkoord en kan zij niet op het akkoord terugkomen zonder de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.
De eiseres verwijst eveneens naar het arrest Seeling (H.v.J., 8 mei 2003, zaak nr. C269100 inzake Wolfgang Seeling t. Finanzamb Stamberg, Internat. Fisc., Act., 2003, afl. 6, 1-2). De eiseres argumenteert dat in het arrest Seeling, het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat een belastingplichtige die een onroerend goed zowel gebruikt voor zijn economische activiteit als voor privé-doeleinden, de keuze heeft om het gedeelte van het onroerend goed dat hij voor privé-doeleinden gebruikt in zijn bedrijfsvermogen op te nemen. De eiseres meent dat in dat geval er in principe een volledig en onmiddellijk recht op aftrek is. De eiseres stelt dat in casu slechts 33 % van de BTW op het onroerend goed in aftrek werd genomen. tengevolge waarvan 33 % van het onroerend goed te beschouwen als een bedrijfsmiddel in de zin van artikel 6, § 1 KB nr. 3.
4. BESPREKING
4.1.
Overeenkomstig artikel 1, § 1 KB nr. 3 mag de belastingplichtige de belasting geheven van de goederen die hij bestemd voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1 tot 5° W.BTW beoogde handelingen, in aftrek brengen.
4.2.
De eiseres kan niet worden bijgetreden in het standpunt dat haar vordering dient te worden ingewilligd ingevolge de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en de administratie gebonden is door het met de eiseres overeengekomen schriftelijke akkoord d.d. 24 januari 2001 bijlage 1. Uit de bewoordingen van het akkoord valt duidelijk op te maken dat de aanvaarding door de administratie van het bedrijfsmatig gedeelte van het onroerend goed voorwaardelijk was, zoals blijkt uit de voorlaatste en laatste alinea ervan :
"Het spreekt vanzelf dat bovenstaande beslissing slechts uitwerking heeft in de veronderstelling dat bij de ingebruikname van de nieuwbouw daadwerkelijk de door U aangehaalde bestemmingen gerespecteerd worden (o.i. de door facturatie van de kosten aan de firma F.-H. - gebruik van de kantoorruimten).
Wanneer wijzigingen zich voordoen, moet het verhoudingsgetal aangepast worden aan de nieuwe bestemmingen."
4.3.
In het arrest Seeling heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld (H.v.J., 8 mei 2003, C-269/00, inzake Wolfgang Seeling) :
"Indien de belastingplichtige ervoor kiest, de investeringsgoederen die zowel voor bedrijfs- als voor privé-doeleinden worden gebruikt, te behandelen als goederen van de onderneming, komt de bij de verkrijging van deze goederen verschuldigde voorbelasting in beginsel voor een algehele en onmiddellijke aftrek in aanmerking."
4.4.
De administratie houdt ter terechtzitting vol dat deze overweging van·het Hof enkel van toepassing is op belastingplichtigen natuurlijke personen. Het Seeling-arrest gaat volgens de administratie over een BTW-plichtige natuurlijke persoon die een onroerend goed bedrijfsmiddel zowel voor beroepsdoeleinden als voor private bewoning gebruikt, die dat pand in zijn geheel als bedrijfsvermogen aanmerkt en die de bij de aankoop van dat pand betaalde BTW volledig aftrekt.
Uit de besluiten van de eiseres komt tot uiting dat de administratie van mening is dat dit arrest geen gevolgen heeft voor een rechtspersoon, aangezien een rechtspersoon de goederen die hij verwerft enkel als bedrijfsgoederen kan aanmerken. Wanneer, volgens de redenering van de administratie, een belastingplichtige (natuurlijk persoon of rechtspersoon) een onroerend goed ter beschikking stelt van een zaakvoerder, bestuurder, een vennoot of een personeelslid, zonder dat de genieter gehouden is tot het betalen van een huur, mag men daaruit niet besluiten dat het om een gratis terbeschikkingstelling gaat vermits er in hoofde van de genieter een voordeel ontstaat dat voortvloeit uit de functie van zaakvoerder, bestuurder of vennoot of nog uit een arbeidscontract. In de redenering van de administratie zoals die weliswaar tot uiting komt in de conclusies van de eiseres, dient deze terbeschikkingstelling worden aangemerkt als een huur onder bezwarende titel en is deze bijgevolg vrijgesteld door artikel 44, § 3, 2° W.BTW.
4.5.
Het begrip "onroerende verhuur" is een autonoom begrip van communautair recht. Het Hof van Justitie heeft reeds verscheidene malen gesteld dat de vrijstelling inzake onroerende verhuur strikt moet worden geïnterpreteerd (H.v.J., 12 februari 1998, C-346/95, Jur. H.v.J. 1998, I, 481; H.v.J., 4 oktober 2001, C-326/99, Jur. H.v.J. 2001. I, 6831).
Volgens het Hof van Justitie is er sprake van onroerende verhuur wanneer aan de huurder : "voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten" (H.v.J., 4 oktober 2001, C-326/99, Jur. H.v.J. 2001, I, 6831). In casu zijn de voormelde vereiste kenmerken niet aanwezig en is er geen sprake van onroerende verhuur zoals dit in artikel 13 B sub b van de zesde BTW richtlijn (omgezet in artikel 44, § 3, 2° wetboek BTW) wordt beoogd.
De terbeschikkingstelling van een deel van het gebouw voor privé-doeleinden van de bestuurder van de eiseres, is een dienst in de zin van artikel 6, lid 2 eerste alinea sub a van de zesde BTW-richtlijn waarvoor de volgens het Hof van Justitie strikt te interpreteren vrijstelling van artikel 13 B sub b van de zesde BTW-richtlijn voor onroerende verhuur niet geldt.
Artikel 44, § 3, 2° van het BTW-Wetboek schendt artikel 13 B sub b van de zesde richtlijn, nu dit laatste artikel enkel spreekt van onroerende verhuur terwijl artikel 44 van het BTW-wetboek ook een gebruik onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 als een onroerende verhuur vrijstelt. De hiërarchie der rechtsnormen gebiedt in dit geval artikel 13 B sub b van de zesde richtlijn te laten primeren.
In tegenstelling tot wat de administratie voorhoudt. zijn er geen redenen om de lering van het Hof van Justitie in de zaak Seeling te beperken tot de situatie waarin de woning wordt ter beschikking gesteld door een belastingplichtige natuurlijk persoon. Artikel 19, § 1 van het BTW-wetboek maakt geen onderscheid tussen enerzijds belastingplichtigen "natuurlijke personen" en anderzijds belastingplichtigen "rechtspersonen", doch is van toepassing op alle belastingplichtigen zonder onderscheid. De eiseres had even goed als een natuurlijke persoon de vrije keuze om het onroerend goed al dan niet te bestemmen als ondernemingsactief.
Gelet op wat voorafgaat is de eiseres gerechtigd 33 % van het onroerend goed als bedrijfsmatig aan te merken en heeft de administratie ten onrechte het als bedrijfsmatig toegewezen gedeelte van het onroerend goed herleid tot de verhouding 55/1053. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de eiseres gegrond is.
4.6.
Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, hebben de partijen op de terechtzitting van 2 februari 2009 verklaard dat de vordering waardeerbaar is in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 EUR, en hebben zich akkoord verklaard met de toepassing van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk en gegrond.
Vernietigt het dwangbevel (Reg. …), uitgevaardigd op 9 december 2005 door de mevrouw M. M., Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, gevestigd te 9620 Zottegem, G. Schockaertstraat 4, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12 december 2005 door de heer J. V., E.a. Inspecteur, gevolmachtigd door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent.
Veroordeelt de verweerders tot de terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, te vermeerderen met interesten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.
Veroordeelt de verweerders tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de eiseres: rechtsplegingsvergoeding : … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op donderdag dertig april tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :
de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.