Recht op aftrek, Valse facturen, Opeenstapeling van vermoedens, Redelijkheidsbeginsel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 24/259/A 20 april 2026

Zoeken

Recht op aftrek, Valse facturen, Opeenstapeling van vermoedens, Redelijkheidsbeginsel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-valse-facturen-opeenstapeling-rechtbank-2026-04-20-fb61

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Rolnummer
24/259/A
Datum
20 april 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

162 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 20.04.2026 (24/259/A)

FIN 55075208/01

Recht op aftrek - Valse facturen - Opeenstapeling van vermoedens - Redelijkheidsbeginsel

Samenvatting

Niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg Oost‑Vlaanderen,

Afdeling Gent

6e burgerlijke kamer

Vonnis

20.04.2026

24/259/A

In de zaak van:

Cie1, KBO ..., met zetel te ...,

eisende partij, hebbende als raadsman mr. ZAGHEDEN MEHDI, advocaat te 9052 Gent, Bollebergen 2A bus 20;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën – Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, handelend ten verzoeke van de Adviseur‑generaal, AABBI 5e Directie, Cel Geschillen, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 805, KBO 0308.357.159,

verwerende partij, voor wie optreden mevrouw D.C. en mevrouw V.I., beiden adviseur bij een fiscaal bestuur;

beslist de rechtbank als volgt:

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 12 maart 2026. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en het gedinginleidend verzoekschrift van 15 januari 2024, de conclusies en stavingsstukken van partijen.

II. DE VORDERING

Eiseres vordert in synthesebesluiten de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren :

"IN HOOFDORDE

Dienvolgens te zeggen voor recht dat de BTW-vordering met RCIV-nummer artikel nr. ..., datum van opstelling van het register 27 november 2023 en uitvoerbaar verklaard op 28 november 2023, voortvloeiend uit het proces‑verbaal van taxatie dd. 17 oktober 2023 met referentie CSC/20/0142/21/0007/BTW nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren.

Dienvolgens te zeggen voor recht dat alle sommen die mochten zijn of worden geïnd door gedaagde, door gedaagde dienen terugbetaald te worden, samen met de moratoriuminteresten verschuldigd overeenkomstig de wet.

IN ONDERGESCHIKTE ORDE

Minstens de nietigheid van de belastingverhoging (200%) uit te spreken wegens het gebrek aan het opzet tot ontduiking in hoofde van [eiseres], dan wel uitstel van belastingverhoging toe te kennen.

IN MEEST ONDERGESCHIKTE ORDE

De belastingverhoging te herleiden tot 20%.

RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Verweerster te veroordelen tot het betalen van de kosten van deze procedure, in hoofde van [eiseres] begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van € 7.500,00."

Verweerster vordert in syntheseconclusie om de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1. Verweerster heeft een fiscale controle uitgevoerd bij eiseres, die als btw‑plichtige is geregistreerd voor haar activiteit van elektrotechnische installatiewerken aan gebouwen (voornamelijk werken in regie, grond- en bestratingswerken en trekken van kabels). De vennootschap werd opgericht in 2015 en de zaakvoerder is M.O.. Uit het nazicht inzake de periode 2016 t.e.m. 2020 bleken een aantal inbreuken op de btw‑wetgeving, met name de aftrek van btw op 'valse facturen' betreffende de aankoop van diesel bij Cie2.

2. Op 17 oktober 2023 werd een proces‑verbaal van taxatie inzake de btw opgemaakt en ter kennis gebracht aan eiseres (stuk 1 verwerende partij). De verschuldigde sommen aan btw, boete en intresten die blijken uit dit proces‑verbaal werden opgenomen in het artikel nr. ... bij de Administratie van Inning en Invordering. Wegens gebrek aan betaling werd het artikel opgenomen in het Register van Inning en Invordering dat werd uitvoerbaar verklaard op 28 november 2023 (stuk 2 verwerende partij).

3. Op 15 januari 2024 heeft eiseres een verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank om de taxatie te laten vernietigen.

IV. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

2. Ten gronde

Inzake het recht op aftrek van BTW

2.1. Eiseres werpt op dat het bewijs van de vermeende valse aankoopfacturen ontbreekt.

Verder betwist eiseres:

•Dat de facturen niet bewijskrachtig zijn en dat de onderliggende brandstoftickets niet werden bijgehouden;

•De kost van de brandstof t.o.v. de omzet van de onderneming;

•De evolutie van de brandstofkosten in de tijd.

Ten slotte spreekt eiseres tegen, hetgeen door verweerster wordt gesteld, dat door verschillende pompstations misbruik zou zijn gemaakt bij de opmaak van de facturen. Dergelijk bewijs ligt niet voor.

In dit verband argumenteert eiseres dat de BBI vertrekt vanuit een eigen gemaakte simulatie, waarbij geschat werd hoeveel kilometers eiseres reed met welke voertuigen, en welk verbruik dit met zich meebracht. Op basis hiervan meent zij dat eiseres maar recht heeft op een recht van aftrek van 15.149,92 EUR, dit verspreid over 6 boekjaren. Volgens eiseres is deze zienswijze gesteund op een verboden cumulatie van vermoedens, hetgeen dan ook resulteert in een willekeurige taxatie.

2.2. Overeenkomstig artikel 45, § 1, van het W.BTW, mag elke belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4' tot 10', telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.

Op grond van het hierboven genoemde artikel en van artikel 1, § 2 van het KB nr. 3 van 10 december 1969, komt in geen geval voor aftrek in aanmerking, de btw geheven op de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

De uitoefening van het recht op aftrek veronderstelt dat de belastingplichtige:

•het bewijs levert van de echtheid en de aard van de leveringen van goederen en de verrichte diensten;

•het bewijs levert dat de goederen of diensten gebruikt zullen worden onder de voorwaarden van artikel 45 van het btw‑wetboek.

In het Koninklijk Besluit nr. 3 zijn de formele voorwaarden opgenomen voor het uitoefenen van de aftrek. Om te kunnen vaststellen dat aan de materiële voorwaarden is voldaan moet een geheel van bewijsstukken worden voorgelegd:

•een regelmatige factuur in de zin van artikel 5 van het KB nummer 1 van 29 december 1992 en artikel 3 §1, 1° van het KB nummer 3 van 10 december 1969;

•alle andere documenten of elementen (bestelbonnen, aankoopborderellen, leveringsbonnen, contracten, betalingsbewijzen, bankstukken, transportdocumenten, briefwisseling, e‑mailverkeer, prijsoffertes, ...) die toelaten de aard en omvang van de verrichte transacties vast te stellen.

2.3. De rechtbank stelt vast dat verweerster de volgende vaststellingen heeft gedaan:

•Uit de voorgelegde boekhouding van eiseres blijkt dat er voor significante bedragen facturen werden geboekt op de rekening '612120 Brandstof rollend materieel (auto)' en op rekening '612121 Brandstof rollend materieel (vrachtwagen)'. De grootste bedragen zijn daarbij afkomstig van facturen van Cie2 (proces‑verbaal p. 2 en voorbeeld boekjaar 2020 stuk 3 verwerende partij);

•De facturen van Cie2 werden opgemaakt en uitgereikt door het pompstation van Cie2 in L. (zie volledige lijst in proces‑verbaal p. 6 e.v.);

•De zelfstandige uitbaters van de pompstations van Cie2 konden (in de geviseerde periode) facturen opmaken voor belastingplichtige klanten, aan de hand van de tickets voor de afzonderlijke tankbeurten die binnengebracht werden;

•Het is niet Cie2 zelf dat de facturen uitreikt, terwijl wel naam, adres en btw‑nummer van Cie2 op de factuur staan. Enkel op basis van de stempel op de factuur ziet men dat de factuur werd uitgereikt door het pompstation in ...;

•De facturen werden cash betaald, zonder dat evenwel een ontvangstbewijs van de cash betaling voorgelegd werd;

•De facturen vermelden allemaal, met uitzondering van één kleine factuur, dat het gaat om de aankoop van diesel in een bepaalde periode (bv. 15 dagen). De facturen bevatten verder echter geen details. Het totaal aantal liter diesel dat zou zijn aangekocht staat niet vermeld, met uitzondering van aankoopfacturen 368, 369 en 370 van 2018, aankoopfacturen 35 en 36 van 2019 en de aankoopfacturen vanaf 1 juni 2020. Maar hierop staat enkel het totaal aantal liters, geen uitsplitsing per wagen, geen detail van welke wagens er getankt hebben.

2.4. Verder somt verweerster de feiten op inzake het vermoeden dat de facturen vals zouden zijn:

1° De vaststelling dat de facturen niet bewijskrachtig zijn en de onderliggende bewijsstukken (de tickets) niet werden bijgehouden;

2° Het bedrag aan geboekte brandstofkosten in verhouding tot de omzet;

3° De evolutie van de geboekte brandstofkosten door de tijd;

4° De vaststelling dat de manier van werken bij Cie2 misbruik en fraude toelaat, samen met de vaststelling dat verschillende pompstations een "handel" in valse facturen hebben opgezet.

2.5. Volgens de vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie heeft de belastingplichtige recht op aftrek van de btw wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan (zie randnummer 2.2.).

De belastingplichtige verliest dit recht op aftrek ingeval van bedrog of misbruik, of in geval de niet-naleving van de formele voorwaarden verhindert dat het bewijs van het voldaan zijn aan de materiële voorwaarden kan worden geleverd. Van dit laatste geval kan er sprake zijn wanneer de identiteit van de werkelijke leverancier niet is vermeld op de factuur waarvoor het recht op aftrek van de btw wordt uitgeoefend, als dit verhindert dat deze leverancier wordt geïdentificeerd, en bovendien niet kan vastgesteld worden dat hij de belastingplichtige was, daar deze hoedanigheid één van de materiële voorwaarden van het recht op aftrek is.

Deze uitzonderingen werden opgenomen in artikel 79, §2 tweede lid W.BTW en artikel 60, §5 W.BTW.

2.6. De rechtbank stelt in dit verband vast, dat verweerster terecht heeft vastgesteld, dat het voor de facturen van Cie2 niet mogelijk is om een aantal zaken na te gaan. Zo kan verweerster, noch de rechtbank, vaststellen wanneer en door wie er werd getankt. Voor een groot gedeelte van de facturen kan ook niet worden vastgesteld voor hoeveel liter er werd getankt. Tevens kan niet vastgesteld worden dat er werd getankt met voertuigen van eiseres of met privé-voertuigen van de zaakvoerder en/of anderen.

2.7. De rechtbank is van oordeel, op grond van deze vaststellingen en het administratief dossier, dat de facturen aldus niet voldoen aan de vereisten van artikel 5 van KB nr. 1, aangezien ze niet de volgende gegevens bevatten:

•de datum waarop het belastbare feit voor de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

•de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.

2.8. Verder is de rechtbank van oordeel dat de bewijslast rust op de belastingplichtige, in casu eiseres, die het recht op aftrek uitoefent én niet op een derde partij, zoals eiseres ten onrechte voorhoudt. De tickets maken een wezenlijk onderdeel uit van de factuur (zo blijkt o.a ook uit de richtlijnen van Cie2 aan haar pomphouders: de tickets moeten aan de factuur gehecht worden). Bij Cie2 bestond in de gecontroleerde periode ook de mogelijkheid om tankkaarten te gebruiken die wel alle details over de tankbeurten bijhouden. Eiseres heeft, blijkbaar bewust, niet voor deze optie gekozen.

2.9. De rechtbank besluit in deze dan ook dat de werkelijkheid van de geleverde prestaties en de echtheid van de facturen van Cie2 niet afdoende wordt bewezen.

De voorliggende facturen van Cie2 worden niet afdoende ondersteund door objectieve en controleerbare onderliggende stukken.

Eiseres die het recht op aftrek van btw uitoefent faalt in haar bewijslast. Verweerster heeft terecht deze aftrek verworpen.

Inzake de opeenstapeling van vermoedens

2.10. Volgens eiseres is de berekening van de btw door verweerster gesteund op een verboden cumulatie van vermoedens, hetgeen resulteert in een willekeurige taxatie. Verweerster vertrekt vanuit een eigen gemaakte simulatie, waarbij geschat werd hoeveel kilometers eiseres reed en met welke voertuigen, en welk verbruik dit met zich meebracht.

2.11. Overeenkomstig artikel 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid.

Voor de vermoedens als bewijstechniek is het essentieel dat het bekende feit of de bekende feiten waaruit de redenering vertrekt, bekend zijn, dat wil zeggen, dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of nopens de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (Cass. 21 december 1990, RW 1990‑91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op http://jure.juridat.just.fgov.be).

2.12. De rechtbank stelt vast dat verweerster:

•niet alle facturen van Cie2 L. heeft verworpen. Zij heeft eerst berekend wat in de gegeven omstandigheden een normale aftrek zou zijn, en heeft dit vergeleken met de uitgeoefende aftrek. Enkel het verschil werd verworpen.

Zo blijkt uit het proces‑verbaal van taxatie dat er over 5 jaar (2016-2017-2018-2019 en 2020) een bedrag van 332.677,89 EUR netto + 69.862,36 EUR btw werd ingeboekt, en daarvan 65.921,05 EUR btw in aftrek werd gebracht.

Die afgetrokken btw van 65.921,05 EUR wordt aanvaard ten belope van 15.149,92 EUR en wordt verworpen voor een bedrag 50.771,13 EUR;

•ten eerste heeft vastgesteld welke wagens in de onderzochte periode hebben gereden: het wagenpark, samengesteld aan de hand van de gegevens bij het DIV en de boekhouding (proces‑verbaal p. 9);

•vervolgens heeft bekeken hoeveel kilometers de voertuigen hadden afgelegd, aan de hand van de registratie van de stand op de kilometerteller bij de periodieke keuring;

•daarna het gemiddelde verbruik van de voertuigen heeft opgezocht op de website van de Cie3. Van de 21 voertuigen voormeld werden er 17 teruggevonden op deze website. Tevens wordt per wagen niet enkel gekeken naar het verbruik volgens de fabrikant maar wordt er een te verwachten praktijkverbruik opgegeven, wat ongeveer 10 % hoger ligt dan het verbruik opgegeven door de fabrikant. Voor de overige wagens werd de meest betrouwbare bron gezocht (proces‑verbaal p. 10‑11);

•ten slotte de gemiddelde brandstofprijzen heeft opgezocht bij Statbel.

2.13. De rechtbank is van oordeel dat verweerster het feitelijk vermoeden correct heeft opgebouwd door te vertrekken van bekende feiten, te weten welke voertuigen in de onderzochte periode hebben gereden, het aantal kilometers dat de voertuigen hadden afgelegd, het gemiddelde verbruik van de voertuigen en de gemiddelde brandstofprijzen.

Eiseres kan de vermeende opeenstapeling van vermoedens niet afdoende bewijzen omdat de voorliggende facturen van Cie2 niet afdoende worden ondersteund door objectieve en controleerbare onderliggende stukken.

De rechtbank besluit dat van een willekeurige taxatie dan ook geen sprake is.

Inzake de schending van het redelijkheidsbeginsel

2.14. Eiseres argumenteert dat het redelijkheidsbeginsel is geschonden. Het verbod op willekeur is een toepassing van het redelijkheidsbeginsel, een algemeen beginsel van behoorlijk van bestuur. Het redelijkheidsbeginsel houdt in dat de administratie haar bevoegdheid op redelijke wijze moet toepassen in die gebieden waarin zij over een appreciatiebevoegdheid beschikt. Eiseres stelt:

"De Administratie mag geen vrijgeleide krijgen om met de natte vinger de aftrek van beroepsmatige kosten te reduceren."

2.15. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel in, alsook het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Volgens het vertrouwensbeginsel moet elke burger kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit impliceert dat de gerechtvaardigde verwachtingen welke door de overheid bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, moeten worden gehonoreerd, op gevaar af het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden (zie ook Cass. 15 februari 2013, F.11.0150.N, www.cass.be). De beginselen van behoorlijk bestuur zijn bindend voor de belastingadministratie.

2.16. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerster niet willekeurig is te werk gegaan bij de taxatie, is de argumentatie inzake het redelijkheidsbeginsel niet ter zake dienend.

Louter ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerster niet alle facturen van Cie2 L. heeft verworpen, hoewel daar blijkbaar grond voor was. Verweerster heeft wel degelijk gekozen voor een meer gematigde aanpak, waarbij er eerst werd berekend wat in de gegeven omstandigheden een normale btw aftrek zou zijn, en die werd vervolgens vergeleken met de door eiseres uitgeoefende aftrek. Enkel dit verschil werd verworpen.

De grief van eiseres is ongegrond.

Inzake de proportionele geldboete

2.17. Eiseres werpt op dat de opgelegde boete niet afdoende werd gemotiveerd.

De administratie toont niet aan dat er in hoofde van eiseres sprake is van het bijzonder oogmerk om belastingen te ontduiken. Niettemin indien de administratie toepassing wenst te maken van artikel 84, derde lid W.BTW dient zij aan te tonen dat er sprake is van een inbreuk op de bepalingen van het wetboek BTW die is gepleegd met een «bedrieglijk opzet» of het «oogmerk om te schaden».

Verder werpt eiseres op dat de boete nietig is wegens de miskenning van artikel 6 EVRM. Zij vraagt dan ook de kwijtschelding van de opgelegde boete.

2.18. Overeenkomstig artikel 70 §1 WBTW wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Overeenkomstig artikel 70 §1bis W. BTW verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbele van die belasting, in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.

Overeenkomstig artikel 84 WBTW wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Overeenkomstig artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de btw is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2.19. De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).

Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden.

2.20. De rechtbank stelt vast dat verweerster aan eiseres een proportionele geldboete overeenkomstig artikel 70, §1 bis W.BTW heeft opgelegd gelijk aan 200% van de gevorderde btw, met name 101.542,26 EUR.

Een dergelijke geldboete is volgens de rechtbank een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM.

Zo heeft verweerster in het proces‑verbaal van taxatie van 17 oktober 2023 de geldboete wel degelijk gemotiveerd:

"Op grond van artikel 1, laatste lid, van het Koninklijk besluit nummer 41 van 30 januari 1987 wordt geen toepassing gemaakt van de bij dit besluit opgenomen schalen tot vermindering van deze geldboeten, aangezien de overtredingen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De aankoopfacturen zijn immers vals (zie in extenso rubriek 22) en erop gericht de belasting te ontduiken."

En verder staat in rubriek 2.2:

“

•Alle facturen, voor zover de stempel zichtbaar is op de facturen, werden uitgereikt door de vestiging van Cie2 in L.. De facturen werden cash betaald zonder dat evenwel een ontvangstbewijs van de cash betaling voorgelegd werd.

•(…)

•Alle facturen vermelden 'Tickets meegegeven met de klant' en verder ook "Diesel, Self Serve, Cash". Cie1 heeft deze tickets zoals gezegd niet bezorgd hoewel dit gevraagd werd in de vraag om inlichtingen van 21 juni 2022. Nochtans zijn deze tickets de bewijzen dat er effectief werd getankt. De facturen van Cie2 worden niet gestaafd met onderliggende stukken. Nochtans blijkt zowel door vermelding op de factuur als uit de verklaring van Cie2 en enkele uitbaters van benzinestations van Cie2 dat er wel degelijk AFGESTEMPELDE tickets bij de factuur toegevoegd werden.

•Uit de herberekening van de brandstofkosten blijkt dat er met een factor hoger dan 3 te veel werd gefactureerd door Cie2 aan Cie1. Het verschil tussen de werkelijke brandstofkosten zoals weergegeven in de herberekening en de geboekte brandstofkosten is dermate groot dat zonder enige twijfel besloten kan worden dat Cie1 gebruik heeft gemaakt van een systeem van valse facturatie met als doel het verminderen van de belastbare grondslag waardoor aanzienlijk minder vennootschapsbelasting betaald dient te worden en het onrechtmatig verhogen van de aftrekbare btw op deze facturen. (...)"

De geldboete werd dan ook in feite en in rechte afdoende gemotiveerd.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat de opgelegde geldboete disproportioneel is met de inbreuken en met het doel van een administratieve geldboete. Daarom beslist de rechtbank om de geldboete van 200% te herleiden tot 100 %. Des te meer omdat eiseres in een zelfde periode (althans gedeeltelijk overlappend) reeds correctioneel werd veroordeeld bij een vonnis van 20 juni 2024 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel voor de inbreuken die dateren van de periode van 19 september 2019 t.e.m. 16 augustus 2021.

Inzake het uitstel van de geldboete

2.21. Eiseres vraagt, in ondergeschikte orde, om een uitstel van de invordering van de opgelegde geldboete toe te staan.

2.22. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in twee arresten dat artikel 70, §1 (arrest nr. 13/2013 van 21 februari 2013) en artikel 70, §1bis (arrest nr. 32/2020 van 20 februari 2020) W.BTW, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in dit artikel voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel. Het preciseert dat die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid echter niet tot gevolg heeft dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (zie ook Cass. 20 juni 2013, F.11.0007.F, www.cass.be).

2.23. De rechtbank stelt in voorliggend geval vast dat de opgelegde geldboete van 200% die werd herleid tot 100% evenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om eiseres uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

Des te meer daar het verlenen van uitstel voor een administratieve geldboete inzake BTW in de huidige stand van de wetgeving neerkomt op een definitieve kwijtschelding van de geldboete, nu de wet voor dergelijke belastingverhoging niet voorziet in een regeling van de voorwaarden waaronder het uitstel kan of moet ingetrokken worden en ook niet voorziet in een instantie die over dergelijke intrekking zou moeten beslissen.

De rechtbank is van oordeel om die redenen het voordeel van het uitstel niet toe te kennen.

De grief van eiseres is ongegrond.

Besluit

2.24. De rechtbank besluit het innings- en invorderingsbericht BTW met artikelnummer ... gedeeltelijk te bevestigen, in die zin dat de proportionele geldboete dient verminderd te worden tot 100%.

Voor het overige wordt het proces‑verbaal van taxatie van 17 oktober 2023 bevestigd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.

De vordering van eiseres is gedeeltelijk gegrond.

V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

1. De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2. Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

•alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen als niet ter zake dienend;

•de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate:

◦de nagevorderde btw (exclusief de proportionele geldboete) te bevestigen;

◦de proportionele geldboete te verminderen tot 100%;

◦voor het overige het proces‑verbaal van taxatie van 17 oktober 2023 te bevestigen;

•de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces‑verbaal van 17 oktober 2023 rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;

•voor het overige het innings- en invorderingsbericht BTW met artikelnummer ... te bevestigen rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;

•de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

•de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;

•te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 24,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost‑Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 20 april 2026, waar aanwezig waren :

- Thierry Loquet, rechter, voorzitter van deze kamer,

- Twiggy De Zutter, griffier.

Aangehaalde teksten

6
KB nr. 1 art. 51 voorkomen
KB nr. 3 art. 11 voorkomen
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 841 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8