Afstandsverkoop, omzetberekening, margeregeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 23/1292/A 20 november 2025

Zoeken

Afstandsverkoop, omzetberekening, margeregeling

https://juriel.be/nl/rechtspraak/afstandsverkoop-omzetberekening-margeregeling-rechtbank-gent-2025-11-20-db08

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Rolnummer
23/1292/A
Datum
20 november 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

118 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 20.11.2025 (23/1292/A)

Samenvatting

Niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN,

afdeling GENT

FISCAAL - ZESDE BURGERLIJKE KAMER OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 NOVEMBER 2025

A.R. 23/1292/A

In de zaak van :

De BV cie1, KBOnr ..., met zetel te Nederland, ... ..., ... ...,

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. Tomas Dujardin, advocaat met kantoor te 8560

Wevelgem, Kortrijkstraat 145 bus 102;

TEGEN :

De BELGISCHE STAAT, KBOnr 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur Invordering van het Team Bijzondere Invordering Gent van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, met kantoor gevestigd te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 107 en de adviseur-generaal van de Gewestelijke Directie van de BBI Brussel, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33, bus 49,

verweerder,

vertegenwoordigd door de mevrouw E.C., attaché;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT :

1. Rechtspleging

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2025 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. Vorderingen van de partijen

2.1. Eiseres vordert in synthesebesluiten het volgende :

De vordering van concluante ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren.

Dienvolgens haar bezwaarschrift ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de schuld met artikelnummer 500.2008.32210 zoals opgenomen in het dwangbevel d.d. 19 november 2018 en het bijhorende proces-verbaal van taxatie d.d. 30 augustus 2018, niet verschuldigd is in de mate dat de administratie btw, interesten en kosten heeft nagevorderd op de verkopen ten bedrage van 82.631,30 EUR die in Nederland werden onderworpen aan de margeregeling en waarover concluante Nederlandse btw heeft afgedragen;

Bijgevolg de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling aan concluante van alle uit hoofde van de bestreden schuld en het bestreden proces-verbaal ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen, te verhogen met moratoriuminteresten;

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.750 EUR, bepaald op het geïndexeerd basisbedrag voor een in geld waardeerbare vordering tussen 40.000,01 EUR en 60.000 EUR en de bijdrage ten bedrage van 24 EUR voor het fonds voor tweedelijnsbijstand.

2.2. Verweerder vordert in syntheseconclusie het volgende :

De vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. Relevante feiten en procedurevoorgaanden

3.1. Eiseres in gevestigd in Nederland en houdt zich bezig met detailhandel via postorderbedrijven of via internet. In dat kader werden voor de jaren 2016 en 2017 vanuit Nederland goederen verkocht via het online verkoopplatform cie2 aan klanten in België. Voor deze verkopen aan België werd door eiseres de BTW afgedragen in Nederland.

3.2. De Belgische fiscus, verweerder, vroeg informatie op bij de Nederlandse administratie in verband met de verkopen via cie2 aan Belgische afnemers (stuk 3b verweerder). Aan de hand van het antwoord van de Nederlandse administratie, ontvangen begin februari 2018 (stuk 3c verweerder), stelde de Belgische administratie vast dat eiseres in de jaren 2016 en 2017 voor belangrijke bedragen verkopen deed aan Belgische afnemers. Daarbij was de Belgische fiscus van oordeel dat het gaat om verkopen die vallen onder de regeling van 'verkopen op afstand' (met overschrijding van de drempel van 35.000,00 EUR), met als gevolg dat in België door eiseres BTW had moeten worden afgedragen.

Een nieuwe vraag werd gesteld door verweerder aan de Nederlandse administratie met het verzoek om voldoende gedetailleerd de omzetgegevens van de afstandsverkopen naar België van eiseres aan te reiken (stuk 4b verweerder—vak C 40). In het antwoord van de Nederlandse administratie, aan verweerder overgemaakt op 11 juni 2018 (stuk 4 a verweerder), wordt bevestigd dat er via cie2 verkopen zijn aan Belgische afnemers. Daarbij zou evenwel niet nagegaan kunnen worden of deze afnemers particulieren of ondernemingen zijn (stuk 4b verweerder — vak C41). In bijlage wordt het detail gevoegd (stuk 4c verweerder - 58 A-3 bladzijden) van de verkopen door eiseres die aldus voor de periode van 2015 tot en met einde 2017 gebeurden via cie2 aan afnemers in België.

Op 31 juli 2018 werd eiseres door verweerder bericht dat een Belgisch BTW-nummer aan haar werd toegekend (stuk 13 eiseres).

Op 30 augustus 2018 wordt door verweerder een P.V. van taxatie opgesteld (stuk 1 verweerder). Op basis van de inlichtingen bekomen uit Nederland, is verweerder van oordeel dat door eiseres 'verkopen op afstand' worden gedaan naar België waarbij de drempel van 35.000,00 EUR tijdens het jaar 2016 werd overschreden. Daardoor had eiseres de verplichting zich in België als BTW-plichtige te laten identificeren (BTW-nummer aanvragen) en om over de betrokken leveringen de Belgische BTW aan te rekenen en af te dragen aan de Belgische Staat. Voor 2016 zou aldus een bedrag van 2.409,99 EUR aan BTW verschuldigd zijn en voor het jaar 2017 een bedrag van 35.403,016 EUR BTW of in totaal 37.813,05 EUR. Verder wordt in het P.V. nog gemeld dat een proportionele geldboete (20 %) verschuldigd is of 7.560,00 EUR. Bovendien zijn er volgens verweerder ook niet-proportionele geldboetes verschuldigd van in totaal 11.500,00 EUR wegens het laattijdig indienen van de aangifte van aanvang activiteit, wegens het niet-indienen van periodieke kwartaalaangiftes (5 x) en wegens het niet-indienen van jaarlijkse klantenlistings (2x). Tot slot zijn er nog interesten verschuldigd aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 2018.

3.3. Na het P.V. te hebben opgevraagd, wordt bij e-mail bericht van 9 oktober 2018 namens eiseres gereageerd op het P.V. (stuk 14 eiseres). Dit e-mail bericht wordt als een bezwaarschrift tegen het P.V. beschouwd. Door eiseres wordt gemeld dat de cijfers in het P.V. niet juist zijn. Meer bepaald stelt eiseres dat voor 2017 de leveringen aan België voor 47 % of 80.376,88 EUR van het totale bedrag van de omzet aan België van 168.586,00 EUR, margegoederen betreft. In bijlage wordt een overzicht gegeven van de uitsplitsing van de margegoederen en de BTW-goederen (stuk 15 eiseres). Verder wordt in het e¬mail bericht verzocht om een positief advies te geven inzake de vermindering van de boetes.

In het kader van het bezwaar wordt aan eiseres gevraagd stukken te bezorgen waaruit blijkt dat voldaan is aan de formaliteiten in Nederland om gebruik te kunnen maken van de margeregeling (stukken 16 eiseres). Bij e-mail bericht van 30 oktober 2018 worden door eiseres stukken aan verweerder bezorgd (stuk 17 eiseres).

Op 7 november 2018 wordt vervolgens een dwangbevel uitgevaardigd onder het nummer 500/2008/32210, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19 november 2018 (stuk 18 eiseres). Dit voor een te betalen bedrag, met inbegrip van de interesten, van 58.898,30 EUR.

3.4. Op 14 januari 2019 was er een bespreking (horing) tussen eiseres en verweerder. In het kader van deze bespreking werd er informatie uitgewisseld bij e-mail bericht van 14 januari 2019, waarbij voor 2017 door eiseres een uitsplitsing wordt bezorgd van de margegoederen en de andere goederen (stukken 19 e.v. eiseres). Volgens dit overzicht zou voor 2017 slechts Belgische BTW verschuldigd zijn op een bedrag van 85.954,70 EUR. Eiseres ging daarbij akkoord om de Belgische BTW op dit bedrag af te dragen evenals de gevorderde BTW m.b.t. het jaar 2016. Met het oog op de rechtzetting van hun BTW-toestand, neemt eiseres ook contact op met de Nederlandse administratie ten einde terugbetaling te krijgen van de aldus ten onrechte in Nederland betaalde BTW. Meer bepaald voor het jaar 2016 voor een bedrag van 2.140,00 EUR en voor het jaar 2017 voor een bedrag van 18.051,00 EUR (stukken 21 e.v. eiseres).

Vervolgens werd door verweerder in januari 2019 een nieuw verzoek om inlichtingen gericht aan de Nederlandse administratie (stuk 24 eiseres). In het verzoek (vak C 40) wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken door verweerder. Een nieuwe vraag wordt gesteld om na te gaan of de leveranciers van eiseres als particulieren te beschouwen zijn. En of de betrokken goederen daadwerkelijk onder de margeregeling vallen en of derhalve de margeregeling wel gold voor de leveringen aan eiseres. In opvolging hiervan heeft de Nederlandse administratie bij brief van 2 september 2019 een onderzoek bij eiseres aangekondigd met betrekking tot de margeregeling (stuk 25 eiseres). In het kader hiervan is nog een e-mail bericht verstuurd door eiseres aan de Nederlandse belastingdienst op 28 oktober 2019 (stuk 27 eiseres) met betrekking een aantal kleine correcties.

Vervolgens blijft het jaren stil in het dossier.

3.5. Pas op 31 januari 2022 is er dan blijkbaar een bericht van de Nederlandse administratie waarin wordt gemeld dat er vertraging was om allerlei redenen, waaronder corona, maar dat de gevraagde inlichtingen, van januari 2019, zullen worden verstrekt (stuk 6 verweerder). Het antwoord is er dan blijkbaar pas gekomen op 8 december 2023 (stukken 5 verweerder) waarbij de Nederlandse administratie meldt dat de leveranciers van eiseres, op leverancier V.B. na, geen activiteit met betrekking tot de omzetbelasting hebben in Nederland. De heer V.B. blijkt einde 2018 een B.V. te hebben opgericht waarin ook de verkopen van 2017 zouden zijn ondergebracht. Voor de inkopen van de heer V.B. in 2017 hadden derhalve in principe inkoopverklaringen van de B.V. opgesteld moeten worden. Dit is evenwel niet gebeurd zodat er in hoofde van de heer V.B. ook geen aftrek was van de omzetbelasting op de betrokken artikelen. Verder zouden er geen gegevens bekend zijn zodat niet aangetoond zou kunnen worden dat de door eiseres geleverde goederen margegoederen zijn (stuk 5b verweerder — vak C41).

Nog voordat dat de betrokken informatie terecht kwam bij verweerder, werd evenwel het bezwaarschrift van eiseres van 9 oktober 2018 bij beslissing van 21 december 2022 afgewezen (stuk 2 verweerder). In de beslissing wordt gesteld dat het onderzoek van de Nederlandse administratie niet heeft kunnen aantonen dat de margeregeling correct werd toegepast voor de leveringen waarvan eiseres stelt dat daarvoor om die reden geen Belgische BTW moest worden aangerekend. Het zou volgens verweerder niet blijken dat op het verkoopplatform cie2 tweedehandsgoederen werden aangeboden, terwijl margegoederen gebruikte goederen dienen te betreffen. Verder verwijst verweerder naar het feit dat grote aantallen van dezelfde goederen werden aangekocht bij dezelfde leveranciers hetgeen er op zou wijzen dat het geen gebruikte goederen zijn en de margeregeling niet had mogen worden toegepast. Besloten wordt dat de regeling verkopen op afstand van toepassing is op alle goederen die werden geleverd aan België.

3.6. Bij verzoekschrift van 5 mei 2023, neergelegd ter griffie op 10 mei 2023, maakte eiseres de vordering aanhangig bij deze rechtbank.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Aangezien de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid vaststelt, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, is de vordering ontvankelijk.

4.2. Ten gronde

4.2.1. Algemeen - voor wat de bewijslast betreft

4.2.1.1. Eiseres is van oordeel dat in het kader van de eis tot voldoening van de BTW, fiscale boeten en/of interesten, de administratie het bewijs van haar schuldvorderingen moet leveren. De bewijslast van de feiten die de verschuldigdheid van de belasting aantonen rust aldus eiseres op de administratie (art. 59 § 1, lste lid WBTW juncto art. 870 Ger. W.). Opdat een levering van een goed in België belastbaar is, moet de plaats van de levering in België gesitueerd zijn. Het is bijgevolg volgens eiseres aan de administratie om aan te tonen dat de handeling waarover de BTW wordt nagevorderd, in België plaatsvindt.

Volgens eiseres wordt dit bewijs niet geleverd. De administratie steunt zich op een opeenstapeling van vermoedens. Uit de gegevens van cie2 kan, aldus nog eiseres, niet worden afgeleid welke de plaats is van de levering van de betrokken goederen. Eerst zou aangenomen worden dat het 'verkopen op afstand' zijn om vervolgens aan te nemen dat de margeregeling niet van toepassing zou zijn. Tot slot wordt ten onrechte het volledige verkoopcijfer verkeerdelijk als btw-belastbare omzet gekwalificeerd zonder toepassing van de margeregeling.

Eiseres wijst er op dat de hoofdregel is dat goederenleveringen worden belast met de BTW van de lidstaat van waar het vervoer naar de koper vertrekt (art. 14 § 2 WBTW). In toepassing hiervan moet de BTW worden aangerekend van de lidstaat van waaruit de goederen naar de klanten wordt verzonden, zijnde in casu Nederland. Als uitzondering op deze hoofdregel is er dan de regeling voor de 'verkopen op afstand' ingevoerd. Daarbij wordt als plaats van de levering, indien de voorwaarden daartoe vervuld zijn met onder andere de overschrijding van een bepaalde drempel (35.000,00 EUR voor de betrokken jaren), de plaats aangemerkt waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van de aankomst van de verzending (art. 15 § 1, WBTW). Hetgeen dan in casu België zou zijn. Vervolgens is er nog een uitzondering op de uitzondering die stelt dat de regeling van de 'verkopen op afstand' niet van toepassing is indien het gaat om goederen die onderworpen zijn aan de margeregeling (art. 15 § 1 WBTW). Meer bepaald is uitgesloten van de regeling van de 'verkoop op afstand', de levering van goederen onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG. Het gaat ter zake om goederen die onderworpen zijn aan de `winstmargereling' (voor België bepaald in artikel 58 § 4 WBTW).

Eiseres besluit dat aldus de bewijslast op de administratie rust, indien afgeweken wordt van de hoofdregel, om aan te tonen dat alle toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling ('verkopen op afstand') vervuld zijn, zodat de leveringen toch in België belastbaar zijn. Het gaat daarbij om een uitzondering op de algemene regeling zodat de betrokken regels strikt moeten worden geïnterpreteerd.

4.2.1.2. Verweerder verwijst naar het P.V. dat werd opgesteld en dat het bewijs levert zolang het tegendeel niet bewezen is (art. 59 §1, tweede lid WBTW). De feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen, kunnen door de administratie bewezen worden volgens de regels en alle middelen van het gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen. Volgens verweerder is de administratie de op haar rustende bewijslast nagekomen.

4.2.1.3. Voor wat de bewijslast betreft, is de rechtbank van oordeel dat het inderdaad aan verweerder toekomt om aan te tonen dat leveringen die, zoals in casu vanuit Nederland gebeuren, belastbaar zijn in België. Dit in afwijking van de regel dat de plaats van de levering, de plaats is waar het goed zich bevindt op het tijdstip van het vertrek van de verzending of het vervoer naar de afnemer. Verweerder beroept zich ter zake immers op een afwijking van de algemene regel zodat het aan haar toekomt om het bewijs hiervan te leveren.

Bij het leveren van dit bewijs mag verweerder evenwel gebruik maken van alle middelen van het gemeen recht, waaronder de vermoedens (art. 59 § 1, eerste lid WBTW). Ter zake kan voor wat het vereiste bewijs betreft, verwezen worden naar het burgerlijk wetboek en meer bepaald naar de bepalingen van het nieuwe B.W. in de veronderstelling dat deze bewijsregels van toepassing zijn omdat het gaat om het bewijs van feiten en omdat de betrokken regels een weerslag vormen van de algemeen aanvaarde principes zoals verwoord in de rechtspraak. Overeenkomstig artikel 8.4. (nieuw) B.W. zijn alle partijen gehouden om mee te werken aan de bewijsvoering. Ingeval van twijfel, wordt hij die de door hem beweerde rechtshandelingen of feiten moet bewijzen, in het ongelijk gesteld, tenzij de wet anders bepaald. Feitelijke vermoedens zijn toelaatbaar in het geval waarin de wet het bewijs met alle bewijsmiddelen toelaat. Volgens artikel 8.29 van het (nieuw) B.W. wordt de bewijswaarde van de feitelijke vermoedens overgelaten aan de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met elkaar overeenstemmend zijn.

Het volstaat voor dit bewijs niet, zoals verweerder lijkt te suggereren, te verwijzen naar het feit dat een P.V. werd opgesteld dat geldt tot het tegendeel bewezen is (art. 59 § 1, tweede lid WBTW). Deze bijzondere bewijskracht geldt enkel voor de vaststelling van de feiten op zich, maar niet voor de gevolgtrekkingen die uit deze feiten worden afgeleid.

Indien verweerder zou bewezen hebben dat het gaat om 'verkopen op afstand' en eiseres zich vervolgens, in ondergeschikte orde, beroept op de uitzondering op de uitzondering, meer bepaald dat deze regeling toch niet van toepassing is omdat het gaat om de levering van goederen die onder de margeregeling vallen, dan is het vervolgens aan eiseres om daarvan het bewijs te leveren. Daarbij gaat het dan om de bepalingen van de margeregeling zoals deze van toepassing zijn in Nederland. Dit volgt uit artikel 15 § 1 WBTW dat van toepassing is voor leveringen van goederen die vanuit een andere lidstaat naar België worden vervoerd of verzonden en waarbij, in het algemeen, sprake is van de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing bedoeld in de artikelen 312 tot 341 van de richtlijn 2006/112/EG. In de omgekeerde situatie, in het geval dat de goederen vanuit België worden vervoerd of verzonden naar een andere lidstaat, is sprake van de toepassing van de Belgische margeregeling zoals bepaald in artikel 58 § 4 WBTW.

4.2.2. Toepassing van de regeling 'verkopen op afstand' als uitzondering op de hoofdregel

4.2.2.1. Eiseres is van oordeel dat verweerder niet aantoont dat het totale bedrag van 168.586,00 EUR van de verkopen in 2017 aan Belgische afnemers, onderworpen is aan de regeling van de `verkopen op afstand'. Daarbij verwijst eiseres dan onmiddellijk naar het feit dat een deel van de aan België geleverde goederen onder de margeregeling vallen zodat de regeling van 'verkopen op afstand' daarop niet van toepassing is.

4.2.2.2. Verweerder verwijst naar de inlichtingen die uit Nederland werden verkregen naar aanleiding van haar verzoeken om inlichtingen. Daaruit bleek dat voor de verkopen aan Belgische particulieren gebruik werd gemaakt van het verkoopplatform cie2. Uit de verkregen informatie bleek dat voor de jaren 2016 en 2017 de verkopen aan België de drempel van 35.000,00 EUR overschreden.

Vastgesteld werd verder dat eiseres in België niet voor BTW-doeleinden was geïmmatriculeerd en, aldus nog verweerder, de Belgische reglementering niet naleefde. Om te voorkomen dat er een verlies van belastinginkomsten zou zijn, werd daarom een P.V. opgesteld. Daarin werd zowel in feite als in rechte het voorwerp en de grondslag van de taxatie gemotiveerd. Dit op basis van de vaststellingen die gebeurden en met vermelding van de toepasselijke wetsartikelen. Verweerder merkt nog op dat tijdens dit onderzoek op geen enkel moment door eiseres de toepassing van de margeregeling werd ingeroepen. Evenmin als dat er stukken door eiseres in dit verband zouden zijn voorgelegd.

4.2.2.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er terecht van mocht uitgaan, op basis van de informatie die zij ontving naar aanleiding van haar verzoeken om inlichtingen aan de Nederlandse belastingadministratie, dat de verkopen van eiseres aan België onder de regeling van de 'verkopen op afstand' vallen. Daarbij is verweerder uitgegaan van de informatie die verkregen werd over de verkopen van eiseres door bemiddeling van het verkoopplatform cie2. Daaruit bleek alvast dat voor de jaren 2016 en 2017 de drempel van 35.000,00 EUR waaronder de regeling niet van toepassing is, werd overschreden (stukken 3 verweerder). Op de bijkomende vraag of het ging om leveringen aan particulieren of ondernemers zou niet geantwoord kunnen worden omdat deze uitsplitsing niet gemaakt kon worden.

Op basis van deze elementen mocht verweerder ervan uitgaan dat de betrokken verkopen wel degelijk vielen onder de regeling van de 'verkopen op afstand'. Het feit dat geen uitsplitsing kan gemaakt worden tussen verkopen aan particulieren en ondernemers, wijst erop dat er voor de verkopen aan ondernemers ook geen facturen of stukken werden opgesteld met vermelding van de BTW-nummers zodat er derhalve ook geen toepassing werd gemaakt van de vrijstelling van de intra-communautaire levering/verwerving. Omdat geen listings werden opgesteld, heeft verweerder ook geen weet van leveringen door eiseres aan Belgische BTW-belastingplichtigen met toepassing van de betrokken vrijstellingen. Op basis van deze overeenstemmende feiten, kon, in eerste instantie, geldig het vermoeden worden afgeleid dat het volledige bedrag van de verkopen aan België gebeurden aan particulieren (niet-BTW-belastingplichtigen) zodat deze derhalve vallen onder de regeling van de 'verkopen op afstand'.

Daarbij dient opgemerkt te worden dat eiseres ook akkoord is gegaan met het feit dat het bedrag van de verkopen in 2016 volledig vallen onder de regeling van de 'verkopen op afstand' en de verkopen van het jaar 2017 van in totaal 168.586,00 EUR, voor een bedrag van 85.954,70 EUR (bedrag zoals vermeld in syntheseconclusie). Bovendien betwist eiseres de toepassing van de regeling 'verkopen op afstand' als dusdanig niet, maar beroept zij zich onmiddellijk op het feit dat de uitzondering hierop van toepassing is, doordat een deel van de verkopen betrekking zou hebben op margegoederen (zie verder).

Op basis van de stukken van het dossier, blijkt dat pas in het kader van het bezwaar, dat op 9 oktober 2018 werd ingediend, en dus na het opstellen van het P.V. van 30 augustus 2018, door eiseres wordt opgeworpen dat een deel van de verkopen aan België leveringen betreft van goederen die in Nederland onderworpen werden aan de margeregeling (margegoederen), zodat daarop de regeling van de 'verkopen op afstand' niet van toepassing is. En dat voor dat deel dus geen Belgische BTW zou moeten worden afgedragen.

4.2.3. Toepassing van de margereling als uitzondering op de uitzondering

4.2.3.1. Eiseres stelt dat een deel van de verkopen aan België gedaan werden als belastingplichtige wederverkoper van goederen die onderworpen werden aan winstmargeregeling in Nederland (margegoederen). In dat geval is de regeling van de 'verkopen op afstand' niet van toepassing en geldt (terug) de algemene regel, met toepassing van de Nederlandse BTW.

Volgens artikel 313, lid Ivan de Richtlijn 2006/112/EG is de margeregeling maar van toepassing indien het onder meer gaat om 'gebruikte goederen'. Volgens de Nederlandse belastingdienst zijn goederen die aangekocht worden van een particulier altijd te beschouwen als 'gebruikte goederen'. Het moet dus niet gaan om tweedehandsgoederen zoals verweerder ten onrechte stelt. Verder mag voor de toepassing van de winstmargeregeling, de BTW niet eerder zijn afgetrokken, hetgeen inhoudt dat de wederverkoper de goederen moet aankopen bij iemand die de BTW niet in aftrek heeft genomen. In antwoord op het verzoek om inlichtingen heeft de Nederlandse administratie, aldus eiseres, bevestigd dat deze voorwaarde vervuld is, behalve voor de aankopen bij de heer V.B..

Eiseres stelt dat aldus voor een bedrag van 82.631,30 EUR van de verkopen aan België betrekking heeft op goederen onderworpen aan de margeregeling. Volgens eiseres is het niet aan haar om dit aan te tonen. Niettemin heeft eiseres in het kader van het bezwaar de stukken overgemaakt waarin de uitsplitsing werd gemaakt tussen de goederen waarop de regeling 'verkopen op afstand' van toepassing is en welke goederen vallen onder de margeregeling. Verweerder heeft dienaangaande een nieuwe vraag gericht aan de Nederlandse belastingdienst, maar daarop kreeg zij pas jaren later een antwoord. Ten onrechte stelt verweerder als zou eiseres pas in laatste instantie met het argument zijn gekomen dat het gedeeltelijk ging om de verkopen die onderworpen zijn geweest aan de margeregeling. Eiseres stelt dat zij in haar BTW-aangiftes in Nederland al melding heeft gemaakt van de toepassing van de winstmargeregeling, hetgeen na boekenonderzoek einde 2019 door de Nederlands administratie zou zijn goedgekeurd.

Waar het volgens eiseres vaststaat dat aldus een deel van de verkopen vanuit Nederland betrekking heeft op goederen onderworpen aan de margeregeling, waarvoor in Nederland BTW werd afgedragen, ontstaat er een dubbele belasting doordat België deze zelfde leveringen van goederen nog eens aan de Belgische BTW wil onderwerpen. Eiseres verwijst dienaangaande naar de Europese regelgeving, onder meer in verband met verkopen van gebruikte goederen, die een dergelijke dubbele belasting juist wil voorkomen. Op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie, moet België zich dan van belastingheffing onthouden. Ook in België zelf wordt ten andere, aldus nog eiseres, gesteld voor de intracommunautaire verwerving van gebruikte goederen, dat deze in België niet onderworpen zijn aan belasting, ongeacht de hoedanigheid van de koper, als de verkoper onder meer een belastingplichtige wederverkoper is die als dusdanig optreedt in de lidstaat van vertrek (art. 25ter § 1, tweede lid, 40 WBTW).

Doordat in Nederland definitief de margeregeling werd toegepast, hetgeen volgens eiseres door de Nederlandse belastingadministratie werd goedgekeurd, kan verweerder volgens eiseres geen daarmee strijdig standpunt innemen.

Voor wat het door verweerder opgeworpen argument betreft als zou eiseres laattijdig stukken hebben aangeleverd, verwijst eiseres naar de BTW-commentaar op artikel 84 WBTW. En verder naar het feit dat het bezwaar werd ingediend op 9 oktober 2018 terwijl er pas een beslissing over het bezwaar werd genomen op 21 december 2022. Verweerder verwijst dienaangaande naar het arrest van het Europees Hof van Justitie inzake cie3 (C¬271/12) dat evenwel volgens eiseres in casu niet van toepassing is gelet op de Belgische regels. In de Belgische regeling kunnen stukken worden bijgebracht tot in de gerechtelijke fase.

4.2.3.2. Verweerder verwijst naar het bezwaarschrift van eisers waarin, voor de verkopen van 2017, gesteld wordt dat deze voor 47 % betrekking hebben op margeverkopen die onder de Nederlandse btw-wetgeving ressorteren. In de bij het bezwaarschrift gevoegde excel-bestanden worden deze margeverkopen aangeduid met 'm'. Prijzen en omschrijving van de betrokken goederen zijn volgens verweerder evenwel hetzelfde als voor de andere verkopen. Niet aangetoond is, aldus nog verweerder, dat de verkopen die via cie2 plaatsvonden, betrekking hebben op de margegoederen.

Verweerder verwijt eiseres verder deze stukken pas zeer laattijdig te hebben bijgebracht en pas nadat het fiscaal onderzoek al was afgerond, waardoor het onmogelijk zou zijn geworden de stukken nog te bestuderen. Verweerder stelt dat zij derhalve, verwijzende naar een arrest van het Europees Hof van Justitie van 8 mei 2013 (C-271/12), met deze stukken geen rekening moet houden.

Volgens verweerder tonen de stukken ten andere niet aan dat eiseres in 2017 margeverkopen verrichtte, laat staan dat dit via het verkoopplatform cie2 zou zijn gebeurd en dat de afnemers Belgische particulieren zouden zijn. Eiseres verwijst daarvoor naar de excel-files die zij in haar onderzoek verkreeg van de Nederlandse belastingadministratie over de verkopen door eiseres via cie2. Daarbij zou nergens vermeld zijn dat het ging om 'gebruikte goederen'. Volgens verweerder blijkt nergens uit dat eiseres actief zou zijn geweest op de markt van tweedehands- en/of refurbished goederen die zouden worden aangeboden via cie2. En dan nog eens aan particulieren in België. Uit de hoorzitting die plaatsvond op 14 januari 2019 zou ter zake geen duidelijkheid zijn gegeven. Duidelijkheid zou evenmin blijken, aldus verweerder, uit de stukken die naderhand nog door eiseres werden aangeleverd. De betrokken stukken zouden niet bewijskrachtig zijn. Meer bepaald zouden de voorgelegde inkoopverklaringen slechts summiere vermeldingen bevatten en soms zelfs niet de identiteit van de koper of verkoper, de handtekening van de verkoper zou veelal ontbreken, er zou geen verklaring zijn dat de verkoper de voorbelasting niet aftrok, geen unieke referentie naar het margegoed, ...

Verweerder stelt verder dat bepaalde artikelen in grote hoeveelheden werden aangekocht bij dezelfde personen, terwijl daarvoor ook niet altijd de inkoopverklaring werd voorgelegd. Niet aangetoond is, nog volgens verweerder, dat de zogenaamde margeverkopen betrekking hadden op de verkopen aan Belgische particulieren via cie2. Er waren nog andere verkopen dan via cie2. Verweerder leidt uit al deze elementen het vermoeden af dat de stukken niet stroken met de realiteit. Er ontbreken volgens verweerder afdoende objectieve verantwoordingsstukken waaruit blijkt dat in 2017 margegoederen zouden verkocht zijn aan Belgische particulieren. Ook de inlichtingen van de Nederlandse belastingadministratie die verweerder pas einde 2023 ontving, brachten geen uitsluitsel. Uit het antwoord van de Nederlandse belastingadministratie blijkt evenwel niet volgens verweerder dat er een goedkeuring was van de aangiftes van eiseres in Nederland en van de daarbij toegepaste margeregeling. Door omstandigheden kon de Nederlandse belastingadministratie ter zake niet tijdig een onderzoek en de eventuele nodige rechtzettingen doen.

Verweerder verwijst naar de aankopen bij V.B. die zogezegd een particulier was, maar waarvan bleek dat deze voor 2017 uiteindelijk wel als BTW-belastingplichtige optrad, zij het via zijn in 2018 opgerichte BV. Niet aangetoond zou zijn, aldus de Nederlandse belastingadministratie dat de BTW niet zou zijn afgetrokken. Verweerder leidt daar dan weer uit af dat voor deze goederen ten onrechte de margeregeling zou zijn toegepast. Ook de andere margeinkopen zouden vragen doen rijzen bij verweerder.

Verweerder wijst tot slot nog op de bewijslast die ter zake rust op eiseres. Indien eiseres meent dat de regeling van de 'verkopen op afstand' geen toepassing kan vinden omdat sprake is van de verkoop van margegoederen, dan is het aan eiseres om aan te tonen dat de door haar verkochte goederen margegoederen zijn en dat zij alle voorwaarden dienaangaande heeft nageleefd aan de hand van objectieve verantwoordingsstukken. Volgens verweerder kan niet worden vastgesteld dat een deel van de verkopen aan de Belgische particulieren effectief betrekking heeft op 'gebruikte goederen'. Bijgevolg blijft de regeling van de 'verkopen op afstand' van toepassing.

4.2.3.3. Voor wat het zogezegd laattijdig inroepen van het argument door eiseres dat de verkopen aan België betrekking hebben op margegoederen, zoals door verweerder wordt geopperd, is de rechtbank van oordeel dat eiseres dit argument in iedere stand van het geding kan inroepen. Daarbij blijkt ten andere dat op een ogenblik dat er van de procedure nog geen sprake was, eiseres wel degelijk bij het indienen van de aangiftes in Nederland rekening hield met het feit dat een deel van de door haar verkochte goederen afkomstig waren van de inkoop van 'gebruikte goederen' (zie stukken 4 e.v. eiseres). Eiseres heeft dan ook het recht dit feit nog in te roepen indien daaruit volgt dat in het geschil met verweerder bepaalde verkopen ten onrechte onder de regeling van 'verkopen op afstand' worden belast.

Verder stelt de rechtbank vast dat in de beslissing van 21 december 2022 over het bezwaar van eiseres (stuk 2 verweerder), gesteld wordt dat 'de administratie op 25 januari 2019 een verzoek om inlichtingen verstuurd heeft naar de Nederlandse administratie om na te gaan of de beweringen inzake de toepassing van de margeregeling correct zijn'. Dit is correct en blijkt uit de stukken 5 van verweerder. Vervolgens wordt in de beslissing van 21 december 2022 evenwel gesteld : "Het onderzoek van de Nederlandse Administratie heeft evenwel niet kunnen aantonen dat de margeregeling correct werd toegepast op de desbetreffende leveringen." Dit is eigenaardig gelet op het feit dat het antwoord van de Nederlandse belastingdienst door omstandigheden pas ontvangen werd op 8 december 2023. Uit het aldus later ontvangen antwoord van de Nederlandse belastingdienst blijkt dan dat personen bij wie door eiseres werd aangekocht geen BTW-activiteit hadden, waarbij een voorbehoud wordt gemaakt in verband met de inkopen gedaan bij de heer V.B..

Aan de andere kant stelt eiseres dan weer dat uit het grondig onderzoek van de Nederlandse administratie zou zijn gebleken dat de margeregeling correct werd toegepast. Eiseres verwijst in dit verband naar de aankondiging van het grondig onderzoek bij brief van 9 september 2019 (stuk 25 eiseres) en naar de stukken die in opvolging ervan werden overgemaakt aan de Nederlandse belastingdienst (stukken 26 en 27 eiseres). Uit het bericht van de Nederlandse belastingdienst aan verweerder van 31 januari 2022, wellicht nadat verweerder had geïnformeerd naar de stand van zaken, blijkt evenwel dat het onderzoek door allerlei omstandigheden vertraging heeft opgelopen, maar dat het opnieuw zal worden opgestart (stuk 6 verweerder). Vervolgens blijkt dan uit het antwoord van de Nederlands belastingdienst, ontvangen op 8 december 2023 (stukken 5 verweerder), op het verzoek van verweerder van 9 september 2019, dat door de vertragingen wegens privé-omstandigheden en gezondheidsredenen van de controlerende ambtenaren, de aanslagtermijn voor de omzetbelasting van het jaar 2017 verlopen is. Vervolgens wordt dan in het algemeen opgemerkt dat de margeinkopen van eiseres wel degelijk gebeurden bij personen die geen activiteit hebben m.b.t. de omzetbelasting en de BTW dus niet in aftrek brachten. Voorbehoud wordt gemaakt voor de aankopen bij de heer V.B.. Zij het dat betrokkene blijkbaar eind 2018 een BV oprichtte waarin hij de in- en verkopen van 2017 heeft ingebracht. Dit kan evenwel bezwaarlijk aan eiseres aangerekend worden voor de inkopen die van de heer V.B. persoonlijk in 2017 werden gedaan. Feit is evenwel dat uit de betrokken stukken niet blijkt, zoals eiseres voorhoudt, dat na controle door de Nederlandse belastingadministratie beslist werd dat de margeregeling correct werd toegepast.

Of er goederen door eiseres werden aangekocht en vervolgens verkocht die vallen onder margeregeling, moet worden beoordeeld op basis van de regels die in Nederland van toepassing zijn. Uit de door eiseres voorgelegde stukken over de inkopen, die mogelijk niet allemaal op een eenduidige wijze werden opgesteld zoals verweerder terecht stelt, neemt de rechtbank aan dat eiseres wel degelijk in belangrijke mate aankopen deed bij personen die zelf niet als BTW-belastingplichtige handelden en derhalve zelf geen BTW in aftrek brachten en op hun verkopen ook geen BTW aan eiseres doorrekenden. In het antwoord van de Nederlandse belastingdienst, door verweerder ontvangen op 8 december 2023, wordt dit bevestigd. Uit de stukken i.v.m. de betrokken inkopen door eiseres blijkt dat geen BTW wordt aangerekend (stukken 1 en 2 eiseres). Het feit dat vaak en in relatief grote hoeveelheden goederen worden aangekocht bij dezelfde personen, waarbij verweerder zich vragen stelt, doet hieraan geen afbreuk. Het is niet aan de Belgische belastingadministratie om, zonder enig onderzoek, te oordelen of in vraag te stellen dat de betrokken personen ook als BTW-plichtigen in Nederland hadden moeten worden beschouwd. Gelet op het feit dat het ging om inkopen van het jaar 2017, waarvoor de Nederlandse belastingadministratie blijkbaar te laat was om nog rechtzettingen (en onderzoek) te doen en waarbij ook de BTW-aangiftes van eiseres in dit verband definitief zijn geworden (zie stukken 4 e.v. eiseres), gaat het om definitieve feiten aan de hand waarvan moet aanvaard worden dat het gaat om inkopen die gebeurden onder de toepassing van de margeregeling. Gelet op het feit dat het ging om de aankoop bij particulieren niet-btw-belastingplichtigen dienen deze goederen, volgens de Nederlandse richtlijnen als 'gebruikte goederen' en dus als margegoederen te worden beschouwd.

Uit de jaarrekening van 2017 die door eiseres wordt bijgebracht (stuk 30 eiseres), kan worden afgeleid dat er voor het jaar 2017 een omzet werd gerealiseerd van 626.894,00 EUR, waarbij voor 472.611,00 EUR goederen werden aangekocht. Het bedrag van de omzet van 626.894,00 EUR is samengesteld uit onder meer omzet ten bedrage van 352.452,00 EUR die onderworpen was aan 21 % en omzet ten bedrage van 249.265,00 EUR die onderworpen is aan de margeregeling (p. 18 van stuk 30 eiseres). Dit komt overeen met de gegevens van de BTW-aangiftes van eiseres (stukken 4 e.v. eisers).

De verkopen die via het verkoopplatform cie2 aan Belgische afnemers gebeurden, bedraagt in totaal voor 2017, 168.586,00 EUR. Daarover zijn eiseres en verweerder het eens. Daarbij moet er ook van uitgegaan worden dat verweerder het eens is dat deze Belgische afnemers particulieren zijn. De regeling van 'verkopen op afstand', waarvan verweerder van oordeel is dat deze voor het volledige bedrag van 168.586,00 EUR van toepassing is, had anders gedeeltelijk niet toegepast mogen worden. Ten onrechte stelt verweerder dit dan ook opnieuw in vraag. Eiseres is ermee akkoord gegaan dat van dit bedrag van 168.586,00 EUR een bedrag van 85.954,701 EUR overeenkomt met standaardverkopen waarop de regeling 'verkopen op afstand' van toepassing is. Met als gevolg dat daarvoor 21 % Belgische BTW van toepassing is die aan de Belgische Staat moet worden afgedragen. Voor 82.631,30 EUR van de verkopen is eiseres evenwel van oordeel dat deze betrekking heeft op goederen die vallen onder de margeregeling en dus betrekking hebben op 'gebruikte goederen' die eiseres aankocht bij particulieren niet-btw-belastingplichtigen waarvoor er geen recht van aftrek was. Gelet op de gegevens van de jaarrekening en de in Nederland ingediende BTW-aangiftes, zou dit mogelijk kunnen zijn.

Het probleem dat zich in dit verband stelt is evenwel, en de bewijslast ligt ter zake bij eiseres zoals hiervoor aangegeven, dat eiseres niet aantoont dat het de margegoederen zijn, waarvan het bestaan aanvaard wordt dat deze aanwezig zijn gelet op de inkopen, die aan de Belgische afnemers werden verkocht. Uit de lijsten die verstrekt werden door cie2 (stuk 4c verweerder) is dit niet af te leiden. Ter zake wordt van de goederen geen nadere omschrijving gegeven waaruit kan worden afgeleid dat het gaat om margegoederen. Eiseres toont ook niet op een bewijskrachtige manier aan op welke wijze zij de goederen die zij verkocht aan de Belgische afnemers, kan identificeren als zijnde margegoederen (stuk 15 eiseres). Er wordt immers geen overeenstemming voorgelegd tussen de margegoederen die werden ingekocht door eisers en de via cie2 verkochte goederen aan de Belgische afnemers (particulieren). Door het feit dat uit de stukken blijkt dat eiseres ook heel wat goederen aan-en verkocht die niet onder margeregeling vallen, toont eiseres niet aan dat de verkopen aan de Belgische afnemers via het verkoopplatform betrekking hebben op margegoederen.

Gelet op het feit dat, zoals hiervoor aangegeven, verweerder op een geldige wijze kan vermoeden dat de verkopen vallen onder de regeling 'verkoop op afstand', hetgeen op zich door eiseres niet wordt betwist, terwijl eiseres niet op een eenduidige wijze aantoont dat het margegoederen zijn die verkocht werden aan de Belgische afnemers, is de vordering van verweerder tot betaling van de Belgische BTW aan 21 % voor alle betrokken verkopen via cie2 aan Belgische afnemers, dan ook terecht en wordt de vordering van verweerder in dit verband bevestigd.

Het feit dat daardoor mogelijk een dubbele belasting ontstaat doordat op diezelfde verkopen ook reeds BTW werd afgedragen in Nederland, doet hieraan geen afbreuk. Zoals voor het deel van de verkopen waarvoor eiseres akkoord ging dat ze vallen onder de regeling 'verkopen op afstand', kan ook voor deze ten onrechte in Nederland betaalde BTW een restitutie worden gevraagd of had eiseres dit reeds ten bewarende titel kunnen doen.

4.2.4. De opgelegde proportionele en niet-proportionele geldboeten

4.2.4.1. Eiseres is van oordeel dat de vordering van de administratie, inclusief de proportionele geldboete, moet herleid worden in de mate dat voor 2017 de verkopen van margegoederen ten bedrage van 82.631,30 EUR uit de maatstaf van heffing dienen te worden gehaald. Verder is eiseres van oordeel dat zij onevenredig zwaar gesanctioneerd werd. Voor elk van de inbreuken werd een afzonderlijke forfaitaire boete opgelegd, terwijl de inbreuken voortvloeien uit dezelfde discussie.

De boetes op basis van artikel 70 WBTW hebben, aldus nog eiseres, een strafrechtelijk karakter zodat de rechter de wettelijkheid en de evenredigheid ervan kan beoordelen. Deze bevoegdheid strekt zich volgens eiseres uit tot zowel de proportionele als de niet-proportionele geldboeten. In zijn evenredigheidstoetsing is de rechter niet gebonden door de schalen die worden voorgeschreven, ook al is het bestuur zelf erdoor gebonden. De boetes kunnen dus verder verminderd worden en getoetst worden aan de evenredigheid.

Volgens eiseres zijn de opgelegde boetes onevenredig met de ten laste gelegde inbreuk. Uit onwetendheid werden de verkopen aan België niet juist verwerkt. Er werd wel BTW afgedragen aan Nederland zodat eiseres als dusdanig geen voordeel heeft genoten. De opeenstapeling van de niet-proportionele boetes voor verschillende overtredingen die voortvloeien uit eenzelfde feit is niet evenredig ten aanzien van de aard en ernst van de begane inbreuken. Verder werd meegewerkt aan het onderzoek van de administratie.

4.2.4.2. Verweerder stelt dat zowel de proportionele als de niet-proportionele geldboeten van rechtswege voortvloeien uit de vastgestelde btw-inbreuken. Ongeacht de goede of de kwade trouw van de belastingplichtige. Het betreft een gebonden bevoegdheid van de administratie.

De proportionele geldboete van 7.560,00 EUR heeft betrekking op feit dat de Belgische administratie niet spontaan op de hoogte werd gebracht van het feit dat Belgische BTW verschuldigd was zodat er een nalatige daad aan de oorsprong ligt. De boete van in principe 200 % werd reeds herleid tot 20 %. Als gevolg van de overtreding met betrekking tot de BTW die moet worden voldaan, werden er verder ook inbreuken begaan op de BTW-formaliteiten op basis waarvan de niet-proportionele boetes van artikel 70 § 4 WBTW van toepassing zijn.

Voor wat het al dan niet evenredig karakter van de boetes betreft, verwijst verweerder naar het feit dat eiseres gedurende meerdere jaren haar verplichtingen niet is nagekomen. Ook na de eerste tussenkomst van de administratie zou eiseres niet de nodige stappen ondernomen hebben om haar fiscale situatie recht te zetten. De Belgische Staat heeft inkomsten mislopen en daardoor nadeel geleden. Met als gevolg dat verweerder zelf een BTW-nummer liet aanmaken voor eiseres en een P.V. diende op te stellen.

Verweerder stelt nog als zou de rechtbank bij de beoordeling van de boetes slechts een zelfde beoordelingsbevoegdheid hebben als de administratie en dus evenzeer gebonden is in haar beoordeling. Boetes kunnen niet kwijtgescholden of verminderd worden om redenen van opportuniteit of billijkheid. Met als gevolg dat indien de boetes overeenkomen met het wettelijk minimum, het niet aan de rechterlijke macht zou zijn om onder de bij wet vastgestelde grens te gaan. Aan de andere kant stelt verweerder dat de rechter, desgevallend, de redenen moet aangeven op grond waarvan zij meent dat een opgelegde sanctie disproportioneel of onevenredig zou zijn. Nagegaan moet worden of alle wetsbepalingen en algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, nageleefd zijn. In het kader van een correcte en gemotiveerde evenredigheidstoetsing zal de rechter hierbij, aldus nog verweerder, steeds nagaan in welke mate het bestuur zelf gebonden was bij het opleggen van een sanctie.

Verweerder wijst nog op het feit dat door eiseres geen verzoek tot kwijtschelding of vermindering werd ingediend op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, zodat de administratie niet in de mogelijk is hierover te oordelen. Verweerder besluit dat er geen elementen zijn waaruit zou blijken dat de boetes disproportioneel zouden zijn.

4.2.4.3. Het staat vast dat eiseres voor de jaren 2016 en 2017 verkopen en leveringen heeft verricht aan België waarvoor in België de belasting verschuldigd is (regeling 'verkopen op afstand') en waarvoor in opvolging ervan de nodige formaliteiten in België vervuld moesten worden. Eiseres heeft in dit verband zelf gesteld dat dit het geval is voor de leveringen van het jaar 2016 (zoals verminderd door de administratie door de aftrek van 35.000,00 EUR (drempel)) en voor iets meer dan de helft van de leveringen aan België voor het jaar 2017. Bijgevolg was eiseres, zelfs volgens haar eigen standpunt, BTW in België verschuldigd en diende zij ook in België de nodige formaliteiten te vervullen.

In casu werden door verweerder proportionele geldboeten en niet-proportionele geldboeten opgelegd (stuk 1 verweerder). Vooreerst een proportionele geldboete van 20 % in toepassing van artikel 70 § 1 WBTW en artikel 1, 1° tabel G van het K.B. nr. 41. In casu wordt op basis van het totaal bedrag van de BTW, verschuldigd n.a.v. de verkopen op afstand van 37.813,05 EUR, een proportionele boete van 20 % of, na afronding, 7.560,00 EUR opgelegd. Verder worden niet-proportionele geldboetes opgelegd in toepassing van artikel 70 § 4 WBTW en de bepalingen van het K.B. nr. 44, meer bepaald 500,00 EUR wegens het laattijdig indienen van de aangifte van aanvang van activiteit, 5.000,00 EUR voor het niet-indienen van de periodieke BTW-aangiftes voor vijf kwartalen (1.000,00 EUR per aangifte) en 6.000,00 EUR voor het tweemaal niet indienen van de jaarlijkse klantenlistings (3.000,00 EUR per aangifte).

De proportionele geldboete van 20 % of 7.560,00 EUR en de niet-proportionele geldboetes van 11.500,00 EUR of in totaal 19.060,00 EUR, komen overeen met een administratieve sanctie met een strafrechtelijk karakter. Artikel 6 §1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is van toepassing in de mate dat de sanctie tot doel heeft een bepaald gedrag te bestraffen teneinde herhaling te voorkomen, eerder dan als schadevergoeding te gelden (E.H.R.M. 21 februari 1984, F.J.F. No. 94/104 (O.), zie ook E.H.R.M. 29 augustus 1997, R.W. 1998-99, 511, F.J.F. No. 97/245; E.H.R.M. 27 maart 1998, Fiscoloog 1998, nr. 656, 7). Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 25 mei 1999 de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bijgetreden (Cass. 25 mei 1999, F.J.F. No. 99/126; zie ook Brussel 12 oktober 2000, T.F.R. 2001, 194, noot S.H.; Cass. 26 juni 2000, T.F.R. 2000, 971, noot M.M.; Antwerpen 13 juni 2000, niet gepubl.; Antwerpen 29 juni 1999, F.J.F. No. 99/286).

Gelet op dit strafrechtelijk karakter heeft de rechtbank de volle rechtsmacht om te oordelen over deze strafsancties waarbij de rechtbank, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, niet gebonden is door de bepalingen van de sancties in artikel 70 en de in uitvoering ervan genomen K.B.'s nrs. 41 en 44. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 van het EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen waaronder het evenredigheidbeginsel. Daarbij moet in acht genomen worden in welke mate het bestuur zelf gebonden is in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. Rekening mag worden gehouden met de persoon van de belastingplichtige (zie Cass. 13 februari 2009, F.J.F. No. 2009/232; Cass. 11 maart 2010, besproken in Fisc. Act. 2010, nr. 12, p. 2; Cass. 15 oktober 2010, juportal.be; Cass. 18 januari 2018, F.J.F. No. 2018/85; Cass. 16 mei 2022, F.20.0141.F, juportal.be, F.J.F. No. 2022/174). Voor zoveel als nodig merkt de rechtbank nog op dat, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, wel reeds in zijn bezwaar (e-mail bericht van 9 oktober 2018 — stuk 14 eiseres) verzocht heeft om een vermindering van de boetes. Hierop wordt in de beslissing van 21 december 2022 evenwel niet ingegaan.

De rechtbank stelt vast dat verweerder strikt genomen de wettelijke bepalingen heeft gevolgd voor het opleggen van de boetes overeenkomstig artikel 70 WBTW en de K.B.'s nrs. 41 en 44 zoals deze van toepassing waren voor de jaren 2016 en 2017. Daarbij had verweerder mogelijk nog meer onregelmatigheden kunnen bestraffen, maar mogelijk ook minder, waaruit volgt dat de administratie in het opleggen van de sancties zelf een beoordeling en een afweging heeft gemaakt of minstens had kunnen maken.

De rechtbank is van oordeel dat het onevenredig is om proportionele én niet-proportionele boetes op te leggen voor feiten die een zelfde oorsprong hebben. Dit terwijl de verschuldigdheid van de BTW mogelijk louter te wijten is aan een bewijsprobleem en gebrek aan stukken in hoofde van eiseres. Meer bepaald van het feit dat eiseres niet onbetwistbaar kan aantonen dat het margegoederen zijn die werden verkocht aan de Belgische afnemers. Daarbij kon eiseres ervan overtuigd zijn dat zij minstens gedeeltelijk niet aan de regeling van 'verkopen op afstand' onderworpen was en van oordeel zijn dat op het moment dat de verkopen werden verricht in 2016 en 2017, zij ter zake niet meer stukken of verantwoordingen diende te verzamelen omdat zij zich niet van het probleem bewust was. Verder is het ook een feit dat uit de stukken blijkt dat eiseres wel de BTW op de betrokken verrichtingen heeft afgedragen in Nederland zodat er geen intentie aanwezig was om belasting te ontduiken. Dit is ten andere ook de reden waarom verweerder een proportionele boete heeft opgelegd van 20 % en niet hoger. Verder is er vanwege eiseres steeds medewerking geweest met aanlevering van de stukken waarover zij beschikt en heeft zij van zodra het haar duidelijk werd dat er minstens voor een deel sprake was van 'verkopen of afstand', zich hierbij neergelegd en akkoord gegaan voor het deel dat volgens haar niet overeenkwam met margeverkopen. Bij de beoordeling is de rechtbank tot slot van oordeel dat er ook rekening moet gehouden worden met het feit dat eiseres op 9 oktober 2018 een bezwaarschrift indiende, waarna er pas een beslissing volgde op 21 december 2022 of meer dan vier jaar later, waarbij verweerder dan ook nog eens liet uitschijnen dat zij zich voor haar beslissing baseerde op inlichtingen van de Nederlandse belastingdienst die er op dat moment nog helemaal niet waren. Dit lange tijdsverloop heeft mogelijk tot gevolg dat er effectief een dubbele belasting ontstaat doordat er daardoor geen restitutie meer kan worden bekomen van de aldus ten onrechte in Nederland betaalde BTW.

Gelet op het voorgaande, waarbij de niet-betaling van de verschuldigde BTW samenhangt met de niet-naleving van de BTW-formaliteiten in dit verband, is de rechtbank van oordeel dat het niet evenredig is om in casu bovenop de proportionele boete van 20 %, die op zich ook nog aan nalatigheidsinteresten onderworpen is, de niet-proportionele boetes toe te passen. Daarbij dient nog opgemerkt te worden dat in het standpunt van verweerder alle verkopen aan België vallen onder de regeling van de 'verkopen op afstand' waarbij dus verondersteld wordt dat verkocht wordt aan particulieren. Om die reden is het niet evenredig om eiseres te straffen met een geldboete van 6.000,00 EUR voor het niet indienen van de klantenlistings of de jaarlijkse lijst van de BTW-belastingplichtige afnemers (in België) die er dus ook in het standpunt van verweerder niet zijn. Ook al had dan mogelijk een nihil-listing ingediend moeten worden; schade heeft verweerder door het niet-indienen van de listings zeker niet geleden.

5. Gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet vertegenwoordigd werd door een advocaat, is geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan verweerder.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

- verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

- verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en grotendeels ongegrond;

- ontheft de vordering van verweerder gekend onder artikelnummer 500.2008.32210 in de mate dat daarin niet-proportionele geldboetes in toepassing van artikel 70 § 4 WBTW begrepen zijn voor een bedrag van 11.500,00 EUR;

- beveelt de terugbetaling van de aldus ten onrechte betaalde of geïnde bedragen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 § 4 WBTW;

- veroordeelt eiseres tot betaling van de kosten van het geding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 20 november 2025, waar aanwezig waren : de heer Patrick LAUWERS, rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw Aline CARTON, griffier.

Aangehaalde teksten

12
WBTW art. 706 voorkomens
WBTW art. 153 voorkomens
WBTW art. 593 voorkomens
WBTW art. 582 voorkomens
WBTW art. 141 voorkomen
WBTW art. 25ter1 voorkomen
WBTW art. 401 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8