Arrest van het Hof van 13 november 1990, C-106/89, Marleasing SA · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Zesde kamer C-106/89 ECLI:EU:C:1990:395 13 november 1990

Zoeken

Arrest van het Hof van 13 november 1990, C-106/89, Marleasing SARichtlijn 68/151 art. 11, EEG-Verdrag art. 58

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-106-89-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Zesde kamer
Zaak
C-106/89
ECLI
ECLI:EU:C:1990:395
Datum
13 november 1990

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Juzgado de Primera Instancia e Instrucción de Oviedo (Spanje) beslissing van 13 maart 1989
Zaak ingediend op
3 april 1989
Advocaat-generaal
Van Gerven
Opmerkingen
Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Juzgado de Primera Instancia e Instrucción nº 1 de Oviedo beslissing van 23 februari 1991

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Spaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1990, blz. I-4135
Meer informatie
Rechter-rapporteur
O'Higgins
Repertorium van het Hof

Tekst

17 paragrafen

Arrest

1.

Bij vonnis van 13 maart 1989, ingekomen bij het Hof op 3 april daaraanvolgend, heeft de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 te Oviedo krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 11 van richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1968, L 65, biz. 8).

2.

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de vennootschap Marleasing SA, eiseresse in het hoofdgeding, en een aantal verweerders waaronder La Comercial Internacional de Alimentación SA (hierna: La Comercial). La Comercial is als naamloze vennootschap opgericht door drie personen, waaronder de vennootschap Barviesa die haar vermogen heeft ingebracht.

3.

Uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt, dat Marleasing op grond van de artikelen 1261 en 1275 van het Spaanse burgerlijk wetboek, die aan overeenkomsten zonder oorzaak of met een ongeoorloofde oorzaak rechtsgevolgen ontzeggen, primair nietigverklaring vordert van de overeenkomst tot oprichting van de vennootschap La Comercial wegens het ontbreken van een oorzaak, wegens simulatie alsmede wegens benadeling van de schuldeisers van de vennootschap Barviesa, die medeoprichtster is van La Comercial. La Comercial concludeerde tot afwijzing van de vordering, onder meer omdat in artikel 11 van richtlijn 68/151, waarin de gevallen van nietigheid van een naamloze vennootschap limitatief worden opgesomd, het ontbreken van een oorzaak niet wordt vermeld.

4.

De verwijzende rechter herinnert eraan, dat volgens artikel 395 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (PB 1985, L 302, biz. 23) het Koninkrijk Spanje vanaf het tijdstip van zijn toetreding verplicht was uitvoering aan de richtlijn te geven, en dat de omzetting in nationaal recht op de dag van het verwijzingsvonnis nog niet had plaatsgevonden. Van oordeel dat het geschil een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht deed rijzen, besloot de verwijzende rechter het Hof de volgende vraag voor te leggen:

„Is artikel 11 van richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968, die niet is omgezet in nationaal recht, rechtstreeks toepasselijk, zodat een naamloze vennootschap niet op een andere grond dan de in dat artikel opgesomde gronden kan worden nietig verklaard ?”

5.

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

6.

Wat betreft de vraag, of een particulier zich tegenover een nationale wet op de richtlijn kan beroepen, moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren kan opleggen en dat de bepalingen van een richtlijn dus als zodanig niet tegen particulieren kunnen worden ingeroepen (arrest van 26 februari 1986, zaak 152/84, Marshall, Jurispr. 1986, blz. 723).

7.

Uit de processtukken blijkt evenwel, dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen, of de nationale rechter die kennis neemt van een geschil dat binnen het toepassingsgebied van de genoemde richtlijn 68/151 valt, verplicht is om zijn nationale recht uit te leggen in het licht ván de bewoordingen en het doel van deze richtlijn, ten einde te voorkomen dat de nietigheid van een naamloze vennootschap wordt uitgesproken op een andere dan de in artikel 11 genoemde gronden.

8.

Zoals het Hof in het arrest van 10 april 1984 (zaak 14/83, Von Colson en Kamann, Jurispr. 1984, blz. 1891, r. o. 26) heeft verklaard, geldt de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting der Lid-Staten om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de verplichting krachtens artikel 5 EEG-Verdrag, om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de Lid-Staten, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties. Bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of latere datum dan de richtlijn, moet de nationale rechter dit zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, ten einde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag te voldoen.

9.

Hieruit volgt, dat het vereiste om het nationale recht overeenkomstig artikel 11 van richtlijn 68/151 uit te leggen, eraan in de weg staat om de nationale bepalingen betreffende de naamloze vennootschap zodanig uit te leggen, dat de nietigheid van een naamloze vennootschap kan worden uitgesproken op andere dan de in artikel 11 van de betrokken richtlijn limitatief opgesomde gronden.

10.

Met betrekking tot de uitlegging van artikel 11 van de richtlijn en met name van lid 2, sub b ervan, moet worden vastgesteld, dat ingevolge deze bepaling de Lid-Staten buiten de in de richtlijn limitatief opgesomde gevallen, waaronder het geval dat het werkelijke doel van de vennootschap ongeoorloofd is of in strijd met de openbare orde, in hun wetgeving niet mogen voorzien in nietigverklaring door de rechter.

11.

Volgens de Commissie moet de uitdrukking „het werkelijke doel van de vennootschap” worden opgevat in die zin, dat zij uitsluitend betrekking heeft op het doel van de vennootschap zoals omschreven in de oprichtingsakte of in de statuten. Bijgevolg zou de nietigheid van een vennootschap niet kunnen worden uitgesproken op grond van de door de vennootschap daadwerkelijk uitgeoefende activiteit, zoals bij voorbeeld het onttrekken van activa aan het verhaal van de schuldeisers van de oprichters.

12.

Dit standpunt moet worden onderschreven. Blijkens de considerans was het doel van richtlijn 68/151 om de gevallen van nietigheid en de terugwerkende kracht van de nietigverklaring te beperken, ten einde „de rechtszekerheid te waarborgen in de betrekkingen tussen de vennootschap en derden alsmede tussen de deelnemers in de vennootschap” (zesde overweging). Bovendien moet „de bescherming van derden ... worden verzekerd door middel van bepalingen die de gronden van ongeldigheid van de ten name van de vennootschap aangegane verbintenissen zoveel mogelijk beperken”. Hieruit volgt derhalve, dat elke van de in artikel 11 van de richtlijn genoemde nietigheidsgronden strikt moet worden uitgelegd. Onder deze omstandigheden moet onder de uitdrukking „het werkelijke doel van de vennootschap” worden verstaan het doel van de vennootschap zoals dat is omschreven in de oprichtingsakte of in de statuten.

13.

Op de vraag van de verwijzende rechter moet dus worden geantwoord, dat de nationale rechter die kennisneemt van een geschil over een materie die binnen het toepassingsgebied valt van richtlijn 68/151, gehouden is om zijn nationale recht uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van deze richtlijn, ten einde te voorkomen dat de nietigheid van een naamloze vennootschap wordt uitgesproken op een andere dan de in artikel 11 van de richtlijn genoemde gronden.

Kosten

14.

De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde Kamer),

uitspraak doende op de door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 1 te Oviedo bij vonnis van 13 maart 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht:

De nationale rechter die kennis neemt van een geschil over een materie die binnen het toepassingsgebied valt van richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, is gehouden om zijn nationale recht uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van deze richtlijn, ten einde te voorkomen dat de nietigheid van een naamloze vennootschap wordt uitgesproken op een andere dan de in artikel 11 van de richtlijn genoemde gronden.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

5
richtlijn 68/151 art. 11uitgelegd9 voorkomens
EEG-Verdrag art. 582 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen
EEG-Verdrag art. 1891 voorkomen
EEG-Verdrag art. 51 voorkomen

Rechtspraak

37

België

7

Bekijk alle 7

Europese Unie

30

Bekijk alle 30

Bekijk de 37 documenten

Rechtsleer

35
Brouwer, O.W.: Pseudo-horizontale werking van richtlijnen ?, Nederlandse staatscourant 1990 nº 232 p.11 (NL)
León Sanz, Francisco José: El caso "Marleasing, S.A.", Revista de Derecho Mercantil 1990 p.801-819 (ES)
Pais, Sofia: O acórdão Marleasing - rumo à consagração implícita do efeito horizontal das directivas?, Revista de Direito e Economia 1990 a 1993 p.471-511 (PT)
Mok, M.R.: Vennootschapsrecht; Conforme uitlegging coördinatierichtlijn, TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1991 p.20-21 (NL)
Belda de Mergelina, Rocío: La sentencia Marleasing: interpretación del Derecho nacional conforme a las directivas comunitarias o efecto directo horizontal de las directivas?, Gaceta Jurídica de la CEE - Boletín 1991 nº 60 p.3-7 (ES)
Bekijk de 30 andere verwijzingen
X: Het Marleasing arrest van het Europees Hof van Justitie en de nietigheidsgronden van art. 13ter Venn.W., Tijdschrift voor rechtspersoon en vennootschap 1991 p.44-48 (NL)
Ordóñez Solís, David: El efecto (directo e indirecto) de las directivas y la nulidad de las sociedades mercantiles, La ley - Comunidades Europeas 1991 nº 63 p.1-5 (ES)
Level, Patrice: La Semaine juridique - édition générale 1991 II 21658 (FR)
Capelli, Fausto: Portata ed efficacia delle direttive CEE in materia societaria, Le Società - Rivista di diritto e pratica commerciale societaria e fiscale 1991 p.440-443 (IT)
Level, Patrice: La Semaine juridique - édition entreprise 1991 II 156 (FR)
Stuyck, J. ; Wytinck, P.: Case C-106/89, Marleasing SA v. La Comercial Internacional de Alimentacion SA, Judgment of 13 November 1990 (Sixth chamber), Common Market Law Review 1991, Volume 28, Issue 1, p. 205-223 (EN)
Van der Woude, A.W.: Nogmaals richtlijnconforme uitleg van de wet, Weekblad voor fiscaal recht 1991 p.853-861 (NL)
L.T.: Uitleg van art. 11, sub 2b van de Eerste EG-Richtlijn, TVVS ondernemingsrecht en rechtspersonen 1991 p.165 (NL)
Mead, Philip: Marleasing and the European sea, The Law Society's Gazette 1991 Vol.88/27 p.19-20 (EN)
Vilà Costa, Blanca: Revista Jurídica de Catalunya 1991 p.889-892 (ES)
X: Direct Horizontal Effect of All Directives, Business Law Brief 1991 August p.3 (EN)
Coipel, Michel: Revue de droit commercial belge 1991 p.878-879 (FR)
Chaput, Yves: Absence d'annulation d'une société anonyme dont l'objet réel est illicite, Revue des sociétés 1991 p.535-538 (FR)
Prechal, Sacha: Richtlijnconforme uitleg : Alice in Wonderland, Weekblad voor fiscaal recht 1991 p.1596-1604 (NL)
Mead, Philip: The Obligation to Apply European law: Is Duke Dead?, European Law Review 1991 p. 490-501 (EN)
Alba Palop, José: Primacía de una directiva de la CEE sobre el Código civil. A propósito de la sentencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas de 13 de noviembre de 1990. Asunto C-106/89, Revista General de Derecho 1991 p.8793-8797 (ES)
Canga Fano, Diego: Evoluciones recientes de la jurisprudencia sobre el efecto directo horizontal de las directivas: la sentencia "Marleasing", Gaceta Jurídica de la CEE - Serie D 1991 nº 14 p.389-404 (ES)
Azparren Lucas, Agustín: La cuestión prejudicial "Marleasing". Efecto horizontal de las directivas. Nulidad de las Sociedades Anónimas. Cuestiones procesales. (Comentario a la Sentencia del Tribunal de Justicia de las Comunidades de 13 de noviembre de 1990), Poder Judicial 1991 p.83-92 (ES)
Daniele, Luigi: Novità in tema di efficacia delle direttive comunitarie non attuate, Il Foro italiano 1992 IV Col.173-178 (IT)
Timmermans, C.W.A.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1992 p.816-821 (NL)
Leclerc, Frédéric: Que reste-t-il des nullités de sociétés en droit français après l'arrêt Marleasing ?, Revue de jurisprudence commerciale 1992 p.321-334 (FR)
Saunders, O.O.R.: Marleasing - A Fatal Blow to the Rule of Construction, European Business Law Review 1992 p.339-341 (EN)
Cooper, Richard D.B.: The Impact of Directives on the Interpretation of National Law, Europäische Zeitschrift für Wirtschaftsrecht 1996 p.385 (EN)
Bassani, Vittoria ; Mincke, Wolfgang: Europa sine causa?, Zeitschrift für europäisches Privatrecht 1997 p.599-614 (DE)
Schwab, Martin: Der Dialog zwischen dem EuGH und nationalen Exegeten bei der Auslegung von Gemeinschaftsrecht und angeglichenem Recht, Zeitschrift für Unternehmens- und Gesellschaftsrecht 2000 p.446-478 (DE)
Kessler, Alexander ; Legeais, Dominique ; Grassi, Irene ; Lauser, Karl-Heinz ; Bueso, Pedro: Casebook Europäisches Gesellschafts- und Unternehmensrecht, Casebooks Entscheidungen des EuGH 2002 Bd.3 p.119-130 (DE)
Drexl, Josef: Die gemeinschaftsrechtliche Pflicht zur einheitlichen richtlinienkonformen Auslegung hybrider Rechtsnormen und deren Grenzen, Festschrift für Andreas Heldrich zum 70. Geburtstag 2005 p.67-86 (DE)
Jánošíková, Martina: Rozsudok "Marleasing", Vyber z rozhodnutí Súdneho dvora Európskych spolocenstiev 2005 p.70 (SK)
Йосифова, Таня: Свободата на установяване и недействителността на търговските дружества, Търговско и конкурентно право 2007 p.18-22 (BG)
Sap, Jan Willem ; Smit, Marije: Ars Aequi Jurisprudentie Europeese Recht (3e druk) 2015 p.85-86 (NL)