Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 11 maanden- Weergegeven beslissingHof van beroep te Bergen31.03.2021
- Beslissing in cassatieHof van Cassatie van België02.03.2023
De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep van Bergen d.d. 31.03.2021
WF 703-15-17/001981
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Niet aangegeven omzet – Te regulariseren belasting – Verjaring van de vordering tot invordering – Stuiting – Erkenning – Handelsboekhouding – Schulderkentenis – Verzoek om kwijtschelding van de geldboeten – Evenredigheidsbeginsel – Strafrechtelijk karakter van de geldboete – Opschorting van de uitspraak – Uitstel
Wettelijke bepalingen
Art 53, §1, 3°, art. 70, art. 81bis en art. 83, § 1, eerste lid van het Wetboek van de Btw
Artt. 1326 en 2248 van het Burgerlijk Wetboek
Regentbesluit van 18 maart 1831, art. 9
Samenvatting
Voorafgaande feiten
Eiseres houdt zich bezig met de vervaardiging van metalen constructies. Na een btw-controle is een proces-verbaal opgemaakt met het oog op de regularisatie van de belasting die verschuldigd was over het bedrag van de omzet die gedurende twee kalenderjaren was behaald, omdat de onderneming de btw niet had aangegeven en afgedragen.
Eiseres heeft beroep aangetekend tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 26 april 2018. Eiseres erkent dat zij een hoofdsom aan belasting verschuldigd is, maar betwist de regularisatie van een deel van deze belasting, geldboeten en de daarmee verband houdende intresten wegens verjaring.
Eiseres vordert in hoofdzaak de vernietiging van de btw-boeten en subsidiair het voordeel van de opschorting van de uitspraak of minstens uitstel aangezien het gaat om een eerste overtreding en twee derde van de schuld is erkend.
De Belgische Staat van zijn kant verzoekt om bevestiging van het bestreden vonnis en van het betwiste dwangbevel in al haar gevolgen.
Samenvatting van het arrest
Inzake de verjaring
De administratie stelt vast dat de rekeningen "404 - uit te reiken facturen" en "451 - te regulariseren btw" alle facturen bevatten die in de loop der jaren hadden moeten worden uitgereikt. Eiseres is van mening dat een deel van de in 2016 gevorderde btw is verjaard omdat het betrekking heeft op facturen die uitgereikt zijn in 2009, 2010 en 2012. De administratie beroept zich op de geldigheid van de stuiting van de verjaring van de vordering tot terugvordering.
Volgens het hof van beroep berust deze stuiting op een gezamenlijke lezing van artikel 83, §1, lid 1, WBTW en artikel 2248 BW. Artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat " de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring.”
Noch het arrest van het Hof van Cassatie van 22 juni 2015, dat betrekking heeft op een afstand van een reeds verkregen verjaring, noch artikel 1326 van het Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op overeenkomsten en bij overeenkomst vastgelegde verplichtingen in het algemeen en niet op een uit de wet voortvloeiende betalingsverplichting, zijn, anders dan eiseres betoogt, van toepassing op het onderhavige geval. Artikel 1326 is niet van toepassing op een handelsvennootschap in haar relatie tot de fiscale administratie.
De handelsboekhouding kan worden ingeroepen tegen de opsteller ervan en staat gelijk met een erkenning door de betrokken handelaar. Hij kan evenwel aantonen dat hij een materiële fout heeft gemaakt, hetgeen eiseres niet doet.
De rechtbank heeft rekening gehouden met het door de Belgische Staat ingeroepen advies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen van 15 juni 2016 (advies 2016/12). In dit advies wordt verwezen naar een arrest van het Hof van Cassatie van 15 februari 2013 (R.G. nr. F.11.0020.N), waarin werd geoordeeld dat “de wettelijke verplichting tot opname van een schuld in de boekhouding van een onderneming niet verhindert dat deze opname een erkenning in de zin van artikel 2248 Burgerlijk Wetboek is”.
Het door eiseres aangevoerde advies 2011/3 van deze Commissie is niet van toepassing op de onderhavige zaak, aangezien het enkel betrekking heeft op de betwiste schulden.
De Commissie voor Boekhoudkundige Normen preciseert dat " Wanneer de schuldenaar zich evenwel beroept op de verjaring mag de schuld niet langer op het passief van de balans van de schuldenaar worden vermeld en moet het bedrag van deze schuld in resultaat worden genomen”. Eiseres heeft dit niet gedaan.
Eiseres heeft de verschuldigde btw zonder voorbehoud in haar boekhouding opgenomen, doorlopend en herhaaldelijk aan het einde van elk boekjaar, en heeft aldus de verjaring van haar btw-schulden rechtsgeldig gestuit bij elke boeking in haar boekhouding.
De grief inzake verjaring is ongegrond.
Inzake de fiscale geldboeten
De eerste rechter was van oordeel dat hij, bij gebreke aan een voorafgaand administratief beroep, geen uitspraak kon doen over deze vordering en dat het bedrag van de geldboete bovendien overeenstemde met de wettelijke schaal en niet onevenredig leek, gelet op de hoge btw-bedragen die waren verschuldigd.
Het hof van beroep daarentegen was van oordeel dat er wel degelijk sprake was van een verzoek om kwijtschelding van de geldboeten in de zin van artikel 9 van het Besluit van de Regent nr. 78 van 18 maart 1831, gezien eiseres ingevolge de regularisatieopgave verzocht om een vermindering van de geldboeten tot 0 %, omdat dat uitstel niet kon worden toegepast omdat het in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Bijgevolg is het arrest van het Hof van Cassatie van 17 januari 2019 (R.G. nr. F.16.0130.F) waarnaar de Belgische Staat verwijst, in casu niet van toepassing, omdat het betrekking heeft op de hypothese van ontstentenis van een beroep inzake de kwijtschelding van geldboeten.
In elk geval is de rechter bevoegd om onafhankelijk van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831 een evenredigheidscontrole uit te oefenen op de fiscale geldboeten, op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (Grondwettelijk Hof, 6 juni 2014, nr. 88/2014).
De door de overheid opgelegde boete heeft een strafrechtelijke karakter en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens is daarop van toepassing (EHRM, 24 februari 1994, zaak Bendenoun C/Frankrijk).
De beslissing van de administratie voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en kan dus door de rechter met volle rechtsmacht worden getoetst. Dit impliceert dat de beslissing in al zijn facetten, zowel feitelijk als rechtens, kan worden hervormd.
In zijn arrest van 24 januari 2002 heeft het Hof van Cassatie het recht van de rechter erkend om de administratieve geldboete te toetsen. De rechter kan nagaan of de sanctie niet buiten verhouding staat tot de inbreuk en of de administratie redelijkerwijs een sanctie van dergelijke omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken.
Het Hof van Cassatie heeft deze rechtspraak bevestigd in een arrest van 18 april 2013 (R.G. nr. F.11.0142.F) waarin het echter stelt dat " dat controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen.”
Uit een arrest van 12 december 2008 (F.07.0072.N) van hetzelfde Hof volgt bovendien dat de schuldenaar de rechter kan laten onderzoeken of er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de administratieve geldboete wordt verlaagd tot een lager dan het in de wet vastgestelde tarief.
Het Arbitragehof (thans het Grondwettelijk Hof) heeft in een arrest van 12 juni 2002 (arrest 96/2002) geoordeeld dat de rechter kan nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de boete kunnen moduleren, te dezen opheffen of verminderen binnen de aan de administratie gestelde grenzen.
Hetzelfde Hof was van oordeel dat artikel 70 WBTW discriminerend is, dat wil zeggen dat artikel 70, § 2 WBTW onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet , gelezen in samenhang met artikel 6 van het EVRM, indien het aldus wordt uitgelegd dat het de rechter geen controle met volle rechtsmacht toestaat over de administratieve beslissing.
Rekening houdend met deze arresten moet de geadieerde rechter de evenredigheid van de sanctie kunnen toetsen aan de ernst van de inbreuk en bijgevolg de opgelegde geldboete kunnen kwijtschelden of verminderen. Dit op dezelfde wijze en binnen dezelfde grenzen als degene die door de wet aan de administratie zijn opgelegd en zodanig dat niets wat binnen de boordeling van de administratie valt, aan de toetsing door de rechter ontsnapt.
Bovendien past de administratie soms automatisch fiscale geldboetes toe die lager zijn dan de belastingschalen door rekening te houden met elementen die specifiek zijn voor elk geval.
Bijgevolg is de rechter bevoegd om de wettigheid, maar ook de evenredigheid van de opgelegde geldboete te beoordelen en deze kwijt te schelden of te verlagen.
In het onderhavige geval is op grond van artikel 1 van Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 (tabel G, rubriek V) een verminderde geldboete van 20 % opgelegd. Het hof van beroep merkt op dat eiseres niet onwetend kon zijn inzake haar verplichting om de verschuldigde btw aan te geven en te betalen zodra de facturen waren uitgereikt. Derhalve staat de overeenkomstig de wettelijke schaal opgelegde verlaagde geldboete in verhouding tot de ernst van de inbreuk en is er geen reden om de geldboete te verlagen of volledig kwijt te schelden.
Bovendien is het hof van oordeel dat er geen reden zou zijn om de opschorting van de uitspraak of uitstel te verlenen indien de wet in deze maatregel had voorzien, aangezien de inbreuk vaststaat en de verlaagde geldboete niet onevenredig is aan de ernst van de inbreuk, in het bijzonder gelet op het bedrag van de ontdoken belastingen (Grondw. Hof, nr. 13/2013 van 21 februari 2013, punt B.4.3).
Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
Commentaar
De tegenpartij heeft berust in het arrest.
De administratie is van oordeel dat het hof van beroep het arrest 88/2014 van het Grondwettelijk Hof van 6 juni 2014 onjuist heeft geïnterpreteerd door te stellen dat de rechter bevoegd is om onafhankelijk van artikel 9 van het Regentbesluit een proportionaliteitscontrole uit te oefenen op fiscale geldboetes, op grond van artikel 6 EVRM.
"In ieder geval is de rechter bevoegd om op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, onafhankelijk van artikel 9 van het Besluit van de Regent van 18 maart 1831 een evenredigheidstoetsing uit te oefenen op de fiscale geldboeten.” (Grondwettelijk Hof van 6 juni 2014, nr. 88/2014).
Dit arrest 88/2014 betreft de afzonderlijke aanslag in de vennootschapsbelasting over "geheime commissielonen". De bedoelde bepaling is artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).
De verwijzende rechter heeft vastgesteld dat de wettelijke voorwaarden voor de vaststelling van een afzonderlijke aanslag op grond van artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 1992) waren vervuld. Overeenkomstig artikel 219 WIB 1992 wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd die tot gevolg heeft dat een belasting verschuldigd is met een belastingtarief van 300%; het gaat niet om een fiscale geldboete of een belastingverhoging. De fiscale administratie heeft niet het recht deze belasting te verminderen of kwijt te schelden, omdat deze niet binnen het toepassingsgebied vallen van artikel 9 van het Besluit van de Regent van 18 maart 1831 – Organiek besluit van het bestuur van ’s lands middelen. Bovendien bepaalt artikel 172 van de Grondwet dat geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet.
Aangezien de wet niet voorziet in vermindering van de aanslag, kan de rechter de aanslag evenmin verminderen.
Het Hof, zegt voor recht:
- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechter verbiedt een toezicht met volle rechtsmacht uit te oefenen op de afzonderlijke aanslag, schendt artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechter niet verbiedt een toezicht met volle rechtsmacht uit te oefenen op de afzonderlijke aanslag, schendt artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet.
De interpretatie van het hof van beroep in de onderhavige zaak is in tegenspraak met de rechtspraak van het arrest van het Hof van Cassatie van 17 januari 2019 (R.G. F16.0130.F), waarnaar het hof van beroep bovendien verwijst.
Het Hof van Cassatie heeft beslist dat bij gebreke van een gratieverzoek tot kwijtschelding van geldboeten op grond van artikel 9 van het Besluit van de Regent, de rechter geen vergelijkbare prerogatieven kan uitoefenen door de geldboete lager vast te stellen dan het wettelijke tarief. Dit arrest ligt in de lijn van de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat de bevoegdheden van de rechter in het kader van de evenredigheidstoetsing duidelijk heeft afgebakend (zie bv. Cass., 18 april 2013, F.11.0142.F, Pas., 2013, nr. 244, p. 896; Fisconetplus).
Artikel 9 van het Besluit van de Regent verleent enkel aan de minister van Financiën genadebevoegdheid van fiscale boetes. De discretionaire beoordelingsbevoegdheid inzake btw-geldboetes, die uit deze regelgeving voortvloeit, bestaat niet in het stadium van de toepassing van de fiscale boete. Alleen wanneer een genadeverzoek werd ingediend, kan de rechter het bedrag van de geldboete in het kader van een evenredigheidstoetsing verlagen.
Concluderend kan worden gesteld dat de bepaling waarnaar het Grondwettelijk Hof in arrest 88/2014 verwijst, op een geheel andere context is gericht en dat dit arrest derhalve niet op de onderhavige zaak kan worden toegepast.
Deze onjuiste uitlegging van arrest 88/2014 heeft geen gevolgen voor de beslissing van het hof, aangezien dit ervan is uitgegaan dat eiseres in de onderhavige zaak wel degelijk een administratief beroep tot kwijtschelding van geldboeten had ingesteld.
Anders dan het hof van beroep stelt op basis van een artikel van M. Moris - waar ten onrechte wordt naar verwezen-, beschikt de administratie over geen enkele bevoegdheid om de geldboete te verminderen in het stadium van de oplegging ervan, omdat zij handelt in het kader van de uitoefening van een gebonden bevoegdheid.
Wat de verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak Silvester's Horeca Services tegen België van 4 maart 2004 (http://hudoc.echr.coe.int) betreft, zij eraan herinnerd dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin de administratie gebruik had gemaakt van het gratierecht dat voortvloeide uit het oude artikel 84, lid 2, WBTW, dat inmiddels is afgeschaft en waarvan het doel vergelijkbaar is met dat van artikel 9 van het Besluit van de Regent.
In dat arrest van 4 maart 2004 in de zaak Silvester's Horeca Service tegen België heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat een stelsel van door de administratie opgelegde administratieve geldboeten niet in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, op voorwaarde dat de belastingplichtige tegen elke tegen hem genomen beslissing beroep kan instellen bij een rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht.
Vervolgens wordt gepreciseerd wat onder een dergelijke rechterlijke instantie moet worden verstaan: "Een van de kenmerken van een rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht is dat de rechter de bevoegdheid heeft om de beslissing van een lagere instantie volledig te herzien, in rechte en in feite.
In het bijzonder moet het bevoegd zijn om alle voor het bij hem aanhangige geding relevante feitelijke en juridische kwesties te onderzoeken. (E.H.R.M., 4 maart 2004, Silvester's Horeca Service t. België, nr. 27, http://hudoc.echr.coe.int).
In geen geval staat het arrest Silvester's Horeca Service de rechter toe een subjectieve controle uit te oefenen over de opportuniteit van het al dan niet toepassen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van nationaal recht waarin de hoogte van de sancties wordt vastgesteld.
In het arrest van 7 juni 2012 in de zaak S.A. Segame tegen Frankrijk (E.H.R.M., S.A. Segame t. Frankrijk, 7 juni 2012, nr. 4837/06, §§ 30, 56 en 59, https://hudoc.echr.coe.int.), heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat er geen sprake was van schending van artikel 6 van het Verdrag, na uitdrukkelijk te hebben opgemerkt, enerzijds, dat de Franse wet zelf de geldboete evenredig maakte aan de ernst van het gedrag van de belastingplichtige, en, anderzijds, dat het percentage van de geldboete dat door het administratieve hof van beroep was vastgesteld op 25 pct., niet onevenredig was.
In deze zaak, S.A. Segame t. Frankrijk, verwijt verzoekster Frankrijk dat de Franse administratieve rechter in casu niet bevoegd is om de fiscale geldboete aan te passen aan de ernst van de verweten feiten, bij gebreke van wettelijke bepalingen die dit toestaan.
Indien het Hof van Straatsburg de bevoegdheid van de rechter erkent om de belastingplichtige te ontslaan van de hem opgelegde sancties of deze te herzien, met name door een lager tarief in de plaats te stellen van een hoger, dan kan dit "voor zover de wet daarin voorziet"; dit arrest impliceert niet dat de rechter het recht heeft om te beslissen op basis van loutere opportuniteit.
Het Hof voor de Rechten van de Mens heeft de bevoegdheid tot volledige rechtsmacht niet gemodelleerd naar de bevoegdheid om de gepastheid van de sanctie te onderzoeken. Wanneer de wetgever het bedrag van de door de administratie in het kader van een gebonden bevoegdheid op te leggen boeten vaststelt, vereist artikel 6 van het verdrag niet dat de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, krachtens de "volle rechtsmacht" de evenredigheid van de opgelegde sanctie kan beoordelen.
In een geschil dat door een soortgelijke juridische situatie wordt gekenmerkt, stelt het arrest Göktan tegen Frankrijk van 2 juli 2002 in die zin vast dat "er geen enkel precedent van de organen van het verdrag bestaat, noch in het kader van artikel 6, noch in het kader van artikel 7, dat het feit dat de wetgever in een vaste straf voorziet, afkeurt of de rechter verplicht deze straf te "moduleren" naar gelang van de omstandigheden van het geval (...)" (Eur. D.H., Goktan v. Frankrijk, 2 juli 2002, § 58, http://hudoc.echr.coe.int; zie ook VAN DROOGHENBROECK, S., De vraies sanctions administratives ou des sanctions pénales camouflées? Réflexions à propos de la jurisprudence récente de la Cour européenne des droits de l'Homme", Rev. Fac. Dr. Ulg, 2005/4, blz. 467-490, hier, blz. 478).
Het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, dat van openbare orde is (Cass., 4 september 2014, Pas., nr. 491, voorafgegaan door de conclusies van de procureur des Konings, toenmalig eerste advocaat-generaal, J.-Fr. LECLERCQ) en grondwettelijke waarde heeft (Cass., 6 november 2012, Pas., 2012, n° 596), verzet zich ertegen dat de rechter zich op het terrein van de opportuniteit begeeft.
Door de Koning te belasten met het opstellen van degressieve boeteschalen naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, waarbij lichte inbreuken licht en zware inbreuken zwaar worden bestraft, organiseert de wet zelf een systeem dat is gebaseerd op evenredigheid tussen de inbreuk en de sanctie.
De schaal voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten in koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is nauwkeurig vastgesteld op basis van de artikelen 70 en 84 WBTW en vormt de tenuitvoerlegging door de wetgever van het evenredigheidsbeginsel in zijn normatief optreden.
Interne commentaar
Enkel toegankelijk voor de ambtenaren van de FOD Financiën
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Cour d'appel de Mons, Dix-huitième chambre
Arrêt du 31 mars 2021
Rôle : 2018/RG/785
EN CAUSE DE:
S.P.R.L. A., inscrite à la BCE sous le numéro 087...62, dont le siège social est établi à ..., partie appelante, représentée par Maître ..., avocat à ...;
CONTRE:
L'ETAT BELGE, Service Public Fédéral FINANCES, représenté par le Ministre des Finances, dont le cabinet est établi à 1000 BRUXELLES, rue de la Loi, 12, poursuites et diligences de Madame le Conseiller-général du Centre PME de Charleroi, dont les bureaux sont sis à 6000 CHARLEROI, Petite rue, 4, partie intimée, représentée par Monsieur X, conseiller d'administration fiscale;
Vu la requête d'appel déposée au greffe de cette cour par la S.P.R.L. A. le 9 novembre 2018, notifiée à l'Etat belge par pli judiciaire du même jour;
Vu le jugement dont appel, produit en copie conforme, rendu contradictoirement par la trente sixième chambre du tribunal de première instance du Hainaut, division de Mons, le 26 avril 2018, sous le numéro de rôle général 17/114/A, qui aux dires des parties a été signifié le 11 octobre 2018, et la procédure y visée;
Vu l'ordonnance de mise en état rendue le 4 décembre 2018 en application de l'article 747, §1er, du Code judiciaire, actant les délais pour conclure et fixant la cause pour plaidoiries à l'audience de la dix-huitième chambre de cette cour du 1er avril 2020, dont le conseil de la S.P.R.L. A. et l'Etat belge ont été avisés par plis du 4 décembre 2018;
Vu le renvoi au rôle de la cause à l'audience du 1er avril 2020 et, par la suite, sa fixation à l'audience du 17 février 2021;
Vu les conclusions et les dossiers des parties ;
Entendu les parties en leurs dires et moyens à l'audience du 17 février 2021 à laquelle les débats ont été déclarés clos et la cause prise en délibéré.
II. Recevabilité de l'appel
L'appel de la S.P.R.L. A., régulier en la forme et introduit dans le délai légal à dater de la signification du jugement a quo, est recevable.
II. Faits et antécédents de la procédure
La S.P.R.L. A., dont le siège social est établi à 6250 Aiseau-Presles, rue des Ecoles, 3, est active dans le secteur de la fabrication de structures métalliques, a comme gérant Monsieur Luigi Dl FILIPPO et est identifiée à la taxe sur la valeur ajoutée (T.V.A) sous le n° BE 087...62.
Les 23 et 24 février 2016, l'administration générale de la fiscalité, centre PME de Charleroi, a effectué un contrôle portant sur le respect de la législation en matière de T.V.A. pour les années 2013 et 2014.
Suite à ce contrôle, un procès-verbal a été dressé le 23 novembre 2016 motivé par l'absence de déclaration et de paiement par la S.P.R.L. A. de la T.V.A. de 21 % due sur un chiffre d'affaires d'un montant de 1.025.796,38 euros, soit un montant de T.V.A. de 215.417,24 euros.
Aux termes dudit procès-verbal, la S.P.R.L. A. restait redevable envers le Trésor d'une somme de 215.417,24 euros à titre de T.V.A., majorée des intérêts de retard au taux légal à partir du 21 janvier 2015 et d'une somme de 43.080 euros à titre d'amende fiscale.
Le 24 novembre 2016, l'administration a décerné une contrainte, visée et rendue exécutoire le
28 novembre 2016 et notifiée à la S.P.R.L. A. le 30 novembre 2016, pour les montants précités, soit un total de 298.132,68 euros.
Par un exploit d'huissier de justice du 29 décembre 2016, la S.P.R.L. A. a formé opposition à la contrainte précitée n° 500/1720/20883 afin, d'une part, d'entendre valider cette contrainte seulement à concurrence d'une somme de 143.891,24 euros, outre les intérêts sur cette somme, et dire non fondée la contrainte pour le surplus, soit à concurrence de la T.V.A. prescrite de 71.526 euros et, d'autre part, de s'entendre octroyer le bénéfice de la suspension du prononcé ou, à tout le moins, du sursis quant à la peine d'amende de 43.080 euros.
Par le jugement dont appel du 26 avril 2018, la trente-sixième chambre du tribunal de première instance du Hainaut, division de Mons, a dit la demande de la S.P.R.L. A. recevable mais non fondée et a constaté que l'Etat belge n'avait droit à aucune indemnité de procédure car il n'était pas assisté d'un avocat.
Par requête déposée au greffe de la cour de céans le 9 novembre 2018, la S.P.R.L. A. a interjeté appel de ce jugement.
III. Fondement de l'appel- Discussion
La S.P.R.L. A. expose que seule la somme de 71.526 euros à titre de T.V.A. et les amendes et intérêts qui y sont liés sont contestés par elle pour cause de prescription.
La S.P.R.L. A. reconnaît ainsi être redevable d'une T.V.A. en principal de 143.891,24 euros et les intérêts y liés.
L'appel de la S.P.R.L. A. tend en conséquence à entendre:
- Dire l'opposition à contrainte recevable;
- Valider la contrainte à concurrence seulement d'une somme de 143.891,24 euros, outre les intérêts sur cette somme et dire non fondée la contrainte pour le surplus, soit à concurrence de la T.V.A. prescrite de 71.526 euros;
- A titre principal, mettre à néant les amendes T.V.A., soit 43.080 euros;
- A titre subsidiaire, octroyer le bénéfice de la suspension du prononcé ou, à tout le moins, du sursis quant à la peine d'amende de 43.080 euros;
- Dire la décision à intervenir exécutoire par provision, nonobstant tous recours et sans caution ni cantonnement;
- Condamner l'Etat belge aux dépens en ce compris l'indemnité de procédure.
L'Etat belge demande pour sa part la confirmation du jugement dont appel et de la contrainte litigieuse dans tous ses effets, ainsi que la condamnation de la S.P.R.L. A. aux dépens de l'instance.
Sur la prescription
L'article 81bis du Code de la TVA, tel qu'applicable aux années en cause, dispose que:
« La prescription de l'action en recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendesfiscales est acquise à l'expiration de la troisième année civile qui suit celle durant laquelle la cause d'exigibilité de ces taxe, intérêts et amendes fiscales est intervenue ».
Lors du contrôle de la comptabilité de la S.P.R.L. A., il a été constaté que le compte « 404000 facture à établir», reprenant l'ensemble des factures qui auraient dû être établies au fur et à mesure des années et soumises à la T.V.A., s'élevait:
- au 31 décembre 2013 à 688.922,67 euros;
- au 31 décembre 2014 à 635.476,01 euros.
Interrogée à cet égard, la S.P.R.L. A. a indiqué, par la voie de son comptable, que l'historique du compte « 404000 facture à établir» était constitué de factures au nom de son gérant, Monsieur Luigi Dl FILIPPO, détaillées comme suit:
- facture n° 4 du 15 novembre 2009 pour un montant de 69,100 euros (T.V.A. de 14.411 euros);
- facture n° 5 du 31 décembre 2009 pour un montant de 60.000 euros (T.V.A. de 12.600 euros);
- facture n° 6 du 31 décembre 2009 pour un montant de 31.500 euros (T.V.A. de 6.615 euros);
- facture n° 63 du 31 décembre 2010 pour un montant de 110.000 euros (T.V.A. de 23.100 euros);
- facture n° 10 du 31 décembre 2012 pour un montant de 70.000 euros (T.V.A. de 14.700 euros);
soit un total de 340.600 euros de base d'imposition (pages 9 et 10 du procès-verbal du 23 novembre 2016, pièce 1 du dossier de l'Etat belge).
La S.P.R.L. A. considère que la somme de 71.526 euros de T.V.A. est prescrite car elle se rapporte à des factures établies en 2009, 2010 et 2012 et ne lui a été réclamée qu'en 2016.
L'administration estime pour sa part que par l'inscription régulière et volontaire des montants repris aux comptes«404000 facture à établir» et«451610 TVA à régulariser», la S.P.R.L. A. a reconnu être redevable de la T.V.A. sur le chiffre d'affaires susvisé de 340.600 euros.
Aux termes de l'article 83, § 1er, alinéa 1, du Code de la T.V.A., « les prescriptions, tant pour le recouvrement que pour la restitution de la taxe, des intérêts et des amendesfiscales, sont interrompues de la manière et dans les conditions prévues par les articles 2244 et suivants du Code civil. En ce cas, une nouvelle prescription, susceptible d'être interrompue de la même manière, est acquise cinq ans après le dernier acte interruptif de la précédente, s'il n'y a instance en justice».
L'article 2248 du Code civil dispose : « La prescription est interrompue par la reconnaissance que le débiteur ou le possesseur fait du droit de celui contre lequel il prescrivait».
La S.P.R.L. A. se réfère à un arrêt de la Cour de cassation du 22 juin 2015 qui n'est toutefois pas pertinent, dès lors qu'il s'agissait dans la cause soumise à la Cour suprême d'une renonciation à une prescription déjà acquise, ce qui n'est pas le cas en la présente espèce.
La S.P.R.L. A. soutient que la reconnaissance de dettes doit respecter le prescrit de l'article 1326 du Code civil, que l'Etat belge ne peut se fonder sur la seule comptabilisation de la dette T.V.A. dans les comptes pour considérer qu'il s'agit d'une reconnaissance de dettes et que, de plus, cette comptabilisation n'emporte pas renonciation dans son chef de se prévaloir de la prescription.
A cet égard, l'Etat belge objecte, à bon droit, que l'article 1326 du Code civil est applicable aux contrats et aux obligations conventionnelles en général et pas, comme en l'espèce, à une obligation de paiement qui résulte de la loi, à savoir l'obligation de paiement de la T.V.A. due en vertu de l'article 53, § 1er, 3°1 du Code de la T.V.A.
En tout état de cause, l'Etat belge précise à juste titre que l'article 1326 n'est pas applicable aux «marchands» et n'est donc pas applicable à la S.P.R.L. A., qui est une société commerciale, dans ses rapports avec l'administration fiscale.
Il convient enfin de rappeler que la comptabilité commerciale peut être invoquée contre son auteur et vaut aveu de la part du commerçant concerné, lequel peut néanmoins démontrer qu'il a commis une erreur de fait, ce que la S.P.R.L. A. ne fait pas.
La S.P.R.L. A. se réfère également à un avis de la Commission des Normes Comptables du 8 décembre 2010 (avis 2011/3) qui stipule que
« les dettes commerciales contestées doivent être exprimées dans la comptabilité de la société débitrice au moment de la réception de la facture », et
« l'inscription dans la comptabilité d'une dette ne peut être assimilée à l'acception de celle-ci».
L'Etat belge relève à cet égard, à juste titre, que ledit avis 2011/3 ne vise que le traitement comptable de dettes contestées, ce qui n'est pas le cas en l'espèce.
En effet, les montants de T.V.A. à régulariser ont été inscrits par la S.P.R.L. A. dans les comptes
« 451000-compte courant TVA» et« 451610-TVA à régulariser» et n'ont fait l'objet d'aucune contestation de sa part.
L'Etat belge invoque quant à lui un autre avis de la Commission des Normes Comptables du 15 juin 2016 (avis 2016/12) par lequel celle-ci, après avoir précisé qu'elle ne se prononçait pas sur la question de savoir si la reprise d'une dette dans les comptes annuels entraîne une interruption de la prescription de cette dette au sens de l'article 2248 du Code civil, se réfère à un arrêt de la Cour de cassation du 15 février 2013 qui a considéré que l'obligation légale de reprendre une dette dans sa comptabilité n'empêche pas que cette reprise soit une reconnaissance au sens de l'article 2248 du Code civil (Cass., 15 février 2013, R.G. n° F.11.0020.N, consultable sur le site Internet portal.be).
Dans cet avis 2016/12, la Commission des Normes Comptables stipule en outre que « si le débiteur invoque la prescription, la dette ne peut plus être comptabilisée au passif du bilan du débiteur et le montant de cette dette doit être pris en résultats», ce qui n'a pas été fait par la S.P.R.L. A..
La S.P.R.L. A. ne peut dès lors être suivie lorsqu'elle soutient que l'inscription dans ses comptes de la somme de 71.526 euros ne vaut que comme simple constat de l'existence de la dette et non de son exigibilité.
En l'espèce, la S.P.R.L. A. a inscrit, sans réserve, les montants de T.V.A. due dans sa comptabilité, de manière continue et répétée à chaque fin d'exercice et, de cette manière, elle a interrompu valablement la prescription à chaque inscription en comptabilité de ses dettes T.V.A.
A bon droit, le premier juge a relevé qu'il ne s'agissait pas ici de renoncer à invoquer la prescription mais de reconnaître sa dette T.V.A. en bonne et due forme par l'inscription de celle-ci dans sa comptabilité.
Il résulte de ce qui précède que le grief de la S.P.R.L. A. relatif à la prescription n'est pas fondé.
Sur les amendes fiscales
La S.P.R.L. A. sollicite la suspension du prononcé ou, à tout le moins, le sursis de l'amende de
43.080 euros vu qu'il s'agit d'une première infraction et que la dette est reconnue en principal à titre de T.V.A. à concurrence de plus ou moins deux tiers.
Le premier juge a considéré qu'à défaut de recours administratif préalable, il ne pouvait statuer sur ce chef de demande et qu'au demeurant, le montant de l'amende correspond au barème légale et ne paraît pas disproportionné eu égard aux importants montants dus à titre de T.V.A.
Aux termes de l'article 9 de l'arrêté du Régent n° 78 du 18 mars 1831, « le Ministre des finances statue sur les réclamations ayant pour objet la remise d'amendes et d'augmentations de droits à titre d'amendes, autres que celles prononcées par Je juge, et arrête les transactions entre l'administration et les contribuables, dans les cas où elles sont autorisées par les lois ».
Par un courrier de son mandataire du 20 octobre 2016, la S.P.R.L. A. a postulé la réduction des amendes appliquées de 20 % (43.080 euros) à 0 % au motif que le sursis ne pouvait être appliqué en violation des articles 10 et 11 de la Constitution (arrêt de la Cour Constitutionnelle du 21 février 2013) (pièce 4 du dossier de l'Etat belge).
Bien que cette demande soit antérieure au procès-verbal du 23 novembre 2016 et à la contrainte décernée le 24 novembre 2016, elle doit être considérée comme une demande de remise des amendes, mentionnées sur le relevé de régularisation du 22 septembre 2016, au sens de l'article 9 de l'arrêté du Régent n° 78 du 18 mars 1831.
L'arrêt de la Cour de cassation du 17 janvier 2019, auquel se réfère l'Etat belge, ne peut dès lors trouver application en l'espèce dès lors qu'il vise l'hypothèse d'une absence de recours ayant pour objet la remise d1amendes (Cass., 17 janvier 2019, R.G. n° F.16.0130.F, consultable sur le site Internet portal.be).
En tout état de cause, le juge dispose de la compétence d'exercer un contrôle de proportionnalité des amendes fiscales indépendamment de l'article 9 de l'arrêté du Régent du 18 mA. 1831, sur base de l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme (voyez l'arrêt de la Cour Constitutionnelle du 6 juin 2014, n° 88/2014, consultable sur le site Internet const-cour.be)
En ce qui concerne l'amende infligée par l'administration, il y a lieu de considérer qu'elle revêt un caractère pénal et que partant l'article 6 de la Convention européenne des droits de l'homme lui est applicable (C.E.D.H., 24 février 1994, Affaire Bendenoun c/ France, n° 3/1993/398/476),
Le respect de l1article 6 de cette Convention suppose que la décision de l'administration, ne remplissant pas elle-même les conditions de l'article 6, § 1, subisse le contrôle ultérieur d'un organe judiciaire de pleine juridiction impliquant le pouvoir de réformer en tous points, en fait comme en droit, la décision entreprise (C.E.D.H., 4 mA. 2004, affaire Silvester's Horeca Service c. Belgique, n• 47650/99, F.J.F., 2004, p. 528).
En son arrêt du 24 janvier 2002, la Cour de cassation a reconnu au juge un droit de contrôle sur l'amende administrative lui permettant d'examiner si la sanction n'est pas disproportionnée à l'infraction et si l'administration pouvait raisonnablement infliger une sanction de cette importance eu égard à la gravité de l'infraction, au taux des sanctions infligées antérieurement et aux décisions rendues dans des cas similaires (Cass., 24 janvier 2002, en cause Setime et Riganatie (deux causes), n° C000243N, n° C000307N et n° C000599N, Site Internet portal.be). Cette jurisprudence a été ultérieurement confirmée par un arrêt du 18 avril 2013, la Cour de cassation précisant toutefois que
« ce droit contrôle n'implique pas que le juge peut remettre ou réduire des amendes pour de simples motifs d'opportunité et à l'encontre des règles légales» (Cass., 18 avril 2013, R .G. n° F.11.0142.F, consultable sur le site Internet portal.be, et les concl. de l'Av. gén. HENKES).
Il résulte en outre d'un arrêt de la même Cour que le redevable peut faire examiner par le juge s'il existe des circonstances justifiant que l'amende administrative soit réduite à un taux inférieur au tarif prévu par la loi et que« le juge auquel il est demandé de contrôler une sanction administrative ayant un caractère répressif dispose de la pleine juridiction pour examiner si cette décision est justifiée en fait et en droit et si elle respecte tous les principes devant être observés par l'administration, parmi lesquels le principe de proportionnalité» (Cass., 12 décembre 2008, R.G. n• F.06.0111.N, consultable sur le Site Internet portal.be; voyez aussi : Cass, 13 février 2009, R.G. n• F.06.0108.N, consultable sur le site Internet portal.be).
La Cour d'arbitrage, devenue la Cour constitutionnelle, par un arrêt du 12 juin 2002, a estimé que le juge peut vérifier si une décision administrative est justifiée en fait et en droit et si elle respecte l'ensemble des dispositions législatives et des principes généraux qui s'imposent à l'administration, parmi lesquels le principe de proportionnalité, et, le cas échéant, il pourra moduler l'amende, la supprimer ou la diminuer dans les limites assignées à l'administration (Arrêt n· 96/2002 du 12 juin 2002).
En son arrêt du 15 mai 2008, la même Cour a considéré que l'article 70 du Code de la TVA est discriminatoire, c'est-à-dire incompatible avec les articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec l'article 61 § 1er, de la Convention européenne des droits de l'homme, s'il est interprété en ce sens qu'il ne permet pas au juge d'exercer un contrôle de pleine juridiction sur la décision administrative refusant la remise ou la réduction de l'amende fiscale (Arrêt n° 79/2008, considérant B.6.2).
Compte tenu de ces arrêts, le juge saisi doit pouvoir apprécier la proportionnalité de la sanction à la gravité de l'infraction et, par voie de conséquence, remettre ou réduire l'amende infligée, de la même manière et dans les mêmes limites que celles qui sont assignées par la loi à l'administration, de telle sorte que rien de ce qui relève de l'appréciation de celle-ci ne puisse échapper au contrôle judiciaire (à cet égard : Civ. Bruxelles, 4 septembre 2008, R.G.C.F., 2009/2, p. 149 et la note de M. MARLIERE et C. SCHOTTE; D. GARABEDIAN, « Le pouvoir d'appréciation du juge à l'égard des amendes administratives fiscales et de la cotisation spéciale sur commissions secrètes», in liber amicorum Jacques Malherbe, Bruxelles, Bruylant, 2006, p. 502; J. KIRKPATRICK et S. NUDELHOLC,
« Le contrôle judiciaire des amendes fiscales et le principe de proportionnalité», R.C.J.B., 2002, p. 651, n° 54; Le Fiscologue, 2008, n° 1117, p. 8; M. BOURGEOIS et L. OPRONIESZK, « Le point sur le contrôle judiciaire des sanctions administratives en matière fiscale», in Actualités en droitfiscal, CUP, Vol 111, 2009, Anthemis, pp. 266 et 267, n° 63; Liège (21ème ch. fisc.), 31 janvier 2012, R.G.C.F., 2012/6, p. 460 et s.).
De plus, par le biais de ses fonctionnaires chargés d'infliger une amende, l'administration applique, parfois automatiquement, des amendes fiscales inférieures aux barèmes prévus par les arrêtés royaux et retient, dans son appréciation du taux de l'amende à infliger, les éléments propres à chaque cas d'espèce (M. MORIS, « Le pouvoir d'appréciation du juge en matière d'amendes fiscales», note sous Cass., 30 novembre 2006, R.G.C.F., 2007/5, pp. 369 et 370).
En conséquence, la cour est habilitée à apprécier la légalité mais aussi la proportionnalité de l'amende infligée à la S.P.R.L. A. et de la remettre ou de la réduire, le cas échéant.
En l'espèce, l'administration a considéré que la S.P.R.L. A. n'avait pas été animée d'une intention frauduleuse et, en application de l'article 1er de l'arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987 (tableau G, rubrique V), elle a réduit l'amende à 20 % de la T.V.A. due, soit 43.083,45 euros.
Il convient toutefois de relever que la S.P.R.L. A. ne pouvait ignorer son obligation de déclarer et de payer la T.V.A., due dès l'émission des factures.
Dans ce contexte, l'amende telle que réduite conformément au barème légal s'avère proportionné à la gravité de l'infraction et il n'y a pas lieu de la réduire ou de la remettre partiellement ou totalement.
Par ailleurs, la cour estime qu'il n'y aurait pas lieu d'accorder la suspension du prononcé ou le sursis, si cette mesure était prévue par la loi, dès lors que l'infraction est établie et que, comme dit ci-avant, l'amende, telle que réduite à 20 %, n'est pas disproportionnée à la gravité de l'infraction notamment au regard du montant des taxes éludées (voyez à cet égard : Cour constitutionnelle, arrêt n° 13/2013 du 21 février 2013, Numéro de rôle : 5321, spécialement le point B.4.3., consultable sur le site Internet const-court.be).
En conséquence, l'appel doit être déclaré non fondé.
Beschikkend gedeelte
PAR CES MOTIFS,
La Cour
Statuant contradictoirement,
Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire dont il a été fait application, spécialement des articles 1, 4, 24, 30, 34, 37 et 41 ;
Donnant acte aux parties présentes de leurs dires, dénégations et réserves, rejetant toutes les conclusions plus amples ou contraires ;
Dit l'appel recevable mais non fondé;
En déboute la S.P .R.L. A. ;
Condamne la S.P.R.L. A. aux frais et dépens de l'instance d'appel non liquidés par l'Etat belge, s'il en est, et lui délaisse ses propres frais et dépens.
Ainsi jugé et prononcé en langue française et en audience publique au Palais de Justice de Mons, province de Hainaut, les jour, mois et an que dessus, par la dix-huitième chambre de la Cour d'appel de Mons, où siégeaient: ...
Signatures
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.