Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 26.11.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE. KAMER, OPENBARE TERECHTZITTING VAN 26 NOVEMBER 2009
Rolnummer : AR 07/1893/A
In de zaak van :
A. BVBA, vennootschap naar Belgisch recht, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven bij de Kruispunt bank der Ondernemingen met als ondernemingsnummer …,
EISERES, voor wie als raadsman optreedt mter. S. S., advocaat te …, …;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur, Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9620 Zottegem, Gustaaf Schockaertstraat 4,
VERWEERSTER, voor wie als raadsman optreedt mter. C D., advocaat te … (…), …;
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2009, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van de rechtspleging werd ingezien, in het bijzonder het geding inleidende verzoekschrift van 23 mei 2007 en de conclusies van.de partijen.
2. DE VORDERING
2.1.
De eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel met RCIV-nr. …, uitgevaardigd op 10 april 2007 door mevrouw E. V. d. W., E.a. Inspecteur van het BTW Ontvangkantoor te Zottegem, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 11 april 2007 door de heer J. V., E.a. Inspecteur Zottegem 2, aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW te Gent, en op 19 april 2007 aan eiseres ter kennis gebracht middels deurwaardersexploot van gerechtsdeurwaarder H..
Blijkens dit dwangbevel is de eiseres verschuldigd aan de Belgische Staat :
- BTW : … EUR
- fiscale geldboete : … EUR
- interesten : p.m.
De eiseres vordert de vernietiging van het dwangbevel en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
3. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
De eiseres, A. BVBA, is een vennootschap die actief is in de informaticasector en als als BTW-plichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE ….
De eiseres licht toe dat zij bij toepassing van het arrest S. de BTW op de oprichtings- en inrichtingskosten van een onroerend goed gelegen te …, …, volledig (100 %) in aftrek brengt.
De eiseres oefent haar werkzaamheden uit in het betrokken onroerend goed. Ook de maatschappelijke zetel is er gevestigd. Een gedeelte van dit onroerend goed wordt door A. BVBA ter beschikking gesteld aan haar zaakvoerder.
Ingevolge een controle uitgevoerd op 15 februari 2006 stelt de BTW-controle Zottegem 1 dat de voorbelasting met betrekking tot de oprichtings- en inrichtingskosten van het onroerend goed gelegen te …, … slechts aftrekbaar is ten belope van 10 %. Volgens de verbaliserende ambtenaar en thans de verweerder kan enkel een belastingplichtige natuurlijke persoon de principes van het arrest S. toepassen en wordt de situatie van de eiseres die een gedeelte van het onroerend goed ter beschikking stelt aan haar zaakvoerder niet beoogd door het voormeld arrest.
Daarnaast is de verweerder van oordeel (1) dat de voorbelasting met betrekking tot de aankoop van een plasma TV niet aftrekbaar is, (2) dat de voorbelasting met betrekking tot het gebruik van een motorfiets slechts voor 50 % aftrekbaar is en (3) dat de voorbelasting met betrekking tot het onderhoud van de tuin niet aftrekbaar is. Tevens vordert de verbaliserende ambtenaar een boete ad 10 %.
De eiseres is niet spontaan overgegaan tot betaling van de gevorderde bedragen, tengevolge waarvan op 10 april 2007 een dwangbevel is uitgevaardigd door het BTW-Ontvangkantoor Zottegem.
Vermits de eiseres het niet eens is met dit dwangbevel, heeft zij op 23 mei 2007 een verzoekschrift overeenkomstig artikel 1385decies Ger.W. neergelegd ter griffie van deze rechtbank.
4. BEOORDELING
4.1.1.
Overeenkomstig artikel 1, § 1 KB nr. 3 mag de belastingplichtige de belasting geheven van de goederen die hij bestemd voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1 tot 5° W.BTW beoogde handelingen, in aftrek brengen.
4.1.2.
In het arrest S. heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld :
"Indien de belastingplichtige ervoor kiest, de investeringsgoederen die zowel voor bedrijfs- als voor privé-doeleinden worden gebruikt, te behandelen als goederen van de onderneming, komt de bij de verkrijging van deze goederen verschuldigde voorbelasting in beginsel voor een algehele en onmiddellijke aftrek in aanmerking." (H.v.J., 8 mei 2003, C-269/00, inzake Wolfgang Seeling).
4.1.3.
De administratie argumenteert dat deze overweging van het Hof enkel van toepassing is op belastingplichtige natuurlijke personen. Het S.-arrest gaat volgens de administratie over een BTW-plichtige natuurlijke persoon die een onroerend goed zowel voor beroepsdoeleinden als voor private bewoning gebruikt, die dat pand in zijn geheel als bedrijfsvermogen aanmerkt en die de bij de aankoop van dat pand betaalde BTW volledig aftrekt. De administratie oordeelt dat dit arrest geen gevolgen heeft voor een rechtspersoon, aangezien een rechtspersoon de goederen die hij verwerft enkel als bedrijfsgoederen kan aanmerken.
Wanneer, volgens de administratie een belastingplichtige (natuurlijk persoon of rechtspersoon) een onroerend goed ter beschikking stelt van een zaakvoerder, bestuurder, een vennoot of een personeelslid, zonder dat de genieter gehouden is tot het betalen van een huur, mag men daaruit niet besluiten dat het om een gratis terbeschikkingstelling gaat vermits er in hoofde van de genieter een voordeel ontstaat dat voortvloeit uit de functie van zaakvoerder, bestuurder of vennoot of nog uit een arbeidscontract. De administratie houdt vol dat dergelijke terbeschikkingstelling moet worden aangemerkt als een huur onder bezwarende titel en bijgevolg is vrijgesteld door artikel 44, § 3, 2° W.BTW.
4.1.4.
Het begrip "onroerende verhuur" is een autonoom begrip van communautair recht. Het Hof van Justitie heeft reeds verscheidene malen gesteld dat de vrijstelling inzake onroerende verhuur strikt moet worden geïnterpreteerd (H.v.J., 12 februari 1998, C-346/95, Jur. H.v.J. 1998, I, 481; H.v.J" 4 oktober 2001, C-326/99, Jur. H.v.j. 2001, I, 6831 ).
Volgens het Hof van Justitie is er sprake van onroerende verhuur wanneer aan de huurder : "voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten" (H.v.J.. 4 oktober 2001, C-326/99, Jur. H.v.j. 2001, I, 6831 ). In casu zijn de voormelde vereiste kenmerken niet aanwezig (zie supra 4.2.3.3.1) en is er derhalve geen sprake van onroerende verhuur zoals dit in artikel 13 B sub b van de zesde BTW richtlijn (omgezet in artikel 44. § 3, 2° wetboek BTW) wordt beoogd.
De terbeschikkingstelling van een deel van het gebouw voor privé-doeleinden van de zaakvoerder van de eiseres, is een dienst in de -zin van artikel 6, lid 2 eerste alinea sub a van de zesde BTW-richtlijn waarvoor de volgens het Hof van Justitie strikt te interpreteren vrijstelling van artikel 13 B sub b van de zesde BTW-richtlijn voor onroerende verhuur niet geldt.
Artikel 44, § 3, 2° van het BTW-Wetboek schendt artikel 13 B sub b van de zesde richtlijn, nu dit laatste artikel enkel spreekt van onroerende verhuur terwijl artikel 44 van het BTW-wetboek ook een gebruik onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 als een onroerende verhuur vrijstelt. De hiërarchie der rechtsnormen gebiedt in dit geval artikel 13 B sub b van de zesde richtlijn te laten primeren.
In tegenstelling tot wat de administratie voorhoudt, zijn er geen redenen om de lering van het Hof van Justitie in de zaak S. te beperken tot de situatie waarin de woning wordt ter beschikking gesteld door een belastingplichtige natuurlijk persoon. Artikel 19, § 1 van het BTW-wetboek maakt geen onderscheid tussen enerzijds belastingplichtigen "natuurlijke personen" en anderzijds belastingplichtigen "rechtspersonen", doch is van toepassing op alle belastingplichtigen zonder onderscheid. De eiseres had even goed als een natuurlijke persoon de vrije keuze om het onroerend goed al dan niet te bestemmen als ondernemingsactief.
Gelet op wat voorafgaat heeft de eiseres bijgevolg terecht een herziening doorgevoerd en de facturen met betrekking tot de bouw van het onroerend goed volledig in aftrek gebracht.
4.2.
De BTW-administratie weigert vervolgens de aftrek van de voorbelasting met betrekking tot (1) de aankoop van een plasma TV, (2) dat de voorbelasting met betrekking tot het gebruik van een motorfiets slechts voor 50 % aftrekbaar is en (3) dat de voorbelasting met betrekking tot het onderhoud van de tuin niet aftrekbaar is.
Terecht voert de administratie aan dat de bewijslast rust op degene die een recht wil uitoefenen. Het is niet de administratie die het negatief bewijs moet leveren dat dit niet het geval is. Uit het bestemmingsprincipe van artikel 45, § 1 W.BTW volgt dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het door haar uitgeoefende recht op aftrek bestaat.
4.2.1.
Met betrekking tot het gebruik van de plasma TV betreft, wijst de administratie erop dat tijdens het plaatsbezoek op 15 februari 2006 door de verbaliserende ambtenaar werd vastgesteld d.at het plasma TV-toestel is opgesteld in het salongedeelte van de woning en dat dit toestel louter en alleen bestemd is voor privé-gebruik. Deze vaststelling werd opgenomen in het proces-verbaal d.d. 21 februari 2007. De administratie verwijst naar de verklaring van 15 februari 2006 van de heer O. V. L., zaakvoerder van de eiseres, afgelegd aan de verbaliserende ambtenaar dat op het adres …, …, eventueel en hooguit 4 maal per jaar in beperkte kring een opleidingssessie zal plaatsvinden en naar de verklaring van 3 april 2006 van deze zaakvoerder van de eiseres vennootschap, afgelegd aan de verbaliserende ambtenaar dat hij dagelijks naar Mechelen gaat werken om er zijn economische activiteit uit te oefenen. Ook deze verklaringen werden opgenomen in het proces-verbaal.
De eiseres verwijst met betrekking tot deze aankoop eveneens naar het arrest S. en is van oordeel dat zij recht heeft op de volledige aftrek van de voorbelasting op de geviseerde facturen.
De eiseres levert evenwel niet het bewijs dat zij met betrekking tot het televisietoestel recht op aftrek heeft op grond van artikel 45, § 1 W.BTW.
De administratie stelt met rede vast dat de eiseres zich beperkt tot het formuleren van losse bedenkingen die het bewijs dienaangaande niet leveren.
Wanneer een belastingplichtige echter een goed verkrijgt dat uitsluitend bestemd is voor privé-doeleinden, of voor andere doeleinden dan de belastbare activiteit, handelt hij niet als belastingplichtige en is bijgevolg iedere aftrek van de belasting geheven van de verkrijging van dit goed uitgesloten.
Het louter bezit van een goed zonder exploitatie of aanwending binnen de economische activiteit waarvoor de eiseres de hoedanigheid heeft van belastingplichtige met recht op aftrek, doet overeenkomstig artikel 45 § 1 W.BTW geen recht op aftrek ontstaan omdat de aankoop niet wordt aangevoerd voor het verrichten van handelingen als voorzien in voornoemd artikel. In deze gegeven concrete omstandigheden en vaststellingen vindt het arrest S. geen toepassing.
4.2.2.
Met betrekking tot de kosten van de aanleg en het onderhoud van de tuin betreft, verwijst de administratie opnieuw naar de voornoemde verklaringen van de zaakvoerder van de eiseres tijdens het plaatsbezoek op 15 februari 2006.
Op grond van deze vaststellingen heeft de administratie terecht aangenomen dat de eiseres geen recht heeft op aftrek van de BTW geheven naar aanleiding van de aanleg en het onderhoud van een tuin gezien het privatief karakter ervan. De eiseres levert aldus niet het bewijs dat zij recht op aftrek heeft op grond van artikel 45, § 1 W.BTW.
4.2.3.
Dezelfde redenering geldt ten aanzien van de kosten met betrekking tot het motorvoertuig. De bewering van eiseres als zou de motorfiets beroepsmatig worden gebruikt, wordt door de eiseres haar niet aangetoond. De stelling van de eiseres betreft een bewering zonder daartoe enig bewijs te leveren. De aftrek kan worden aangenomen in de mate waarin de administratie bereid was deze te aanvaarden.
4.3.
De eiseres vraagt tenslotte de kwijtschelding van de opgelegde boete ten bedrage van 10 %.
De wettelijke geldboete voorzien in artikel 70, § 1bis W.BTW werd in uitvoering van artikel 84, 3de lid W.BTW en artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 verminderd volgens tabel H van de bijlage bij dit besluit tot … EUR (zijnde 10 % van de verschuldigde belasting of afgerond … EUR). De rechtbank stelt vast dat de boete conform de wettelijke bepalingen en regelmatig werd opgelegd.
Er zijn geen redenen voorhanden om deze boete te herzien.
4.4.
De vordering van de eiseres is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt. gelet op de omvang van de bestreden aanslag, in de schijf van 40.000,01 tot 60.000 EUR. De eiseres wordt gedeeltelijk in het gelijk gesteld en kan in die mate aanspraak maken op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Verklaart de vordering van de eiseres ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierboven bepaalt.
Beveelt de herberekening van de vordering zoals opgenomen in het dwangbevel, uitgevaardigd op 10 april 2007, met RCIV-nr. …, in de mate waarin de aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de oprichtings- en inrichtingskosten van het betrokken onroerend goed ten onrechte werden geweigerd.
Zegt voor recht dat de kosten van het geding tussen de partijen worden omgeslagen ten belope van ¾ ten laste van de verweerder en ¼ ten laste van de eiseres; Zegt aldus voor recht dat de verweerster aan de eiseres een rechtsplegingsvergoeding dient te betalen ten bedrage van … EUR, en de eiseres aan de verweerster een rechtsplegingsvergoeding dient te betalen ten bedrage van … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op donderdag zesentwintig november tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :
- de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,
- mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.