Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 03.03.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer
In zake van :
de VZW B. D., in vereffening gesteld bij buitengewone algemene vergadering d.d. 22 januari 1997 (Belgisch Staatsblad van 24/04,1997), met zetel te …, … en met verenigingsnummer …, vertegenwoordigd door haar drie vereffenaars, M. B., M. V. en M. V.,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mter. V. loco Mr D. S. en Mr. J. D. P., advocaten te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Federale Overheidsdienst, Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur, rekenplichtige van het 5e BTW-Ontvangkantoor te Brussel, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Cantersteen, 47,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mter. F. S., advocaat te …, …,
De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit :
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 17 februari 2006 waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
- de dagvaarding van 20 maart 1998 betekend door het ambt van meester A., kantoorhoudende te …, …;
- de conclusie voor eiseres neergelegd ter griffie op 27 augustus 2004;
- de besluiten en aanvullende besluiten voor verweerder neergelegd respectievelijk ter griffie op 10 december 1998 en 10 oktober 2005.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van verweerder ingezien. Eiseres legt geen stukken neer.
1. FEITEN
Eiseres is een vereniging zonder winstoogmerk. Op 6 mei en 21 mei 1992 voert verweerder een controle uit bij eiseres betreffende de activiteiten van 1 januari 1988 tot en met 31 december 1991.
Bij schrijven van 23 juli 1992 maakt verweerder een ontwerp van proces-verbaal over aan eiseres, met het verzoek hetzij dit proces-verbaal voor akkoord te ondertekenen, hetzij opmerkingen over te maken. Verweerder vraagt in hetzelfde schrijven eveneens om afstand te doen van de verjaring.
Op 5 augustus 1992 ondertekent eiseres een afstand van de termijn van verjaring.
Eiseres betwist bij brieven van 15 september 1992, 24 november 1992 en 17 februari 1993 de bevindingen van verweerder. Geen der partijen acht het nodig deze stukken voor te leggen aan de rechtbank.
Op 23 maart 1993 stelt verweerder een definitief proces-verbaal op, dat op 2 april 1993 wordt toegezonden aan de NV T. en Co, raadsman van eiseres.
Op 14 februari 1997 ontvangt verweerder een waarschuwing aan de schuldeisers van de VZW B. D. uitgaande van de heer G. M., vereffenaar van eiseres, waarin verweerder wordt verzocht een aangifte van schuldvordering in te dienen voor 28 februari 1997.
Op 21 februari 1997 dient het vijfde BTW-ontvangkantoor van Brussel een aangifte van schuldvordering in voor een bedrag van 67.169.055 BEF.
Op 17 februari 1997 ondertekent de heer M. in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de VZW een afstand aan de gelopen termijn van verjaring.
Bij exploot van dagvaarding van 20 maart 1998 doet eiseres verzet tegen de geldigheid en de ontvankelijkheid van de ingediende schuldvordering.
2. VORDERING
Eiseres verzoekt de rechtbank de vordering van de Belgische Staat onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.
Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. ONTVANKELIJKHEID
Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering van eiseres op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.
Eiseres stelt dat de vordering van verweerder onontvankelijk is. Dit middel betreft evenwel de grond van de zaak.
4. BESPREKING TEN GRONDE
4.1. Over de tegenstelbaarheid van de schuldvordering
Eiseres voert aan dat de schuldvordering ingediend door de ontvanger van het vijfde BTW-ontvangkantoor van Brussel op 21 februari 1997 niet geldig is en niet tegenstelbaar is aan de massa van de vereffeningen en bijgevolg niet kan worden opgenomen in het passief van de vereffening.
De rechtbank stelt vast dat de schuldvordering voor het eerst bij middel van ontwerp van proces-verbaal aan eiseres wordt meegedeeld op 23 juli 1992.
Hoewel deze stukken niet worden voorgelegd, wordt door eiseres niet betwist dat zij de bevindingen van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie herhaaldelijk heeft betwist, onder meer bij brieven van 2 oktober 1992, 24 november 1992 en 17 februari 1993. Deze brieven zijn afkomstig van de NV T. & Co meer in het bijzonder de heer A. en mevrouw R.-T., fiscale raadgevers van eiseres. De heer A. en mevrouw R. waren eveneens aanwezig bij de controle uitgevoerd door mevrouw V. H. op 6 mei 1992.
Op 2 april 1993 maakt verweerder het definitief proces-verbaal van 23 maart 1993 over aan de NV T. & Co, ter attentie van de heer A..
Eiseres werpt op dat de heer A. van de NV T. & Co niet beschikte over een mandaat van lasthebber.
Aangezien in fiscale aangelegenheden geen specifieke regels bestaan met betrekking tot de "aan waarin een mandaat moet worden gegeven en dus moet worden bewezen, zijn de algemene burgerrechtelijke regels van toepassing (Cass., 9 juli 1931, Pas. \93\, I, 218; Cass. 7 juni 1934. Pas., 1934. I, 310).
Terecht stelt verweerder dat het contract van lastgeving een consensueel contract is dat tot stand komt door de loutere overeenstemming tussen partijen. Het bestaan van een lastgeving vereist bijgevolg geen geschrift en kan ook mondeling worden verleend (artikel 1985, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). De aanneming van de lastgeving kan stilzwijgend gebeuren en zelfs blijken uit de uitvoering ervan door de lasthebber (artikel 1985, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).
Artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :
Lastgeving of volmacht is een handeling waarbij een persoon aan een andere de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. Het contract komt slechts tot stand door de aanneming van de lasthebber.
Artikel 1985 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :
Lastgeving kan verleend worden bij openbare akte. of bij onderhands geschrift, zelfs bij een brief. Zij kan ook mondeling verleend worden : maar het bewijs ervan door getuigen wordt alleen toegelaten overeenkomstig de titel contracten 0/ verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen.
De aanneming van de lastgeving kan ook stilzwijgend geschieden, en blijken uit de uitvoering ervan door de lasthebber.
Een derde heeft steeds het recht om de overlegging van de volmacht te eisen, alvorens hij handelt met een lasthebber. Hij is er echter niet toe gehouden dit te doen. Indien hij het nalaat, namelijk omdat hij voldoende zekerheid heeft omtrent het bestaan en de omvang, aan de lastgeving, is het gevolg hiervan dat hij, in geval van ontkenning door de lastgever, ertoe gehouden is het bewijs van de lastgeving te brengen. (Cass., 18 september 1964, Pas., 1965, I, 62.)
Uit de feiten en de stukken van het dossier blijkt dat de heer A. en mevrouw R.-T. van de NV T. & Co door eiseres aangesteld werden als mandatarissen om haar te vertegenwoordigen, de schuldvordering in rechte te beoordelen, de haar ten laste gelegde inbreuken te betwisten, bezwaarschriften op te maken en te ondertekenen en te onderhandelen met eiseres.
Op 6 mei 1992 wordt de verbalisant, mevrouw V. H. ontvangen op de zetel van eiseres door de heer V. O., in zijn hoedanigheid van penningmeester, de heer V. in zijn hoedanigheid van boekhouder en de heer A. en mevrouw R.-T. van T. & Co in hun hoedanigheid van fiscale raadgevers.
Op 24 september geeft de heer D., handelend in naam van eiseres, volmacht aan de heer A. en mevrouw R.-T. van T. en Co om eiseres te vertegenwoordigen bij de Belgische fiscale administraties op alle fiscale vlakken in de meeste brede zin van het woord.
Op 2 oktober 1992 delen door de heer A. en mevrouw R.-T. van T. & Co in hun hoedanigheid van fiscale raadgevers mee dat ze niet akkoord gaan met de inhoud van het ontwerp van proces-verbaal.
Op 28 oktober 1992 antwoordt eiseres op het schrijven van 2 oktober 1992 en maakt enkele verduidelijkingen overgemaakt.
Op 24 november 1992·delen de heer A. en mevrouw R.-T. van T. & Co in hun hoedanigheid van fiscale raadgevers mee dat zij niet akkoord gaan met de inhoud van de brief van 28 oktober 1992.
Op 17 december 1992 antwoordt eiseres op het schrijven van 24 november 1992.
Op 17 februari 1993 delen de heren A. en D. van T. en Co in hun hoedanigheid van fiscale raadgevers mee dat zij niet akkoord gaan met de inhoud van de brief van 17 december 1992.
Op 29 maart 1993 vraagt de heer A. de Centrale Administratie om de verzending van het dwangbevel op te schorten en rekening houdend met de complexiteit van het dossier bet niet onmiddellijk voor de rechtbanken te brengen (zie stuk 7, bundel verweerder).
Op 2 april 1993 wordt het definitieve proces-verbaal, dat identiek is aan het ontwerp van proces-verbaal, overgemaakt aan T. en Co ter attentie van de heer A..
De vordering van verweerder is derhalve tegenstelbaar aan de massa van de vereffening en bijgevolg moet ze worden opgenomen in het passief van de vereffening.
4.2. Over de belastbare handeling
Luidens artikel 2, § 1, 1° en artikel 4 van het BTW-wetboek zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, zijn aan de belasting onderworpen, wanneer ze hier te lande plaatsvinden : de leveringen van goederen en diensten die door de belastingplichtigen in de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid worden verricht en is belastingplichtig ieder wiens werkzaamheid erin bestaat geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten te verrichten die in het wetboek zijn omschreven.
Volgens artikel 2 van de statuten van eiseres wordt de vereniging opgericht met de bedoeling om het even welke bedrijvigheid te ontwikkelen die rechtstreeks of onrechtstreeks in verband staat met het aanmoedigen en het ontwikkelen van het fokken van drafpaarden en van draverijen. Met dat doel stelt ze de codex van de vereniging op, welke de regels bevat waaraan de maatschappijen en de particulieren zullen worden onderworpen die draverijen organiseren of er aan deelnemen. Ze kan ook, inzonderheid, premies voor het fokken toekennen, overgaan tot het verdelen van prijzen en subsidies, en iedere bedrijvigheid subsidiëren die het verwezenlijken van haar maatschappelijke doelstelling zou kunnen begunstigen. De Federatie groepeert zowel de maatschappijen alsook de verenigingen van de aangesloten leden, waarvan de statuten worden goedgekeurd, zij vertegenwoordigt ze bij nationale als bij internationale instanties en ook bij alle inrichtingen welke de toelating hebben of zullen verkrijgen weddenschappen in te richten en/of uit te baten.
Voor de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel en in overeenstemming met haar statuten en codex heeft eiseres op haar maatschappelijke zetel een administratieve dienst opgericht die prestaties verricht bedoeld in artikel 18 van het BTW-wetboek :
- het beheer, organisatie en controle met betrekking tot de drafsport, m.a.w. materieel of intellectueel werk;
- het verlenen van beroepslicenties:
- het toekennen van het recht op toegang tot inrichtingen voor sport, alsook de toekenning van het recht gebruik ervan te maken.
Daarnaast verricht de VZW leveringen van goederen die bedoeld worden in artikel 9 van het BTW-wetboek. Hier worden onder meer de verkoop van diverse publicatie bedoeld alsook de verkoop van investeringsgoederen.
Eiseres stelt dat haar inkomsten uit lidgelden en subsidies en haar uitgaven uit prijzen en subsidies bestaan waarop geen of slechts in uitzonderlijke omstandigheden belasting kan worden geheven. Bij toepassing van artikel 26 van het BTW-wetboek wordt voor de levering van diensten van goederen en diensten de belasting berekend over alles wat de VZW als leverancier van het goed of als dienstverrichter of als tegenprestatie verkrijgt van diegene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden. (De rechtbank onderlijnt.)
Eisers beweert dat de prestaties die zij verstrekt geen rechtstreeks individueel voordeel aan de afnemer verschaffen en een onbepaald of collectief belang hebben, m.a.w. niet individualiseerbaar zijn en dus buiten de werkingssfeer van de BTW vallen. Zelfs als wordt voor die prestaties een bijdrage betaald, er is geen rechtstreekse band tussen de gestelde handeling en de daarvoor verschafte tegenprestatie. Eisers verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Eiseres brengt echter geen enkel stuk bij en blijft zeer vaag over de bijdragen van de leden en de ontvangen en toegekende subsidies zodat de rechtbank niet in de mogelijkheid is dit aan de werkelijkheid te toetsen.
Bovendien bepaalt artikel 59, § 1 van het BTW-wetboek :
Overtredingen van bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door processen-verbaal van ambtenaren van het Ministerie van Financiën. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
Eiseres levert geen afdoende tegenbewijs zodat de verschuldigdheid van de sommen weergegeven in het proces-verbaal bewezen is.
Eiseres beroept zich op de vrijstelling verleend bij artikel 44, § 2, 11° van het BTW-wetboek volgens hetwelk de diensten ten behoeve van het gemeenschappelijk belang van hun leden, verricht tegen de betaling van een krachtens de statuten bepaalde bijdrage, door instellingen die geen winst beogen en doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, levensbeschouwelijke, vaderlandslievende, filantropische of staatsburgerlijke aard nastreven, van de belasting zijn vrijgesteld.
Eiseres beweert dat haar doeleinden van syndicale aard zijn omdat ze de professionele belangen van haar leden verdedigt, namelijk van alle betrokkenen bij het fokken en ontwikkelen van drafpaarden.
De aangesloten leden van de VZW B. D. vormen echter een heel heterogene groep waarvan eiseres niet aantoont dat zij gelijklopende belangen hebben : niet alleen de wedrenmaatschappijen zijn aangesloten maar eveneens fokkers, de jockeys en de trainers. Eiseres toont niet aan dat er een gemeenschappelijk professioneel belang aanwezig is. Eiseres kan derhalve niet optreden in het gemeenschappelijk belang van al haar leden, of toont dit alleszins niet aan, zodat de essentiële voorwaarde om als "syndicale instelling" te kunnen worden erkend, niet is vervuld.
Eiseres groepeert wel de aangesloten leden maar zorgt er enkel voor dat er drafrennen worden georganiseerd en dat er pogingen worden ondernomen om het ras van de drafpaarden te verbeteren.
Volgens vaststaande Europese rechtspraak moeten de bewoordingen waarin de in artikel 13 van de Zesde Richtlijn (waarvan artikel 44, § 2, 11° van het BTW-wetboek een implementatie is) bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt worden uitgelegd aangezien die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemeen beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst en levering die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. Het begrip "syndicaal doel" wordt nader omschreven in het arrest van het Hof van Justitie van 12 november 1998 (H.v.J., 12 november 1998, C-149/97, Jur. H.v.J., I-7053, ev.). De term "syndicaal" doelt volgens dit arrest specifiek op een organisatie die primair tot doel heeft de collectieve belangen van de leden, ongeacht of het gaat om werknemers, werkgevers, beoefenaars van vrije beroepen dan wel ondernemers die en bepaalde economische activiteit ontplooien, te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties. Dit arrest stelt dat artikel 44, § 2, 1° van het BTW-wetboek van toepassing is ten aanzien van de handelingen die syndicaal van aard zijn, dit wil zeggen die bestaan in de economische belangenvertegenwoordiging van de leden bij alle internationale organisaties aangezien zij worden verricht ten bate en in het gemeenschappelijk belang van al de leden en gedekt zijn voor de betaling van krachtens de statuten bepaalde bijdragen.
Een syndicale organisatie profileert zich als drukkingsgroep. De term "syndicaal" is niet van toepassing op eiseres. Uit de statuten blijkt dat de activiteit voornamelijk bestaat uit het fokken van paarden en het organiseren van drafwedstrijden, wat totaal verschillend is met doeleinden van syndicale aard.
Eiseres verwijst naar een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 13 september 2002, waarin geoordeeld wordt dat de handelingen verricht door de vennootschap U. onder de toepassing van artikel 44, § 2, 11° van het BTW-Wetboek vallen. Deze handelingen beperken zich tot lobbywerk bij de diensten van de EG ten voordele van haar leden. Eiseres toont niet aan dat zij in casu inderdaad lobbywerk verrichtte voor de aangesloten leden.
Tenslotte stelt eiseres dat bepaalde handelingen onder toepassing vallen van de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2°bis van het BTW-wetboek. Dit artikel stelt van belasting vrij : de betalings- en ontvangstverrichtingen, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen.
Eiseres duidt evenwel geen enkele concrete situatie aan waarin aan deze vrijstelling wordt voldaan.
Aangezien artikel 44 van het BTW-wetboek niet van toepassing is op eiseres, kunnen de "bijkomstige handelingen" dewelke afzonderlijk beschouwd wel onderworpen zijn aan de BTW, niet worden vrijgesteld.
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat eiseres de hoedanigheid van belastingplichtige heeft omdat ze in het kader van een geregelde werkzaamheid handelingen stelt die in het BTW-wetboek zijn bedoeld. Deze handelingen worden nauwkeurig en gedetailleerd opgesomd in het proces-verbaal van 23 maart 1993 (stuk nr. 3).
De vordering is gegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend op tegenspraak;
Verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond;
Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op 356,97 € (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 3 maart 2006,
Waar aanwezig waren en zitting namen :
Mevrouw N. S., alleenrechtsprekend rechter
Mevrouw N. F., afg. adj. griffier
N. F. N. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.