Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.01.2013 (F.11.0147.N)
Belasting over de toegevoegde waarde - Invordering - Verjaring - Verjaringstermijn van zeven jaar - Toepassingsvoorwaarden
Samenvatting
De vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten verjaart slechts na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer een inlichting, onderzoek, controle of rechtsvordering aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast, of wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen; de loutere omstandigheid dat een inlichting, onderzoek, controle of rechtsvordering aantoont dat de aangifte van belastbare handelingen niet tot een correcte heffing van de wettelijk verschuldigde belasting heeft geleid of dat belastbare handelingen ten onrechte werden vrijgesteld in België, of dat bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen, houdt niet in dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen.
Wettelijke basis
Artikel 81bis, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 18.01.2013
(F.11.0147.N)
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
BELGISCHE STAAT vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de administratie van de btw, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de ontvanger van het btw-ontvangkantoor, met kantoor te Antwerpen,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. W.E., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te Gent waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
V. bvba,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. J. V., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te Brussel, waar de verweerster woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 22 maart 2011.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 26 oktober 2012 een conclusie neergelegd.
Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Artikel 81bis, § 1, derde lid, Btw-wetboek, zoals ten deze van toepassing, bepaalt dat er verjaring is voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:
- een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrek-ken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere Lid-Staat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is;
- een rechtsvordering aantoont dat, in België, belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die erop van toepassing zijn;
- bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.
2. Hieruit blijkt dat de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten slechts verjaart na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer een inlichting, onderzoek, controle of rechtsvordering aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast, of wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen.
3. In zoverre het middel aanvoert dat de verjaringstermijn van zeven jaar bepaald in artikel 81bis, § 1, derde lid, Btw-wetboek ook van toepassing is op andere overtredingen van de wettelijke en verordeningsbepalingen inzake btw, met name wanneer belastbare handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of niet correct werden aangegeven, faalt het naar recht.
4. De loutere omstandigheid dat een inlichting, onderzoek, controle of rechtsvordering aantoont dat de aangifte van belastbare handelingen niet tot een correcte heffing van de wettelijk verschuldigde belasting heeft geleid of dat belastbare handelingen ten onrechte werden vrijgesteld in België, of dat bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen, houdt niet in dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, of bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, zulks aantonen.
5. In zoverre het middel aanvoert dat wanneer de aangifte van een belastbare handeling niet tot een correcte heffing van de wettelijk verschuldigde belasting heeft geleid, ten onrechte van belasting werd vrijgesteld of de belastbare handelingen niet werden aangegeven, faalt het eveneens naar recht.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser in de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 202,61 euro en voor de verweerster op 97,76 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.
K. Vanden Bossche B. Wylleman F. Van Volsem
G. Jocqué B. Deconinck E. Stassijns