De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 27.09.2019 (F18.0059.F)
WF 703-15-09/025763
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Onroerend goed – Oprichtingskosten – Aanwending van het volledige gebouw door de onderneming – Seeling-rechtspraak – Gedeeltelijk gebruik van een onroerend goed voor privédoeleinden van een manager – taxatie op het bedrag van de gedane uitgaven – Tegenvordering – Geen dwangbevel – Scheiding der machten – Verplichting van de rechter om ten gronde te oordelen over de regularisatie
Samenvatting
1. Voorafgaanden van de procedure
Het debat gaat over de btw-situatie van een onroerend goed dat toebehoort aan een rechtspersoon en waarvan een gedeelte gratis - voor privé doeleinden- ter beschikking wordt gesteld aan de manager ervan, ten aanzien van de Seeling jurisprudentie.
De administratie heeft de aftrek van de btw die is aangerekend op de facturen met betrekking tot de oprichting van dit gebouw, voor het privégedeelte, gedeeltelijk geweigerd.
De Belgische Staat had bij het hof van beroep van Bergen beroep aangetekend tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 23 maart 2010, RG 07/2112/A. Ten gronde heeft het hof van beroep te Bergen bij zijn eerste arrest het beroep ontvankelijk maar ongegrond verklaard en het bestreden vonnis bevestigd.
In de hypothese dat het hof van beroep het verzoek van de belastingplichtige zou inwilligen, had de Belgische Staat het hof van beroep verzocht om vast te stellen dat het betrokken gebouw ter beschikking van een derde was gesteld. Overeenkomstig artikel 19, § 1, WBTW zou een dergelijke terbeschikkingstelling worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel en overeenkomstig artikel 33, § 1, 2°, WBTW is de maatstaf van heffing voor de terbeschikkingstelling het bedrag van de gedane uitgaven.
De Bergense beroepsrechter achtte zich niet voldoende geïnformeerd over de tegenvordering die de Belgische Staat ten subsidiaire titel, in graad van hoger beroep, had geformuleerd, en beval de heropening van de debatten om de partijen te horen over de ontvankelijkheid en de grondslag van deze vordering en over de eventuele verjaring van de btw-bedragen die de Belgische Staat met deze vordering vordert.
Bij arrest van 24 februari 2017 verklaart het hof van beroep van Bergen de tegenvordering van de Belgische Staat onontvankelijk.
2. Samenvatting van het arrest
De namens de Belgische Staat ingestelde voorziening in cassatie bevatte drie middelen. De eerste twee middelen waren gericht tegen het bestreden arrest van 13 mei 2016.
Wat het eerste middel betreft, heeft het bestreden arrest geoordeeld dat het volstaat dat een belastingplichtige "ervoor kiest om zijn gehele gebouw aan zijn bedrijf toe te wijzen" om de belasting geheven op alle bouwkosten van het onroerend goed overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn te kunnen aftrekken, zonder dat hij "het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen het privégebruik van het betrokken gebouw en zijn belastbare economische activiteiten hoeft aan te tonen".
Het Hof van Cassatie oordeelt dat het recht op aftrek van voorbelasting die een belastingplichtige heeft betaald over de bouwkosten van een gebouw afhankelijk is van de bestemming van dat goed voor de onderneming van de belastingplichtige en dat, indien de belastingplichtige voor een dergelijke bestemming kiest, het gebruik van dat goed voor andere doeleinden dan die van zijn onderneming geen invloed heeft op zijn recht op aftrek.
Het middel, dat betoogt dat - zelfs indien het onroerend goed bestemd is voor de onderneming van de belastingplichtige -, moet worden nagegaan of het wordt gebruikt voor de belastbare handelingen van de belastingplichtige en of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen het privégebruik van het onroerend goed en de belastbare economische activiteiten van deze belastingplichtige, faalt naar recht.
Het tweede middel wees er op dat in het bestreden arrest, de beslissing om het aangevochten vonnis te bevestigen, niet gemotiveerd is. Dat vonnis had bepaald dat de incidentele vordering met betrekking tot "het privégebruik van het gebouw in 2006 (...) eveneens ongegrond moet worden verklaard". Het arrest antwoordt hoe dan ook niet op de argumentatie, die de Belgische Staat op dit punt precies heeft ontwikkeld in haar conclusies.
Het hof van beroep werd ook bekritiseerd omdat het geschil niet overeenkomstig de op hem toepasselijke rechtsregel werd beslecht, terwijl het de verplichting heeft om ambtshalve de middelen aan te voeren waarvan de toepassing wordt gelast op grond van de feiten die partijen specifiek tot staving van hun vorderingen hebben aangevoerd, hetgeen het hof ertoe had moeten aanzetten om te verklaren dat zijn beslissing over de aftrek van voorbelasting ook rekening had moeten houden met de dienovereenkomstige verplichting tot rechtzetting van de belastingheffing voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een deel van het gebouw.
Na te hebben geoordeeld dat de belastingplichtige terecht de betwiste belasting in aftrek heeft gebracht, ook al was het gebouw gedeeltelijk gratis ter beschikking gesteld van de manager ervan, had het hof van beroep de in dergelijk geval, de in artikelen 6 en 11 van de zesde richtlijn voorziene dienovereenkomstige verplichting tot rechtzetting van de belasting ,waar naar verwezen wordt in het middel, moeten onderzoeken.
Het Hof van Cassatie verwerpt ook dit tweede middel - dat feitelijke grondslag mist - aangezien het van oordeel is dat het bestreden arrest van 13 mei 2016 geen betrekking had op een vordering van de Belgische Staat tot betaling van de belasting voor 2006 en dat het, binnen de grenzen van de hem voorgelegde vordering voor de betrokken jaren, het gewezen arrest, waarbij de Belgische Staat op dit punt werd afgewezen, niet bevestigt, maar een heropening van de debatten gelast.
Het derde middel betreft het arrest van 24 februari 2017. In het bestreden arrest van 13 mei 2016 van het hof van beroep van Bergen wordt gesteld dat de Belgische Staat verzoekt om veroordeling van de belastingplichtige tot betaling van een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de voor de betrokken jaren verschuldigde btw. Het hof van beroep van Bergen was van oordeel dat het onvoldoende was ingelicht en verzocht de partijen de ontvankelijkheid en de grondslag van deze vordering toe te lichten.
Het hof van beroep had de tegenvordering van de Belgische Staat onontvankelijk verklaard. Deze vordering verzocht om de veroordeling van de belastingplichtige voor het bedrag van de btw die verschuldigd is voor de jaren 2012 tot 2015 voor de terbeschikkingstelling van een deel van het gebouw aan de manager van deze vennootschap voor deze jaren.
Het arrest van 13 mei 2016 vernietigt het dwangbevel betreffende de verwerping van het recht op aftrek op de facturen voor de bouw van het gebouw die in de loop van 2006 zijn opgesteld, tot een maximum van 44,76 %, en het bestreden arrest van 24 februari 2017 is van oordeel dat "bij gebreke van een naar behoren geviseerd en uitvoerbaar dwangbevel, waarbij de [verweerder] wordt uitgenodigd om de genoemde belastingen voor de jaren 2012 tot en met 2015 te betalen", het "niet rechtsgeldig is, met name wegens het beginsel van de scheiding der machten, om de wettigheid van deze btw-schuld te onderzoeken en administratieve maatregelen te nemen door een titel voor de betaling ervan uit te vaardigen".
Het Hof van Cassatie beslist dat de belastingadministratie, zelfs bij gebrek aan dwangbevel, het geschil betreffende de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde kan voorleggen aan de rechter, niettegenstaande het feit dat, overeenkomstig artikel 85, § 1, van het Wetboek, bij niet-betaling van de belastingschuld bestaande uit de belasting, interesten, fiscale geldboeten en toebehoren, deze wordt opgenomen in een innings- en invorderingsregister, dat de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de belastingschuld en deze concretiseert.
Bijgevolg is het bestreden arrest van 24 februari 2017 in strijd met artikel 144 van de Grondwet.
Het Hof van Cassatie verwerpt de eerste twee middelen, vernietigt het arrest van 24 februari 2017 na het derde middel in het tweede onderdeel gegrond te hebben verklaard, veroordeelt de Belgische Staat tot betaling van de helft van de kosten, houdt het overige aan zodat de rechter die de zaak behandelt, zich erover kan uitspreken, en verwijst de zaak, aldus beperkt, naar het hof van beroep van Luik.
Opmerkingen
De complexiteit van dit geschil ligt met name in de opeenvolgende wetswijzigingen met het oog op de aanpassing van het rechtskader van de jurisprudentie in de zaak Seeling (EHVJ, 8 mei 2003, C-269/00, Seeling; HJEU 18 juli 2013, C-210/11 en C-211/10, Medicom en SPRL Maison Patrice Alard, gevoegde zaken), die zich in de loop van het geschil voordeden.
Het Hof van Cassatie wijst erop dat het ontbreken van een dwangbevel de belastingadministratie niet belet om het geschil over de betaling van de btw aan de belastingrechter voor te leggen, en is vervolgens van oordeel dat het bestreden arrest van 24 februari 2017 in strijd is met artikel 144 van de Grondwet, aangezien het hof van oordeel is dat de rechter bij gebrek aan dwangbevel niet bevoegd is om, met name op grond van het beginsel van de scheiding der machten, de wettigheid van deze btw-schuld te onderzoeken en administratieve stappen te ondernemen door een titel voor de betaling ervan toe te kennen.
Aangezien het Hof van Cassatie heeft beslist dat het derde middel in zijn tweede onderdeel gegrond is, wordt de zaak terugverwezen naar het Hof van Beroep van Luik, dat zich zal moeten schikken naar de beslissing van het Hof van Cassatie van 27 september 2019, F.18.0059.F, over de rechtsvraag die door dit Hof is beoordeeld.
Het derde middel dat de vernietiging van het arrest heeft teweeggebracht (in het tweede onderdeel), bekritiseert het arrest van 24 februari 2017 van het hof van beroep van Bergen waar het de tegenvordering van de Belgische Staat onontvankelijk heeft verklaard. Deze vordering verzocht de veroordeling van de belastingplichtige voor het bedrag van de btw dat verschuldigd is voor de jaren 2012 tot 2015 voor de terbeschikkingstelling van een deel van het gebouw aan de manager van deze vennootschap.
Door de tegenvordering werd bij het hof van beroep van Bergen ontegensprekelijk een geschil aanhangig gemaakt betreffende de belastingheffing op het gedeeltelijk gebruik voor privé doeleinden van het betrokken gebouw. Meer bepaald heeft de tegenvordering betrekking op de fiscale statuut van het betrokken onroerend goed. De tegenvordering is bovendien nauw verbonden met de hoofdvordering aangezien deze vragen tot herziening en verschuldigde belastingen, stellen dat de betwiste voorbelasting aftrekbaar zou zijn, wat ab initio de grondslag van het geschil vormde in het dwangbevel en het verzet.
Niets belette de Belgische Staat om bij het hof van beroep een tegenvordering in te stellen over de wettigheid van de btw-schuld inzake het gebruik van het onroerend goed waarop het betwiste dwangbevel van toepassing is. Het hof van beroep heeft artikel 144 van de Grondwet en het algemene beginsel van de scheiding der machten geschonden, volgens hetwelk het juist de rechter is die over een dergelijke geschil moet beslissen.
In zijn arrest van 22 november 2013 heeft het Hof van Cassatie duidelijk gezegd dat “Hieruit volgt dat met toepassing van voornoemd artikel 6, § 2, eerste alinea, sub a, (van de zesde richtlijn), het gebruiken, zonder overeengekomen huur, van een tot het bedrijf van een belastingplichtige rechtspersoon behorend goed voor de privédoeleinden van de zaakvoerder ervan, gelijkgesteld moet worden met een dienst verricht onder bezwarende titel en dat voornoemd gebruik, aangezien het niet valt onder artikel 13, B, sub b), van de zesde richtlijn, niet als verhuur kan worden aangemerkt. (Cass. , 22 november 2013, Pas. 627, p. 2507).
Bijgevolg kan de Belgische Staat voor het hof van beroep van Luik de regularisaties van de belastingen die verschuldigd zijn in verband met dit gebruik voor privédoeleinden voor alle betrokken jaren terugvorderen. Krachtens artikel 33, § 1, van het btw-wetboek en ingevolge het openbare orde karakter van de belasting is het bedrag van de verschuldigde belastingen de door de belastingplichtige gedane uitgaven.
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Cour de cassation de Belgique le 27 SEPTEMBRE 2019 - Arrêt F.18.0059.F/1
ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, poursuites et diligences du directeur du bureau des recettes de la taxe sur la valeur ajoutée à Charleroi 2, dont les bureaux sont établis à Charleroi, rue Jean Monnet, 14/35, et du conseiller général du centre PME à Charleroi, dont les bureaux sont établis à Charleroi, Petite rue, 4, demandeur en cassation, représenté par Maître ..., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à ..., où il est fait élection de domicile,
contre
A., société privée à responsabilité limitée, dont le siège social est établi à ..., défenderesse en cassation.
I. La procédure devant la Cour
Le pourvoi en cassation est dirigé contre les arrêts rendus les 13 mai 2016 et 24 février 2017 par la cour d’appel de Mons.
Le 29 août 2019, le procureur général André Henkes a déposé des conclusions au greffe.
Le conseiller Marie-Claire Ernotte a fait rapport et le procureur général André Henkes a été entendu en ses conclusions.
II. Les moyens de cassation
Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, le demandeur présente trois moyens.
III. La décision de la Cour
Sur le premier moyen :
En vertu de l’article 17, § 2, a), de la directive n° 77/388/CEE du Conseil du 17 mai 1977 en matière d’harmonisation des législations des États membres relatives aux taxes sur le chiffre d’affaires – système commun de taxe sur la valeur ajoutée : assiette uniforme, qui figure sous le titre « déductions », dans la mesure où les biens et les services sont utilisés pour les besoins de ses opérations taxées, l’assujetti est autorisé à déduire de la taxe dont il est redevable la taxe sur la valeur ajoutée due ou acquittée à l’intérieur du pays pour les biens qui lui sont ou lui seront livrés et pour les services qui lui sont ou lui seront rendus par un autre assujetti. En vertu du paragraphe 5, alinéa 1er, de cet article, en ce qui concerne les biens et les services qui sont utilisés par un assujetti pour effectuer à la fois des opérations ouvrant droit à déduction visées au paragraphe 2 et des opérations n’ouvrant pas droit à déduction, la déduction n’est admise que pour la partie de la taxe sur la valeur ajoutée qui est proportionnelle au montant afférent aux premières opérations.
Conformément à l’article 45, § 1er, 1°, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, qui transpose l’article 17, § 2, de cette sixième directive, tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable les taxes ayant grevé les biens et les services qui lui ont été fournis dans la mesure où il les utilise pour effectuer des opérations taxées.
L’article 6, § 2, alinéa 1er, a), de la même directive, transposé à l’article 19,
§ 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, dispose qu’est assimilée à une prestation de services effectuée à titre onéreux l’utilisation d’un bien affecté à l’entreprise pour les besoins privés de l’assujetti ou pour ceux de son personnel ou, plus généralement, à des fins étrangères à son entreprise, lorsque ce bien a ouvert droit à déduction complète ou partielle de la taxe sur la valeur ajoutée.
Dans l’arrêt C-269/00, Seeling, rendu le 8 mai 2003, la Cour de justice de l’Union européenne a « rappelé qu’il ressort d’une jurisprudence constante qu’un assujetti a la possibilité de choisir, aux fins de l’application de la sixième directive, d’intégrer ou non à son entreprise la partie d’un bien qui est affectée à son usage privé » et que, « si l’assujetti choisit de traiter des biens d’investissements utilisés à la fois à des fins professionnelles et à des fins privées comme des biens d’entreprise, la taxe sur la valeur ajoutée due en amont sur l’acquisition de ces biens est en principe intégralement et immédiatement déductible ». Elle a ensuite relevé que, « lorsqu’un bien affecté à l’entreprise a ouvert droit à une déduction complète ou partielle de la taxe sur la valeur ajoutée acquittée en amont, son utilisation pour les besoins privés de l’assujetti ou de son personnel à des fins étrangères à son entreprise est assimilée à une prestation de services effectuée à titre onéreux et taxée sur la base du montant des dépenses engagées pour l’exécution de la prestation de services ».
Elle en déduit qu’« un assujetti, qui choisit d’affecter la totalité d’un bâtiment à son entreprise et qui utilise, par la suite, une partie de ce bâtiment pour ses besoins privés, a, d’une part, le droit de déduire la taxe sur la valeur ajoutée acquittée en amont sur la totalité des frais de construction dudit bâtiment, d’autre part, l’obligation y correspondant de payer la taxe sur la valeur ajoutée sur le montant des dépenses engagées pour l’exécution de ladite utilisation ».
Dans l’arrêt C-210/11 et C-211/10, Medicom, rendu le 18 juillet 2013, la Cour de justice précise encore que, « dans une telle situation, l’assujetti n’a pas l’obligation de prouver que la mise à la disposition de ses gérants, administrateurs ou associés de tout ou partie de l’immeuble entièrement affecté à l’entreprise est effectuée ‘pour les besoins de ses opérations taxées’ au sens de l’article 17, § 2, de la sixième directive » et qu’il « ne doit donc pas prouver l’existence d’un lien direct et immédiat entre l’utilisation à des fins privatives de l’immeuble en question et ses activités économiques taxables ».
Il s’ensuit que, dans le régime de la sixième directive, applicable au litige, le droit à la déduction de la taxe payée en amont par un assujetti sur les frais de construction d’un immeuble dépend de l’affectation de ce bien à l’entreprise de l’assujetti et que, si celui-ci fait le choix d’une telle affectation, l’utilisation de ce bien à des fins étrangères à l’entreprise n’affecte pas son droit à la déduction.
Le moyen, qui soutient que, même si le bien est affecté à l’entreprise de l’assujetti, il faut vérifier si son utilisation est effectuée pour les besoins des opérations taxées de ce dernier et s’il existe un lien direct et immédiat entre l’utilisation à des fins privatives de l’immeuble et les activités économiques taxables de ce même assujetti, manque en droit.
Sur le deuxième moyen :
Quant aux trois branches réunies :
Le jugement entrepris a « débouté [le demandeur] de [la] demande incidente » par laquelle celui-ci demandait le paiement de « la taxe sur la valeur ajoutée relative à l’utilisation de l’immeuble litigieux pour l’année 2006 et […] de procéder aux révisions de la déduction initialement opérée […] pour les années 2007 et suivantes » aux motifs, d’une part, qu’il n’est « pas valablement saisi […] d’une demande portant sur les années 2007 et suivantes », d’autre part, pour l’année 2006, que la défenderesse « affirme que l’immeuble litigieux n’a pu être occupé qu’au plus tôt au mois de septembre 2009, ce que [le demandeur] ne conteste pas ».
L’arrêt attaqué du 13 mai 2016, qui relève que le demandeur demande « de condamner [la défenderesse] à lui payer une somme équivalente au montant de la taxe sur la valeur ajoutée due pour les années 2012 à 2014 », ne s’estime pas suffisamment éclairé et invite les parties à s’expliquer sur la recevabilité et le fondement de cette demande. Il « confirme le jugement entrepris » et, « avant de statuer sur la recevabilité et le fondement de la demande reconventionnelle [du demandeur], ordonne la réouverture des débats ».
Il ressort de ces énonciations que, contrairement à ce que suppose le moyen, en ces branches, l’arrêt attaqué du 13 mai 2016 n’était pas saisi d’une demande du demandeur en paiement de la taxe pour l’année 2006 et que, dans les limites de la demande dont il était saisi pour les années 2012 à 2014, il ne confirme pas le jugement entrepris qui a débouté le demandeur sur ce point mais ordonne une réouverture des débats.
Le moyen, en chacune de ses branches, manque en fait.
Et il n’y a dès lors pas lieu de poser la question préjudicielle proposée par le demandeur, qui repose sur une hypothèse inexacte.
Sur le troisième moyen :
Quant à la seconde branche :
Conformément à l’article 144 de la Constitution, les contestations qui ont pour objet des droits civils sont exclusivement du ressort des tribunaux.
En vertu de l’article 85, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, en cas de non-paiement de la taxe, une contrainte est décernée par le fonctionnaire chargé du recouvrement, qui est visée et rendue exécutoire, et, en vertu du paragraphe 2 de cette disposition, la notification de cette contrainte permet au redevable de faire opposition à son exécution de la manière prévue à l’article 89.
Selon l’article 89, alinéa 2, de ce code, l’exécution de la contrainte ne peut être interrompue que par une action en justice.
Il ne s’ensuit pas qu’en l’absence de contrainte, l’administration fiscale ne puisse soumettre au juge la contestation portant sur le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée.
Après avoir relevé que l’arrêt attaqué du 13 mai 2016 annule la contrainte, qui « portait sur le rejet du droit à déduction sur les factures relatives à la construction de l’immeuble [de la défenderesse] émises durant l’année 2006, jusqu’à concurrence de 44,76 p.c. », l’arrêt attaqué du 24 février 2017 énonce que
« la taxe sur la valeur ajoutée réclamée par [le demandeur] par le biais de sa demande reconventionnelle ne vise pas les taxes pour lesquelles la contrainte litigieuse a été émise mais des taxes relatives à la mise à disposition de la gérante de [la défenderesse] d’une partie de son immeuble pour les années 2012 à 2015, conformément à l’article 19, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée ».
L’arrêt attaqué du 24 février 2017, qui considère qu’« à défaut de contrainte, dûment visée et rendue exécutoire, invitant la [défenderesse] à payer lesdites taxes pour les années 2012 à 2015 », il est « sans juridiction, notamment en raison du principe de la séparation des pouvoirs, pour examiner la légalité de cette dette de taxe sur la valeur ajoutée et faire œuvre administrative en décernant un titre pour le paiement de celle-ci », viole l’article 144 de la Constitution.
Le moyen, en cette branche, est fondé.
Beschikkend gedeelte
Par ces motifs,
La Cour
Casse l’arrêt attaqué du 24 février 2017 ; Rejette le pourvoi pour le surplus ;
Condamne le demandeur à la moitié des dépens ; en réserve le surplus pour qu’il soit statué sur celui-ci par le juge du fond ;
Renvoie la cause, ainsi limitée, devant la cour d’appel de Liège.
Les dépens taxés à la somme de six cent soixante-huit euros quarante-six centimes envers la partie demanderesse, y compris la somme de vingt euros au profit du Fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne.
Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section ..., les conseillers ..., et prononcé en audience publique du vingt-sept septembre deux mille dix-neuf par le président de section..., en présence du procureur général ..., avec l’assistance du greffier ....
Signatures
Cour d'appel Mons, Sixième Chambre le 4 février 2017
Rôle : 2010/RG/1015
EN CAUSE DE:
L'ETAT BELGE. Service Public Fédéral des Finances, représenté par Monsieur le Ministre des Finances, dont le cabinet est sis à 1000 BRUXELLES, rue de la Loi n° 12, poursuites et diligences du Conseiller général du Centre PME de Charleroi, dont les bureaux sont établis à 6000 CHARLEROI, petite Rue n° 4, partie appelante et demanderesse sur incident, représentée à l'audience par Maître ..., avocat, dont le cabinet est situé à ...;
CONTRE:
La S.P.R.L. A., inscrite à la Banque Carrefour des Entreprises sous le numéro 0476...., dont le siège social est établi à ..., partie intimée et défenderesse sur incident, représentée à l'audience par Maître ... avocat, loco son confrère, Maître ..., avocat, dont le cabinet est situé à ..., son conseil;
La Cour, après en avoir délibéré, prononce l'arrêt suivant :
Vu l'arrêt de la cour de céans, autrement composée, du 13 mai 2016 qui a dit l'appel de l'Etat belge recevable mais non fondé, a confirmé le jugement déféré et, avant de statuer sur la recevabilité et le fondement de la demande reconventionnelle de l'Etat belge, a ordonné la réouverture des débats pour permettre aux parties de s'expliquer sur la recevabilité et le fondement de cette demande dès lors que, d'une part, elle est formée dans le cadre d'une opposition à contrainte en matière de T.V.A. portant sur l'année 2006 et, d'autre part, l'article 19, § 1e', du Code de la T.V.A., sur lequel se fonde la demande a été modifié par la loi programme du 27 décembre 2006 dans le sens de l'assimilation à une prestation de services l'utilisation d'un bien meuble affecté à l'entreprise pour les besoins privés de l'assujetti et ensuite par l'article 6 de la loi du 29· décembre 2010, et la procédure y visée;
Vu les conclusions des parties après l'arrêt du 13 mai 2016 et leurs dossiers;
Entendu les parties en leurs dires et moyens à l'audience du 25 novembre 2016, à laquelle les débats ont été repris ab initio sur tous les points non tranchés par l'arrêt antérieur et déclarés clos et la ca1,1se prise en délibéré ;
Sur la recevabilité de la demande reconventionnelle de l'Etat belge
L'Etat belge postule la condamnation de la S.P.R.L. A. au paiement d'une somme équivalent au montant de la T.V.A. due pour les années 2.012 à 2015, soit 8.9(,6,76 euros augmentée d'une amende due en vertu de l'article 70, § 1er, du Code de la T.V.A. réd1.1ite selon le barème prévue à l'annexe G, rubriq1,1e V, de l'arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987, soit 1.790 euros, et des intérêts légaux au taux de 0,8 % par mois à partir du 21 janvier 2016.
L'Etat belge demande en outre qu’il soit dit pour droit que la S.P.R.L. A. est tenue de lui payer un montant annuel de 2.241,69 euros à titre de T.V.A. pour la mise à disposition de l'immeuble concerné.
Pour justifier la recevabilité de cette demande, l'Etat belge se réfère à deux arrêts de la Çour de cassation des 22 mai 2014 et 9 octobre 2014 aux termes desquels « le juge est (...) tenu, indépendamment de l'éventuelle nullité dont est entaché l'acte administratif, de décider lui même en fait et en droit de l'existence de la dette d'impôt lorsqu'il y est invité par les demandes introduites par les parties » pour « en raison du caractère d'ordre public de l'impôt, les juridictions de l'ordre judiciaire doivent statuer elles-mêmes en fait et en droit dans les limites du litige dont elles sont saisies, quelle que soit la nullité dont est entachée la décision administrative intervenue» (Cass., 22 mai 2014, R.G. n° F.12.0188.N; Cass., 9 octobre 2014, R.G. n° F.11.0124.F - arrêts consultables sur le site lnternetjuridat.be).
Il convient toutefois de relever que par le premier de ces arrêts, la Cour de cassation a reproché au juge d'appel de ne pas avoir examiné « si la taxe pour laquelle la contrainte avait été décernée était ou non due» (voyez également: Cass., 23 décembre 2016, R.G. F.15.0083.N, consultable sur le site lnternetfiscalnet.be).
Dans le second arrêt, la cour suprême précise que c'est « dans les limites du litige dont elles sont saisies» que les juridictions statuent en fait et en droit (sur la portée de ces termes, voyez: A. HENKES, « Le droit fiscal est d'ordre public l » So what? De la relativité de l'ordre public; en droit fiscal et du rôle de la Cour de cassation. Rentrée solennelle de la Cour de cassation de Belgique -1er septembre 2016, R.G.C.F., 2016/4-5, p. 332).
En l'espèçe, il a été jugé par l'arrêt du 13 mai 2016 que la contrainte litigieuse avait été annulée à bon droit par le premier juge dès lors que c'est à tort que l'administration avait rejeté la déduction de la T.V.A. sur les factures relatives à la construction de l'immeuble de la S.P.R.L. A., à concurrence de la partie privée de 44,76 %, au motif que cette partie de l'immeuble était occupée gratuitement par sa gérante.
Cette contrainte portait sur le rejet du droit à déduction sur les factures relatives à la construction de l'immeuble émises durant l'année 2006, à concurrence de 44,76 %.
La T.V.A. réclamée par l'Etat belge par le biais de sa demande reconventionnelle ne vise pas les taxes pour lesquelles la contrainte litigieuse a été émise mais des taxes relatives à la mise à disposition de la gérante de la S.P.R.L. A. d'une partie de son immeuble pour les années 2012 à 2015, conformément au prescrit de l'article 19, § 1er, du Code de la T.V.A.
A défaut de contrainte, dûment visée et rendue exécutoire, invitant la S.P.R.L. A. à payer lesdites taxes pour les années 2012 à 2015, la cour est sans juridiction, notamment en raison du principe de la séparation des pouvoirs, pour examiner la légalité de cette dette T.V.A. et faire œuvre administrative en décernant un titre pour le paiement de celle-ci (voyez à cet égard : N. PlROTTE,« Délégation T.V.A.», R.G.C.F., 2011/6, pp. 551 à 553).
L'Etat belge ne désigne d'ailleurs pas, sur le plan procédural, la disposition légale qui l'autorise à former pareille demande.
Il en résulte que la demande reconventionnelle de l'Etat belge n'est pas recevable.
PAR CES MOTIFS;
La Cour,
Statuant contradictoirement, après l'arrêt du 13 mai 2016;
Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 dont il a été fait application; Dit la demande reconventionnelle de l'Etat belge irrecevable ;
Condamne l'Etat belge à payer à la S.P.R.L. A. ses frais et dépens de l'instance d'appel liquidés à 1.210 euros, étant l'indemnité de procédure, et lui délaisse ses propres frais et dépens;
Ainsi signé par la Cour d'appel de Mons, sixième Chambre, où siégeaient: ...
Ainsi prononcé en audience publique de la sixième Chambre de la Cour d'appel de Mons, le vingt-quatre février deux mille dix-sept, par et en présence de : ...
Signatures
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.