Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 21 mei 2001

Zoeken

Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechten-voorrechten-schatkist-strafbepaling-rechtbank-kortrijk-2001-05-21-ba1a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
21 mei 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

173 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 21.05.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSO'ENT KORTRIJK PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :

In de zaak : AR/59954

B. M., arbeider, geboren te Veurne op …, wonende te …, …

eiser,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester R. V., advocaat te …, loco Meester P. C., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van dhr. Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Ronde Kom, 30;

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …;

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

Bij dagvaarding d.d. 11 oktober 1995 betekend door gerechtsdeurwaarder D. H. met standplaats te … heeft eiser verzet aangetekend tegen het dwangbevel :

- op 10 augustus 1995 uitgevaardigd door J. V., ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare;

- op 13 september 1995 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge;

- waarvan op 21 september 1995 afschrift werd betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder P. B. met standplaats te ….

Het dwangbevel in kwestie vordert :

- aan BTW: 341.443 fr.

- aan geldboete ingevolge artikel 70, § 1 BTW-Wetboek : 682.886 fr.

- een intrest in toepassing van artikel 91, § 1 BTW-Wetboek van 0,80 % per maand vanaf 21 oktober 1994.

In zijn verzetsdagvaarding vordert eiser :

- zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens verweerder te zeggen voor recht dat het dwangbevel zoals betekend door gerechtsdeurwaarder B. d.d. 21 september 1995, onwettig en ongegrond is en derhalve geen enkel gevolg kan en mag hebben;

- dienvolgens verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die hij, eiser, in de loop van het geding zou hebben betaald onder voorbehoud van alle rechten, in hoofdsom, rente als boete en kosten en te vermeerderen met de wettelijke fiscale rente van 0,80 % per maand;

- verweerder te veroordelen tot de gedingkosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding.

- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijts enig rechtsmiddel, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.


Eiser haalt vooreerst aan dat verweerder onrechtmatig bewijsstukken zou hebben bekomen door inzage van een strafdossier lastens hem.

Tevens beroept eiser zich op het adagium “le criminel tient le civil en état" en verwijst daarvoor naar nog een strafdossier lastens hem, hangend voor de Onderzoeksrechter te … (OR/29/95).

Hij haalt tenslotte aan dat zijn broer, Y. B., zich bedrieglijk van documenten van zijn handelszaak bediende.


De feiten en antecedenten

Eiser, M. B., is sinds 1 december 1979 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer … wegens zijn geregelde beroepswerkzaamheid van kleinhandel in landbouwmachines.

Er werd op 20 juni 1992 een controle van de boekhouding van eiser aangevangen door dhr. C. P., verificateur bij de Administratie van de BTW, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, 3de Inspectie te Brugge.

De controle over de jaren 1988 tot 1991 werd later uitgebreid tot aan de stopzetting van de eenmanszaak M. B. op 30 september 1994.

Gelet op de complexiteit en de diversiteit van de gepleegde overtredingen werd elk jaar afzonderlijk behandeld. (aldus verweerder).

Alle gekende en/of vermoedelijke afnemers van de firma B. werden aangeschreven ten einde te vernemen hoeveel facturen en voor welke bedragen de firma B. M. had uitgereikt.

Aldus kwam aan het licht dat voor wat het jaar 1991 betrof, er 5 facturen waren uitgereikt, dewelke niet in de boekhouding en derhalve ook niet in de respectievelijke periodieke BTW-aangiften waren opgenomen.

Hiervan werd op 13 april 1995 een proces-verbaal opgesteld (stuk 1 verweerder).

Wegens niet betaling der verschuldigd geachte bedragen werd vervolgens het thans bestreden dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard en betekend.


Inzage van het vroegere strafdossier

Verweerder legt onder stuk 3 de machtiging, voor d.d. 5 november 1992 van Advocaat-Generaal L. H., namens de Procureur-Generaal, tot inzage en copiename van dit strafdossier lastens eiser.

De inzage van dit bedoeld strafdossier was regelmatig.

Verweerder merkt evenwel op dat er - volledig in tegenspraak met wat eiser stelt in de verzetakte - geen melding is van de bewuste 5 facturen in het strafrechtelijk dossier.

Dit laatste dossier betrof het onderzoek naar de ontdekte clandestiene invoer van landbouwmachines uit Frankrijk en Nederland en het bezit van blanco-facturen op naam van een Franse firma uit ….

Ten einde de controle te kunnen uitbreiden naar de afnemers toe, werden alle gekende en/of potentiële afnemers van eiser aangeschreven met het verzoek aan de Administratie mede te delen in welke mate zij facturen, uitgaande van de firma B. M., in hun, inkomend factuurboek hadden opgenomen.

Bij vergelijking van het uitgaand factuurboek en de uitgaande facturen van eiser, met de ingezamelde gegevens bleek uiteindelijk dat er een vijftal facturen niet waren opgenomen in de boekhouding.

Derhalve werd de verschuldigde BTW met betrekking tot deze facturen niet doorgestort aan de Schatkist.


De vordering van verweerder op eiser, vervat in het bestreden dwangbevel berust derhalve op van afnemers van eiser door verweerder bekomen inlichtingen (facturen), omtrent de inzameling waarvan er geen onregelmatigheden worden gemotiveerd of bewezen.

Het betreft hier de volgende, 5 facturen :

a) factuur nr. 91 van 10 december 1991 op naam van de NV B. te … "voor diverse constructies, dit in onder aanneming volgens uw plan caliber prototype afgewerkt maanden september, oktober en november - nodige materialen -200.000 fr. - werkuren 996.000 fr. of 1.196.000 fr. + 227.240 fr. BTW".

Hieraan waren drie onderaannemingsbladen vanwege de NV B. gehecht, dewelke maandelijks werden afgetekend door Y. B..

Hoewel de "bestelling" kennelijk uitging van de NV B. was de factuur opgesteld op naam van een zustermaatschappij, de NV F. te …

Hoe dan ook, de factuur werd gewijzigd en door de NV B. in haar boekhouding opgenomen.

b) factuur d.d. 31 december 1991, zonder datum, op naam van M. M. (en niet “M. M.”) voor ,108 pakken Sisal à 866 fr. per pak of 93.500 fr. + 17.765 fr. BTW.

Afgetekend voor voldaan door ene "B.".

c) factuur nr. 111 van 10 oktober 1991, op naam van P. D. uit … voor "1 ploegelement voor de prijs van 85.000 fr. + 16.150 fr. Bfr. BTW".

De factuur werd hier kennelijk getekend voor voldaan door ... M. B..

d) factuur nr. 306 van 15 oktober 1991, op naam van de PVBA V. R. voor het "kuisen en werk - 420.168 fr. + 79.832 fr. BTW".

e) factuur van 10 januari 1991 (en niet 11 oktober 1991) zonder nummer op naam van R. D. "1 trilband - 3 schoren à 300 fr. per stuk = 2.400 fr. + 456 fr. BTW”.

Deze factuur werd eveneens ondertekend voor voldaan door M. B..

Deze 5 facturen voormeld blijken niet opgenomen te zijn in de boekhouding van eiser.

Eiser toont niet aan dat aan de vereisten van artikel 4, lid 1 van de voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering zou zijn voldaan zodat huidige procedure zou moeten worden geschorst in afwachting van de verdere afhandeling en beslechting van het strafdossier (O.R. 29/95), dat thans nog in onderzoek is bij de Onderzoeksrechter te Veurne, dit alles krachtens het adagium "le criminel tient le civil en état".

Eiser maakt niet, althans onvoldoende waarschijnlijk dat het strafonderzoek in kwestie in enige mate betrekking' zou hebben op de 5 voormelde facturen die de grondslag vormen van de BTW-vordering van verweerder of dat het strafdossier in kwestie relevante en decisieve gegevens zou bevatten voor de beslechting van onderhavig geschil.

Eiser wijst op zijn verblijf in de gevangenis en internering van 18 september 1991 tot eind 1992.

Verweerder stelt daar tegenover :

1° dat de "firma M. B." met betrekking tot het jaar 1991 een omzet aangaf van 31.353.107 fr. + 5.615.157 fr. BTW met betrekking tot het jaar 1992, bedroeg de aangegeven omzet 23.050.568 fr. + 4.449.275 fr. BTW (zie stuk 5 verweerder);

2° door de internering van eiser had de gevolmachtigde boekhouder kennelijk problemen bij het boeken van de facturen en het tijdig opmaken van de BW-aangifte met betrekking tot het 4de kwartaal 1991; er werd slechts aangifte gedaan van de uitgaande facturen nrs. 94 tot en met 97 van 1991, voor in totaal 424.143 fr. + 80.587 fr. BTW (zie stuk 6 verweerder);

de facturen dateren wel van respectievelijk 28 oktober en 10 en 1 december 1991;

3° naderhand werden de verkoopfacturen nrs. 98 tot en met 129 geboekt in het verkoopfacturenboek (kwartaal 05/91) voor in totaal 9.230.128 fr. + 1.716.495 fr. BTW (zie stuk 7 verweerder); deze toestand werd gedeeltelijk geregulariseerd via het vak herzieningen in de aangifte met betrekking tot het 1ste kwartaal 1992;

4° met betrekking tot de controle over het jaar 1992 werd op 10 januari 1994 een regularisatieopgave voor akkoord ondertekend door de gevolmachtigde boekhouder, dhr. M. C. uit … (stuk 8 verweerder);

deze regularisatieopgave had als voorwerp … het niet inschrijven in de boekhouding en het niet aangeven van vier verkoopfacturen (nrs. 1, 313, 314 en 315) voor in totaal 1.657.000 fr. + 319.615 fr. BTW;

5° hoewel M. B. (eiser) kennelijk geïnterneerd was, werd de factuur nr. 111 van 10 oktober 1991 (stuk nr. 4 C verweerder) door voornoemde afgetekend voor voldaan !

Uit het fiscaal onderzoek is derhalve gebleken dat de handelszaak waarvoor enkel M. B. als BTW-plichtige gekend is en geregistreerd .werd, tijdens de afwezigheid (gevangenis-internering) van eiser is verdergezet.

Eiser zegt het zelf en verweerder ontkent niet dat dit mede door toedoen van de broer van eiser is gebeurd, genaamd Y. B..

Waar het proces-verbaal van 13 april 1995 vermeldt dat alle facturen in kwestie, waarover discussie, van de hand zouden zijn van B. M. en dat ze ook door deze zouden zijn afgetekend voor voldaan, wordt eigenlijk bedoeld en moet deze zinsnede worden uitgelegd, gelet op de voorgelegde stukken en het fiscaal onderzoek dat : "Alle facturen met de hand geschreven zijn, hetzij door B. M., hetzij door B. Y. en dat bepaalde ervan door hen ook voor betaling werden afgetekend en dat zij (de facturen) uitgaan van het bedrijf B. M.".

Het blijkt een feit :

- dat er ook in de periode van september 1991 tot eind 1992 verder gefactureerd werd, daarbij gebruik makend van de documenten, gedrukt op naam van M. B.;

- dat eiser alvast twee van de niet geboekte facturen heeft erkend door de betwiste documenten af te tekenen voor voldaan;

- dat de meeste uitgereikte facturen werden opgenomen in het uitgaand factuurboek, gehouden op naam van eiser;

- dat de geboekte uitgaande facturen, samen met de inkomende facturen werden opgenomen in de periodieke BTW-aangifte, door de gevolmachtigde accountant;

- dat de verschuldigde BTW in hoofde van de BTW-belastingplichtige, eiser, werd betaald, tot halfweg 1992;

- dat het niet tijdig betalen van de verschuldigde BTW voortspruitend uit de BTW-aangiften met betrekking tot het tweede, het derde en het vierde kwartaal 1992 aanleiding heeft gegeven tot het opstellen van bijzondere rekeningen, conform artikel 8 van het KB nr. 24 van 23 oktober 1970;

- dat de hieruit voortspruitende verschuldigde bedragen inmiddels zijn betaald;

- dat ook de verschuldigde sommen ingevolge het minnelijk akkoord vanwege de gevolmachtigde accountant met betrekking tot het jaar 1992 (cfr. 4° - supra) zijn afbetaald;

- dat eiser niet aantoont zich ooit tegen de feitelijke voortzetting van de activiteit door zijn broer te hebben verzet.

Het valt op dat eiser verzet aantekent tegen huidig dwangbevel en zich op geen enkele wijze tegen zijn broer heeft gekeerd.

Eiser heeft de handelsactiviteiten, tijdens zijn internering verricht door zijn broer, zelfs erkend, dit is alvast het geval voor een honderdtal verkoop facturen met betrekking tot het jaar 1991 waarover de BTW werd voldaan.

Eiser kan derhalve geen onwetendheid voorhouden en liet toe dat zijn broer de handelszaak verder exploiteerde.

Het is niet omdat kwestige 5 facturen niet in de boekhouding voorkomen dat eiser zich voor deze 5 facturen ineens wel zou kunnen verschuilen achter onwetendheid : 2 van de facturen tekende hij zelfs af voor voldaan en betreffende alle 5 deze facturen valt het op dat eiser geen het minste bewijs of zelfs maar aanwijzing naar voorbrengt dat hij zich ooit tegen zijn broer keerde of zijn ongenoegen uitte of hem in gebreke stelde ...

Op grond van artikel 50, § 1, 3° en 4° en § 2 (vanaf 1 januari 1993 artikel 53, eerste lid, 3° en 4°) van het BTW-wetboek en van artikel 16 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 23 juli 1969 (vanaf 1 januari 1993 artikel 18, par. 1 van het Koninklijk Besluit van 29 december 1992) is een BTW-belastingplichtige ertoe gehouden, in de binnen de gestelde termijn in te dienen BTW-aangiften, aangifte te doen van alle in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid verrichte handelingen en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde BTW en is hij eveneens ertoe gehouden de in verband daarmee verschuldigd geworden BTW te voldoen binnen de termijn gesteld voor de indiening van die aangiften.

Krachtens artikel 59, § 1 van het BTW-Wetboek kunnen overtredingen van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete aantonen of er toe bijdragen die aan te tonen door de administratie bewezen worden volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen inbegrepen en vermoedens inbegrepen doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de door de ambtenaren van het Ministerie van Financiën opgestelde processen-verbaal die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.

(Er zijn in casu voldoende bepaalde gewichtige en overeenstemmende vermoedens zoals hiervoren werd uiteengezet.

Eiser liet toe dat zijn broer zijn handelszaak exploiteerde en dient de fiscale gevolgen hieruit voortvloeiend te dragen.

Overeenkomstig artikel 54 (vanaf 1 januari 1993 artikel 51, par. 1, 3°) van het BTW-Wetboek is de belasting verschuldigd door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt, op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.

Eiser pleit als het ware dat de 5 facturen in kwestie fictieve facturen zouden zijn en steunt vervolgens op het verbod van dubbele heffing.

Ofwel betreft het echte facturen en dan is het zo dat in de mate dat de facturen betrekking hebben op verrichte belastbare handelingen de BTW sowieso verhaalbaar is lastens de leverancier/dienstverrichter die rekenplichtige is tegenover de Staat (cfr. art. 50, § 1 – 2°, 3° en 4° oud BTW-wetboek).

Wat de hypothese fictieve facturen betreft is het zo dat de medecontractanten de gefactureerde BTW met betrekking tot de fictieve facturen in aftrek hebben gebracht, waardoor de Schatkist ontegensprekelijk werd benadeeld.

Door het verwerpen van de ten onrechte afgetrokken BTW houdt de regularisatie nog steeds een nul-operatie in voor de Schatkist.

Ten einde te vermijden dat er op grote schaal fictieve facturen zouden worden verspreid, dewelke middels het systeem van de BTW-aftrek ernstige schade zouden kunnen berokkenen, heeft de wetgever ook de - medeplichtige - uitreiker ervan willen verantwoordelijk stellen.

Aldus wordt overeenkomstig artikel 54 (oud) BTW-Wetboek, éénieder die in een factuur een bedrag aanrekent als BTW, schuldenaar van die belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur ,zeIfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt.

Cfr. ook Fisc. Doc. Vandewinckele ,deel XIV art. 54/8 nrs. 4 en 5 :

"4. In het geval waarin aan een belastingplichtige, op een factuur die niet overeenstemt met een werkelijke handeling, een bedrag als BTW in rekening wordt gebracht, is deze belasting hoe dan ook aan de Schatkist ,verschuldigd en dient, in voorkomend geval, de invordering ervan te worden nagestreefd ten laste van de uitreiker van het stuk, en dit onverminderd de administratieve geldboetes (art. 70, § 1 W.BTW) en strafrechtelijke vervolgingen (art. 73 en 74 W.BTW).

5. Wanneer de geadresseerde van de factuur een belastingplichtige is, die de op deze factuur vermelde BTW heeft afgetrokken, dan moet hij, wegens de onregelmatig verrichte aftrek, deze belasting terugstorten. Maar deze omstandigheid is niet van dien aard dat door de Administratie moet worden afgezien van de vordering ten laste van de uitreiker van het fictieve stuk.

Dit zijn immers de normale gevolgen van de handelwijze van de betrokkenen : wie de factuur heeft uitgereikt is ingevolge artikel 54 van het W.BTW schuldenaar van de belasting, en wie de factuur heeft ontvangen en de belasting in aftrek heeft gebracht, mocht die aftrek niet verrichten aangezien de afgetrokken belasting geen betrekking heeft op goederen of diensten die voor het verrichten van in artikel 45, § 11 van het W.BTW opgesomde handelingen worden gebruikt (zie nrs. 14 tot 17, infra).

6. Bovendien is de storting aan de Schatkist van de op een fictieve factuur aangerekende belasting in geen geval vatbaar voor terugbetaling, bij toepassing van artikel 77, § 1, 1° van het W.BTW)".

Eiser kan er derhalve geen voordeel uit halen zich te beroepen op het verbod van dubbele heffing.


Wat de boetes betreft in toepassing van artikel 70, § 1 BTW-Wetboek worden de debatten ambtshalve heropend (art. 774 Ger. W.) opdat partijen zouden concluderen over de recente evolutie van de rechtspraak terzake, bijzonderlijk het arrest van het Arbitragehof nr. 22/99 d.d. 24 februari 1999, BS 30 april 1999, TFR 1999, 388) en de recent gewezen arresten van het Hof van Cassatie en de mogelijke invloed van deze rechtspraak op onderhavig gevorderde boete.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Verklaart het verzet tijdig, regelmatig naar de vorm, toelaatbaar en ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond, met uitzondering voor wat de gevorderde boete betreft op welk punt, alvorens recht te doen, de debatten ambtshalve worden heropend (artikel 774 Ger. W.) opdat partijen eerst gevolg zouden geven aan de ter zake in het vonnis door de rechtbank gestelde vragen.

Stelt de zaak daartoe op de terechtzitting van MAANDAG 15 JANUARI 2001 te 10,30 uur van de tweede kamer (fiscaal) zetelend in het Gerechtsgebouw te 8500 Kortrijk, Bgm. Nolfstraat, 10 A, zaal 102 ,tweede verdieping vooraan.

Kosten aangehouden.

Er zijn geen redenen tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis dat geen veroordeling uitspreekt.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op ZES NOVEMBER TWEEDUIZEND.

Aanwezig :

M. B., alleenzetelend rechter,

G. H., griffier.

G. H. M. B.

Door de FOD bijgevoegde beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :

In de zaak : 96/59954/A

B. M., arbeider, geboren te Veurne op …, wonende te …, …;

eiser,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester R. V., advocaat te …, loco Meester P. C., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van dhr. Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30;

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …;

Bij tussenvonnis d.d. 6 november 2000 van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk werden de debatten ambtshalve heropend (artikel 774 Ger. W.) opdat partijen zouden concluderen over de recente evolutie van de rechtspraak wat de boetes betreft in toepassing van artikel 70, § 1 BTW-wetboek en de invloed ervan op de in huidige zaak door verweerder gevorderde boete ten belope van 682.886 frank.

Partijen werden bij monde van hun raadslieden gehoord op de openbare terechtzitting van deze rechtbank en kamer op 2 april 2001.

De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen.

De besluiten en de stukken, werden ingezien.

Standpunt van partijen

* Verwerende partij verwijst vooreerst naar de motivering voor de opgelegde boete in het proces-verbaal van 13 april 1995. Maar voegt er aan toe dat nu ook de Hoven en Rechtbanken kunnen beslissen over verzoeken om kwijtschelding van de administratieve boeten, gelet op de wijziging van artikel 84 W.BTW bij artikel 57 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (BS 24 maart 1999). Verweerder verwijst ook naar het arrest van het Hof van Cassatie van 5 februari 1999 om te onderstrepen dat de uitoefening van het toetsingsrecht door de rechter niet inhoudt dat om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de belastingplichtige kan bevrijd worden van de bedoelde verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Verweerder roept in dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het opmaken en uitreiken van tientallen facturen, al dan niet fictief, ten belope van tientallen miljoenen Bef, dewelke door hem niet steeds werden ingeschreven in het verkoopfactuurboek, en niet werden aangegeven inde periodieke BTW-aangiften.

Deze inbreuken betekenen een budgettair verlies voor de Schatkist. Naast de belastingontduiking door eiser werd ook aan de afnemers de mogelijkheid geboden om onrechtmatig aftrek uit te oefenen en om inkomstenbelastingen te ontduiken. Het opsporen van die fraudes kost de administratie extra tijd en personeel, met het risico dat bepaalde transacties niet ontdekt worden zodat de fraude zich in de economische kringloop nog kan verderzetten. Die schade mag gerust geraamd worden op het dubbele van de ontdoken belasting. De boete is zeker verantwoord en er is geen reden om deze te verminderen of kwijt te schelden.

* Eiser is van oordeel dat nu verweerder in zijn besluiten gewag maakt van een fraude van tientallen miljoenen, hij verwijst naar feiten die de grond vormen van het strafonderzoek te …, zodat de inroeping van het adagium “le criminel tient le civil en état” terug noodzakelijk is.

Het verzet heeft enkel betrekking op feiten die teruggaan naar vijf facturen en waarmee een bedrag van 341.443 frank gemoeid is.

Daarnaast roept eiser in dat hij tijdens de periode van het uitschrijven van deze facturen opgenomen was in de gevangenis en dat zijn broer via zijn naam heeft gewerkt. Hij kan niet aansprakelijk zijn voor misdrijven door een derde begaan, evenmin kan hem ten laste gelegd worden dat hij gehandeld heeft om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De buitengewoon zware bestraffing, met name een boete van 200 % van de rechten, is geenszins verantwoord.

Er is daarenboven geen budgettair verlies voor de Staat, want alle gevolgen, teweeg gebracht door de fictieve facturaties, zijn uitgewist geworden na de ontdekking ervan en ingevolge de transacties met de 'medecontractanten'.

Beoordeling

Verweerder heeft lastens eiser een boete gevorderd ten bedrage van 682.886 frank, weze 200 % van de rechten, bovenop de vordering van 341.443 frank en bovenop de rente.

Eiser verzoekt de Rechtbank de opgelegde boeten geheel af te wijzen, en ondergeschikt deze substantieel te herleiden.

Sedert de invoering van de nieuwe fiscale procedure bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, waarbij o.m. artikel 84, tweede lid van het BTW-wetboek werd gewijzigd, staat het vast dat de Hoven en Rechtbanken van de Rechterlijke macht volle rechtsmacht hebben teneinde uitspraak te doen over fiscale boeten, zowel wat betreft de wettigheid, de opportuniteit als de hoogte ervan (Parl. Doc., Senaat, zitting 1998-99, nr. 966/11, p. 146 en 213).

Ook verweerder erkent dit in zijn besluiten, neergelegd op 29 november 2000.

Eiser verwijst naar de rechtspraak van het Arbitrage hof (22/99 e.a.) en het Hof van Cassatie om te stellen dat de door artikel 70, § 1 BTW-wetboek opgelegde boeten als “straffen” - in de zin van artikel 6 EVRM - dienen bestempeld te worden en aldus dient geoordeeld te worden dat deze onwettig zijn voor zover ze buiten de beoordelingsbevoegdheid van de rechtbanken zouden liggen (cfr. Alen A., Naar een betere rechtsbescherming inzake administratieve geldboeten na de koerswijziging van het Hof van Cassatie in zijn arresten van 5 februari 1999, R.W.,1999-2000, 631)

In het tussenvonnis d.d. 6 november 2000 werd reeds gesteld dat door eiser niet werd bewezen dat aan de vereisten van artikel 4, lid 1 Wetboek van Strafvordering, zou zijn voldaan, zodat huidige procedure niet moest geschorst worden overeenkomstig het adagium 'le criminel tient le civil en état'. Tevens werd geoordeeld dat eiser toeliet dat zijn broer de handelszaak exploiteerden zodoende de daaruit voortvloeiende fiscale gevolgen dient te dragen.

Deze inbreuk werd in zijnen ,hoofde weerhouden.

Alle argumenten door partijen naar voor gebracht ter zake zijn aldus niet meer dienend.

Rest aldus enkel de vraag of de door de administratie van verweerder aan eiser opgelegde boete in verhouding is met de door eiser gepleegde inbreuk.

Bij vergelijking van het uitgaand factuurboek en de uitgaande facturen van eiser met de gegevens door verweerder ingezameld bij de afnemers van eiser, bleek dat er een vijftal facturen voor een totaal bedrag van 341.443 frank niet werden opgenomen in de boekhouding. Derhalve werd de verschuldigde BTW niet doorgestort aan de Schatkist.

In huidig dossier is het dit dat aan eiser kan verweten worden en niet éen miljoenenfraude zoals, door verweerder beweerd wordt.

Op grond van artikel 50, § 1, 3° en 4° en § 2 (vanaf 1 januari 1993 artikel 53, lid 1, 3° en 4°) van het BTW-wetboek en van artikel 16 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 (vanaf 1 januari 1993 artikel 18, § 1 van het KB van 29 december 1992) is een BTW-belastingtingplichtige ertoe gehouden in de binnen de gestelde termijn in te dienen BTW-aangiften, aangifte te doen van alle in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid verrichte handelingen en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde BTW en is hij eveneens ertoe gehouden de in verband daarmee verschuldigd geworden BTW te voldoen binnen de termijn gesteld voor de indiening van die aangiften.

In casu betreft het niet enkel het vergeten of niet kunnen betalen van de verschuldigde BTW.

Er werd geen aangifte gedaan, meer nog de facturen werden zelfs niet in de eigen boekhouding opgenomen. Daarenboven werd het verschuldigd zijn van de BTW door eiser zelfs betwist door te stellen dat het om fictieve facturen zou gaan.

Het gaat hier niet om “laattijdige indiening en betaling”, maar het ontduiken van verschuldigde belastingen. Dit getuigt van kwade trouw.

Het opsporen van dergelijke belastingontduiking kost de administratie van verweerder extra tijd en personeel.

De in casu opgelegde boete is aldus passend en verantwoord.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 34, 36 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Gelet op het tussenvonnis van 6 november 1999 van de tweede kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk (nr. 7795 rep.).

Wijzende op tegenspraak.

Wijst het verzet af als ongegrond wat de gevorderde boete betreft.

Veroordeelt eiser tot de kosten, aan de zijde van verweerder begroot op 12.900 frank rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op EENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND.

Aanwezig :

C. V., alleenzetelend rechter;

G. H., griffier.

G. H. C. V.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 704 voorkomens
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8