Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 23.06.2025
[ gedeeltelijk gunstig vonnis ]
BTW – Diensten als advocaat - Navordering
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 23.06.2025
(2023/2599/A)
In de zaak van:
De BV X. in vereffening, met zetel te …, met ondernemingsnummer …, met als vereffenaar mr. J.V., advocaat met kantoor te … (…), aangesteld bij vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel van 25 maart 2025,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. M.D., advocaat met kantoor te …
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, K.B.O. 0308.357.159, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de adviseur-generaal, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Centrum Brussel I —Expertise 1, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 760,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. L.V. loco mr. C.C., advocaat met kantoor te …
In deze zaak, in beraad genomen op 2 juni 2025,
spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:
I. PROCEDURE
De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:
•het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 11 september 2023,
•de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 24 november 2023,
•de beslissing genomen op 7 april 2025, geacteerd op het zittingsblad, waarbij aanvullende conclusietermijnen worden toegekend aan de partijen en de rechtsdag (vervroegd) wordt vastgesteld op 2 juni 2025,
•de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 28 april 2025,
•de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 12 mei 2025,
•de stukken van de partijen.
De raadslieden van de partijen zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 2 juni 2025. Vervolgens zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.
II. FEITEN
De BV X., eiseres, is sinds 1 januari 2014 geregistreerd als belastingplichtige onder het btw-nummer BE…, en dit voor 'activiteiten van advocaten'.
De vordering van eiseres heeft betrekking op vijf navorderingen inzake btw die zijn opgenomen in de volgende innings- en invorderingsberichten (zie bladzijde 7 van de conclusie van eiseres):
- "500260402435 voor een bedrag van aan opgelegde boete ad 2.300,00 EUR; 500244821003 voor een bedrag aan btw in hoofdsom ad 45.828,44 EUR en een bedrag aan opgelegde boeten ad 91.656,88 EUR;
- 500243761679 voor een bedrag aan btw in hoofdsom ad 71.185,00 EUR en een bedrag aan opgelegde boeten ad 142.370,00 EUR;
- 500246958538 voor een bedrag aan btw in hoofdsom ad 8.336,37 EUR;
500247622784 voor een bedrag aan btw in hoofdsom ad 842,79 EUR."
Verweerder legt slechts 4 stukken voor, met name:
- een proces-verbaal van regularisatie van 5 juli 2021 (periode van 1 januari 2018 tot en met 30 september 2020) en het hieraan verbonden innings- en invorderingsbericht met nummer 500243761679,
- een proces-verbaal van 12 augustus 2021 (periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017) en het hieraan verbonden innings- en invorderingsbericht met nummer 500244821003.
Eiseres legt geen processen-verbaal, innings- en invorderingsberichten of andere documenten voor met betrekking tot de navordering van de btw, boeten en intrest.
Op de openbare terechtzitting van 3 februari 2025 is aan verweerder gevraagd het 'volledig administratief dossier' neer te leggen.
Op de openbare terechtzitting van 7 april 2025 deelt verweerder mee dat er geen andere stukken ter beschikking zijn.
Uit de voorgelegde gegevens en de uiteenzetting van de partijen — en met voorbehoud voor wat hieronder wordt vastgesteld - kan evenwel worden afgeleid dat:
- het innings- en invorderingsbericht met nummer 500247622784 (842,79 euro)
betrekking heeft op een btw-schuld voor het eerste kwartaal van 2020,
- het innings- en invorderingsbericht met nummer 500246958538 (8.336,37 euro) betrekking heeft op een btw-schuld voor het eerste en het tweede kwartaal van 2021,
- het innings- en invorderingsbericht met nummer 500260402435 (2.300,00 euro) betrekking heeft op een boete opgelegd wegens het niet indienen van een btw-aangifte voor het tweede kwartaal van 2022.
Eiseres dient op 18 november 2022 bezwaar in tegen de navordering van de btw, boeten en intrest zoals opgenomen in de invorderingsberichten met de nummers 500244821003, 500243761679, 500246958538 en 500247622784, en vraagt eveneens de kwijtschelding van de administratieve boeten die verbonden zijn aan deze berichten.
Blijkbaar breidt eiseres dit verzoek vervolgens uit tot de boete opgenomen in het innings-en invorderingsbericht met nummer 500260402435.
Ondertussen dient eiseres ook een verzoek in tot vrijstelling van de nalatigheidsintrest.
Met een beslissing van 29 juni 2023 verwerpt verweerder het bezwaar als ongegrond.
Op 11 september 2023 stelt eiseres een vordering in bij deze rechtbank.
Het verzoek tot vrijstelling van de nalatigheidsintrest wordt op 13 september 2023 verworpen (beslissing die niet het voorwerp is van onderhavige vordering, zoals bevestigd door de raadsman van eiseres ter zitting van 2 juni 2025).
Met een vonnis van 27 oktober 2023 spreekt de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, bij verstek, de ontbinding en de onmiddellijke afsluiting van de vereffening van eiseres uit (gepubliceerd in het Belgisch staatsblad op 3 november 2023).
Met een vonnis van 25 maart 2025 vernietigt de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel het vonnis van 27 oktober 2023 in die mate dat de onmiddellijke sluiting van de vereffening wordt opgeheven, en zij stelt vervolgens mr. J.V. aan als gerechtelijk vereffenaar van eiseres.
III. VORDERING
Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:
"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
De hiernavolgende betwiste opgelegde schulden, interesten en administratieve boeten in de BTW, opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder de artikelnummers:
- 500260402435 voor een bedrag van aan opgelegde boete ad 2.300 EUR;
- 500244821003 voor een bedrag aan btw in hoofdsom ad 45.828,44 EUR en een bedrag aan opgelegde boeten ad 91.656,88 EUR;
- 500243761679 voor een bedrag aan btw in hoofdsom ad 71.185,00 EUR en een bedrag aan opgelegde boeten ad 142.370,00 EUR;
- 500246958538 voor een bedrag aan btw in hoofdsom ad 8.336,37 EUR;
- 500247622784 voor een bedrag aan btw in hoofdsom ad 842,79 EUR.
gevestigd op naam van Verzoekster te vernietigen, minstens geheel of gedeeltelijk te
ontheffen.
Dienvolgens de terugbetaling te bevelen van alle onterecht betaalde of geïnde sommen, te verhogen met de moratoriuminteresten,
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de bijdrage voor het Fond Juridische bijstand ad 24 EUR en de verschuldigde geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding, thans ad 21.976,74 EUR (maximumbedrag)."
Verweerder vraagt het volgende in zijn syntheseconclusie:
"Het door eiseres ingediende verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
Eiseres in haar eisen of te wijzen en haar te veroordelen tot betaling van de door de Administratie gevorderde bedragen opgenomen in onder andere de innings- en invorderingsregisters d.d. 16 augustus en 27 september 2021 en uitvoerbaar verklaard d.d. 18 augustus en 28 september 2021.
Eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding, voorlopig begroot op de basisrechtsplegingsvergoeding, 10.500,00 EUR."
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Tussen de partijen is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank ontwaart geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid.
Ten gronde
Algemeen
Eiseres splitst het onderdeel 'ten gronde' in haar conclusie uit in vier subonderdelen, met name 'Voorafgaand' (waarbij vooral wordt ingegaan op de gebrekkige voorlegging door verweerder van het administratief dossier en de hieraan gekoppelde betwisting van de btw-schuld), 'Wat het bedrieglijk opzet betreft', 'Nadere toelichting bij de impact van alcoholmisbruik op het functioneren van personen' en 'De matiging van de opgelegde administratieve boeten'.
Uit de uiteenzetting van eiseres blijkt dat zij zowel de btw-schuld, waaronder de verjaring, als de (hieraan gekoppelde) boeten (in het bijzonder deze aan 200 %) in vraag stelt. Er is ook sprake van een verzoek tot matiging van deze boeten.
Bijgevolg gaat de rechtbank hierna eerst in op de btw-schuld — evenwel met inbegrip van het innings- en invorderingsbericht met nummer 500260402435 dat blijkbaar betrekking heeft op een boete -, en vervolgens op de opgelegde boeten van 200 %.
Daarbij merkt de rechtbank op dat het in beginsel aan de fiscale administratie toekomt het bewijs te leveren dat er sprake is van een overtreding en/of van misbruik van de bepalingen van het Btw-wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede van feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, als bedoeld in artikel 59, §1 van het Btw-wetboek. De administratie kan dit bewijs volgens diezelfde wettelijke bepaling leveren volgens de regels en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed.
De processen-verbaal opgesteld door ambtenaren van de FOD Financiën leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen (zie artikel 59, §1, tweede lid van het Btw-wetboek). Deze bijzondere wettelijke bewijswaarde heeft evenwel betrekking op de persoonlijke materiele vaststellingen van de ambtenaren en niet op de juridische gevolgtrekkingen die daaruit kunnen worden gemaakt.
Het blijkt dat het in wezen gaat over een probleem van (niet-)doorstorting van (ontvangen) btw zodat de bewijslast in beginsel bij verweerder ligt — wat bijvoorbeeld anders zou zijn mocht de problematiek de aftrek van btw betreffen.
Voorts merkt rechtbank nog op dat de btw-schuld in beginsel de openbare orde raakt. Bijgevolg moet de rechtbank - behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld en met voorbehoud voor de verjaring - zelf in feite en naar recht uitspraak doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de grond van nietigheid van de beslissingen of handelingen van de administratie, zoals een aangevoerde nietigheid van een proces-verbaal (vgl. Cass. AR F.08.0082.F, 3 maart 2011; Cass. AR F.12.0188.N, 22 mei 2014; Cass. AR F.11.0124.F, 9 oktober 2014; Cass. AR F.18.0073.N, 12 december 2019). Aangezien de administratieve beslissing waarmee een administratieve geldboete inzake btw wordt opgelegd, noodzakelijk is voor de totstandkoming van zulke boete, geldt het voorgaande principe niet voor de geldboete opgelegd conform artikel 70 en volgende van het Btw-Wetboek (vgl. Cass. AR C.19.0605.N, 22 januari 2021).
Btw-schuld
Algemeen
Wat betreft de belastingschuld (btw) leidt de rechtbank uit de conclusie van eiseres of dat zij van mening is dat deze niet verschuldigd is omdat, wegens het gebrek aan voorlegging van het (volledig) administratief dossier, de rechtmatigheid van de 'gevolgde procedure' niet kan worden gecontroleerd, met name:
- De opening van de aanvullende verjaringstermijn van 4 jaar gebeurt op grond van
vaststellingen gedaan bij de controle voor 2018-2019, met name de aanwezigheid van 'uitgaande facturen' naar de BV F.H. (vermoedens fraude), terwijl de controle voor 2018-2019 geen vermoedens van fraude kan opleveren voor de voorgaande jaren en de zogenaamde 'uitgaande facturen' loutere stukken zijn waarover de administratie zou beschikken en waarbij het gaat over een 'inkomende betaling', zonder 'datum factuur'.
- Voor de gecontroleerde periode 2018-2020 liggen de 'facturen en stukken' niet voor, wordt niet bij elk nagevorderd bedrag een factuurdatum vermeld, kan niet worden uitgesloten dat de vermelde betalingen betrekking hebben op een vroeger belastbaar tijdperk en stelt zich in het algemeen de vraag of het wel gaat over belastbare handelingen, in het bijzonder wat betreft de betalingen gedaan door F.H. waarvoor geen factuur wordt voorgelegd.
- Tot slot blijkt uit het proces-verbaal voor de gecontroleerde periode 2014-2017 dat er dan blijkbaar toch btw-aangiften werden ingediend waarbij verweerder de betaalde btw aftrekt volgens de facturatie te betalen btw, zonder hierbij rekening te houden met het uitgeoefende recht op aftrek, de eventueel uitgereikte creditnota's, enz...
Verweerder lijkt in haar conclusie, behalve de problematiek van fraude, geen standpunt in te nemen over deze argumenten of hoogstens op een zeer algemene wijze.
Eiseres spitst zich in haar conclusie vooral toe op de btw-schuld waarvan sprake in de innings- en invorderingsberichten met de nummers 500244821003 en 500243761679. Deze ter betwisting staande belastingschulden worden eerst behandeld. Hierbij komt, in het licht van de door eiseres opgeworpen exceptie van verjaring, ook de problematiek van het bedrieglijk opzet ter sprake. Vervolgens komen de overblijvende (drie) innings- en invorderingsberichten ter sprake.
Innings- en invorderingsbericht met nummer 500244821003 (45.828,44 euro btw) + innings- en invorderingsbericht met nummer 500243761679 (71.185 00 euro btw)
Aan het innings- en invorderingsbericht met nummer 500244821003 ligt een 'proces-verbaal van naheffing' van 12 augustus 2021 ten grondslag met betrekking tot een controle van de btw (inkomende handelingen) voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017. Er is hierbij sprake van een navordering inzake btw van 45.828,44 euro.
Aan het innings- en invorderingsbericht met nummer 500243761679 ligt een 'proces-verbaal van naheffing' van 5 juli 2021 ten grondslag met betrekking tot een controle van de btw voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 september 2020. Er is hierbij sprake van een navordering inzake btw van 71.185,00 euro.
Eiseres stelt in eerste orde de verlengde verjaringstermijn van 7 jaar in vraag in geval van bedrieglijk opzet. Deze exceptie lijkt in wezen betrekking te hebben op de navordering van btw voor de periode 2014-2017 aangezien, zoals hieronder wordt vastgesteld, er voor de periode 2018-2020 geen nood is aan de verlengde verjaringstermijn.
Artikel 81bis, §1 van het Btw-wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt onder meer: "Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:
(...)
4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
Voor de toepassing van het tweede lid mag de ontvangst van de inlichting afkomstig van het buitenland, de rechtsvordering, de kennisname van de bewijskrachtige elementen of van de aanwijzingen van belastingontduiking, respectievelijk bedoeld onder 1° tot 4° van dat lid zowel voor als na het verstrijken van de verjaringstermijn bedoeld in het eerste lid plaatsvinden."
Artikel 84ter van het Btw-wetboek, zoals hier van toepassing, bepaalt:
"Indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4°, toe te passen, moet de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode."
Artikel 23, §2 van het Wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen (WMGI) bepaalt:
"De verjaring van de vordering tot invordering van de belasting over de toegevoegde waarde, de nalatigheidsinteresten en de administratieve geldboeten wordt geregeld door de bepalingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Voor zover de verjaring bedoeld in het eerste lid nog niet verkregen is, verjaren de belasting over de toegevoegde waarde, de nalatigheidsinteresten en de administratieve geldboeten opgenomen in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister door verloop van vijf jaren vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister waarin ze zijn opgenomen overeenkomstig de fiscale wetten."
Voorts zijn in artikel 25 WMGI allerhande handelingen voorzien die de verjaring schorsen, waaronder de inleiding van een rechtsgeding (§1), zelfs al gebeurt dit door de schuldenaar, en het instellen van een administratief beroep (§2)
Onder de titel 'Opening verjaringstermijn artikel 84bis 4° btw-wetboek' zet verweerder in
het proces-verbaal van 12 augustus 2021 (periode 2014-2017) onder meer uiteen dat: eiseres sinds het derde kwartaal 2015 geen btw-aangiften meer indient terwijl zij sinds 2014 haar prestaties factureert met btw en haar btw-nummer meedeelt aan haar leveranciers,
uit een bankonderzoek bij de Belfius bank, uitgevoerd in het kader van de vennootschapsbelasting, blijkt dat eiseres in 2018 en 2019 respectievelijk 157.462,35 euro en 151.553,25 euro heeft ontvangen, doch voor beide jaren geen btw-aangiften zijn ingediend hoewel er steeds met btw is gefactureerd aan de klanten,
bij de controle voor de jaren 2018 en 2019 is vastgesteld dat er uitgaande facturen zijn naar F.H., met dezelfde bestuurder als eiseres (de heer E.G.), en deze onderneming haar aangiften wel heeft ingevuld en btw in aftrek heeft gebracht,
Al deze elementen aanwijzingen vormen van belastingontduiking 'die ons toelaten onderzoekingen te verrichten voor een aanvullende termijn van 4 jaar'.
Hoewel de zogenaamde uitgaande facturen naar de BV F.H. een element zijn bij de verlenging van de verjaringstermijn naar zeven jaar blijkt dat de andere elementen (niet indienen aangifte sinds derde kwartaal 2015 + bankonderzoek) 'op zich' voldoende zijn om de uitbreiding te verantwoorden, met name als nauwkeurige vermoedens van belastingontduiking in de betreffende periode als bedoeld in artikel 84ter van het Btw-wetboek (zie onder meer: Cass. AR F.21.0181.N, F.21.0187.N, 16 juni 2023). Het is dan ook tevergeefs dat eiseres aan verweerder verwijt inkomende betalingen zo maar gelijk te stellen met facturen, aangezien dit een kritiek betreft op een overtollig motief, althans in het kader van de vermoedens van belastingontduiking.
In tegenstelling tot wat eiseres aanvoert, is er overigens geen probleem dat de vermoedens van belastingontduiking zich situeren na het verstrijken van de principiële verjaringstermijn van 3 jaar aangezien dit is voorzien in artikel 84bis, §1, derde lid van het Btw-wetboek. Het is hierbij ook niet uitgesloten dat een dergelijk vermoeden naar boven komt naar aanleiding van een controle voor een later belastbaar tijdperk, en de administratie vervolgens terugkoppelt naar vroegere belastbare tijdperken. Ten overvloede kan hiertoe een parallel worden getrokken met de administratieve procedure bij inkomstenbelastingen waarbij het evenmin is vereist dat aanwijzingen van belastingontduiking moeten steunen op of mede moeten steunen op feiten of vaststellingen die zich binnen het bedoelde tijdperk situeren, en aldus feiten betreffende latere aanslagjaren op zich aanwijzingen van belastingontduiking kunnen vormen voor eerdere aanslagjaren (vgl. Cass. AR F.21.0122.N, 31 maart 2023; Cass. AR F.16.0105.N, 4 juni 2021).
Rekening houdend met de middelen die eiseres ontwikkelt (die wat betreft het bedrieglijk opzet evenwel vooral gaan over de boete van 200 %) en met het feit dat de verjaringstermijnen inzake btw in beginsel de openbare orde raken, gaat de rechtbank na of er sprake is van bedrieglijk opzet en verweerder bijgevolg de verjaringstermijn van 7 jaar kan toepassen. Deze controle is in beginsel beperkt tot de periode 2014-2017 doch de overige periode 2018-2020 wordt meegenomen bij de bespreking van het bedrieglijk opzet in het licht van de latere bespreking van de boetes van 200 %.
Onder bedrieglijk opzet als bedoeld in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° van het Btw-wetboek dient te worden verstaan de bedoeling om zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Onder oogmerk om te schaden dient te worden verstaan de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de belastingplichtige enig voordeel uit zijn handelen heeft gehaald. Het bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden dient niet van fiscale aard te zijn en is derhalve niet beperkt tot handelen met het oog op belastingontduiking (vgl. Cass. AR F.23.0009.N, 7 december 2023).
Eiseres voert aan dat er geen sprake is van bedrieglijk opzet, onder meer omdat:
- de situatie niet het gevolg is van kwaadwillig opzet doch van een ernstig psychosociaal probleem bij de bestuurder van eiseres, de heer G., in het bijzonder alcoholmisbruik,
- eiseres zich geen voordeel wou verschaffen, en evenmin een nadeel aan de Belgische staat wou berokkenen,
- het argument van verweerder over de verbonden facturatie tussen eiseres en F.H. (facturatie en vervolgens aftrek) onjuist is aangezien de heer G. niet de enige bestuurder is, de administratie is toevertrouwd aan een boekhouder, in 2014-2017 geen facturen zijn opgesteld ten aanzien van F.H., er geen facturen voorliggen ten aanzien van F.H. en de beweerdelijke facturatie in elk geval relatief gering is
- eiseres geen aftrek heeft gedaan van de 'input-btw', er in 2014-2015 nog wel degelijk btw-aangiften zijn gedaan en niet is uitgesloten dat deze aangiften wel degelijk de werkelijk verschuldigde btw bevatten,
- er in 2014 nog enkele klanten waren maar al snel nog maar een klant overbleef, met name Regus waarvoor eiseres gestandaardiseerde opdrachten uitvoerde.
Eiseres lijkt samengevat aan te voeren dat er weliswaar sprake is van een zeer grote nalatigheid doch niet van een bedrieglijk opzet, in het bijzonder omdat er in de belastbare periode sprake is van zwaar alcoholmisbruik bij haar bestuurder, een problematiek die een normale opvolging van de administratie onmogelijk zou hebben gemaakt.
Uit de voorgelegde gegevens blijkt afdoende dat eiseres btw-aangiften indient tot en met het tweede kwartaal van 2015, vervolgens gedurende meerdere jaren geen btw-aangiften indient hoewel zij nog belastbare handelingen met aanrekening van btw stelt en eveneens nalaat om de ontvangen btw van haar klanten door te storten naar de Belgische staat.
Het staat in die omstandigheden vast dat eiseres gedurende jaren een onrechtmatig voordeel heeft genoten. De vraag die zich stelt is of dit ook haar bedoeling was.
Hoewel met eiseres kan worden aangenomen dat er, minstens gedurende een gedeelte van de belastbare periode, sprake was van een alcoholproblematiek bij haar bestuurder, blijkt desalniettemin afdoende dat zij de btw heeft ontdoken met bedrieglijk opzet.
Hiertoe neemt de rechtbank onder meer de volgende elementen in aanmerking:
- Er is sprake van het jarenlang en herhaaldelijk niet indienen van btw-aangiften en het niet doorstorten van de ontvangen btw, minstens sinds het derde kwartaal van 2015, en dit niettegenstaande eiseres — zoals zij zelf aangeeft — wordt bijgestaan door een boekhouder. Daarbij merkt de rechtbank voor zover als nodig op dat eiseres in haar conclusie op sommige bladzijden laat uitschijnen dat tot en met 2017 btw-aangiften zouden zijn ingediend, doch dit is niet wat het proces-verbaal vaststelt (enkel aangiften in 2014 en twee eerste kwartalen 2015), en eiseres bewijst in elk geval het tegendeel niet.
Eiseres was zich gedurende de betrokken jaren bewust van de problematiek inzake btw aangezien zij geregistreerd is als btw-plichtige sinds 2014 en de facturen en andere documenten die zij opmaakt btw vermelden.
- Naast het niet naleven van de verplichtingen inzake btw blijkt dat eiseres voor verschillende van de betrokken jaren ook haar verplichtingen in de vennootschapsbelasting niet is nagekomen.
Het blijkt dat eiseres, en in het bijzonder via haar orgaan, de bestuurder - de heer Emmanuel G. die jurist is van opleiding -, tijdens de betrokken periode handelingen stelt die erop wijzen dat zij, niettegenstaande het aangevoerde alcoholprobleem van haar bestuurder, in staat is om — al dan niet in samenspraak met haar boekhouder— bepaalde handelingen te stellen en (bestuurs)beslissingen te nemen. Zo bijvoorbeeld het opstellen en versturen van facturen in de periode 2014-2020 — zelfs al zijn dit facturen voor `gestandaardiseerde opdrachten' zoals eiseres ze omschrijft mag toch worden verondersteld dat er prestaties aan ten grondslag liggen - en het opstellen, goedkeuren en neerleggen van jaarrekeningen voor eiseres (cf. jaarrekening voor het boekjaar 2016, goedgekeurd en neergelegd op 7 maart 2018 — zie de balanscentrale van de Nationale bank, een publiek raadpleegbare databank).
Ook de bestuurder van eiseres lijkt in de betrokken periode niet alleen binnen (zie hierboven) doch ook buiten deze vennootschap actief, zo laat hij zich bijvoorbeeld benoemen tot bestuurder van een (andere) vennootschap (cf. benoeming van de heer G. als bestuurder van de BV F.H. op 22 augustus 2017 — zie de KBO, een publiek raadpleegbare databank).
Het is dan wel zo dat het aangevoerde alcoholmisbruik van haar bestuurder mogelijks heeft bijgedragen aan de handelswijze van eiseres (zie hieronder), maar in het licht van de voorgaande vaststellingen kan niet worden aangenomen dat dit alcoholprobleem het bedrieglijk opzet ontneemt aan de bedoeling van eiseres om zich jarenlang een fiscaal voordeel te verschaffen ten nadele van de Belgische staat (zie ook hieronder bij de bespreking van de boeten).
Daarentegen, en bij gebrek aan meer stukken op dit punt, moet eiseres wel worden gevolgd waar zij stelt dat het niet duidelijk is hoe verweerder de verschuldigde btw voor de jaren 2014 en 2015 (eerste twee kwartalen) heeft verwerkt ten opzichte van de btw-aangiften die wel zijn ingediend voor deze periode. Er kan wat betreft deze periode niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat eiseres met bedrieglijk opzet aangiften foutief of onvolledig zou hebben ingediend en/of op bedrieglijke wijze geen of te weinig btw zou hebben doorgestort, wat bijvoorbeeld voor 2015 zou kunnen worden afgeleid uit het feit dat er in het overzicht opgenomen in het proces-verbaal sprake is van twee facturen met betaling in de periode tussen januari en juni 2015 en enkel de btw voor deze facturen is betaald middels de voor deze periode ingediende kwartaalaangiften (totaal van 3.653,00 euro, afgerond).
Bijgevolg toont verweerder, opnieuw rekening houdend met de karige voorgelegde gegevens, enkel voor de periode vanaf het derde kwartaal van 2015 tot en met 30 september 2020 aan dat er sprake is van bedrieglijk opzet — waarbij zoals gezegd voor de toepassing van de verlengde verjaringstermijn van 7 jaar enkel de periode tot einde 2017 van belang is.
Voor de voorgaande periode, met name 2014 en de eerste twee kwartalen van 2015, staat niet afdoende vast dat er sprake is van enig bedrieglijk opzet.
De nagevorderde btw, boeten en intrest zijn voor de betrokken belastbare periodes opgenomen in innings- en invorderingsberichten die respectievelijk op 18 augustus 2021 (periode 2018-2020) en 28 september 2021 (periode 2014-2017) uitvoerbaar zijn verklaard. Rekening houdend met de artikelen 23 en 25 WMGI zal moeten worden nagegaan of er voor de voormelde data al sprake was van een verkregen verjaring conform artikel 81bis van het Btw-wetboek.
Het blijkt niet dat er voor 18 augustus 2021 of 28 september 2021 sprake is van daden van schorsing of stuiting als bedoeld in het Btw-wetboek (zie in het bijzonder artikel 83).
De in deze zaak toepasselijke versie van artikel 81bis van het Btw-wetboek voorziet geen vierjarige termijn bij het niet of laattijdig indienen van de aangifte zodat voor de periode 2014 en de eerste twee kwartalen van 2015 — evenals voor de periode 2018-2020 (zie hieronder, evenals de overgangsbepaling in artikel 105 van de wet 20 november 2022) —in beginsel de driejarige termijn geldt.
Voor de periode 2014 en de eerste twee kwartalen van 2015 is er, rekening houdend met het ontbreken van bedrieglijk opzet en met het jaar waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, interesten en administratieve geldboeten zich voor deze periode heeft voorgedaan, sprake van verjaring.
De vordering van eiseres is op dit punt gegrond.
Voor het derde en vierde kwartaal van 2015, 2016 en 2017 geldt gelet op het weerhouden bedrieglijk opzet de zevenjarige periode van artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° van het Btw-wetboek. Rekening houdend met het jaar waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, is er voor deze periode geen sprake van verjaring.
Voor de periode van 2018 tot en met september 2020 — waarvoor geen kennisgeving conform artikel 84ter van het Btw-wetboek is gedaan - dringt de vaststelling zich op dat de (korte) driejarige termijn geldt, met name verjaring 'na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan'.
Evenwel blijkt voor de periode van 2018 tot en met september 2020 niet dat de driejarige termijn verstreken was op de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsbericht (18 augustus 2021).
Bijgevolg stelt de rechtbank vast dat de vordering tot voldoening van de belasting niet verjaard is voor de periode van 2015 (derde en vierde kwartaal), 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 (tot en met 30 september 2020).
Ten gronde voert eiseres wat betreft het proces-verbaal voor de gecontroleerde periode 2014-2017 aan dat er dan blijkbaar toch btw-aangiften werden ingediend waarbij verweerder de betaalde btw aftrekt volgens de facturatie te betalen btw, zonder hierbij rekening te houden met het uitgeoefende recht op aftrek, de eventueel uitgereikte creditnota's.
Zoals reeds aangegeven kan dit argument enkel betrekking hebben op de periode 20142015 omdat verweerder in het proces-verbaal vaststelt dat geen btw-aangiften zijn ingediend voor de jaren 2016 en 2017 en eiseres het tegenbewijs niet levert op dit punt.
Er wordt, voor zover als nodig, ook vastgesteld dat eiseres geen bewijzen voorlegt dat zij voor de andere jaren in enigerlei wijze recht zou hebben op de aftrek van btw.
Voorts is hiervoor vastgesteld dat de vordering tot voldoening van de btw voor 2014 volledig is verjaard zodat de argumentatie van eiseres voor dit jaar geen antwoord behoeft.
Voor 2015 blijkt, zoals hiervoor al is aangegeven, dat de btw verschuldigd op de eerste twee facturen — betalingen van januari tot en met juni 2015 — is voldaan middels de btw-aangifte ingediend door eiseres. Het blijkt uit de vaststellingen in het proces-verbaal, die niet worden weerlegd door eiseres, voorts afdoende dat de overige facturen betrekking hebben op het derde en vierde kwartaal van 2015, waarvoor geen btw-aangiften zijn ingediend. Rekening houdend met deze vaststellingen kan eiseres niet worden gevolgd waar zij stelt dat het bedrag van 7.730,93 euro aan te betalen btw niet vaststaat omdat er geen rekening zou zijn gehouden met de inhoud van de btw-aangiften en de hierin mogelijks opgenomen aftrek van btw en/of creditnota's — aftrek waarvoor overigens geen enkel bewijs wordt voorgelegd door eiseres.
Voor de gecontroleerde periode 2018-2020 verwijt eiseres aan verweerder dat de in het proces-verbaal vermelde 'facturen en stukken' niet voorliggen, niet bij elk nagevorderd bedrag een factuurdatum is vermeld en niet kan worden uitgesloten dat de vermelde betalingen betrekking hebben op een vroeger belastbaar tijdperk. In het algemeen stelt zich volgens eiseres de vraag of het wel gaat over belastbare handelingen, in het bijzonder wat betreft de betalingen gedaan door F.H. waarvoor geen factuur wordt voorgelegd.
In het proces-verbaal van 5 juli 2021 geeft verweerder een overzicht van 'facturen en stukken' (30 in aantal) voor de periode van 2018 tot en met 30 september 2020 waarbij verweerder bij de vaststellingen stelt dat deze 'facturen/stukken steeds een te betalen btw vermelden'. In het overzicht is steeds de 'datum inkomende betaling', de 'klant', de 'MHV' (maatstaf van de heffing), het btw-tarief (21 %) en de 'te betalen btw' vermeld. Er is daarnaast ook een onderdeel 'datum factuur', doch voor 9 van de 30 'facturen/stukken' is geen datum vermeld.
De materiele vaststellingen van verweerder tijdens de controle van de situatie van eiseres, zoals opgenomen in het proces-verbaal, hebben in beginsel wettelijke bewijswaarde, tenzij eiseres het tegendeel aantoont (zie artikel 59, §1 van het Btw-wetboek).
De rechtbank stelt vast dat op basis van de materiele vaststellingen in het proces-verbaal afdoende vaststaat dat het gaat over belastbare handelingen die in het betrokken belastbare tijdperk zijn gesteld.
Het loutere feit dat voor sommige 'facturen/stukken' geen factuurdatum is vermeld, doet geen afbreuk aan de overige duidelijke vaststellingen met betrekking tot de betaling, de klant, de maatstaf van heffing, het tarief en de te betalen btw, in het bijzonder omdat in het proces-verbaal uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat de 'facturen/stukken' steeds een te betalen btw vermelden.
Daarbij dringt zich ook de vaststelling op dat in het proces-verbaal, zij het bij de bespreking van de boete, wordt aangegeven dat de BV F.H. de aan eiseres betaalde btw wel degelijk in aftrek heeft genomen, wat niet wordt weerlegd, zodat eiseres op dit punt moeilijk staande kan houden dat de vaststellingen met betrekking tot de handelingen ten aanzien van F.H. vaag zijn en/of geen grondslag vinden in de belasting op de toegevoegde waarde.
Voor zover eiseres meent dat haar rechten van verdediging in het gedrang zijn, wordt opgemerkt dat:
- zij een procedure bij deze rechtbank kan voeren, en voert, waarbij rekening wordt (is) gehouden met het onvolledig administratief dossier (zie hierboven),
- de bewijslast in de voorliggende omstandigheden weliswaar in beginsel bij verweerder ligt doch deze processen-verbaal aanlevert met materiele vaststellingen die niet worden weerlegd door eiseres, en dit niettegenstaande het feit dat de processen-verbaal in wezen handelen over facturen en andere documenten die zijn opgesteld door eiseres,
- eiseres er conform de artikelen 60 en volgende van het Btw-wetboek toe gehouden is documenten gedurende een bepaalde periode te bewaren, zoals bijvoorbeeld facturen en kopieën van facturen gedurende zeven jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de datum van uitreiking (zie artikel 60, §3 van het Btw-wetboek, zoals hier van toepassing) en zij in het kader van de controles in 2021 dus in principe alle facturen moest kunnen bijbrengen — vereiste waaraan zij slechts gedeeltelijk lijkt te hebben voldaan -, evenals dat zij, gelet op de controle en de navordering van btw, in het kader van deze gerechtelijke procedure in principe nog over de facturen moet kunnen beschikken.
De vordering van eiseres met betrekking tot de btw-schuld opgenomen in de innings- en invorderingsberichten met nummers 500244821003 en 500243761679 is bijgevolg slechts in beperkte mate gegrond, zoals hierna (verder) bepaald.
Innings- en invorderingsbericht met nummer 500247622784 (842,79 euro btw)
Hoewel uit de voorgelegde gegevens kan worden afgeleid dat het bericht met nummer 500247622784 betrekking heeft op een btw-schuld voor het eerste kwartaal van 2020 liggen er geen concrete gegevens voor ter staving van deze vordering, ook geen proces-verbaal als bedoeld in artikel 59, §1 van het Btw-wetboek. Het innings- en invorderingsbericht komt weliswaar ter sprake in enkele e-mails uitgewisseld tussen eiseres en verweerder, evenals in de beslissing van 29 juni 2023, doch niet meer dan dat.
Bijgevolg stelt de rechtbank vast dat verweerder niet aantoont dat er sprake is van een overtreding en/of van misbruik van de wettelijke bepalingen en evenmin van feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen. Het is, bij gebrek aan concrete gegevens over de ter betwisting staande belastingschuld, evenmin mogelijk voor de rechtbank in feite en naar recht uitspraak doen over deze schuld.
De vordering van eiseres is op dit punt gegrond.
Innings- en invorderingsbericht met nummer 500246958538 (8.336,37 euro btw)
Ook voor het innings- en invorderingsbericht met nummer 500246958538, dat blijkbaar betrekking heeft op een btw-schuld voor het eerste en het tweede kwartaal van 2021, liggen geen concrete gegevens voor.
Bijgevolg stelt de rechtbank vast dat verweerder ook hier tekort komt aan de bewijslast die op hem rust, en de rechtbank ziet op grond van de voorgelegde gegevens geen mogelijkheid om zelf uitspraak te doen over de ter betwisting staande belastingschuld.
De vordering van eiseres is op dit punt gegrond.
Innings- en invorderingsbericht met nummer 500260402435 (2.300,00 euro boete)
Dit innings- en invorderingsbericht met nummer 500260402435 heeft blijkbaar betrekking op een boete opgelegd wegens het niet indienen van een btw-aangifte voor het tweede kwartaal van 2022.
Ook voor het opleggen van deze boete liggen geen concrete gegevens voor zodat verweerder, en niettegenstaande het (blijkbaar) een negatief feit betreft (niet indienen aangifte) en eiseres in beginsel loyaal moet meewerken aan de bewijsvoering, andermaal niet tegemoetkomt aan de op haar rustende bewijslast. Het betreft immers een boete waarvoor een administratieve beslissing noodzakelijk is, beslissing die niet voorligt. In die omstandigheden kan de rechtbank niet zelf uitspraak doen over de vraag of er al dan niet een boete verschuldigd is.
De vordering van eiseres is op dit punt gegrond.
Boeten 200 % (45.828,44 euro + 142.370,00 euro)
Eiseres voert onder meer aan dat de opgelegde geldboeten van 45.828,44 euro en 142.370,00 euro een repressief karakter hebben als bedoeld in artikel 6 EVRM. Volgens eiseres moeten deze boeten van 200 % worden gematigd, enerzijds omdat er geen sprake is van bedrieglijk opzet en, anderzijds, omdat niets verhindert dat de rechter de sanctie matigt, onder meer met toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Eiseres wijst hiertoe op een zwaar psychosociaal probleem van haar bestuurder, de heer G., in het bijzonder een probleem van alcoholmisbruik en legt in dat verband een aantal stukken voor, waaronder een medische verslag van 20 februari 2024 (zie de stukken 1 en 9-16 van eiseres).
De aan eiseres opgelegde administratieve geldboetes van 200 % hebben een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM. Een rechtbank mag de wettigheid van dergelijke sancties onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met voile rechtsmacht, houdt in beginsel evenwel niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief (vgl. Cass. AR F.22.0162.N, F.22.0166.N, 25 april 2025).
Zoals hiervoor vastgesteld staat het op afdoende wijze vast dat eiseres voor de periode van 2015 (derde en vierde kwartaal) en 2016 tot en met 30 september 2020 btw heeft ontdoken met bedrieglijk opzet.
Rekening houdend met de artikelen 70, §1 en 84, derde lid van het Btw-wetboek en met artikel 1, tweede lid van het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde kunnen de opgelegde geldboeten van 45.828,44 euro en 142.370,00 euro in beginsel niet worden verminderd. Bij het met bedrieglijk opzet ontduiken van btw is het tarief van 200 % immers het wettelijk minimum.
Evenwel blijkt uit de voorgelegde gegevens dat eiseres samen met haar bezwaarschrift van 18 november 2022 ook een verzoek tot vermindering/kwijtschelding van de boeten heeft ingediend zoals voorzien in artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen (zie stuk 2 van eiseres), een mogelijkheid die overigens expliciet vermeld staat in het proces-verbaal van naheffing van 5 juli 2021 (zie stuk 1 van verweerder).
Artikel 9 van het Regentbesluit nr. 78 betreft in wezen een genaderecht van de uitvoerende macht, waarbij deze, op verzoek van de belastingplichtige, over de proportionaliteit van de opgelegde boete kan oordelen overeenkomstig artikel 6 EVRM, en waarbij hij deze boete desgevallend kan kwijtschelden of verminderen, zelfs wanneer er sprake is van belastingfraude.
Het blijkt dat verweerder het verzoek van eiseres op grond van artikel 9 van het Regentbesluit nr. 78 met haar beslissing van 29 juni 2023, minstens impliciet, heeft afgewezen.
In die omstandigheden, en niettegenstaande het tarief van 200 % bij fraude het wettelijk minimum is, kan de rechtbank de boete kwijtschelden of verminderen op dezelfde wijze als verweerder dit kan op basis van het Regentbesluit nr. 78 (vgl. Cass. AR F.22.0162.N, F.22.0166.N, 25 april 2025).
Niettegenstaande de vastgestelde fraude stelt de rechtbank op grond van de door eiseres voorgelegde stukken vast dat haar bestuurder, de heer G., al lange tijd kampt met een ernstige alcoholproblematiek, ook in de hier behandelde belastbare periode 20142020.
Uit het medisch verslag dat eiseres voegt onder haar stuk 1 kan met afdoende zekerheid worden afgeleid dat de problematiek bij de heer G. al enige tijd speelt. Er is in het medisch verslag sprake van een periode van meer dan 20 jaar. Het feit dat niet blijkt dat de heer G. voordien, en in het bijzonder tijdens de belastbare periode, hulp heeft gezocht voor zijn problemen doet aan de voorgaande vaststelling geen afbreuk aangezien eiseres aannemelijk maakt dat mensen met een alcoholverslaving in het algemeen lang wachten met het zoeken van hulp (zie onder meer stuk 16 van eiseres: een bericht van het Vlaams Expertisecentrum Alcohol en Drugs van 9 april 2025 waarin sprake is van het 'gemiddeld 18 jaar wachten om hulp te zoeken').
Zoals gesteld ontneemt de alcoholproblematiek bij de heer G. niet het bedrieglijk opzet aan de ontduiking van de belasting. Doch de rechtbank neemt rekening houdend met de voorgelegde gegevens aan dat het overmatig gebruik van alcohol door de (enige) bestuurder van eiseres een belangrijke katalysator was bij het ontduiken van de belasting.
In die omstandigheden is de rechtbank van mening dat de opgelegde administratieve geldboeten, rekening houdend met de voormelde concrete omstandigheden, proportioneel moet worden verminderd tot 50 %.
De vordering is in die mate gegrond.
V. KOSTEN
De partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld zodat de kosten worden omgeslagen, zoals hierna bepaald.
Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt II Circ. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).
Beschikkend gedeelte
BESLISSING
De rechtbank,
Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
In eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,
Vernietigt het innings- en invorderingsbericht met nummer 500244821003 (periode 2014 - 2017) en het hieraan ten grondslag liggende 'proces-verbaal van naheffing' van 12 augustus 2021, doch slechts in de volgende mate:
de navordering btw en de hieraan gekoppelde administratieve geldboete en intrest voor de periode vanaf 2014 tot en met het eerste en het tweede kwartaal van 2015,
de opgelegde administratieve geldboete voor de periode vanaf het derde en het vierde kwartaal van 2015 tot en met 2017, doch slechts voor zover de boete hoger is dan 50 % van de ontdoken belasting voor deze periode, met inbegrip van de eventueel aanhorige intrest,
Vernietigt het innings- en invorderingsbericht met nummer 500243761679 (periode 2018 — 30 september 2020) en het hieraan ten grondslag liggende 'proces-verbaal van naheffing' van 5 juli 2021, doch slechts in de volgende mate:
de opgelegde administratieve geldboete voor zover deze hoger is dan 50 % van de ontdoken belasting voor deze periode, met inbegrip van de eventueel aanhorige intrest,
Vernietigt het innings- en invorderingsbericht met nummer 500247622784, en de hierin opgenomen navordering van btw van 842,79 euro, met inbegrip van de eventueel aanhorige boete en intrest,
Vernietigt het innings- en invorderingsbericht met nummer 500246958538, en de hierin opgenomen navordering van btw van 8.336,37 euro, met inbegrip van de eventueel aanhorige boete en intrest,
Vernietigt het innings- en invorderingsbericht met nummer 500260402435, en de hierin opgenomen niet-proportionele geldboete van 2.300,00 euro, met inbegrip van de eventueel aanhorige intrest,
Vernietigt de administratieve beslissing van 29 juni 2023 in de mate zoals hiervoor aangegeven,
Veroordeelt verweerder tot de terugbetaling aan eiseres van alle op grond van voormeld invorderingsregisters desgevallend teveel uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van btw, boeten of intrest,
Veroordeelt elke partij tot de eigen kosten.
Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7de kamer van de
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 23 juni 2025,
waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer F. V.: rechter,
Mevrouw E. A.: griffier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.