Toevallige belastingplichtige, Recht op aftrek, Onregelmatige factuur · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 2014/RG/599 14 september 2016

Zoeken
Tekst in het Frans

Toevallige belastingplichtige, Recht op aftrek, Onregelmatige factuurToevallige belastingplichtige – Recht op aftrek - Onregelmatige factuur – Verwerping van de aftrek – Proportionele geldboete – Mogelijkheid van de rechter om de boeten te verminderen – Uitstel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/toevallige-belastingplichtige-recht-aftrek-onregelmatige-hof-van-beroep-brussel-2016-09-14-ff58

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Rolnummer
2014/RG/599
Datum
14 september 2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

114 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Luik dd. 14.09.2016 (2014/RG/599)

WF: 706-15-11/061217

Belasting over de toegevoegde waarde – toevallige belastingplichtige – Recht op aftrek - Onregelmatige factuur – Verwerping van de aftrek – Proportionele geldboete – Mogelijkheid van de rechter om de boeten te verminderen – Uitstel

Wetgeving

W.btw: artikelen 8 en 45, § 1

Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting: artikel 5

Koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde: artikel 3

Koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970: artikel 2

Samenvatting

1. Het recht op aftrek is een fundamentele regeling van het gemeenschappelijk btw-stelsel dat in de regel niet kan worden beperkt en onmiddellijk wordt uitgeoefend voor alle belasting die op in een eerder stadia verrichte handelingen rusten.

Evenwel werd beslist door het Hof van Justitie van de Europese Unie dat “de bepalingen van de Zesde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke belastingplichtige-dienstontvangers het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde kan worden geweigerd wanneer zij in het bezit zijn van onvolledige facturen, ook al worden die facturen, nadat de beslissing tot weigering van aftrek is genomen, vervolledigd via overlegging van gegevens waaruit mogelijkerwijs blijkt dat de gefactureerde handelingen daadwerkelijk zijn verricht en waaruit ook de aard en het bedrag ervan aan het licht treden (EHvJ, 8 mei 2013, zaak C-271/12, Petroma Transports SA t. Belgische Staat).

2. De vermeldingen op de facturen moeten toelaten de juiste inning van de btw en de controle daarop door de belastingadministratie te verzekeren.

Volgens artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 dienen de factuur en het in artikel 2 bedoeld stuk te vermelden: “de datum waarop ze worden uitgereikt en een opeenvolgend nummer, volgens één of meer reeksen, dat deze stukken op eenduidige wijze identificeert, waaronder ze worden ingeschreven in het boek voor inkomende facturen van de leverancier of de dienstverrichter”.

De omstandigheid waarin het opeenvolgend nummer aangebracht op de factuur, die werd uitgegeven door de leverancier, niet overeenstemt met de boekhoudkundige inschrijving in het boek voor inkomende facturen van voornoemde vennootschap heeft een controle van de inning van de belasting door middel van de periodieke btw-aangifte door de btw-administratie effectief onmogelijk gemaakt.

Deze vermeldingen zijn niet van nut voor de inning en de controle van de belasting en “het arrest dat, enerzijds, vaststelt dat de litigieuze facturen verschillende onregelmatigheden vertonen t.a.v. de vermeldingen die verplicht erop moeten voorkomen en waaruit, anderzijds, niet volgt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie, beslist derhalve niet naar recht dat de belastingplichtige de BTW betreffende de voornoemde facturen mocht aftrekken” (Cass. 19 september 1996, C.95.0383.F, http://jure.juridat.just.fgov.be).

Hieruit volgt dat de administratie de aftrek van de belasting met betrekking tot de betwiste handeling terecht heeft geweigerd aan betrokkene. De omstandigheid waarbij betrokkene – nadat de beslissing tot weigering van de aftrek is genomen - bewijzen hadden geleverd waaruit blijkt dat de gefactureerde handelingen daadwerkelijk zijn verricht en waaruit ook de aard en het bedrag ervan blijkt, doet - gelet op de vermelde communautaire rechtspraak- geen afbreuk aan voorafgaande overwegingen.

3. De btw-administratie heeft op de belasting verschuldigd op de uitgaande handelingen de proportionele geldboeten voorzien in artikel 70, § 1, W.btw - zijnde het dubbel van de ontdoken belasting- toegepast en heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van koninklijk besluit nr. 41 deze boete niet verminderd.

Het hof van beroep kan enkel vaststellen dat de boete wettelijk verschuldigd is overeenkomstig artikel 70, W.btw, en dat de intentie om belasting te ontduiken voldoende aangetoond was door het opstellen van een fictieve factuur die nooit was ingeschreven in de boekhouding van de vennootschap van de leverancier, vennootschap waar een van betrokkenen zaakvoerder was.

Een ruime interpretatie van de toetsing met ‘volle rechtsmacht’ laat bovendien het Hof niet toe om een loutere opportuniteitscontrole van de sanctie uit te voeren; een wettigheidstoetsing van de fiscale geldboete samen met een evenredigheidscontrole volstaat om te voldoen aan de eis van een toetsing met ‘volle rechtsmacht’ (E.H.R.M., Silvester’s Horeca Service, 4 maart 2004; E.H.R.M., Gubler vs France, 27 juli 2006, punt 26).

De macht van de rechter mag niet verward worden met de macht die door het Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 (artikel 9) wordt toegekend aan de Minister van Financiën in het kader van de genadeverzoeken.

In deze omstandigheden, moeten de opgelegde geldboeten gehandhaafd worden ten laste van de voornaamste betrokkene, maar het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen rechtvaardigt dat de boete niet kan verhaald worden in hoofde zijn echtgenote omdat niks er op wijst dat zij bewust meewerkte aan de frauduleuze handeling, zelfs niet indien zij er kennis van had gehad.

4. De voornaamste betrokkene vraagt het Hof bovendien tevergeefs om het toekennen van uitstel ingevolge het arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 november 2008 (Grondw. H., 6 november 2008, nr. 157/2008) en de arresten uitgesproken als gevolg hiervan op 21 februari 2013 (Grondw. H. nr. 13/2013) en 27 maart 2014 (Grondw. H., 27 maart 2014, nr. 55/2014).

De voornoemde arresten zijn het gevolg van een prejudiciële vraag en zijn van mening dat artikel 70, W.btw niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, in zoverre het voor de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk is het voordeel van een uitstel van de boete voorzien door deze bepaling, te verlenen aan de overtreder.

Echter, in de huidige stand van zaken van de wetgeving komt het toekenning van een uitstel neer op een definitieve vrijstelling van de boete omdat de wet geen voorwaarden heeft voorzien om het voordeel van uitstel in te trekken, noch in een instantie die beslist over de eventuele intrekking van het uitstel.

Indien het Hof het gebrek aan een wettelijke regeling zelf zou ondervangen, dan zou zij wetgevend werk verrichten en zodoende het beginsel van de scheiding der machten schenden.

In de huidige stand van de wetgeving kan derhalve het voordeel van uitstel niet worden toegekend. Het is de rol van de wetgever om een wettelijke regeling uit te werken met betrekking tot uitstel inzake geldboeten.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr 13/2013 merkt trouwens verder op dat “B.4.3. Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou geweest zijn uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien”.

In ieder geval, en in de veronderstelling dat deze maatregel door de wet was voorzien, was er geen reden geweest om het uitstel tot te kennen gelet op de ernst van de vastgestelde feiten.

Opmerkingen

1. In casu werd in het bestreden vonnis een onjuiste toepassing gemaakt van de EU-rechtspraak inzake het fiscale neutraliteitsbeginsel. Het Hof merkte terecht op dat volgens het arrest Petroma van 8 mei 2013 (C-271/12), de bepalingen van de zesde richtlijn 77/388/EEG van 7 mei 1977 (thans Richtlijn 2006/112), zoals gewijzigd door de richtlijn 94/5/EG van de Raad van 14 februari 1994 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen de nationale wetgeving krachtens dewelke het recht op aftrek van de btw kan worden geweigerd aan belastingplichtige-dienstontvangers die in het bezit zijn van onvolledige facturen. Worden die vervolledigd , nadat de beslissing tot weigering van de aftrek is genomen, via de overlegging van een aantal gegevens waaruit mogelijkerwijs blijkt dat de gefactureerde diensten daadwerkelijk zijn verricht en waaruit ook de aard en het bedrag van deze handelingen aan het licht treden, dan moet op die beslissing niet worden teruggekomen.

2. Inzake de proportionele geldboete, maakt het hof van beroep een correct onderbouwde toepassing van de principes uiteengezet door het Grondwettelijk hof en het Hof van Cassatie (niet geciteerd in het arrest) en verwerpt ze de vraag voor vermindering van de geldboete. Met betrekking tot de vraag om uitstel, stelt zij uitdrukkelijk vast dat er in onderhavig geval geen reden is om een uitstel toe te kennen gelet op de ernst van de inbreuk, zelfs indien de wetgever in deze mogelijkheid had voorzien. Het besluit van het Hof is eveneens gebaseerd op het beginsel van de scheiding der machten.

Tekst van het arrest

Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Arrêt de la Cour d’appel de Liège

dd. 14.09.2016

(2014/RG/599)

EN CAUSE DE :

ETAT BELGE, SPF FINANCES, 1er bureau de recette TVA, dont les bureaux sont établis à 5000 NAMUR, rue des Bourgeois, 7,

- partie appelante, représentée par Maître F. J., avocat à …, …

CONTRE:

M. X., domicilié à …, …,

M. A.-F., domiciliée …, …,

- parties intimées, représentées par Maître P. C., avocat à …, …

_____

Vu les feuilles d'audiences des 7 mai 2014 -8 juin 2016 et de ce jour

_____

APRÈS EN AVOIR DÉLIBÉRÉ:

Vu le dossier de procédure en forme régulière et notamment:

- en copie conforme le jugement rendu le 15 janvier 2014 par le tribunal de première instance d'Arlon dont il n'apparaît pas qu'il aurait été signifié,

- la requête d'appel déposée au greffe le 10 avril 2014 par l'Etat belge,

- les conclusions et les dossiers des parties.

Attendu que l'appel a été interjeté dans les formes et délais légaux, que sa recevabilité n'est pas contestée et qu'il n'existe aucun moyen d'irrecevabilité à soulever d'office par la cour, qu'en conséquence l'appel doit être déclaré recevable;

Attendu que la présente décision est fondée sur les éléments de fait et de droit développés ci-après:

I. les faits et l'objet du litige:

Attendu que, sur ce point, la cour se réfère à l'exposé du premier juge tel qu'il figure au jugement déféré sous l'intitulé « Faits et antécédents» ;

Qu'il suffit de rappeler que le litige dévolu à la cour porte sur l'opposition de X. M. et son épouse, A.-F. M. à la contrainte TVA C.T.R.I … décernée le 23 mars 2011, visée et rendue exécutoire le 24 mars 2011 (cfr. pièce 1 du dossier administratif) ;

Que cette contrainte a été établie sur base d'un procès-verbal dressé le 25 février 2011 (cfr. pièce 2 du dossier administratif) et reprend des taxes dues de … euros au titre de TVA, … euros au titre d'amendes proportionnelles (article 70 §§ 1-3, §5 et 71 du Code TVA), montant augmenté des intérêts, calculés à partir du 2 avril 2011 ;

Attendu que les intéressés ont acquis, en date du 26 août 2008, une maison d'habitation sise à …, …, en l'état de gros œuvre fermé auprès de la SPRL P., dont X. M. était le gérant (cfr. pièce 4 du dossier administratif) ;

Que par une déclaration 104.1 du 25 novembre 2010, ils ont sollicité le statut d'assujettis occasionnels au sens de l'article 8 du Code TVA et qu'ils ont revendu leur bien par un acte du 2 décembre 2010 pour un prix, terrain non compris, de … euros HTVA (cfr. pièce 5 du dossier administratif) ;

Qu'ils ont déposé, le 4 janvier 2011, la déclaration visée à l'article 2 de l'arrêté royal n° 14, par le biais de laquelle ils ont notamment fait valoir leur droit à déduction de la taxe due sur la cession à concurrence d'un montant de … euros, correspondant au montant de la TVA grevant une facture émise par la SPRL P. et contenant l'achat de l'immeuble précité (cfr. pièce 7 du dossier administratif) ;

Que l'administration fiscale a rejeté la déduction sollicitée, au motif que le document présenté (facture 08-88 jointe en annexe à la déclaration du 4 janvier 2011 -cfr. pièce 3 du dossier administratif) aurait été confectionné a posteriori en vue de s'octroyer un droit à déduction qui aurait dès lors été opéré à tort;

Attendu que par un jugement du 15 janvier 2014, le tribunal de première instance d'Arlon a dit que X. M. et A.-F. M. n'étaient pas redevables de la TVA mentionnée au procès-verbal du 25 février 2011 ni de l'amende de 200 %, ni des intérêts de retard, qu'il a déclaré la contrainte décernée le 23 mars 2011 nulle et de nulle effet, qu'il a condamné l'Etat belge à restituer toutes sommes prélevées/payées/imputées en application du procès-verbal du 25 février 2011 ou de la contrainte du 24 mars 2011 et qu'il a condamné l'Etat belge aux dépens non liquidés;

Que devant la cour, l'appelant conclut à la réformation du jugement entrepris et sollicite qu'il soit dit pour droit que le droit à déduction de X. M. et A. F. M. soit déclaré non fondé; qu'à titre subsidiaire, dans l'hypothèse où la cour devrait reconnaître dans le chef des intéressés un droit à déduction de la TVA, il demande de retenir sur base de l'article 51bis du Code TVA que ceux-ci étaient tenus d'acquitter la taxe sur la facture litigieuse; qu'il sollicite enfin la condamnation des intimés aux dépens des deux instances, liquidés à … euros par instance;

Que les intimés concluent au non fondement de l'appel et à la confirmation du jugement entrepris, en toutes ses dispositions ; qu'à titre subsidiaire, ils sollicitent de supprimer et/ou réduire l'amende de 200 % et/ou de leur accorder un sursis quant à l'application de l'amende; qu'ils demandent enfin la condamnation de l'Etat belge aux dépens des deux instances, liquidés à … euros par instance;

II. Discussion

II.1. Quant au droit à déduction de la TVA

Attendu que les intimés font valoir que l'irrégularité de la facture émise par la SPRL P. (notamment quant à sa numérotation) n'est pas de nature à remettre en cause l'exercice du droit à déduction de la TVA;

Attendu que l'article 45, § 1er, du Code de la TVA, tel qu'il était applicable pour l'année concernée, dispose que:

« § 1er Tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable, les taxes ayant grevé les biens et les services qui lui ont été fournis, les biens qu'il a importés et les acquisitions intracommunautaires de biens qu'il a effectuées, dans la mesure où il les utilise pour effectuer:

1° des opérations taxées»

Que « les articles 18, paragraphe 1, sous a), et 22, paragraphe 3, sous a) et b), de la sixième directive 77/388 du Conseil, du 17 mai 1977, permettent aux États membres de subordonner l'exercice du droit à déduction à la détention d'une facture contenant obligatoirement certaines mentions nécessaires pour assurer la perception de la taxe sur la valeur aioutée et son contrôle par l'administration fiscale. De telles mentions ne doivent pas, par leur nombre ou leur technicité, rendre pratiquement impossible ou excessivement difficile l'exercice du droit à la déduction. Il appartient à la juridiction nationale d'apprécier si les mentions exigées par la réglementation belge sont ou non conformes aux critères ci-dessus énoncés » (c'est la cour qui souligne) (C.J.U.E., 14 juillet 2008, C-123/87 et C330/87, points 28 et 28) ;

Que l'article 3, § 1er, 1°, de l'arrêté royal n° 3 du 10 décembre 1969 précise que « pour pouvoir exercer son droit à déduction, l'assujetti doit: 1° pour la taxe grevant les biens et les services qui lui ont été fournis, détenir une facture délivrée conformément aux articles 53, § 2 et 53octies, du Code et contenant les mentions visées à l'article 5, § 1er, de l'arrêté royal n° 1 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée »;

Que selon cet article 5, § 1er de l'arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée, « La facture et le document visé à l'article 2 portent les mentions suivantes:

1° la date à laquelle ils sont délivrés et un numéro séquentiel, basé sur une ou plusieurs séries qui identifie ces documents de façon unique, sous lequel ils sont inscrits au facturier de sortie du fournisseur ou du prestataire de services » ;

Attendu que le droit à déduction est certes un principe fondamental du système commun de la TVA qui ne peut, en principe, être limité et qui s'exerce immédiatement pour la totalité des taxes ayant grevé les opérations effectuées en amont (cfr. en ce sens, CJUE, 6 décembre 2012, Bonik, C-285/11, points 25 et 26 ainsi que jurisprudence citée) ;

Que le régime des déductions ainsi établi vise à soulager entièrement l'entrepreneur du poids de la TVA due ou acquittée dans le cadre de toutes ses activités économiques et que le système commun de la TVA garantit de cette manière la neutralité quant à la charge fiscale de toutes les activités économiques, quels que soient les buts ou les résultats de celles-ci, à condition que lesdites activités soient, en principe, elles-mêmes soumises à la TVA (cfr. CJUE, 29 avril 2004, Faxworld, C-137/02,.Rec. p. I-5547, point 37, et CJUE, 22 décembre 2010, Dankowski, C-438/09, Rec. p. I-14009, point 24) ;

Qu'il a cependant été jugé par la Cour de justice de l'Union européenne que « les dispositions de la sixième directive doivent être interprétées en ce sens qu'elles ne s'opposent pas à une réglementation nationale, telle que celle en cause au principal, en vertu de laquelle le droit à déduction de la TVA peut être refusé à des assujettis qui détiennent des factures incomplètes, même si ces dernières sont complétées par la production d'informations visant à prouver la réalité, la nature et le montant des opérations facturées après l'adoption d'une telle décision de refus» (cfr. CJUE, 8 mai 2013, affaire C-271/12, Petroma Transports SA c. Etat belge) ;

Que cet arrêt précise par ailleurs que le principe de neutralité fiscale ne s'oppose pas à ce que l'administration fiscale refuse la restitution de la taxe sur la valeur ajoutée acquittée par une société prestataire de services alors que l'exercice du droit à déduction de la taxe sur la valeur ajoutée ayant grevé ces services a été refusé aux sociétés preneuses desdits services du fait des irrégularités constatées dans les factures émises par ladite société prestataire de services;

Que les mentions figurant sur les factures doivent permettre le contrôle de l'exacte perception de la taxe par l'administration fiscale;

Attendu que la SPRL P. était identifiée à la TVA pour une activité de promoteur immobilier et que le gérant était l'intimé X. M. ;

Que la société a été déclarée en faillite le 3 septembre 2009 ;

Que dans le cadre du traitement de la déclaration 104.1 déposée par les intimés le 25 novembre 2010 (cfr. supra), il est apparu que la vente du 26 août 2008 par la SPRL P. aux intimés n'avait pas été reprises dans les déclarations mensuelles à la TVA déposées ni en 2008, ni en 2009 ;

Que lors du contrôle de la comptabilité de la société faillie, il est apparu que la facture enregistrée sous le numéro … était datée du 16 janvier 2009, qu'elle reprenait une base taxable d'un montant de … euros et que par conséquent, elle concernait une opération totalement étrangère à la vente litigieuse (intitulée « G. 08-88 -Solde G. ») (cfr. pièce 8 du dossier administratif) ;

Que le prix payé à l'occasion de la vente litigieuse représenté par un chèque n° … tiré sur la banque ING du compte n° … (cfr. pièce 1 du dossier des intimés) et encaissé par le notaire P. B. pour le compte du vendeur, la SPRL P., n'a en outre pas été porté au crédit du compte d'entreprise CBC n° … de cette dernière (cfr. pièce 9 du dossier administratif) ;

Que la circonstance que le numéro séquentiel apposé sur la facture émise par la SPRL P. ne corresponde pas aux inscriptions comptables du facturier de sortie a effectivement rendu impossible le contrôle, par l'administration de la TVA, de la perception de la taxe relative à cette opération au travers de la déclaration périodique à la TVA de la SPRL P. ;

Que ces mentions ne sont pas dépourvues d'utilité pour la perception et le contrôle de la taxe, et que « l'arrêt, qui, d'une part, constate que les factures litigieuses présentent diverses irrégularités au regard des mentions devant obligatoirement y figurer, et d'où, d'autre part, il ne résulte pas que ces mentions étaient inutiles pour la perception de la taxe sur la valeur ajoutée et son contrôle par l’administration, ne décide pas légalement que l'assujetti pouvait déduire la taxe sur la valeur ajoutée afférente auxdites factures» (cfr. Cass., 19 septembre 2006, C.95.0383.F, www.cass.be) ;

Qu'il s'ensuit que c'est à juste titre que l'appelant refuse la déduction par les intimés des taxes relatives à l'opération litigieuse;

Que la circonstance que les intimés auraient produit des informations visant à prouver la réalité, la nature et le montant des opérations facturées après l'adoption d'une telle décision de refus n'est pas de nature à énerver les considérations qui précèdent, au vu de la jurisprudence communautaire citée (cfr. CJUE, 8 mai 2013, affaire C-271/12, Petroma Transports SA c. Etat belge);

II.2. Quant à l'amende

Attendu qu'aux termes de son procès-verbal du 25 février 2011, l'administration de la TVA a appliqué pour les taxes dues sur les opérations à la sortie, les amendes proportionnelles prévues par l'article 70, § 1er du Code de la TVA qui s'élèvent à deux fois la taxe éludée et elle n'a pas réduit ces amendes en application de l'article 1er de l'arrêté royal n° 41 selon lequel « l'échelle de réduction prévue aux tableau A à J de l'annexe au présent arrêté n'est pas applicable en cas d'infractions commises dans l'intention d'éluder ou de permettre d'éluder la taxe « ;

Que la cour ne peut que constater que celle-ci est légalement due conformément à l'article 70 du code TVA, et que l'intention d'éluder l'impôt a été valablement motivée « par l'établissement d'une facture fictive qui n'a jamais été inscrite dans le comptabilité de la S.P.R.L. P., dont M. X. M. était le gérant « (cfr. page 2, in fine, du procès-verbal du 25 février 2011 -pièce 2 du dossier administratif) ;

Qu'une interprétation extensive du contrôle de pleine juridiction ne permet par ailleurs pas à la cour d'exercer un contrôle d'opportunité de la sanction;

Qu'un contrôle de légalité des amendes fiscales, assorti d'un contrôle de proportionnalité est suffisamment étendu pour satisfaire à l'exigence de pleine juridiction (cfr. C.E.D.H., Silvester's Horeca Service, 4 mars 2004; C.E.D.H., Gubler c/ France, 27 juillet 2006, point 26) ;.

Que le pouvoir du juge ne peut se confondre avec celui du ministre dans le cadre de l'arrêté du Régent n° 78 du 18 mars 1931 (article 9), pouvoir conféré au ministre dans le cadre d'une procédure gracieuse et non contentieuse;

Que dans ces circonstances, les amendes infligées doivent être maintenues à charge de X. M.;

Que cependant, le principe de personnalité des peines justifie que l'amende ne soit pas recouvrable dans le chef de l'intimée A.-F. M., étrangère à la SPRL P., dont rien n'indique qu'elle a participé sciemment à l'opération frauduleuse, voire même qu'elle en ait eu connaissance (cfr. en ce sens: Liège, 24 mai 2012, R.G. n° 10/5460/A; Bruxelles, 10 avril 2003, FJF, 2004, liv. 2, p. 168) ;

Que l'amende ne peut être poursuivie qu'à charge de l'époux coupable d'une intention frauduleuse, ce que n'est pas l'épouse intimée;

Qu'il résulte de ce qu'il précède qu'il y a lieu de la décharger de l'amende lui infligée;

Attendu que l'intimé sollicite par ailleurs en vain l'octroi du sursis devant la cour de céans en exécution de l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 6 novembre 2008 (C. const., 6 novembre 2008, n° 157/2008), et ceux rendus à sa suite les 21 février 2013 (C. const., 21 février 2013, arrêt 13/2013) et 27 mars 2014 (C. const., 27 mars 2014, arrêt n° 55/2014) ;

Que les arrêts précités ont été rendus sur question préjudicielle et ont considéré que l'article 70 du Code TVA viole les articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme, en ce qu'il ne permet pas au tribunal de première instance d'assortir d'un sursis l'amende prévue par cette disposition;

Que cependant, l'octroi du sursis pour l'amende infligée reviendrait en l'état actuel de la législation à une exonération définitive de l'amende, dès lors que la loi ne prévoit pas les conditions qui permettraient le retrait du bénéfice du sursis ni l'instance qui devrait décider d'un éventuel retrait;

Que si la cour devait pallier elle-même l'absence de régime légal, elle ferait œuvre législative et, partant, violerait le principe de la séparation des pouvoirs; qu'en l'état actuel de la législation, le bénéfice du sursis ne peut dès lors être octroyé; qu'il incombe au législateur d'élaborer le régime légal de sursis applicable à ces amendes (cfr. dans le même sens: Gand, 3 décembre 2013, R.G.C.F., 2014/2, p. 169);

Que l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 21 février 2013 cité par l'intimé relève par ailleurs que:

« B.4.3. Ce constat d'inconstitutionnalité partielle n'a toutefois pas pour conséquence que cette disposition ne pourrait plus, dans l'attente d'une intervention législative, être appliquée par les juridictions lorsque celles-ci constatent que les infractions sont établies, que le montant de l'amende n'est pas disproportionné à la gravité de l'infraction et qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi» ;

Qu'en tout état de cause, et à supposer que cette mesure avait été prévue par la loi, il n'y aurait pas lieu d'appliquer un sursis à l'intimé en raison de la gravité de l'infraction constatée;

Beschikkend gedeelte

PAR CES MOTIFS:

Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935, la cour, statuant contradictoirement, arrête que:

1. L'appel est recevable et fondée,

2. Le jugement entrepris est réformé,

3. La contrainte litigieuse C.T.R.I … décernée le 23 mars 2011, visée et rendue exécutoire le 24 mars 2011 est déclarée bonne et valable et peut être recouvrée à charge de X. M. et son épouse, A.-F. M., sauf en ce qui concerne l'amende de 200 % qui ne peut être recouvrée qu'à charge de l'intimé X. M.,

4. les intimés X. M. et A.-F. M. supportent leurs propres dépens d'instance et d'appel et sont condamnés aux dépens correspondant de l'Etat belge liquidés à … euros (2 x … euros).

Ainsi jugé et délibéré par la NEUVIÈME chambre de la cour d'appel de Liège, où siégeaient le président J.-P. A. et les conseillers P. G. et I. D. et prononcé en audience publique du 14 septembre 2016 par le président J.-P. A., avec l'assistance du greffier J. B..

J. B.

Ph. G.

Aangehaalde teksten

20

Vergelijkbare beslissingen

8