Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 21 september 2010

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-brussel-2010-09-21-4f00

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
21 september 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

133 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 21.09.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TEBRUSSEL, 35ste Kamer

AR 2008/14924/A

- Fiscale zaken : BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

1. De BVBA H. V., met zetel te …, …, met KBO nummer BE …,

2. De heer E. V. V., wonende te …, …, BTW nummer BE …,

Leden van de BTW eenheid “H. fiscale eenheid”

Gevestigd te …, …

BTW nummer : …

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. W. D., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de ea. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Brussel 5, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan nr. 50,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. M. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, ….

In deze zaak, in beraad genomen op 25/05/2010, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

- het inleidend verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 12/11/2008;

- gelet op de beschikking genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 19/12/2008;

- de conclusies en syntheseconclusies voor verweerder neergelegd ter griffie op 26/06/2009 en op 9/12/2009;

- de conclusies en syntheseconclusies van eisende partij, neergelegd ter griffie op 30/09/2009 en op 12/02/2010;

- het bundel met stukken van verweerder neergelegd ter zitting op 30/09/2009;

- het bundel met stukken van eisende partij neergelegd ter griffie op 29/04/2010;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 25/05/2010, waarna de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW-wetgeving.

De heer E. V. V. is euro-ambtenaar in hoofdberoep. Tegelijkertijd baat hij een hotel uit. Omwille van die laatste reden is hij geregistreerd onder het BTW-nummer BE …: Een KBO-nummer lijkt niet voorhanden te zijn.

De heer V. V. vormt samen met de vennootschap BVBA H. V. (BTW-nummer BE …) een BTW eenheid) ‘H. Fiscale Eenheid genaamd' (BTW nr. …) met als activiteit .het verschaffen van gemeubeld logies.

Na een controle op 30/05/2008 door de bevoegde diensten van de Fiscale Administratie (BTW-controle Schaarbeek 1) m.b.t. de periode 1/10/2007 t.e.m. 31/03/2008 werd een PV opgesteld op 6/06/2008.

Volgens dit PV zou :

1) het recht op aftrek van voorbelasting m.b.t. het gebouw in de … beperkt moeten blijven tot 45 %, 64 % en 74 % omdat slechts 10 % van het appartement van dhr. E. V. V. beroepsmatig zou worden aangewend;

2) het recht op aftrek van voorbelasting m.b.t. het gebouw in de gelegen in de … beperkt dienen te worden tot 50 % omdat op het ogenblik van de controle slechts twee van de vier appartementen werden gebruikt;

3) het recht op aftrek m.b.t. bepaalde voedingswaren niet kunnen worden genoten omdat deze niet voor de hotelexploitatie zouden zijn gebruikt;

4) het recht op aftrek van de voorbelasting m.b.t. de aankoop van de appartementen L3.1, G1.3, G2.2, G2.3, D2-5 en L3.2 niet toegelaten zijn omdat de facturen niet regelmatig zouden zijn;

5) zouden er inbreuken zijn gepleegd op de regeling van de verlegging van de heffing.

De verschuldigde BTW wordt door de verbaliserende ambtenaar becijfert op een bedrag van € 120.500,21.

Omwille van de door de Fiscale Administratie vermeende inbreuken werd tevens een proportionele geldboete van 10 %, met name € 12.500 opgelegd.

De BTW eenheid deelde d.m.v. schrijven d.d. 21 juni 2008 aan de bevoegde controle mee dat zij niet akkoord kon gaan met de inhoud van het PV.

Op 18/09/2008 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat d.m.v. van aangetekend schrijven d.d. 8/10/2008 aan de BTW-eenheid werd betekend.

Uit dit dwangbevel blijkt dat volgende bedragen gevorderd worden :

• BTW (hoofdsom) : € 120.500,21

• BTW (boete) : € 12.050,00

• Interesten : p.m.

• Moratoire interesten : p.m.

• Vervolgingskosten : p.m.

D.m.v. verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12/11/2008 tekent eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering strekt ertoe het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en het lastens eisende partij uitgevaardigde dwangbevel d.d. 18/09/2008, ter kennis gebracht aan eisende partij d.m.v. aangetekend schrijven d.d. 8/10/2008 te vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn door eiser in de mate dat de navordering € 732,86 overschrijdt; minstens de administratieve boete kwijt te schelden.

Zij beoogt verder de veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling aan eisende partij van alle bedragen die reeds aan verweerder werden betaald of door verweerder werden ingehouden ter voldoening van de thans betwiste BTW-schuld, meer wettelijke en gerechtelijke interesten.

Tot slot beoogt zij de veroordeling van de Belgische Staat tot de betaling van de kosten van het geding.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eisende partij niet.

Nu de rechtbank van oordeel is dat er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering van eisende partij ontvankelijk te worden verklaard.

3.2. Gegrondheid

Eisende partij argumenteert dat :

- art. 45, § 1 W.BTW zou zijn geschonden inzake;

- art. 3 van het KB nr. 3 juncto art. b5 van het KB nr. 1 zou zijn geschonden;

- de regeling inzake de verlegging van de heffing zou zijn geschonden.

M.b.t het argument dat art. 45, § 1 W.BTW zou zijn geschonden

Eisende partij meent dat art. 45, § 1 W.BTW werd geschonden omdat het recht op aftrek van voorbelasting inzake werd beperkt in haren hoofde.

Eisende partij wijst erop dat zij in toepassing van de arttn. 45, § 1 W.BTW en art. 1 KB nr. 3 d.d. 10/12/1969 recht heeft op aftrek van voorbelasting voor zover zij verband houdt roet goederen en diensten die hij als belastingplichtige gebruikt voor de in art. 45, § 1 W.BTW opgesomde verrichtingen.

Eisende partij meent dat er geen enkele reden voorhanden is om in haren hoofde de in aftrek genomen voorbelasting te gaan beperken in functie van de aangewende exploitatieoppervlakte op het ogenblik van de aankoop van het vruchtgebruik door eisende partij.

Eisende partij stelt dat alle aankopen die gebeuren in het kader van de ondernemingsactiviteit en die het bedrijfsrisico ondergaan op het moment van de uitgave recht geven op aftrek van BTW indien de onderneming een BTW activiteit heeft of mag verwacht worden dat een dergelijke activiteit zal worden ontwikkeld, waarbij in hoofde van rechtspersonen voor zover zij een doel hebben dat BTW activiteiten omvat dat al hun ontvangen goederen en diensten bestemd zijn voor dit doel zodat al hun uitgaven in beginsel recht geven op aftrek.

Volgens eiser dient het recht op aftrek van voorbelasting op het tijdstip van de te verrichten investering te worden beoordeeld en niet alleen of slechts op het tijdstip waarop de investering daadwerkelijk wordt geëxploiteerd. Verwerende partij kan zodoende op het ogenblik van de aankoop van de goederen de in aftrek genomen voorbelasting niet beperken in functie van de aangewende exploitatieoppervlakte. Het aangekochte gebouw werd pas drie maanden na de aankoop volledig voor de hotelexploitatie gebruikt, maar deze vertraging in exploitatie staat de onmiddellijke aftrek niet in de weg.

Om dezelfde reden is het volgens eisende partij ook verkeerd om het recht op aftrek van de BTW m.b.t. de verbouwingswerken en alle andere (onderhouds)facturen te beperken (tot enerzijds 45, resp. 64 en 74 % en anderzijds 50 %) omdat de betrokken gebouwen op het ogenblik van de aankoop nog niet onmiddellijk voor de hotelexploitatie zouden zijn gebruikt.

In ondergeschikte orde meent eisende partij dat de in aanmerking genomen oppervlaktes verkeerd zouden zijn berekend.

Verwerende partij argumenteert dat eisende partij de hoedanigheid zou hebben van een gemengd BTW-belastingplichtige omdat de activiteit van eisende partij enerzijds zou bestaan uit het verschaffen van gemeubeld logies (art. 18, § 1,10° W.BTW) en anderzijds uit onroerende verhuur; waardoor de BTW op aankopen slechts gedeeltelijk in aftrek kan worden gebracht door de regel van het verhoudingsgetal toe te passen (art. 46, § 1 W.BTW).

M.b.t. de … komt verwerende partij tot een algemeen verhoudingsgetal van 45 %, 64 % en 74 %.

Voor het gebouw gelegen aan de … meent verwerende partij dat dit 50 % is omdat 2 van de 4 appartementen van dit gebouw niet gebruikt werden op het ogenblik van de conrole.

Ondergeschikt meent verwerende partij wel degelijk een correcte berekening te hebben gemaakt.

BESPREKING

M.b.t. het argument dat eisende partij een fundamenteel recht op aftrek zou hebben van de voorbelasting geheven op bedrijfsmiddelen

In principe kan een BTW-plichtige slechts de aangetekende BTW in aftrek brengen voor zover de aangekochte goederen en diensten bestemd zijn voor zijn economische activiteit. Dit 'bestemmingsprincipe', zoals verwoord in artikel 45 W.BTW, is een basisregel in de BTW-wetgeving. Wanneer een BTW-plichtige goederen en diensten koopt die niet bestemd zijn voor zijn BTW-activiteiten, zal de BTW geheven op deze diensten en goederen in principe nooit in aftrek gebracht kunnen worden.

De tot uiting gebrachte wil van de ondernemer om een aangeschaft goed in de toekomst voor de exploitatie met het oog op het bekomen van opbrengsten te bestemmen is voldoende om de aanschaffingshandeling binnen de economische sfeer als bedoeld in artikel 4 van de zesde BTW-richtlijn te betrekken (H.v.J. 11 juli 1991) zaak C-97/90, Lennartz. Jur., 1991, I, blz. 3795).

Er is niet vereist dat de betrokken handelingen onmiddellijk duurzame opbrengsten voortbrengen.

Het recht op aftrek dient op het tijdstip van het verrichten van de investering te worden beoordeeld, en niet alleen of slechts op het tijdstip waarop de investering daadwerkelijk wordt geëxploiteerd (H.v.J. 29 februari 1996, zaak C-110/94, INZO teg. BS, BTW-revue, nr. 122, blz. 686).

Indien de belastingplichtige ervoor kiest, de investeringsgoederen die zowel voor bedrijfs- als voor privé-doeleinden worden gebruikt, te behandelen als goederen van de onderneming, komt de bij de verkrijging van deze goederen verschuldigde voorbelasting in beginsel voor een algehele en onmiddellijke aftrek in aanmerking (liet Europees Hof van Justitie besliste in de zaak Seeling (H.v.J.. 8 mei 2003, C-269/00, vindplaats http://curia.eurona.eu ) dat het gedeeltelijk privégebruik van een gebouw dat volledig tot het bedrijf van de BTW-plichtige behoort, niet aan de voorwaarde van een vrijgestelde verhuur voldoet, maar dat er sprake is van een belastbare handeling, namelijk een onttrekking waarvoor er wel een recht van aftrek is.

In de overwegingen 40 t.e.m. 43 van dat arrest overweegt het Hof dat :

- volgens vaste rechtspraak de belastingplichtige de mogelijkheid heeft om, voor de toepassing van de Zesde richtlijn, ervoor te kiezen het gedeelte van een goed dat hij voor privé-doeleinden gebruikt, al dan niet in zijn onderneming op te nemen. Het Hof verwijst daarbij naar haar arresten H.v.J. 4 oktober 1995, Armbrecht, C-291/92, Jurispr. blz. I-2775 en H.v.J. 8 maart 415/98, Jurispr. blz. I-1831, punt 25);

- indien de belastingplichtige ervoor kiest, de investeringsgoederen die zowel voor bedrijfs- als voor privé-doeleinden worden gebruikt, te behandelen als goederen van de onderneming, komt de bij de verkrijging van deze goederen verschuldigde voorbelasting in beginsel voor een algehele en onmiddellijke aftrek in aanmerking. Het Hof verwijst daarvoor naar haar arrest H.v.J. 11 juli 1991, Lennartz, C-97/90, Jurispr. blz. I-3795, punt 26 (reeds aangehaald), en H.v.J. 8 maart 2001, Bakcsi);

- uit de artikelen 6, lid 2, eerste alinea, sub a, en 11, A, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn volgt dat wanneer voor een voor het bedrijf bestemd goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van voorbelasting is ontstaan, het gebruik daarvan voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel en wordt belast op basis van de voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven. Het Hof verwijst daarvoor naar haar arresten inzake Lennartz, punt 26 en Bakcsi, punt 30;

- een belastingplichtige die ervoor kiest een gebouw volledig in zijn onderneming op te nemen en vervolgens een gedeelte van dat gebouw voor privé-doeleinden gebruikt, zowel het recht heeft om de over de totale bouwprijs van het gebouw voldane voorbelasting af te trekken, als de daar tegenoverstaande plicht heeft om de BTW over de voor dat gebruik gemaakte uitgaven te betalen.

Anders dan in het arrest "Seeling" (H.v.J.) 8 mei 2003, C-269/00, vindplaats http://curia.europa.eu) waarin aangenomen werd dat de voorbelasting in beginsel aftrekbaar was voor een particulier die ervoor koos het investeringsgoed te behandelen als een goed van de onderneming, al werd het zowel voor bedrijfs- als voor privédoeleinden gebruikt, is de belastingplichtige in de onderhavige zaak een handelsvennootschap.

Deze vennootschap, zijnde een vennootschap die een handelsactiviteit tot doel heeft (vgl. met ·art. 3, § 2 W. Venn.), vormt te dezen samen met de heer E. V. V. een BTW-eenheid.

Het zakelijk recht van vruchtgebruik op het goed bevindt zich noodzakelijkerwijze in het bedrijfsvermogen van eisende partij maar wordt slechts voor een beperkt gedeelte volgens de bevoegde BTW-controleur voor de eigenlijke handelsactiviteit aangewend.

In de omstandigheden eigen aan voorliggende zaak is de BTW betaald n.a.v. de verwerving van het goed of n.a.v. aan het goed uitgevoerde werken onmiddellijk en volledig aftrekbaar (zie o.m. H.v.J. 14 september 2006, C-72/05, Hausgemeinschaft Jörg und Stefanie Woliny/Pinanzamt Landshut, punten 20 tot 24, en de aldaar aangehaalde vroegere rechtspraak, vindplaats http://curia.europa.eu), anders dan door de verwerende partij verdedigd. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het goed in kwestie gedeeltelijk voor een andere dan de bedrijfsactiviteit zou gebruikt worden of het goed gedeeltelijk voor vrijgestelde handelingen zou worden aangewend (ibid), of door het feit dat een gedeelte van het goed nog niet wordt aangewend voor de activiteit.

Er moet verder worden aangenomen dat het gedeelte van het gebouw in de … dat ter beschikking wordt gesteld aan de heer E. V. V. ('beheersappartement’) ter beschikking wordt gesteld buiten een huurovereenkomst. Een schriftelijke huurovereenkomst wordt niet voorgelegd. Evenmin blijkt dat huur wordt betaald als tegenprestatie voor de beschikking over het goed.

Het begrip “onroerende verhuur is een autonoom begrip van communautair recht. Het Hof van Justitie heeft reeds verscheidene malen gesteld dat de vrijstelling inzake onroerende verhuur strikt moet worden geïnterpreteerd (H.v.J. 12 februari 1998, C-346/95, Jur. H.v.J. 1998, 1, 481; H.v.J. 4 oktober 2001, C-326/99, Jur. H.v.J. 2001, I, 6831).

Volgens het Hof van Justitie is er sprake van onroerende verhuur wanneer aan de huurder : "voor een overeengekomen tijdsduur tegen vergoeding het recht wordt verleend, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten'' (H.v.J. 4 oktober 2001, C-326/99, Jur. H.v.J. 2001, I, 6831). In casu zijn de voormelde vereiste kenmerken niet aanwezig en is er derhalve geen sprake van onroerende verhuur zoals dit in artikel 13, B, sub b) van de Zesde BTW-Richtlijn (omgezet in art. 44, § 3, 2° Wetboek BTW) wordt beoogd.

De terbeschikkingstelling van een deel van het gebouw voor privédoeleinden van de bestuurder, is een dienst in de zin van artikel 6, 2de lid, 1ste alinea, sub a) van de Zesde BTW-Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad 17 mei 1977 en art. 19, § 1 BTW­Wetboek waarvoor de volgens het Hof van Justitie strikt te interpreteren vrijstelling van artikel 13, B, sub b) van de Zesde BTW-Richtlijn voor onroerende verhuur niet geldt (vgl. (zie H.v.J. 14 september 2006, C-72/05; Hausgemeinschaft Jörg und Stefanie Wollny/Finanzamt Landshut, punt 23, en de aldaar aangehaalde rechtspraak, vindplaats http://(curia.europa.eu).

Art. 1, § 2 tweede lid KB nr. 3 kan niet als een algemene verplichting worden gezien om de aftrek van de voorbelasting ten allen tijde te beperken tot het bedrijfsmatig gebruik ervan.

De BTW-richtlijn biedt geen mogelijkheid aan de lidstaten om een algemene uitsluiting of beperking van het recht op aftrek in te voeren m.b.t. de BTW die werd geheven over de levering van goederen die de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden zou gebruiken.

In het arrest "Charles en Charles-Tijmens" .(H.v.J. 14 juli 2005, C-434/03, vindplaats http://curia.europa.eu ) overwoog (overwegingen 32-36) het Hof van Justitie dat artikel 11 van de Tweede richtlijn, waarbij in lid 1 het recht op aftrek werd ingevoerd, in lid 4 bepaalde dat door de lidstaten van de aftrekregeling konden worden uitgesloten "bepaalde goederen en bepaalde diensten, in het bijzonder die waarvan verwacht kan worden dat zij uitsluitend of gedeeltelijk worden gebruikt voor de privé-behoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel". Volgens het Hof kent die bepaling de lidstaten geen absolute discretionaire bevoegdheid toe om alle of nagenoeg alle goederen en diensten van de aftrekregeling uit te sluiten en zodoende de regeling van artikel 11, lid 1, van de Tweede richtlijn uit te hollen.

Het Hof benadrukt dat hoewel artikel 11, lid 4, van de Tweede richtlijn de lidstaten toestond van de aftrekregeling bepaalde goederen, zoals motorvoertuigen, uit te sluiten die bepaling hun niet de mogelijkheid gaf van een dergelijke regeling alle goederen uit te sluiten voorzover zij voor de privé-behoeften van de belastingplichtige worden gebruikt zodat artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 11, lid 4, van de Tweede richtlijn, de lidstaten niet toestaat een algemene uitsluiting van de aftrekregeling van alle goederen van de belastingplichtige te handhaven voorzover die goederen voor de privé-behoeften van laatstgenoemde worden gebruikt.

De aanpassing van art. 19, § 1 W.BTW doet evenwel afbreuk aan het recht van de BTW-plichtige om een onroerend goed volledig als bedrijfsgoed aan te merken ondanks een gemengd gebruik (zie onder meer B. B., S. R. en Y. B., The continuing story of … Seeling, A.F.T., 2007, Afl. 4, 3-13). De BTW kan zodoende nog steeds volledig afgetrokken worden; nadien zal er een correctie dienen te gebeuren ten voordele van de Staat voor het gedeeltelijk privé-gebruik via de techniek van de herziening (Artikel 10, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 voorziet in de herziening van de aftrek in het geval waarin de belastingplichtige gedurende het herzieningstijdvak, een bedrijfsmiddel geheel of gedeeltelijk gebruikt voor privé-doeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen of die recht op aftrek verlenen in een andere verhouding dan die welke als grondslag heeft gediend voor de oorspronkelijke aftrek.)

Dit middel van eisende partij is gegrond.

M.b.t. het argument dat een niet vermelding van een BTW-identificatienummer op een factuur op zichzelf geen verwerping van het recht op aftrek van vormbelasting kan rechtvaardigen

Het wordt niet betwist dat facturen waarop het recht van aftrek van voorbelasting (€ 39.502,06) m.b.t. de appartementen L3.1, G1.3, G2.2, G2.3, D2.3, D2.5 en L3.2 gebaseerd was onregelmatig waren.

Het wordt ook niet betwist dat later correcte facturen werden bijgebracht, en dat dan aftrek van de voorbelasting werd aangenomen (2de kwartaal 2008).

Eisende partij argumenteert evenwel ten onrechte dat dezelfde aftrek van voorbelasting twee keer zou kunnen plaatsvinden.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

M.b.t. de beweerde schending van de regeling inzake de verlegging van de heffing

Eisende partij argumenteert terecht dat het recht op aftrek van voorbelasting m.b.t. de facturen d.d. 27/10/07 en 9/01/08 dient te worden toegestaan.

De plaatsing van een keuken en van detectoren kaderen binnen de economische activiteit van eisende partij en het gebouw waarin dit gebeurde behoort tot de economische activiteit van eisende partij.

Dit middel van eisende partij is gegrond.

M.b.t. de gevorderde boete

Gelet op het hiervoor vermelde werd de boete ten onrechte opgelegd, behoudens wat betreft de boete op het ten onrechte in aftrek brengen van de voorbelasting ten bedrage van € 39.502,06;

De vordering van eisende partij dient bijgevolg deels gegrond te worden verklaard.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verwerende partij.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen € 100.000,01 en € 250 000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007 begroot worden op € 5 000,00.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg .en op tegenspraak,

Alle anders luidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt het lastens eisende partij uitgevaardigde dwangbevel d.d. 18/09/2008, ter kennis gebracht aan eiser d.m.v. aangetekend schrijven d.d. 8/10/2008 behoudens wat betreft de som van € 39 502,06 en de daarop betrekking hebbende boete en behoudens wat betreft de interesten op dit totaal;

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eisende partij van alle bedragen die reeds aan verweerder werden betaald of door verweerder werden ingehouden ter voldoening van deze BTW-schuld (in hoofdsom, interesten en boetes), meer wettelijke en gerechtelijke interesten te kapitaliseren overeenkomstig art. 1154 B.W., met uitzondering van een bedrag van € 39.502;06, meer boete en interesten;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding begroot op € dagvaardingskosten en op € 5.000,00 rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eiser.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 21 september 2010.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. L., rechter,

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. M. L.

Aangehaalde teksten

19

Vergelijkbare beslissingen

8