Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 21.01.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer
AR 2008/9638/A
- Federale belastingen - BTW- Vrijstelling artikel 44, § 2 BTW-Wetboek
- op tegenspraak
- eindvonnis
In zake van :
De VZW D. N. R., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de KBO onder het nummer …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. R. C., advocaat te …, … (ref. : 24701),
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Invordering, sector BTW, in de persoon van de Ontvanger van het BTWOntvangkantoor Halle, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. J. H., advocaat te …, … (ref. : 4994),
Na beraad op 13 december 2010 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
• het tussenvonnis van 17/5/2010,
• de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 8/11/2010,
• de conclusie van verweerder van 8/11/2010,
• de stukkenbundel van eiseres neergelegd ter griffie op 17/3/2010,
• de stukkenbundel van verweerder neergelegd ter griffie op 18/3/2010.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 13 december 2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op·het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN, PROCEDUREVOORGAANDEN EN VORDERINGEN VAN PARTIJEN
1. Wat betreft de uiteenzetting van de feiten, de procedurevoorgaanden en de respectievelijke vorderingen van partijen kan worden verwezen naar het tussenvonnis van deze rechtbank van 7 juni 2010.
2. BEOORDELING
2.1. Gegrondheid
2. De taxatie steunt op de artikelen 4, 18, § 1, tweede lid 1° en 53, eerste lid, 3° en 4° BTW-Wetboek en is derhalve op afdoende wijze gemotiveerd. De vraag of eiseres aanspraak kan maken op een vrijstelling betreft de gegrondheid van de fiscale vordering.
Partijen hebben in dat verband op verzoek van de rechtbank standpunt ingenomen over de uitlegging van artikel 44, § 2 BTW-Wetboek in het licht van de relevante bepalingen van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna : ”Zesde richtlijn").
3. Artikel 44, § 2, 2°, 9° en 12° BTW-Wetboek luiden als volgt :
"§ 2. Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld :
(...)
2° de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend.
Worden met name bedoeld :
- de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben;
- de kinderbewaarplaatsen, de zuigelingentehuizen en de instellingen die in·hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben;
- de instellingen voor gezinshulp;
- de centra voor levens- en gezinsvragen;
- de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
- de psycho-medisch-sociale centra en de centra voor leerlingenbegeleiding;
- de instellingen die de gehandicaptenzorg tot doel hebben;
- de instellingen die de begeleiding, de omkadering of de opvang van personen die zich in materiële of morele moeilijkheden bevinden tot doel hebben;
- de instellingen bedoeld in het koninklijk besluit van 17 december 2003 betreffende de subsidiëring van instellingen die voorzien in een gespecialiseerde begeleiding voor burgers die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure;
- de externe diensten erkend bij het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk;
(...)
9° de organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties alsook de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze diensten door instellingen erkend door de bevoegde overheid, mits de inkomsten die zij verkrijgen uit hun werkzaamheid uitsluitend gebruikt worden tot dekking van de kosten ervan;
(...)
12° de leveringen van goederen en de diensten, verricht in samenhang met werkzaamheden die ter verkrijging van financiële steun met betrekking tot in 1° tot 4°, 7° en 11° genoemde handelingen zijn georganiseerd door en uitsluitend ten bate van diegenen die deze handelingen verrichten; de Koning kan, ter voorkoming van concurrentieverstoring, beperkingen opleggen ten aanzien van het aantal van de vrijgestelde werkzaamheden of het bedrag van de opbrengsten".
Artikel 13, A, leden 1, sub g tot en met n, en 2, van de Zesde BTW-richtlijn luiden als volgt :
“A. Vrijstellingen ten gunste van bepaalde activiteiten van algemeen belang
1. Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen :
(...).
g) diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, inclusief die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend;
h) diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend; (...)
n) bepaalde culturele diensten alsmede nauw daarmee samenhangende goederen leveringen, verricht door publiekrechtelijke culturele instellingen of door andere culturele instellingen die door de betrokken Lid-Staat worden erkend;
o) diensten en leveringen van goederen door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig het bepaalde sub b), g), h), i), l), m) en n), zijn vrijgesteld, in samenhang met activiteiten welke zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun en die uitsluitend ten bate van hen zelf zijn georganiseerd, mits deze vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden. De Lid-Staten kunnen alle nodige beperkingen invoeren, met name ten aanzien van het aantal activiteiten of het bedrag van de opbrengsten waarvoor recht op vrijstelling bestaat;
2. (...)
b) Van vrijstellingen als bedoeld in lid 1, sub b, g, h, i, l, m en n, zijn diensten en leveringen van goederen uitgesloten indien :
- zij niet onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen;
- zij er in hoofdzaak toe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen."
Artikel 13, A, 1, g en h van de Zesde Richtlijn werden omgezet in het Belgische recht door artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek.
Artikel 13, A, 1, n van de Zesde Richtlijn werd omgezet in het Belgische recht door artikel 44, § 2, 9° BTW-Wetboek.
Artikel 13, A, 1, o van de Zesde Richtlijn werd omgezet in het Belgische recht door artikel 44, § 2, 12° BTW-Wetboek.
Gelet op het feit dat de bepalingen van artikel 44, § 2 BTW-Wetboek hun oorsprong vinden in het Gemeenschapsrecht dient voor de uitlegging van deze bepalingen noodzakelijkerwijze rekening te worden gehouden met dit Gemeenschapsrecht en met name de bepalingen van de Zesde Richtlijn en de uitlegging ervan door het Hof van Justitie van de Europese Unie : "In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn autonome communautaire rechtsbegrippen zijn en derhalve een communautaire definitie dienen te krijgen (zie arresten van 12 september 2000, Commissie/Ierland, C-358/97, Jurispr. blz. I-6301, punt 51; 12 juni 2003, Sinclair Collis, C-275/01, Jurispr. blz. I-5965, punt 22, en 18 november 2004, Temco Europe, C-284/03, punt 16)" (Hof van Justitie, arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, C-498/03, 26 mei 2005, ro. 22). Dit geldt eveneens voor de specifieke voorwaarden die worden gesteld om voor deze vrijstellingen in aanmerking te komen.
Van de kwalificatie van een handeling in het nationale recht kan niet afhankelijk zijn of die handeling aan BTW wordt onderworpen dan wel daarvan wordt vrijgesteld (zie H.v.J., arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, C-498/03, 26 mei 2005, ro. 25).
Zoals reeds werd uiteengezet in het tussenvonnis van 17 mei 2010 moeten de bepalingen van het BTW-Wetboek zoveel als mogelijk worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van de Zesde BTW-Richtlijn (H.v.J., 13 november 1990, Marleasing, C-106/89). Een belastingplichtige kan zich voor een nationale rechterlijke instantie op de in artikel 13, A, lid 1, sub g en volgende, van de Zesde richtlijn (77/388) voorziene vrijstelling beroepen om zich te verzetten tegen een niet met deze bepaling strokende nationale regeling (H.v.J., arrest Krüger, 10 september 2002, C-141/00, r.o. 51 e.v.).
Aangaande de uitlegging van de vrijstellingen van artikel 13, A, 1 Zesde Richtlijn besliste het Hof van Justitie dat "de vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn eng moeten worden uitgelegd, daar zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (zie met name arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 43; arrest van 20 november 2003, Taksatorringen, C-8/01, Jurispr. blz. I-13711, punt 36, en arrest Temco Europe, reeds aangehaald, punt 17). De uitlegging van de in deze bepaling gebezigde termen moet echter in overeenstemming zijn met de door bedoelde vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke BTW-stelsel, te eerbiedigen (arrest van 6 november 2003, Dornier, C-45/01, Jurispr. Blz? I-12911, punt 42)” (arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, 26 mei 2005, ro. 29; zie tevens arrest Kügler, r.o. 39) (onderlijning door de rechtbank).
Artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek
4. Zoals hoger aangegeven vindt deze bepaling zijn oorsprong in artikel 13, A, 1, g en h van de Zesde Richtlijn.
Aangaande het doel van deze bepaling oordeelde het Hof van Justitie dat "blijkt uit deze bepaling dat het doel van die vrijstellingen erin bestaat bepaalde in de sociale sector verrichte diensten van algemeen belang op het gebied van BTW gunstiger te behandelen, en ze aldus goedkoper en biigevolg toegankelijker te maken voor de particulieren die er recht op hebben" (H.v.J., arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise, 26 mei 2005, ro. 30).
Uit de lezing van de bepaling van artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek, in samenhang met artikel 13, A, 1, g (en h) van de Zesde Richtlijn volgt dat opdat handelingen zouden zijn vrijgesteld, voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarden :
1. het moet gaan om diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk of met de sociale zekerheid of met de bescherming van kinderen en jongeren;
2. en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend;
3. zij moeten onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen (artikel 13, A, 2, b van de Zesde Richtlijn);
4. zij mogen er in hoofdzaak niet toe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen (artikel 13, A, 2, b van de Zesde Richtlijn).
Elk van deze voorwaarden zal hierna worden onderzocht.
Zoals blijkt uit de betrokken processen-verbaal, zijn de diensten waarvan de vrijstelling moet worden onderzocht in casu diensten van sponsoring en reclame (1) en verkoop van een krantje (2).
1. Diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk of met de sociale zekerheid of met de bescherming van kinderen en jongeren
4.1 Deze voorwaarde is in artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek als volgt verwoord : "diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren".
Eiseres stelt dat zij een erkende jeugdinstelling is, hetgeen door verweerder niet zou worden betwist. R. T. zou als een provinciaal jeugdmuziekfestival zijn erkend (stuk 4 bundel eiseres). Er zouden ook subsidies worden verleend. Volgens eiseres betreft het dan ook een erkend sociaal doel, vrijetijdsbesteding van jongeren, aan wie de mogelijkheid wordt verleend een popfestival van hoog niveau te ervaren.
Evenwel is het loutere feit dat eiseres is erkend als jeugdinstelling of als jeugdmuziekfestival niet doorslaggevend, vermits de erkenning als "sociale instelling" een afzonderlijke voorwaarde uitmaakt (zie infra sub 2.).
Bovendien oordeelde het Hof van Justitie dat het aan de nationale rechter toekomt om gelet op de beginselen van gelijke behandeling en fiscale neutraliteit, en rekening houdend met de aard van de betrokken diensten, alsmede met de voorwaarden voor de verrichting ervan, de erkenning als instelling van sociale aard met het oog op de vrijstellingen van artikel 13, A, lid 1 van de Zesde Richtlijn, na te gaan of de betrokken lidstaat buiten de grenzen treedt van de aan de lidstaten toegekende beoordelingsmarge (H.v.J. arrest Kingscrest Associates Ltd, Montecello Ltd tegen Commissioners of Custom & Excise, 26 mei 2005, ro. 52 e.v.; arrest Kügler, l.c.) (zie ook infra).
Eiseres beweert niet dat de betrokken diensten en levering van goederen verband houden met maatschappelijk werk of met de sociale zekerheid. Zij is kennelijk van oordeel dat het feit dat zij een rockconcert organiseert verband houdt met de ''bescherming van kinderen en jongeren", doordat het rockconcert past in de vrijetijdsbesteding van jongeren.
Het organiseren van activiteiten die uitsluitend kaderen in de vrijetijdsbesteding van jongeren kan evenwel bezwaarlijk worden aanzien als verband houdend met de bescherming van kinderen en jongeren, zoals bepaald in de richtlijn.
Artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek vermeldt een aantal voorbeelden van instellingen die kunnen geacht worden diensten te verstrekken die nauw verband houden met onder meer de bescherming van kinderen en jongeren, met name de "de zuigelingentehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben", Deze instellingen hebben met elkaar gemeen dat zij kaderen in de jeugdbeschermingswetgeving.
Instellingen die uitsluitend de vrijetijdsbesteding van jongeren op het oog hebben kunnen niet worden aanzien als "instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben" in de zin van het BTW-Wetboek.
In welke zin de activiteiten van eiseres verband houden met het algemeen belang, dat de verantwoording uitmaakt van de vrijstelling, is evenzeer onduidelijk. Hetzelfde geldt voor de sociale dimensie ervan, die wel onbetwistbaar aanwezig is bij de instellingen opgesomd sub artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek.
De nauwe samenhang die wordt vereist zal worden onderzocht onder de onontbeerlijkheidsvoorwaarde.
Besluit : Er wordt niet aangetoond dat de beschouwde diensten en levering van goederen nauw verband houden met maatschappelijk werk of de bescherming van kinderen of jongeren.
2. Verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend.
4.2 Eiseres stelt dat zij is erkend als jeugdinstelling, hetgeen door verweerder niet wordt betwist.
Zoals hoger uiteengezet volstaat de loutere erkenning als ''jeugdmuziekfestival" op zich niet om van de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek te genieten.
Het Hof van Justitie oordeelde in dit verband dat de nationale autoriteiten, overeenkomstig het gemeenschapsrecht en met de mogelijkheid van toetsing door de nationale rechterlijke instanties, met name rekening moeten houden met specifieke bepalingen - op nationaal of regionaal vlak, van wettelijke of bestuursrechtelijke dan wel van fiscale of sociale aard-, het algemeen belang van de activiteiten van de betrokken belastingplichtige, het feit dat andere belastingplichtigen met dezelfde activiteiten reeds een soortgelijke erkenning hebben gekregen, alsmede het feit dat de kosten van de betrokken diensten eventueel grotendeels worden gedragen door ziekenfondsen of andere sociale zekerheidsinstellingen (zie H.v.J., arrest Kügler, 10 september 2002, r.o. 57 en 58).
In casu legt eiseres een schrijven voor van de provincie Vlaams-Brabant, waarin wordt bevestigd dat R. T. "een belangrijke partner is bij het popbeleid van de provincie" (stuk 4 bundel eiseres).
Het is niet duidelijk op basis van welke reglementering de bedoelde erkenning zou zijn verleend. De vraag of de erkenning als jeugdmuziekfestival een erkenning inhoudt als "instelling van sociale aard" is evenzeer twijfelachtig. Op welke wijze eiseres een sociale instelling zou uitmaken wordt aldus niet verduidelijkt. Uit geen enkel stuk blijkt overigens dat de door eiseres georganiseerde activiteiten meer toegankelijk en betaalbaar zouden zijn voor bepaalde maatschappelijke doelgroepen in vergelijking met andere rockfestivals of concerten.
Het verband met het "algemeen belang" van de door eiseres georganiseerde activiteiten werd hoger reeds in vraag gesteld.
Tenslotte kan worden opgemerkt dat andere festivals of concerten hoofdzakelijk door commerciële ondernemingen worden georganiseerd.
Besluit : Er wordt niet aangetoond dat eiseres een instelling van sociale aard zou zijn.
3. De vrij te stellen diensten moeten onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen
4.3 De vraag of de diensten van sponsoring en reclame onontbeerlijk zijn voor de eigenlijke activiteiten van eiseres (het organiseren van een rockconcert) kan positief worden beantwoord, indien wordt aangenomen dat zonder deze diensten het rockconcert niet zou kunnen worden georganiseerd.
Voor wat betreft de verkoop van een krantje, kan daarentegen bezwaarlijk worden gesteld dat deze "onontbeerlijk" zou zijn voor de bescherming van kinderen of jongeren (of de vrijetijdsbesteding van dezen) of voor maatschappelijk werk.
Besluit : Het verkopen van een krantje in het kader van de organisatie van een rockconcert is niet onontbeerlijk voor maatschappelijk werk of de bescherming van kinderen of jongeren. Diensten van sponsoring en reclame kunnen onontbeerlijk zijn, indien wordt aangenomen dat zonder deze diensten het rockconcert niet zou kunnen worden georganiseerd.
4. De vrij te stellen diensten mogen er in hoofdzaak niet toe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen
4.4. Eiseres stelt dat zij geen handelingen heeft gesteld in rechtstreekse mededinging met commerciële ondernemingen. Het aantrekken van sponsors zou geen mededingingsdaad uitmaken, gezien er geen tweede R. T. zou bestaan. De diensten zijn uniek en komen enkel ten goede voor het realiseren van het doel van eiseres. Het opzet van eiseres is niet winst maken en mededinging voeren. De gestelde daden zijn geen doel op zich.
Om te bepalen of er mededinging bestaat tussen de diensten die worden geleverd door eiseres en de diensten die door andere instellingen of ondernemingen worden geleverd op het vlak van sponsoring, moet de relevante territoriale markt en de relevante dienstenmarkt worden afgebakend. Daartoe kan inspiratie worden gevonden in de bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (97/C 372/03, PB, C-372, 005-013). Daarin worden de volgende definities gehanteerd :
''Een relevante productmarkt omvat alle producten en/of diensten die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de consument als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd.".
"De relevante geografische markt is het gebied waarbinnen de betrokken ondernemingen een rol spelen in de vraag naar en het aanbod van goederen of diensten, waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden doordat daar duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen.".
Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de door eiseres aangeboden sponsoringsdiensten wezenlijk zouden verschillen van de sponsorings- of reclamediensten die door andere instellingen of ondernemingen worden aangeboden. Dat de diensten van eiseres uniek zouden zijn, zoals zij beweert, kan niet worden gevolgd. De diensten van eiseres (diensten van sponsoring) zijn volkomen substitueerbaar door de diensten van andere instellingen of ondernemingen die in voorkomend geval evenementen of concerten organiseren te lande.
De relevante markt voor het aantrekken van sponsors is geografisch niet beperkt tot …. Ondernemingen of instellingen die sponsors willen aantrekken zullen zich niet beperken tot één enkele gemeente of stad, maar zullen op regionaal niveau handelen of zelfs landelijk niveau. Aldus komen zij in concurrentie met andere aanbieders van reclame bij evenementen of sponsoringsdiensten. De sponsors zelf zullen hun activiteiten overigens evenmin beperken tot één enkele regio of gemeente.
Het loutere feit dat eiseres geen winst nastreeft sluit niet uit dat zij in concurrentie treedt met andere ondernemingen of instellingen die gelijkaardige diensten aanbieden (bv. in het kader van de organisatie van concerten) en evenzeer sponsorgelden wensen te bekomen. Eiseres kan niet worden gevolgd waar zij stelt dat niet één grote sponsor zou stellen dat zij door de sponsoring van R. T., een ander festival niet kan sponsoren. De budgetten die ondernemingen jaarlijks spenderen aan sponsoring van evenementen zijn noodzakelijkerwijze beperkt, zodat keuzes moeten worden gemaakt. De beslissing om een bepaald festival of concert te sponsoren zal derhalve noodzakelijk tot gevolg hebben dat één of meerdere andere festivals of concerten niet meer kunnen worden gesponsord.
Derhalve moet worden aangenomen dat er rechtstreekse concurrentie bestaat tussen de sponsoringsdiensten aangeboden door eiseres en gelijkaardige diensten aangeboden door commerciële ondernemingen.
Eiseres stelt dat, zelfs indien er sprake zou zijn van rechtstreekse mededinging, de door haar verstrekte diensten niet in hoofdzaak ertoe strekken extra opbrengsten te genereren. De hoofdzaak van deze diensten zou zijn om een betaalbaar toegangsticket met de nodige prijskwaliteitsgarantie te bieden aan de festivalbezoeker. Indien de sponsoring en de reclame er niet waren, dan zouden de festivalgangers meer moeten betalen en zou eiseres niet jaar na jaar een nieuw festival kunnen organiseren.
De vraag is evenwel niet of de sponsoring- en reclamediensten van eiseres noodzakelijk zijn (zie in dat verband de derde voorwaarde), maar wel of de vrijstelling van de BTW op deze diensten de mededinging verstoort, doordat gelijkaardige diensten die met elkaar in concurrentie staan uit·het oogpunt van BTW verschillend worden behandeld. Indien de door eiseres geleverde diensten worden vrijgesteld van BTW, kan eiseres meer sponsorgelden ophalen dan andere ondernemingen of instellingen die wel aan BTW zijn onderworpen en dit ten belope van de door deze laatsten verschuldigde BTW. Op deze wijze verkrijgt eiseres aldus extra inkomsten (in vergelijking met de situatie waarin de betrokken diensten zouden zijn onderworpen aan BTW), waardoor zij - hetgeen eiseres overigens zelf erkent - de prijs van de toegangstickets kan verminderen.
De diensten aangeboden door eiseres strekken er dus wel degelijk in hoofdzaak toe om extra inkomsten te verwerven.
Besluit : Aan de vierde voorwaarde is aldus niet voldaan, minstens wat betreft de door eiseres verstrekte diensten.
Artikel 44, § 2, 9° BTW-Wetboek
5. De voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstellingsgrond zijn de volgende :
1. de organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties alsook de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze diensten,
2. door instellingen erkend door de bevoegde overheid,
3. de inkomsten die zij verkrijgen uit hun werkzaamheid worden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan,
4. zij moeten onontbeerlijk zijn voor het verrichten van de vrijgestelde handelingen,
5. zij mogen er in hoofdzaak niet toe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die verricht worden in rechtstreekse mededinging met die van commerciële ondernemingen welke aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen.
5.1. Verweerder stelt dat eenzelfde instelling in principe geen beroep kan doen op meerdere gronden van vrijstelling. De draagwijdte van de vrijstellingen zouden juist zijn afgelijnd en in principe niet samenvallen.
Uit geen enkele bepaling van het BTW-Wetboek of van de Richtlijn volgt dat een instelling, wanneer blijkt dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van een vrijstellingsgrond (in casu artikel 44, § 2, 2° BTW-Wetboek), zich niet zou kunnen steunen op een andere vrijstellingsgrond om alsnog van een vrijstelling te genieten, voor zover zij voldoet aan alle gestelde voorwaarden van deze alternatieve vrijstellingsgrond.
5.2. Wat de eerste voorwaarde betreft is op te merken dat in casu de vrijstelling wordt beoogd van diensten van sponsoring en reclame en de verkoop van een krantje. Deze diensten en leveringen van goederen kunnen echter niet worden gelijkgesteld met culturele diensten of de organisatie van een concert. In tegenstelling tot artikel 13, A, lid 1, g en h van de Zesde BTW-Richtlijn, worden in artikel 13, A, lid 1, n enkel goederen die nauw samenhangen met de organisatie van culturele diensten vrijgesteld.
Vermits de diensten van sponsoring en reclame in kwestie geen culturele diensten zijn en enkel samenhangende leveringen van goederen zijn vrijgesteld is aan deze voorwaarde niet voldaan wat deze diensten betreft.
Voor wat betreft de verkoop van een krantje, kan bezwaarlijk worden gesteld dat deze "onontbeerlijk" zou zijn voor de organisatie van culturele activiteiten of het verstrekken van culturele diensten (zie sub randnummer 4).
Vermits de voorwaarde voortvloeiend uit artikel 13, A, 2, b, Zesde BTW-Richtlijn eveneens geldt voor de handelingen bedoeld in artikel 13, A, 1, n) van de Zesde BTW-Richtlijn, is ook aan deze voorwaarde in casu niet voldaan.
Artikel 44, § 2, 12° BTW-Wetboek
6. Artikel 44, § 2, 12° luidt als volgt :
12° de leveringen van goederen en de diensten, verricht in samenhang met werkzaamheden die ter verkrijging van financiële steun met betrekking tot in 1° tot 4°, 7° en 11° genoemde handelingen zijn georganiseerd door en uitsluitend ten bate van diegenen die deze handelingen verrichten; de Koning kan, ter voorkoming van concurrentieverstoring, beperkingen opleggen ten aanzien van het aantal van de vrijgestelde werkzaamheden of het bedrag van de opbrengsten".
Daarmee heeft de Belgische wetgever de volgende bepaling van de Zesde BTWRichtlijn omgezet :
o) diensten en leveringen van goederen door lichamen waarvan de handelingen overeenkomstig het bepaalde sub b), g), h), i), l), m) en n), zijn vrijgesteld, in samenhang met activiteiten welke zijn bestemd ter verkrijging van financiële steun en die uitsluitend ten bate van hen zelf zijn georganiseerd, mits deze vrijstelling niet tot concurrentievervalsing kan leiden. De Lid-Staten kunnen alle nodige beperkingen invoeren, met name ten aanzien van het aantal activiteiten of het bedrag van de opbrengsten waarvoor recht op vrijstelling bestaat;
Het moet derhalve in de eerste plaats gaan om diensten die worden geleverd door lichamen waarvan de handelingen zijn vrijgesteld. Het is voor de rechtbank niet duidelijk welke handelingen gesteld door eiseres volgens haar zouden vrijgesteld zijn op grond van artikel 13, A, lid 1, Zesde BTW-Richtlijn of artikel 44, § 2 BTWWetboek. Mogelijks doelt eiseres op het organiseren van een concert als culturele dienst, doch in dat geval moet blijken dat aan alle daartoe gestelde voorwaarden is voldaan.
Eiseres lijkt er vanuit te gaan dat het volstaat dat de vrij te stellen diensten samenhangen met de vrijgestelde diensten én het verkrijgen van financiële steun beogen. Dit standpunt lijkt evenwel in strijd met de tekst van artikel 13, A, lid 1, o) van de Zesde BTW-Richtlijn en van artikel 44, § 2, 12° BTW-Wetboek. Deze bepalingen stellen immers geen diensten vrij die samenhangen met de reeds vrijgestelde diensten. Overeenkomstig de uitlegging van eiseres zou de bepaling van artikel 13, A, lid 1, o), Zesde BTW-Richtlijn niets toevoegen aan de vrijstellingen bedoeld in onderdelen g, h en n van dezelfde bepaling. Diensten die (nauw) samenhangen met de eigenlijk vrijgestelde handelingen zijn onder de daar gestelde voorwaarden immers zelf ook vrijgesteld.
Artikel 44, § 2, 12° BTW-Wetboek vereist daarentegen dat er sprake is van "werkzaamheden", waarmee de vrij te stellen diensten samenhangen.
Artikel 13, A, lid 1 van de Zesde BTW-Richtlijn stelt als voorwaarde dat de vrij te stellen diensten en leveringen van goederen moeten plaatsvinden "in samenhang met activiteiten", doch in de Franse versie van de Richtlijn is sprake van "à l'occasion de manifestations" en in de Engelse versie van "in connection with fund-raising events".
Omwille van het feit dat artikel 13, A, lid 1, o) moet geacht worden iets toe te voegen aan de andere opgesomde vrijstellingen, moet worden aangenomen dat "de werkzaamheden" waarnaar wordt verwezen in artikel 44, § 2, 12° BTWWetboek niet mogen samenvallen met reeds vrijgestelde handelingen. Er is derhalve vereist dat een afzonderlijk gebeuren wordt georganiseerd, dat tot doel heeft fondsen te werven om de normale werking van de instelling te financieren. Verweerder stelt terecht dat de beoogde werkzaamheden activiteiten betreffen zoals Vlaamse kermissen, liefdadigheidsfeesten, jaarlijkse bals, ...
In casu hangen de sponsoringsdiensten en de verkoop van een krantje niet samen met enig gebeuren dat tot doel heeft fondsen te werven. De sponsoring hangt uitsluitend samen met de organisatie van een jaarlijks rockfestival, dat overigens het enige doel is van eiseres (zoals eiseres uitdrukkelijk bevestigd ter zitting). Dit festival is niet bedoeld voor fondsenwerving, maar is een doel op zich van de vereniging.
Bovendien geldt ook hier de voorwaarde dat de vrijstelling niet mag leiden tot concurrentievervalsing. In casu zou een vrijstelling wel degelijk de concurrentie op de relevante markt verstoren om hoger uiteengezette redenen.
Ook aan de voorwaarden van artikel 44, § 2, 12° BTW-Wetboek is derhalve niet voldaan.
7. Er wordt niet aangetoond dat de betrokken diensten en levering van goederen vallen binnen één van de vrijgestelde handelingen bedoeld in artikel 44, § 2 BTW-Wetboek.
Bijgevolg was eiseres BTW verschuldigd op de betrokken diensten en leveringen van goederen.
8. Er zijn geen redenen om over te gaan tot een vermindering van de opgelegde boete.
9. De vordering is ongegrond.
3. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
10. Aangezien de vordering van eiseres ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseres.
De waarde van de vordering situeert zich tussen € 40.000,01 en € 60.000,00.
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 2.500. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eiseres toelaatbaar, doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op € 2.500 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 21 januari 2011.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. B., toegevoegd rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I. D. M. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.