Administratieve en strafrechtelijke sancties (31.10.2021) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

24 januari 2022

Zoeken

Administratieve en strafrechtelijke sancties (31.10.2021)

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/administratieve-strafrechtelijke-sancties-e13f

Datum
24 januari 2022

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

425 paragrafen

Btw-Commentaar - Administratieve en strafrechtelijke sancties (31.10.2021)

BOEKWERK VII: Controle en navordering van de belasting

Hoofdstuk 20: Administratieve en strafrechtelijke sancties

Bijwerking 31.10.2021 – Vorige versie: [01.07.2018]

Inhoud · 10 onderdelen

Afdeling 1 - Wetgevend kader

1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

2. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten

Afdeling 2 - Administratieve sancties

1. De types fiscale geldboeten btw

A. De proportionele geldboeten

a. Het wettelijk barema voorzien in de artikelen 70 en 71 van het Btw-Wetboek

b. Het barema van de proportionele fiscale geldboeten voorzien in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41

B. De niet-proportionele geldboeten

a. Het wettelijk barema voorzien in artikel 70, § 4, van het Btw-Wetboek

b. Het barema van de proportionele fiscale boeten voorzien in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44

2. De toepassing van de boeten

A. Van toepassing zijnde principe

B. Rechtsmiddelen

a. Het administratief beroep

b. Vermindering of kwijtschelding van boeten

Afdeling 3 - Strafrechtelijke sancties

1. Overzicht van de strafrechtelijke sancties

2. Procedure in verband met de strafrechtelijke beteugeling van inbreuken begaan met bedrieglijk opzet of een oogmerk te schaden

A. De uitoefening van de strafvordering (artikel 74, § 1, van het Btw-Wetboek)

B. Rol van de fiscale ambtenaren. Verplichting om feiten ter kennis te brengen aan het openbaar ministerie (artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering)

a. De kennisgeving van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn naar luid van andere wetten en besluiten dan belastingwetten en -besluiten (artikel 29, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering)

b. De kennisgeving van feiten die naar luid van de belastingwetten en -besluiten strafbaar zijn (artikel 29, § 2, van het Wetboek van strafvordering)

c. De kennisgeving van feiten die aanwijzingen van ernstige fiscale fraude inhouden (artikel 29, § 3, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering)

d. De mededeling van gegevens van het fiscaal dossier in het kader van de kennisgeving en het overleg (artikel 74ter van het Btw-Wetboek)

C. Het opsporingsonderzoek en het instellen van de strafvordering

D. Rol van de fiscale ambtenaren. Verbod tot actieve deelname aan het strafonderzoek (artikel 74bis van het Btw-Wetboek)

E. De minnelijke schikking

F. De vraag om advies van de procureur des Konings (artikel 74, § 3, van het Btw-Wetboek)

E. Verjaring van de strafvordering

Afdeling 4. De toepassing van administratieve sancties met strafrechtelijke karakter en/of strafrechtelijke sancties voor dezelfde of substandtieel dezelfde feiten

1. Het una via-mechanisme: één geïntegreerde en samenhangende procedure op het vlak van sanctionering van fiscale inbreuken begaan met bedrieglijk oogmerk of een oogmerk te schaden

2. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake non bis in idem

A. Het principe ‘non bis in idem’ volgens het EHRM

B. Voldoende nauwe materiële band

C. Voldoende nauwe temporele band

3. De rechtspraak van het Hof van Justitie van EU inzake non bis in idem

4. Het overleg tussen de gerechtelijke, politionele en fiscale overheden

A. Algemeen

B. Het subsidiariteitsprincipe

C. De aangifte van feiten die aanwijzingen van ernstige fiscale fraude aan het licht brengen

D. De criteria waaraan de feiten moeten beantwoorden

E. Het overleg

F. Het meedelen van gegevens van het fiscaal dossier in het kader van het overleg

G. De beslissing van de procureur des Konings omtrent de uitoefening van de strafvordering

H. De kennisgeving van de belissing tot uitoefening van de strafvordering

I. Gevolgen van de beslissing tot het al dan niet uitoefenen van de strafvordering voor de fiscale procedure

5. De toepassing van administratieve sancties staat de strafvordering niet in de weg

6. Integratie van de juridische geschillenprocedure in de strafprocedure

7. Het aanrekeningsprincipe

Afdeling 1 - Wetgevend kader

1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

Artikel 70

Artikel 71

Artikel 72

Artikel 73

Artikel 73bis

Artikel 73bis/1

Artikel 73ter

Artikel 73quater

Artikel 73quinquies

Artikel 73sexies

Artikel 73septies

Artikel 73octies

Artikel 73nonies

Artikel 73decies

Artikel 74

Artikel 74bis

Artikel 74ter

Artikel 84

2. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten

Koninklijk besluit nr. 41 van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

Koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde

[Top]

Afdeling 2 - Administratieve sancties

1. De types fiscale geldboeten btw

A. De proportionele geldboeten

a. Het wettelijk barema voorzien in de artikelen 70 en 71 van het Btw-Wetboek

Artikel 70, §§ 1 tot 3, artikel 70, § 5, en artikel 71 van het Btw-Wetboek bepalen de sanctie die van toepassing is op overtredingen waarvoor de opgelopen geldboete proportioneel is aan het bedrag van de rechten, met andere woorden zij wordt vastgesteld als een percentage van het bedrag van de belasting.

Artikel 70, § 1, van het Btw-Wetboek legt een geldboete op gelijk aan het dubbel van de belasting voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen. Die geldboete is verschuldigd individueel door ieder die krachtens het Btw-Wetboek of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting, hetzij als wettelijke schuldenaar, hetzij hoofdelijk.

Artikel 70, § 1bis, van het Btw-Wetboek legt een geldboete op gelijk aan het dubbel van die belasting aan ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht.

De tekst van art. 70, § 1bis, van het Btw-Wetboek werd gedeeltelijk vernietigd door het Grondwettelijk Hof (Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 32/2020 d.d. 20.02.2020). Het Hof stelt dat in zoverre het de burgerlijke rechtbank niet toelaat de geldboete waarin het voorziet, gepaard te laten gaan met uitstel, artikel 70, § 1bis, van het Btw-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Hetzelfde geldt met betrekking tot artikel 70, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek (Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2013 van 21.02.2013). De wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie (BS 29.06.1964) is volgens de rechtspraak niet van toepassing is op een fiscaal geschil dat niet voor de strafrechter is gebracht.

De vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft evenwel niet tot gevolg dat die bepalingen, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien. Naast het Grondwettelijk Hof is ook het Hof van Cassatie van mening dat de rechterlijke instanties de wettelijke bepalingen inzake administratieve fiscale geldboetes kunnen blijven toepassen, ondanks het feit dat de wetgever niet heeft voorzien in een uitstel van de tenuitvoerlegging in fiscale zaken, wanneer de rechter na de door het Grondwettelijk Hof voorgeschreven analyse tot de conclusie komt dat er geen reden zou zijn geweest om het uitstel in de betrokken zaak toe te staan (zie in dat verband arrest van het Hof van Cassatie nr. F.11.0007 van 20.06.2013; nr. F.16.0127.F van 12.01.2018 en nr. F.19.0008.F van 13.03.2020)

Artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek legt een geldboete op gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door het Btw-Wetboek of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan. Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant. In dat geval is de niet proportionele geldboete bedoeld in artikel 70, § 4, van het Btw-Wetboek van toepassing. Ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de in artikel 70, § 1, als de in artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek bepaalde geldboete oploopt, is alleen de in artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde boete verschuldigd.

In het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 135/2021 van 07.10.2021 wordt geantwoord op de prejudiciële vraag of artikel 70, § 1 en § 2, van het Btw-Wetboek het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel schenden door een zelfde straf te bepalen voor het geval iemand btw niet betaalt als voor diegene die wel de btw betaalt maar verkeerde facturen opstelt. Het Hof antwoordt ontkennend op de desbetreffende vraag (punt B.8.5 van het arrest). Ten aanzien van het doel van de vermelde bepalingen bevinden diegenen die de de verschuldigde belasting niet of laattijdig betalen en diegenen die geen facturen of facturen met onjuiste vermeldingen opstellen zich volgens het Grondwettelijk Hof niet in fundamenteel verschillende situaties, aangezien zij beiden een inbreuk hebben gepleegd op de verplichtingen die zijn neergelegd in het Btw-Wetboek hetgeen het ontduiken van belastingen tot gevolg heeft (punt B.8.4, tweede paragraaf, van het arrest). Ter zake wijst het Hof er op dat de factuur binnen de belasting over de toegevoegde waarde een centrale plaats inneemt, mede doordat het recht op aftrek door de belastingplichtige afhankelijk is van het bestaan van een dergelijk document. Om die reden worden aan dat document stringente eisen gesteld. Het is volgens het Hof dan ook redelijk verantwoord dat de niet naleving van die verplichtingen met eenzelfde proportionele geldboete wordt bestraft als de niet-betaling van de btw (punt B.8.4, eerste paragraaf, van het arrest).

Artikel 70, § 3, van het Btw-Wetboek legt een geldboete op gelijk aan het dubbel van de verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro, wanneer het invoerdocument onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van de aard of de hoeveelheid van de ingevoerde goederen, de prijs of het toebehoren ervan, de naam of het adres van degene op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan. Die geldboete is hoofdelijk verschuldigd door allen die krachtens artikel 52 van het Btw-Wetboek gehouden zijn tot voldoening van de belasting. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtreding als louter toevallig kan worden aangemerkt. In dat geval worden de overtredingen beboet met de geldboete bedoeld in artikel 70, § 1, van het Btw-Wetboek. Ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de in artikel 70, § 1, als de in artikel 70, § 3, van het Btw-Wetboek bepaalde geldboete oploopt, is alleen deze bedoeld in artikel 70, § 3, van het Btw-Wetboek verschuldigd.

Artikel 70, § 5, van het Btw-Wetboek legt een geldboete op ten bedrage van de belasting wanneer ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde deskundige schatting (levering van nieuwe gebouwen en werken in verband met het oprichten van gebouwen) kan worden gevorderd, bevonden wordt dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan, indien het tekort gelijk is aan of groter is dan een achtste van de maatstaf waarover de belasting werd voldaan.

Artikel 71 van het Btw-Wetboek legt een geldboete op gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, wanneer de tot staving van de uitvoer overgelegde documenten een grotere hoeveelheid goederen vermelden dan de werkelijk uitgevoerde hoeveelheid, een hogere prijs of waarde vermelden dan de werkelijke prijs of waarde van de goederen of de aard of de soort van de goederen onjuist vermelden. Indien de aangever voor rekening van een lastgever handelt, is ze hoofdelijk verschuldigd door de aangever en de lastgever; het minimum van de boete bedraagt 50 euro per overtreding.

b. Het barema van de proportionele fiscale geldboeten voorzien in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41

Artikel 84, derde lid, van het Btw-Wetboek stelt dat binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in het Btw-Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, wordt bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het koninklijk besluit nr. 41 genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 van het Btw-Wetboek bepaalt de schaal voor de vermindering van de proportionele geldboeten.

Overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 41 is de schaal voor de vermindering niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Dit betekent bijgevolg dat in geval van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, enkel de schalen vastgelegd in de artikelen 70 §§ 1 tot 3, 70 § 5 en 71 van het Btw-Wetboek van toepassing zijn (Arrest van het Hof van Beroep te Gent nr. 2016/AR/1235 van 12.12.2017) (Arrest van het Hof van Beroep te Gent nr. 2017/AR/80 van 27.03.2018).

In de veronderstelling dat de overtredingen niet werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, kan daarentegen enkel de schaal van de geldboeten opgenomen in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 toegepast worden (Arrest van het Hof van Beroep te Gent nr. 2016/AR/1951 van 06.03.2018).

De schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten voorzien in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 is opgebouwd uit tien tabellen waarvan er thans zes effectief van toepassing zijn.

De tabellen A, B, D en F die slechts de overtredingen begaan vóór 01.11.1993 beogen, zijn dus verouderd en worden niet toegelicht.

• Tabel G – Overtredingen beoogd in artikel 70, § 1, van het Btw-Wetboek

Tabel G bepaalt de schaal voor de vermindering van de boeten van toepassing voor elke overtreding bedoeld in artikel 70, § 1, van het Btw-Wetboek en heeft betrekking op 4 afdelingen (binnenlandse en intracommunautaire verrichtingen, de invoeren, de uitvoeren en andere regelingen van entrepot dan douane-entrepot). Afhankelijk van het type overtreding schommelen de boeten van een bedrag van 50 euro en 5 tot 100% van de verschuldigde belasting. Die geldboete is verschuldigd individueel door ieder die krachtens het Btw-Wetboek of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting, hetzij als wettelijke schuldenaar, hetzij hoofdelijk.

De eerste afdeling (binnenlandse en intracommunautaire handelingen) bestraft respectievelijk de volgende vastgestelde overtredingen:

o niet-betaling en niet-tijdige betaling van de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangifte (nr. 625), maandelijks of trimestrieel, uit de ingediende aangifte met betrekking tot de One Stop Shop (OSS) (regeling Import One Stop Shop, regeling EU of regeling niet-EU) of uit het opstellen van een bijzondere rekening (1)

o niet-betaling en niet-tijdige betaling van de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende bijzondere aangifte (nr. 629)

o niet-betaling of niet-tijdige betaling van de belasting verschuldigd ter zake van de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen of accijnsproducten;

o gebrekkige toepassing van de btw-reglementering vastgesteld bij het nazicht van de voorgelegde boeken en stukken

o onjuistheden vastgesteld bij het nazicht van de boekhouding met betrekking tot de inhoud ervan

o het niet overleggen van het teruggaafregister of het niet erin inschrijven van een verbeterend stuk

o ten onrechte toepassen van artikel 25ter, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek en de overtredingen begaan bij de toepassing van artikel 39bis, 39ter en 42, §§ 1, 2 en 3, 1° tot 6°, van het Btw-Wetboek.

(1) De boete van 15 % van de verschuldigde belasting van toepassing in het geval van het opstellen van en bijzondere rekening (boete bedoeld in afdeling 1, Rubriek I, 2, A) van tabel G, voornoemd) werd bij tijdelijke maatregel, nl. voor de periode van 01.04.2021 tot 30.09.2021, verlaagd tot 10 % van de verschuldigde belasting.

De tijdelijke maatregel werd ingevoerd voor de periode van 01.04.2021 tot 30.06.2021 (zie de circulaire 2021/C/40 van 04.05.2021 betreffende de tijdelijke verlaging van het boetetarief in geval van niet-betaling en niet-tijdige betaling van de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangifte – boete van toepassing in het geval van het opstellen van een bijzondere rekening) en werd verlengd voor de periode van 01.07.2021 tot 30.09.2021 door artikel 1 van het koninklijk besluit tot wijziging van tabel G, eerste afdeling, rubriek I, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het vlak van belasting over de toegevoegde waarde van 20.06.2021 (BS 23.06.2021).

De tweede afdeling van tabel G bestraft de volgende overtredingen met betrekking tot de invoer:

o Overtredingen van de verplichting de goederen aan te geven en de belasting te voldoen:

* invoer van goederen zonder aangifte of niet-aangifte van een gedeelte van de goederen

* overtredingen in verband met het bedrag van de verschuldigde belasting (vergissingen betreffende de maatstaf van heffing, de omrekening van munten, het aangeven van het tarief van de btw en het bedrag van de verschuldigde belasting)

* overtredingen inzake het aangeven van de aard of de hoeveelheid van de ingevoerde goederen

* overtredingen in verband met het weekkrediet

* overtredingen in verband met de regeling van de verlegging van de heffing met betrekking tot de invoer van goederen (artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29.12.1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde) (2)

* laattijdige voldoening van de belasting ingevolge overtredingen in verband met de opschortende douaneregelingen en de opschortende fiscale regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5, van het Btw-Wetboek

(2) Inbreuken als bedoeld in punt 5, B), 1° van het koninklijk besluit nr. 41, tabel G, afdeling 2, rubriek VIII in verband met het onrechtmatig toepassen of inroepen van de verleggingsregeling bedoeld in artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde worden vanaf 01.07.2021 steeds beboet met een fiscale administratieve geldboete van hetzij 5 % hetzij 10 % van de belasting waarvoor de verleggingsregeling onrechtmatig werd toegepast of ingeroepen, afhankelijk of het bedrag van de verschuldigde belasting voor een gecontroleerde periode van één jaar minder of gelijk is aan 1.250 euro of meer bedraagt dan 1.250 euro (zie artikel 30, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30 van het koninklijk besluit van 29.06.2021 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 7, 10, 22, 24, 31, 41, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde - BS 01.07.2021).

Voorheen voorzag punt 5, B), 1°, van het koninklijk besluit nr. 41, tabel G, afdeling 2, rubriek VIII, er in dat, in geval van een overtreding op de hiervoor bedoelde verleggingsregeling (overtreding op de verplichting tot het opnemen van de verschuldigde belasting voor de aangegeven goederen in de periodieke btw-aangifte) werd begaan en indien de verschuldigde belasting volledig aftrekbaar was, de boete 50 euro bedraagt voor het geheel van de overtredingen vastgesteld tijdens eenzelfde controle.

Tevens werd de boete van 50 euro voorzien in het hiervoor bedoelde punt 5, B), 1°, geschrapt.

De gewijzigde bepaling is van toepassing op inbreuken begaan vanaf 01.07.2021. Aangezien de bepaling een inbreuk op een declaratieve verplichting beboet, dient als tijdstip waarop de inbreuk wordt begaan te worden aangemerkt: het verstrijken van de indieningstermijn van de aangifte waarin de verschuldigde belasting had moeten zijn opgenomen. De bepaling is bijgevolg ten vroegste van toepassing op btw-aangiften waarvan de wettelijke datum van indiening zich situeert na 30.06.2021.

o overtredingen met betrekking tot de vrijstellingen bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, 1°bis en 2°, en § 4, van het Btw-Wetboek

o gehele of gedeeltelijke niet-betaling of niet-tijdige betaling van de verschuldigde belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende aangifte bedoeld in artikel 58sexies, § 3, van het Btw-Wetboek die nog verschuldigd blijft op de zeventiende dag van de maand die volgt op het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft (3)

(3) In afdeling 2 van tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41, voornoemd, werd vanaf 01.07.2021 een rubriek IXbis ingevoegd (zie artikel 30, 3°, van het koninklijk besluit van 29.06.2021 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 7, 10, 22, 24, 31, 41, 44 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde - BS 01.07.2021). Deze rubriek beboet de gehele of gedeeltelijke niet-betaling of niet-tijdige betaling van de verschuldigde belasting waarvan de opeisbaar blijkt uit de ingediende aangifte bedoeld in artikel 58sexies, § 3, van het Btw-Wetboek. Artikel 58sexies, § 3, eerste lid, van het Wetboek bepaalt de verplichtingen van de persoon die de goederen bij de douane aanbrengt met betrekking tot de aangifte en betaling van de belasting die verschuldigd is bij invoer in het kader van de door die bepaling bedoelde bijzonder regeling (bijzondere regeling voor de aangifte en betaling van btw bij invoer). De boete bedraagt 10 % van de verschuldigde belasting

o onregelmatigheden met betrekking tot de vrijstellingen bedoeld in artikel 40, § 1, 1°, a), van het Btw-Wetboek, voor de invoer van goederen bedoeld in artikel 42, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek, en onregelmatigheden met betrekking tot de vrijstellingen bedoeld in artikel 42, § 3, 1° tot 6°, van het Btw-Wetboek

o overtredingen op het stuk van de tijdelijke invoer van vervoermiddelen.

De derde afdeling van tabel G bestraft de volgende overtredingen mt betrekking tot de uitvoer:

o Overtredingen inzake de toepassing van artikel 39 van het Btw-Wetboek:

* vrijstelling ten onrechte toegepast of ingeroepen of het bewijs van het recht op vrijstelling wordt niet geleverd

* overtredingen in verband met de toepassing van de opschorting van de betaling van de belasting beoogd in artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstelling ten aanzien van uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van belasting over de toegevoegde waarde

o Overtredingen inzake de toepassing van artikel 42, § 3, 8°, en artikel 40, § 1, 1°, a, van het Btw-Wetboek m.b.t. de invoeren en de intracommunautaire verwervingen van goederen bedoeld in artikel 42, § 3, 8°, van het Btw-Wetboek.

De vierde en laatste afdeling van tabel G bestraft de overtredingen begaan bij de toepassing van artikel 39quater van het Btw-Wetboek (regeling van entrepot andere dan douane-entrepot).

• Tabel H – Overtredingen bedoeld beoogd in artikel 70, § 1bis, van het Btw-wetboek

Tabel H bepaalt de schaal voor de vermindering van de geldboeten van toepassing voor elke overtreding bedoeld in artikel 70, § 1bis, van het Btw-Wetboek, en heeft betrekking op het recht op aftrek van btw. Afhankelijk van het type overtreding schommelen de boeten van 5 tot 10% van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting.

• Tabel C – Overtredingen beoogd in artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek

Tabel C bepaalt de schaal voor de vermindering van de boeten van toepassing voor elke overtreding bedoeld in artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek inzake facturen en als zodanig geldende stukken.

Worden bestraft: het niet-uitreiken van facturen of van als zodanig geldende stukken en het ontbreken van of onjuistheden in de vermeldingen aan te brengen op de facturen of op de als zodanig geldende stukken. Afhankelijk van het type overtreding schommelen de boeten

van 60 tot 100% van de op de handelingen verschuldigde belasting. Die geldboete is individueel verschuldigd door ieder die krachtens het Btw-Wetboek of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting, hetzij als wettelijke schuldenaar, hetzij hoofdelijk.

Op grond van tabel C, rubriek I, 1) van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41, voornoemd, wordt voor het niet uitreiken van facturen of zodanig geldende stukken welke geen verschuldigdheid van de btw tot gevolg heeft de boete verminderd tot 60 pct. van de op de handeling verschuldigde btw. Dit houdt concreet in dat indien de op de handelingen verschuldigde btw is opgenomen in de door de belastingplichtige ingediende periodieke aangifte met betrekking tot de periode waarin de verschuldigde belasting opeisbaar is geworden de boete wordt verminderd tot 60 % van de op de handeling verschuldigde belasting.

Er wordt aan herinnerd dat artikel 70, § 2 en dus ook tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 niet de overtredingen beoogd die als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant. Wanneer in dit geval de overtredingen geen verband houden met de verplichting de belasting te voldoen, worden ze bestraft met de niet-proportionele fiscale geldboeten bedoeld in artikel 70, § 4, van het Btw-Wetboek en overeenkomstig de schalen opgenomen in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44.

Ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de boete bedoeld in tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 en de boete bedoeld in tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 oploopt is alleen de boeten bedoeld in tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 verschuldigd.

• Tabel I – Overtredingen beoogd in artikel 70, § 3, van het Btw-Wetboek

Tabel I bepaalt de schaal voor de vermindering van de boeten van toepassing voor elke overtreding bedoeld in artikel 70, § 3, van het Btw-Wetboek wanneer het invoerdocument onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van de aard of de hoeveelheid van de ingevoerde goederen, de prijs of het toebehoren ervan, de naam of het adres van degene op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan. Deze geldboete bedraagt 50% van de over de handeling verschuldigde belasting, met een minimum van 50 euro. De geldboete is individueel verschuldigd door allen die krachtens artikel 52 van het Btw-Wetboek gehouden zijn tot voldoening van de belasting, hetzij als wettelijke schuldenaar, hetzij hoofdelijk.

Er wordt herinnerd dat artikel 70, § 3, en dus ook tabel I van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 niet de overtredingen beoogt die als louter toevallig kunnen worden aangemerkt. In dit geval zijn de overtredingen bedoeld in artikel 70, § 1, van het Btw-Wetboek en worden ze bestraft met de boete bedoeld in tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41.

Ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de boete bedoeld in tabel G van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 en de boete bedoeld in tabel I van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 oploopt is alleen de boeten bedoeld in tabel I van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 verschuldigd.

• Tabel E - Overtredingen beoogd in artikel 70, § 5, van het Btw-Wetboek

Tabel E bepaalt de schaal voor de vermindering van de boeten van toepassing voor elke overtreding bedoeld in artikel 70, § 5, van het Btw-Wetboek wanneer bevonden wordt dat de belasting over een ontoereikende maatstaf werd voldaan ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde deskundige schatting kan worden gevorderd (levering van nieuwe gebouwen en werken met betrekking tot op te richten gebouwen) en het tekort gelijk is aan of groter is dan een achtste van de maatstaf waarover de belasting werd voldaan. Afhankelijk van de graad van overschrijding schommelen de boeten van 10 tot 35% van de verschuldigde belasting.

• Tabel J - Overtredingen beoogd in artikel 71 van het Btw-Wetboek

Tabel J bepaalt de schaal voor de vermindering van de boeten van toepassing voor elke overtreding bedoeld in artikel 71 van het Btw-Wetboek wanneer op de overgelegde stukken tot staving van de uitvoer van goederen een grotere hoeveelheid goederen is vermeld dan de werkelijk uitgevoerde hoeveelheid, een hogere prijs of waarde is vermeld dan de werkelijke prijs of waarde van de goederen of de goederen onder een valse benaming werden vermeld. De boete is bepaald op 10% van de belasting die verschuldigd zou geweest zijn, met een minimum van 50 euro.

B. De niet-proportionele geldboeten

a. Het wettelijk barema voorzien in artikel 70, § 4, van het Btw-Wetboek

Artikel 70, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek legt een niet-proportionele fiscale geldboete op van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding voor de overtredingen van het Btw-Wetboek en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, andere dan deze bedoeld in artikel 70, §§ 1, 2 en 3, van het Btw-Wetboek.

Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding bepaald volgens een schaal waarvan de trappen worden vastgesteld in het koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012.

b. Het barema van de niet-proportionele fiscale boeten voorzien in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44

Het bedrag van de geldboeten wordt bepaald volgens de schaal die voorzien wordt in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012. Dat koninklijk besluit vervangt het koninklijk besluit nr. 44 van 21.10.1993. Op 01.07.2012 werd ook het barema van vermindering dat werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 08.08.2002 opgeheven. Het koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012 is van toepassing vanaf de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad, dit wil zeggen voor alle overtredingen begaan vanaf 17.07.2012.

Die nieuwe schaal werd opgemaakt in de vorm van een tabel die, enerzijds, de mogelijke overtredingen opsomt en, anderzijds, de toe te passen overeenstemmende sancties opsomt.

De aandacht wordt gevestigd op het feit dat wanneer de overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken, het hoogste bedrag van de voor die overtreding voorziene geldboete wordt verdubbeld, zonder dat deze het bedrag van 5.000 euro per overtreding mag overschrijden (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 44).

De eerste afdeling van die schaal beoogt de aangifteverplichtingen. Daar worden respectievelijk vermeld de overtredingen en sancties betreffende:

• de periodieke aangifte (nr. 625) in punt I

• de bijzondere aangifte (nr. 629), de aangifte One Stop Shop (OSS) (regeling IOSS, regeling EU of regeling niet-EU) en die inzake de vervreemding van een nieuw gebouw (nr. 104.5) in punt II

• de andere aangiften in punt III

• de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers in punt IV, 1

• de opgave van de intracommunautaire handelingen in punt IV, 2

• de andere lijsten en opgaven in punt IV, 3

De tweede afdeling van die schaal wordt gewijd aan de facturen en andere stukken voorzien door of krachtens de regelgeving. Worden hier bedoeld:

• de factuur en het als zodanig geldend stuk, onder punt I

• het kasticket van een geregistreerd kassasysteem en de rekening of het ontvangstbewijs, onder punt II

• de andere stukken en rapporten, onder punt III

De verplichtingen inzake boekhouding maken het voorwerp uit van de derde afdeling van die schaal. Worden daar bedoeld:

• de boeken, registers en journalen, in punt I

• de dubbels van facturen, van de bijzondere stukken die door een lid van een btw-eenheid worden uitgereikt voor de aan een ander lid verstrekte goederen of diensten, van de stukken die door de belastingplichtige worden opgemaakt voor de leveringen van intracommunautaire goederen die vrijgesteld zouden zijn indien zij werden verricht voor een andere belastingplichtige en van de stukken die door de belastingplichtige worden uitgereikt in geval van een verkoop op proef, zending op zicht of in consignatie, in punt II

• de andere op te maken/te houden stukken en gegevens, in punt III

De vierde afdeling van de schaal betreft de controlemaatregelen en inzonderheid:

• de verplichting tot het meedelen van het btw-identificatienummer, in punt I

• de verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen aan de administratie, in punt II

• de verplichting tot bewaren, in punt III

• de verplichtingen tot voorlegging ter inzage, tot het verstrekken van inlichtingen en van toegang tot de professionele ruimten, in punt IV

Het internationaal luik maakt het voorwerp uit van de vijfde afdeling van het barema.

De zesde afdeling wordt, wat haar betreft, voorbehouden aan de diverse bepalingen, met andere woorden aan de overtredingen die niet bedoeld zijn in de afdelingen die voorafgaan.

• Toepassing van de gradatie van de geldboeten

Wanneer voorzien wordt in een gradatie van het bedrag van de geldboete, moet de rang van de overtreding worden bepaald in toepassing van de volgende regels:

o Alleen dezelfde overtredingen worden in aanmerking genomen, met andere woorden de overtredingen die zijn bedoeld onder hetzelfde punt in het barema.

o Voor het bepalen van het bedrag van de toe te passen boete, wordt rekening gehouden met het aantal keer dat eenzelfde overtreding werd bestraft voor zover dat deze overtredingen werden begaan gedurende de periode die begint de 1e januari van het vierde kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de nieuwe overtreding is begaan. Onder een ‘bestrafte overtreding’ wordt verstaan een overtreding die ter kennis gebracht werd van de overtreder en waarvoor een geldboete werd gevorderd.

o Elke overtreding van dezelfde aard die wordt bestraft vormt in principe een verschillende rang van overtreding, volgens een oplopende orde. Wanneer evenwel bij een controle tegelijkertijd meerdere gelijkaardige overtredingen worden vastgesteld of bestraft dienen deze te worden beschouwd als één enkele overtreding.

o Voor het bepalen van de referentieperiode van de vier voorgaande kalenderjaren worden enkel de overtredingen begaan te rekenen vanaf 17.07.2012 in aanmerking genomen.

Voorbeeld 1: verzuim van inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten (afdeling 3, I, D van het barema), begaan door een belastingplichtige op 30.11.2015, 20.07.2017 en 15.05.2019. Verondersteld wordt dat er voorafgaand geen enkele overtreding van die aard werd bestraft lastens de betrokken belastingplichtige.

1e geval: de overtreding van 30.11.2015 wordt n.a.v. een controle verricht op 05.02.2016 bestraft als eerste overtreding en een geldboete van 50 euro per ontbrekende inschrijving wordt opgelegd. Voor de bepaling van de rang gaat het om de eerste overtreding.

Naar aanleiding van de controle verricht op 17.11.2017, wordt de overtreding van 20.07.2017 bestraft door een geldboete van 125 euro per ontbrekende inschrijving ten titel van 2e overtreding van die aard. Naar aanleiding van de controle verricht op 05.09.2019 zal dan ook de overtreding van 15.05.2019 worden bestraft met een geldboete van 250 euro per ontbrekende inschrijving ten titel van 3e overtreding.

2e geval: de overtredingen van 30.11.2015 en 20.07.2017 worden bestraft naar aanleiding van eenzelfde controle, verricht op 15.03.2018. Gelet op het feit dat zij tegelijkertijd worden bestraft, worden die overtredingen allebei beschouwd als een eerste overtreding en wordt een boete van 50 euro per ontbrekende inschrijving opgelegd. Naar aanleiding van de controle verricht op 05.09.2019 zal de overtreding van 15.05.2019 worden aangemerkt als een tweede overtreding en worden bestraft met een geldboete van 125 euro per ontbrekende inschrijving.

Voorbeeld 2: verzuim van inschrijvingen in het uitgaand factuurboek (afdeling 3, I, D van het barema), begaan door een belastingplichtige op 15.09.2014 en 15.06.2019. Verondersteld wordt dat er voorafgaand geen enkele overtreding van die aard werd bestraft lastens de betrokken belastingplichtige.

De overtreding van 15.09.2014 wordt naar aanleiding van een controle verricht op 20.11.2014 bestraft als eerste overtreding en een geldboete van 50 euro per ontbrekende inschrijving wordt opgelegd. Voor de bepaling van de rang gaat het om de eerste overtreding. De overtreding van 15.06.2019 wordt naar aanleiding van een controle verricht op 02.10.2019 eveneens als eerste overtreding bestraft en een geldboete van 50 euro per ontbrekende inschrijving wordt opgelegd. Immers de vorige vastgestelde overtreding (overtreding van 15.09.2014 vastgesteld tijdens de controle van 20.11.2014) werd begaan vóór de periode die begint de 1e januari van het vierde kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de nieuwe overtreding is begaan.

• Overtredingen begaan met de bedoeling om de belasting te ontduiken

Wanneer de overtreding werd begaan met de bedoeling om de belasting te ontduiken, moet het bedrag van de geldboete steeds worden bepaald in toepassing van de volgende regels:

o het bedrag van de hoogste geldboete die voorzien is voor die overtreding wordt verdubbeld, zonder dat deze het bedrag van 5.000 euro per overtreding mag overschrijden

o wanneer de sanctie wordt opgelegd per stuk, per inschrijving, per boek, per register of per journaal, wordt het bedrag van de hoogste geldboete die voorzien is voor die overtreding verdubbeld zonder meer te mogen bedragen dan 5.000 euro per overtreding. Het maximum van 5.000 euro voor het geheel van de overtredingen voorzien in bepaalde afdelingen van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 voor de gevallen waarin de overtreding niet begaan werd met de bedoeling om de belasting te ontduiken, is eveneens van toepassing.

Voorbeeld 1: De weigering tot voorlegging van het boek voor uitgaande facturen. De overtreding werd begaan met de bedoeling om de belasting te ontduiken.

In de afdeling 4, IV, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44, is de hoogste sanctie 5.000 euro.

Het bedrag van de geldboete wordt verdubbeld zonder dat ze 5.000 euro mag overschrijden, het gevorderde bedrag beloopt dan ook 5.000 x 2, beperkt tot 5.000 euro.

Voorbeeld 2: Het dagontvangstenboek voldoet niet aan één of meerdere van de door of krachtens de regelgeving voorziene vormvereisten. De overtreding werd begaan met de bedoeling om de belasting te ontduiken.

In de afdeling 3, I, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44, is de hoogste sanctie 2.000 euro per overtreding.

Het bedrag van de geldboete wordt verdubbeld zonder dat ze 5.000 euro per boek, register of journaal mag overschrijden.

Het bedrag van de geldboete beloopt dan ook 4.000 euro.

Voorbeeld 3: De uitbater van een car-wash heeft geen rekening of ontvangstbewijs uitgereikt voor wat betreft het wassen van 50 voertuigen.

In de afdeling 2, II, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44, is de hoogste sanctie 250 euro per niet uitgereikte rekening of ontvangstbewijs, met een maximum van 5.000 euro. Het bedrag van de geldboete wordt verdubbeld zonder dat ze 5.000 euro per rekening of ontvangstbewijs mag overschrijden, maar het bedrag van 5.000 euro voor het geheel van de overtredingen voorzien in de afdeling 2, II, B, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 is eveneens van toepassing. Het bedrag van de geldboete beloopt dus 500 euro per niet uitgereikte rekening of ontvangstbewijs, hetzij 500 x 50, beperkt tot 5.000 euro.

2. De toepassing van de boeten

A. Van toepassing zijnde principe

Wanneer de taxatieambtenaar een administratieve geldboete oplegt, is hij wettelijk gehouden de geldboete op te leggen voorzien door het wettelijk of reglementair barema, zonder dat hijzelf mag kiezen om de geldboete te verminderen tot onder het toepasbaar barema, noch a fortiori ze kwijt te schelden. De toepassing van een vermindering van de geldboete onder het reglementaire barema, op het moment zelf waarop die geldboete wordt opgelegd, is strijdig met de wet.

De bevoegdheid om de fiscale geldboete te verminderen komt, in functie van de omstandigheden eigen aan elk geval, dan ook niet toe aan de verbaliserende ambtenaar. Immers, voor deze belasting wordt de discretionaire beoordelingsbevoegdheid, in principe, niet uitgeoefend in de fase van het opleggen van de fiscale geldboete.

B. Rechtsmiddelen

a. Het administratief beroep

De geschillenprocedure kan worden onderscheiden in twee fasen: een administratieve fase en een gerechtelijke fase. De administratieve fase duurt in principe tot zolang het geschil tussen de administratie en de belastingplichtige niet wordt ingeleid voor de rechtbank. De gerechtelijke fase begint, wat haar betreft, slechts bij de indiening van de vordering in rechte.

Aangestipt wordt dat de administratieve fase niet onvermijdelijk is, in die zin dat de belastingplichtige kan kiezen om de fiscale geldboete rechtstreeks voor de fiscale rechter aan te vechten, zonder zijn mogelijkheid van een administratief beroep te hebben uitgeput.

Degene die een administratief beroep indient op grond van artikel 84, eerste lid, van het Btw-Wetboek betwist de opgelegde boete ten gronde. Hij stelt bijvoorbeeld, dat de beslissing niet de wettelijke en reglementaire bepalingen eerbiedigt. Dit administratief beroep wordt ingediend bij het bevoegde Centrum.

De administratieve beslissing is steeds vatbaar voor beroep voor de fiscale rechter. Dan start de gerechtelijke fase van de geschillenprocedure inzake btw.

b. Vermindering of kwijtschelding van boeten

De bevoegdheid om de fiscale geldboeten te verminderen of kwijt te schelden wordt verleend aan de minister van Financiën, op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit nr. 78 van 18.03.1831. De minister zelf kan die bevoegdheid delegeren.

Een belastingplichtige kan derhalve vragen dat hem een volledige of een gedeeltelijke kwijtschelding van een administratieve geldboete inzake btw wordt verleend door een gemotiveerd verzoek in te dienen bij de minister van Financiën of diens gevolmachtigde.

Degene die een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van boeten indient op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18.03.1831, betwist de opgelegde boete niet ten gronde.

De vermindering of kwijtschelding van boeten op basis van een dergelijk verzoek is een gratiemaatregel en kan slechts toegepast worden in bijzondere omstandigheden en rekening houdend met het beginsel van gelijke behandeling voor alle belastingplichtigen. De belastingplichtige moet bijgevolg zijn verzoek motiveren en de redenen die volgens hem de vermindering of kwijtschelding van de opgelopen boeten rechtvaardigen aanbrengen (Parl. Vr. nr. 2514 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Barbara Plas van 29.01.2019).

Er is geen enkele termijn voorzien, noch voor het inleiden van een dergelijk verzoek op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit, noch voor de ministeriële of directoriale beslissing die een uitspraak doet over een dergelijk verzoek. Toch wordt in de regularisatieopgave de overtreder evenwel verzocht een verzoek tot vermindering of kwijtschelding van de opgelegde geldboeten in te dienen bij het bevoegde Centrum binnen de termijn van drie maanden.

De beslissing betreffende deze vraag om kwijtschelding of vermindering van de boete is steeds vatbaar voor beroep voor de fiscale rechter. (Arrêt de la Cour d’Appel d’Anvers n° 2016/AR/207, du 28.11.2017).

De uit artikel 9 van het Regentbesluit voortvloeiende discretionaire beoordelingsbevoegdheid tot vermindering of kwijtschelden van een fiscale geldboete op het vlak van btw bestaat niet in de fase dat de boete wordt opgelegd.

Alleen in het geval een genadeverzoek werd ingediend kan de rechter het bedrag van de geldboete verminderen in het kader van een evenredigheidstoetsing.

Buiten deze gevallen, staat de uitoefening van een controle met volle rechtsmacht de rechter niet toe, om in het kader van een evenredigheidstoetsing, geldboeten te verminderen of kwijt te schelden (arrest van het Hof van Cassatie nr. F.16.0130.F, van 17.01.2019)

[Top]

Afdeling 3 - Strafrechtelijke sancties

1. Overzicht van de strafrechtelijke sancties

De artikelen 73 tot 73decies van het Btw-Wetboek leggen strafrechtelijke sancties op voor bepaalde overtredingen:

• artikel 73 van het Btw-Wetboek straft hem die overtredingen begaat inzake btw, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Zwaardere straffen zijn voorzien wanneer de inbreuken werden gepleegd in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd

Fiscale fraude wordt in ieder geval als ernstig beschouwd wanneer de bedoelde inbreuken, verbonden zijn met het grondgebied van ten minste twee lidstaten en een schade veroorzaken van ten minste 10.000.000 euro.

• artikel 73bis van het Btw-Wetboek straft hem die, met het oogmerk om een van de in artikel 73, van het Btw-Wetboek bedoelde misdrijven te plegen, valsheid pleegt in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften of in informatica, zoals bedoeld in artikel 210bis, § 1, van Boek II van het Strafwetboek, of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt, evenals hem die wetens en willens een vals getuigschrift opstelt dat de belangen van de Schatkist kan schaden of die van een dergelijk getuigschrift gebruik maakt

• artikel 73bis/1, eerste lid, van het Btw-Wetboek bepaalt dat de rechter, ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, bij de straftoemeting rekening houdt met de verschuldigde administratieve geldboeten

• artikel 73bis/1, tweede lid, van het Btw-Wetboek bepaalt dat artikel 42, 3°, van het Strafwetboek geen toepassing vindt op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de fiscale misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen in geval de vordering van de fiscale administratie gegrond wordt verklaard en tot een effectieve betaling van deze volledige vordering heeft geleid

• artikel 73ter van het Btw-Wetboek bepaalt dat de veroordeling van een beoefenaar van een van de hierna genoemde beroepen, wegens een van de misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis van het Btw-Wetboek gepaard kan gaan met het opleggen van het verbod, voor een periode van drie maanden tot vijf jaar, om, rechtstreeks of onrechtstreeks, deze beroepen op welke wijze ook uit te oefenen:

o belastingadviseur

o zaakbezorger

o deskundige in belastingzaken of in boekhouden

o of enig ander beroep dat tot doel heeft voor één of meer personen die overeenkomstig artikel 51, §§ 1, 2 en 4, van het Btw-Wetboek, schuldenaar van de belasting zijn, boek te houden of te helpen houden, ofwel voor eigen rekening ofwel als hoofd, lid of bediende van enigerlei vennootschap, vereniging, groepering of onderneming

o of, meer in het algemeen, het beroep dat erin bestaat één of meer personen die overeenkomstig artikel 51, §§ 1, 2 en 4, van het Btw-Wetboek, schuldenaar van de belasting zijn, raad te geven of bij te staan bij het vervullen van de verplichtingen opgelegd bij dit Wetboek of bij de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

De rechter kan bovendien, mits hij zijn beslissing op dat stuk motiveert, voor een duur van drie maanden tot vijf jaar de sluiting bevelen van de inrichtingen van de vennootschap, vereniging, groepering of onderneming waarvan de veroordeelde hoofd, lid of bediende is.

Het verbod en de sluiting als bedoeld hiervoor zullen van kracht worden vanaf de dag waarop de veroordeling definitief is.

• artikel 73quater van het Btw-Wetboek, straft hem die, rechtstreeks of onrechtstreeks, het verbod of de sluiting, uitgesproken krachtens artikel 73ter, van het Btw-Wetboek overtreedt

• artikel 73quinquies, § 1, van het Btw-Wetboek, bedingt dat op de misdrijven, bedoeld in de artikelen 73, 73bis en 73quater, van het Btw-Wetboek, alle bepalingen van het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van artikel 85 met betrekking tot de verzachtende omstandigheden, van toepassing zijn

• artikel 73quinquies, § 2, van het Btw-Wetboek (opgeheven)

• artikel 73quinquies, § 3, van het Btw-Wetboek, bepaalt dat de wettelijke beschikkingen betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten toepassing vinden op de misdrijven bedoeld in de artikelen 73, 73bis en 73quater, van het Btw-Wetboek

Artikel 59 van de programmawet van 25.12.2016 (B.S. 29.12.2016) heeft de wet van 05.03.1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten (BS 03.04.1952) gewijzigd. De aanpassing heeft tot gevolg dat de opdeciemen worden verhoogd van 50 naar 70. Dit houdt concreet in dat de fiscaal strafrechtelijke geldboeten vanaf 01.01.2017 worden vermenigvuldigd met een factor 8. Voor de periode tussen 01.01.2012 tot 31.12.2016 was dat een factor 6.

• artikel 73sexies van het Btw-Wetboek (gewijzigd door artikel 85 van de Wet van 26.03.2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie – Belgisch Staatsblad van 30.03.2018) bepaalt:

o dat de personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis van het Btw-Wetboek werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting en interesten verschuldigd door de oorspronkelijke schuldenaar van de belasting

o dat de personen beschuldigd als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis van het Btw-Wetboek eveneens hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting en de interesten, zoals bedoeld in het eerste lid, wanneer de bestanddelen van de misdrijven bewezen verklaard zijn, wanneer ze genieten van:

* een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straffen voorzien in de wet van 29.06.1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie

* een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring voorzien in artikel 21ter van de Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering

* de procedure van voorafgaande erkenning van schuld bedoeld in artikel 216 van het Wetboek van Strafvordering

* de verjaring van de strafvordering

o dat de natuurlijke personen of de rechtspersonen burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen welke krachtens de artikelen 73 tot 73quater tegen hun aangestelden of hun bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars, in het kader van de uitoefening van hun functie, in rechte of in feite, zijn uitgesproken.

• artikel 73septies van het Btw-Wetboek, regelt de aanplakking en bekendmaking van de veroordelingen tot een gevangenisstraf uitgesproken krachtens de artikelen 73, 73bis en 73quater en van de krachtens artikel 73ter van het Btw-Wetboek, uitgesproken beslissingen tot verbod van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België of tot sluiting van de in het land geëxploiteerde inrichtingen

• artikel 73octies van het Btw-Wetboek bepaalt dat de schending van het bij artikel 93bis van het Btw-Wetboek bepaalde beroepsgeheim wordt gestraft overeenkomstig de artikelen 66, 67 en 458 van het Strafwetboek

• artikel 73nonies van het Btw-Wetboek bepaalt dat de poging om ernstige fiscale fraude te plegen als bedoeld in artikel 73, derde lid, van datzelfde Wetboek, wordt gestraft met een gevangenisstraf en een geldboete of met een van die straffen alleen

• artikel 73decies van het Btw-Wetboek bepaalt dat wanneer de ernstige fiscale fraude als bedoeld in artikel 73, derde lid, van datzelfde Wetboek wordt gepleegd door een criminele organisatie in de zin van artikel 324bis van het Strafwetboek, de schuldige wordt gestraft met een gevangenisstraf en met een geldboete of met een van die straffen alleen

2. Procedure in verband met de strafrechtelijke beteugeling van inbreuken begaan met bedrieglijk opzet of een oogmerk te schaden

A. De uitoefening van de strafvordering (artikel 74, § 1, van het Btw-Wetboek)

Artikel 1 van de wet van 17.04.1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechtsvordering tot toepassing van straffen niet kan worden uitgeoefend dan door ambtenaren die de wet daarmee belast.

Op het vlak van btw wordt de strafvordering uitgeoefend door het openbaar ministerie (artikel 74, § 1, van het Btw-Wetboek).

Het openbaar ministerie kan de strafvordering uitoefenen in alle gevallen waarin het kennis heeft van de strafbare feiten. Dit is bijvoorbeeld zo wanneer een belastingplichtige zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte, het opstellen van valse facturen, het met bedrieglijk opzet niet inschrijven van facturen of het niet houden van factuurboeken.

B. Rol van de fiscale ambtenaren. Verplichting om feiten ter kennis te brengen aan het openbaar ministerie (artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering)

a. De kennisgeving van misdaden en wanbedrijven die strafbaar zijn naar luid van andere wetten en besluiten dan belastingwetten en -besluiten (artikel 29, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering)

Iedere gestelde overheid, ieder openbaar officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf, is verplicht:

• daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden

• aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen toekomen (artikel 29, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering).

De in artikel 29, § 1, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde misdaden en wanbedrijven zijn diegene die strafbaar zijn naar luid van andere wetten en besluiten dan de belastingwetten- en besluiten.

Er is geen enkele machtiging vereist om dergelijke misdaden en wanbedrijven aan de procureur des Konings ter kennis te brengen.

Een bijzondere meldingsplicht geldt wanneer ambtenaren van de FOD Financiën bij de uitoefening van hun opdrachten of bij de uitoefening van hun beroep geldmiddelen, verrichtingen of feiten vaststellen waarvan zij weten, vermoeden of redelijke gronden hebben om te vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme (artikel 79, § 2, 2°, van de wet van 18.09.2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik in contanten - BS 06.10.2017).

b. De kennisgeving van feiten die naar luid van de belastingwetten en -besluiten strafbaar zijn (artikel 29, § 2, van het Wetboek van strafvordering)

Om feiten die naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, ter kennis te brengen van de procureur des Konings, moeten de ambtenaren de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie beschikken over een machtiging van de adviseur-generaal onder wie zij ressorteren of de daarmee gelijkgestelde ambtenaar (artikel 29, § 2, van het Wetboek van strafvordering).

De machtiging is enkel vereist voor de kennisgeving die de fiscale ambtenaar uit eigen beweging doet.

De ambtenaar doet de kennisgeving niet uit eigen beweging wanneer hij, overeenkomstig artikel 93bis,tweede lid, van het Btw-Wetboek, in het raam van een strafonderzoek, op verzoek van de rechterlijke overheid, inlichtingen verstrekt die deze overheid nodig heeft voor de uitvoering van de haar opgedragen taak (vgl. Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.07.1254.N van 27.11.2007, raadpleegbaar op www.juridat.be; zie in dat verband tevens: Arrest van het Hof van Cassatie nr. P.08.0878.F van 17.12.2008, raadpleegbaar op www.juridat.be).

Artikel 29, § 2, van het Wetboek van strafvordering bevat geen vormvoorschriften of bijzondere bewijsregels met betrekking tot de erin bedoelde aangifte of de machtiging daarvoor (vgl. Arrest van het Hof van Cassatie P.17.0872.N van 27.03.2018, dat betrekking heeft artikel 29, tweede lid (oud), van het het Btw-Wetboek, raadpleegbaar op www.juridat.be).

Een aangifte van fiscale misdrijven door de bedoelde fiscale ambtenaren, waarvoor geen machtiging overeenkomstig artikel 29, § 2, van het Wetboek van strafvordering is verleend, is onregelmatig.

Bovendien kan het openbaar ministerie geen vervolging instellen indien het kennis heeft gekregen van de feiten ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan hierboven sprake (artikel 74, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

Uit artikel 29, § 2, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 74, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek volgt volgens het Hof van Cassatie dan ook dat de strafvordering die steunt op een onregelmatige aangifte, niet ontvankelijk is (zie Arrest van het Hof van Cassatie nr. P.15.0768.N van 19.01.2016).

c. De kennisgeving van feiten die aanwijzingen van ernstige fiscale fraude inhouden (artikel 29, § 3, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering)

De adviseur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit en van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie of de ambtenaar die hij aanwijst geeft de de feiten waarvan het onderzoek aanwijzingen van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, die naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijke inbreuken zijn, aan het licht brengt aan bij de procureur des Konings (artikel 29, § 3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering).

Artikel 29, § 4, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de Koning de criteria bepaalt waaraan de in § 3 bedoelde feiten beantwoorden, bij een in Ministerraad overlegd besluit.

Wanneer het administratief onderzoek aanwijzingen van ernstigere fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, aan het licht brengt die beantwoorden aan de door de Koning bepaalde criteria, houdt de wet een verplichting tot overleg in. Indien de fiscale ambtenaren dergelijke feiten vaststellen, dan brengen zij deze feiten ter kennis van de procureur des Konings in toepassing van artikel 29, § 3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De overlegprocedure en de voornoemde criteria worden nader besproken onder titel 3 ‘De toepassing van administratieve sancties met strafrechtelijke karakter en strafrechtelijke sancties voor dezelfde feiten of substantieel dezelfde feiten’, Rubriek 4 ‘Het overleg tussen de gerechtelijke, politionele en fiscale overheden’.

d. De mededeling van gegevens van het fiscaal dossier in het kader van de kennisgeving en het overleg (artikel 74ter van het Btw-Wetboek)

In het kader van de kennisgeving en het overleg bedoeld in artikel 29, § 2 en § 3, eerste en tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, deelt de bevoegde adviseur-generaal of de ambtenaar die hij aanwijst, de gegevens van het fiscaal dossier met betrekking tot de feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten mede aan het openbaar ministerie (artikel 74ter van het Btw-Wetboek).

C. Het opsporingsonderzoek en het instellen van de strafvordering

Wanneer de procureur des Konings kennis heeft van strafbare feiten, met name op basis van het overleg tussen de gerechtelijke, politionele en fiscale overheden of van aangiften afkomstig van ambtenaren of aan de hand van klachten van eenieder die zich benadeeld voelt door de inbreuken, laat hij over het algemeen een onderzoek instellen. Dat onderzoek, het opsporingsonderzoek, is het geheel van handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering. Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings.

Aan het eind ervan kan de procureur des Konings de strafvordering werkelijk instellen, ofwel door de betrokkene voor de rechtbank te dagvaarden, ofwel door een onderzoeksrechter te doen overgaan tot een onderzoek van het dossier. Dat laatste onderzoek, het gerechtelijk onderzoek, is het geheel van handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen. Het wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van een onderzoeksrechter. Het wordt zowel à charge als à décharge gevoerd.

Aan het einde van die procedures kunnen, door de rechtbank, strafrechtelijke sancties worden uitgesproken.

D. Rol van de fiscale ambtenaren. Verbod tot actieve deelname aan het strafonderzoek (artikel 74bis van het Btw-Wetboek)

Behoudens wettelijke uitzonderingen mogen de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de akte van rechtspleging, slechts als getuige worden gehoord (artikel 74bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

Artikel 71 van het Wetboek van strafvordering omschrijft getuigen als personen die kennis dragen van hetzij de misdaad of het wanbedrijf, hetzij van de omstandigheden ervan.

Door het invoegen van artikel 74bis, eerste lid, in het Btw-Wetboek heeft de wet een actieve deelname van fiscale ambtenaren aan het strafonderzoek verboden. Wegens dat verbod mogen bedoelde ambtenaren niet actief meewerken, noch aan het opsporingsonderzoek, noch aan het gerechtelijk onderzoek. Zij mogen niet optreden als deskundige, noch deelnemen aan huiszoekingen, plaatsopnemingen of verhoren (Arrest van het Hof van Cassatie nr. P.00.0200.N van 20.06.2000 en nr. P.08.0878.F van 17.12.2008, raadpleegbaar op www.jurdat.be).

De sanctie waarin artikel 74bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek voorziet is de nietigheid van de akte van rechtspleging.

De mededeling van stukken aan de speurders, zelfs naar aanleiding van een onregelmatig verhoor, die nodig zijn voor de hun opgedragen uitvoering van wettelijke bepalingen, is niet nietig. De gestelde nietigheidssanctie heeft volgens het Hof van Cassatie enkel tot doel ervoor te zorgen dat de ambtenaar alleen in de voorgeschreven hoedanigheid wordt verhoord. De in de wet bedoelde akte van rechtspleging is dus alleen het verhoor zelf (vgl. Arrest van het Hof van Cassatie nr. P.12.1444.F van 13.02.2013, dat betrekking heeft op artikel 463 WIB 92, raadpleegbaar op www.juridat.be).

Artikel 93bis, tweede lid, van het Btw-Wetboek staat inderdaad toe om, met name aan de parketten, alle inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de uitvoering van hun opgedragen wettelijke taken.

Het actief samenwerkingsverbod is niet van toepassing op de ambtenaren belast met de belasting over de toegevoegde waarde die :

• bij het parket zijn gedetacheerd (artikel 71 van de wet van 28.12.1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen)

• ter beschikking zijn gesteld van de federale politie (artikel 31 van de wet van 30.03.1994 tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit)

• deelnemen aan het in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg.

E. De minnelijke schikking

De strafvordering vervalt tegen de dader die de door de procureur des Konings voorgestelde minnelijke schikking, nadat deze door de bevoegde rechter werd bekrachtigd, heeft aanvaard en nageleefd (artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering).

Voor de procureur des Konings bestaat de procedure van de strafrechtelijke minnelijke schikking erin om, voor zover het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, de dader te verzoeken een bepaalde geldsom te storten.

Het recht kan door de procureur des Konings ook worden uitgeoefend wanneer de onderzoeksrechter reeds met een onderzoek is gelast of wanneer de zaak reeds bij de rechtbank of het hof aanhangig is gemaakt, voor zover er nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen in strafzaken.

Voor de fiscale misdrijven waarmee belastingen konden worden omzeild, is de minnelijke schikking pas mogelijk nadat de dader van het misdrijf de door hem verschuldigde belastingen, inclusief de intresten, heeft betaald, en de fiscale administratie daarmee heeft ingestemd.

Over de toepassing van artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering kan uitsluitend de procureur des Konings beslissen.

F. De vraag om advies van de procureur des Konings (artikel 74, § 3, van het Btw-Wetboek)

Onverminderd het in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering bedoelde overleg, kan de procureur des Konings die een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van het Btw-Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, het advies vragen van de bevoegde adviseur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

Zodoende kan de procureur des Konings altijd het advies van de administratie vragen, om het even of hij al dan niet een dossier in behandeling heeft genomen en ongeacht de wijze waarop hij van de strafbare feiten kennis heeft gekregen.

Het vragen van het advies is niet verplicht en slechts facultatief.

De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt, bij het verzoek om advies. De adviseur-generaal dient te antwoorden op het aan hem gerichte verzoek binnen de vier maanden na de ontvangst ervan.

In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering.

E. Verjaring van de strafvordering

De verjaringstermijn van de strafvordering (een wanbedrijf) is vijf jaar (artikel 21 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering).

[Top]

Afdeling 4. De toepassing van administratieve sancties met strafrechtelijke karakter en/of strafrechtelijke sancties voor dezelfde of substandtieel dezelfde feiten

1. Het una via-mechanisme: één geïntegreerde en samenhangende procedure op het vlak van sanctionering van fiscale inbreuken begaan met bedrieglijk oogmerk of een oogmerk te schaden

Om de doeltreffendheid van de strijd tegen de fiscale fraude te verbeteren, heeft in 2009 de parlementaire onderzoekscommisie, opgericht door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, met name aanbevolen om het principe ‘una via’ (één enkele weg) in te voeren in fiscale zaken.

De wet van 20.09.2012 tot instelling van het ‘una via’-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetes (BS 22.10.2012) maakte de voormelde aanbeveling concreet.

De regel ‘una via’ hield in dat de inbreuken op de fiscale wetgeving uitsluitend ofwel via de administratieve weg, ofwel via de strafrechtelijke weg werden vervolgd. De bedoeling was, enerzijds, de fiscale fraude voor zover mogelijk via administratieve weg te bestrijden en, anderzijds, voor elk dossier van fiscale fraude van grote betekenis een overleg tussen de fiscus, de politie en het gerecht te organiseren over de wijze waarop elk dossier moet worden behandeld.

De wet van 05.05.2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek (BS 24.05.2019) heeft een nieuw ‘una via’-mechanisme ingevoerd teneinde:

• aan de gevolgen te verhelpen van het Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 61/2014 van 03.04.2014 waarbij de artikelen 3, 4 en 14 van wet van 20.09.2012 tot instelling van het ‘una via’-principe in de vervolging van overtredingen van de fiscale wetgeving en tot verhoging van de fiscale penale boetes werden vernietigd en

• de wetgeving in overeenstemming te brengen met de recente rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot het ‘non bis in idem'-beginsel.

De doorgevoerde wijzigingen, die een geïntegreerde en samenhangende procedure tot stand brengen wat de toepassing van administratieve sancties met strafrechtelijk karakter en de toepassing van strafrechtelijke sancties betreft, kunnen worden ingedeeld in volgende fundamentele pijlers:

• het versterken en doeltreffender maken van het overleg tussen de fiscale administratie en de procureur des Konings door de aanpassing van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, dat de fiscale administratie verplicht om de feiten van ernstige fiscale fraude aan te geven bij de procureur des Konings

• het invoegen in het Wetboek van Strafvordering van het principe dat de toepassing van administratieve sancties met strafrechtelijk karakter de strafvordering onder welbepaalde voorwaarden niet in de weg staat

• de integratie van de fiscale juridische geschillenprocedure in de strafprocedure, door het invoegen van artikel 4bis in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering

• de invoering van een aanrekeningprincipe volgens hetwelk de strafrechter bij de straftoemeting dient rekening te houden met de verschuldigde administratieve geldboeten.

De wet van 05.05.2019, voornoemd, is in werking getreden op 01.01.2020.

2. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake non bis in idem

A. Het principe ‘non bis in idem’ volgens het EHRM

Artikel 4.1 van het Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.

Volgens de zienswijze van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als naar voor gebracht in het arrest Zolotoukhine dient artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM derwijze te worden begrepen dat het verboden is om een persoon te vervolgen of te veroordelen voor een tweede ‘overtreding’, voor zover aan die laatste identieke feiten of feiten die in essentie dezelfde zijn ten gronde liggen (Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Zolotoukhine tegen Rusland, nr. 14939/03 van 10.02.2009, raadpleegbaar op de website www.echr.coe.int, nr. 82).

Het EHRM heeft het principe ‘non bis in idem’, zoals het dat heeft gedefinieerd in het arrest Zolouthokine, genuanceerd in latere rechspraak (Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, A en B t./Noorwegen, nr. 24130/11 van 15.11.2016, raadpleegbaar op de website www.echr.coe.int, nr. 130).

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens sluit artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het EVRM, niet uit dat een gemengde procedure wordt gevoerd, zelfs niet totdat deze is afgesloten, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Om het Hof ervan te overtuigen dat er geen sprake is van een herhaling (bis) van processen of straffen die op grond van artikel 4 van Protocol nr. 7 verboden zijn, moet de verwerende staat met name onomstotelijk vaststellen dat er een ‘voldoende nauwe materiële en temporele band’ bestaat tussen de betrokken gemengde procedures. Met andere woorden, er moet worden aangetoond dat ze op zodanige wijze zijn gecombineerd dat ze geïntegreerd zijn in een samenhangend geheel.

Dat beide procedures een geïntegreerd en samenhangend geheel moeten vormen betekent volgens het EHRM niet alleen dat de nagestreefde doelstellingen en de middelen om deze te bereiken inhoudelijk complementair moeten zijn en een tijdsverband moeten hebben, maar ook dat de mogelijke gevolgen van een dergelijke organisatie van de juridische behandeling van het gedrag in kwestie evenredig en voorzienbaar moeten zijn voor de rechtsonderhorige.

In het geval van strafbare feiten die zowel strafrechtelijk als administratiefrechtelijk worden bestraft kan de naleving van artikel 4 van Protocol nr. 7 volgens de zienswijze van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het best worden gewaarborgd door in een passend stadium te voorzien in een procedure op één niveau, waarbij de parallelle takken van de rechtsorde die de betrokken activiteit regelen, worden samengebracht om in één enkel proces te voldoen aan de verschillende eisen die de samenleving in haar reactie op de inbreuk stelt.

B. Voldoende nauwe materiële band

De relevante factoren om te bepalen of er vanuit materieel oogpunt een voldoende nauwe

band bestaat, zijn volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder meer de volgende (Arrest van het EHRM, 15.11.2016, A en B t./Noorwegen, 24130/11, nr. 132):

• dat de verschillende procedures complementaire doelstellingen nastreven en dus niet alleen in abstracto maar ook in concreto betrekking hebben op verschillende aspecten van de handeling in kwestie die schadelijk zijn voor de maatschappij

• dat het gemengde karakter van de procedures in kwestie zowel in rechte als in de praktijk een voorzienbaar gevolg is van dezelfde bestrafte gedragingen (idem)

• dat de procedures in kwestie op zodanige wijze zijn gevoerd dat herhaling bij het verzamelen en beoordelen van bewijsmateriaal zoveel mogelijk wordt vermeden, met name door een adequate interactie tussen de verschillende bevoegde autoriteiten, waaruit blijkt dat de vaststelling van de feiten in één van de procedures in de andere procedure wordt overgenomen

• en vooral dat de sanctie die is opgelegd in de procedure die het eerst is beëindigd, in aanmerking is genomen in de procedure die het laatst is beëindigd, om de betrokkene uiteindelijk niet excessief te belasten, wat minder waarschijnlijk is als er een compensatieregeling bestaat die ervoor zorgt dat het totale bedrag van alle opgelegde straffen proportioneel is.

C. Voldoende nauwe temporele band

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet er een voldoende nauwe temporele band zijn, zelfs indien het nationale systeem voorziet in een ‘geïntegreerd’ mechanisme met een afzonderlijke component voor het administratief en het strafrecht.

Volgens het Hof moet men daaruit evenwel niet besluiten dat de twee procedures van het begin tot het einde simultaan moeten verlopen. De Staat moet de mogelijkheid hebben om te kiezen voor een opeenvolgend verloop van de procedures dat voortvloeit uit verschillende maatschappelijke doelstellingen en geen onevenredige schade aan de betrokkene toebrengt , indien dit procedé gerechtvaardigd wordt door een belang van efficiëntie en goed bestuur van het gerecht. (Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 15.11.2016, A en B t./Noorwegen, voornoemd, nr. 134).

3. De rechtspraak van het Hof van Justitie van EU inzake non bis in idem

Onder de titel ‘Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft’ bepaalt artikel 50 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01) dat niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.

Het Hof van Justitie van de EU heeft voor recht verklaard dat artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan tegen een persoon een strafvervolging kan worden ingesteld wegens het verzuim de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde binnen de wettelijke termijnen te betalen, terwijl die persoon voor dezelfde feiten reeds een onherroepelijk geworden administratieve sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van dat artikel 50 is opgelegd, op voorwaarde dat die regeling (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Luca Menci, zaak C-524/15 van 28.03.2018, dictum):

• een doel van algemeen belang nastreeft dat een dergelijke cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties kan rechtvaardigen, te weten de strijd tegen delicten ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde, waarbij die vervolgingsmaatregelen en die sancties elkaar aanvullende doelen moeten hebben

• regels bevat waarmee voor onderlinge afstemming kan worden gezorgd, opdat de extra belasting die voor de betrokkenen uit een cumulatie van procedures voortvloeit, tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt en

• voorziet in regels waarmee ervoor kan worden gezorgd dat de zwaarte van het geheel van de opgelegde sancties beperkt is tot het strikt noodzakelijke in verhouding tot de ernst van het delict in kwestie.

Het komt de nationale rechter toe om zich, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, ervan te vergewissen dat de belasting die concreet voor de betrokkene voortvloeit uit de toepassing van de nationale regeling die in de hoofdzaak aan de orde is en uit de cumulatie van de vervolgingsmaatregelen en sancties die op grond daarvan is toegestaan, de ernst van het gepleegde delict niet te buiten gaat.

4. Het overleg tussen de gerechtelijke, politionele en fiscale overheden

A. Algemeen

De strijd tegen de fiscale fraude vereist een onderling overleg tussen de adviseur-generaal en de magistraten van het openbaar ministerie die de vervolgingen uitvoeren, en hun respectieve medewerkers. Gezien dit type van fiscale fraude zich manifesteert in concrete dossiers, moet dit overleg, om de doelmatigheid en de werkzaamheid van dit overleg in functie van de strijd tegen de fraude te waarborgen, kunnen geschieden op basis van concrete dossiers.

Dit overleg dient om de procureur des Konings vanuit zijn grondwettelijke bevoegdheid in staat te stellen een oordeel te vormen over de noodzaak om een opsporingsonderzoek op te starten of een gerechtelijk onderzoek te vorderen, en om uit te maken of de feiten kunnen leiden tot individuele vervolgingen in het kader van het fiscale fraudedossier.

Het overleg tussen gerechtelijke, politionele en fiscale overheden is m.a.w. een instrument dat ter beschikking wordt gesteld van de procureur des Konings met het oog op de beoordeling van de opportuniteit van strafrechtelijke vervolgingen (voorbereidende parlementaire handelingen bij de wet van 05.05.2019, voornoemd, Doc. 54 3515/1, blz. 8).

B. Het subsidiariteitsprincipe

Het overlegmechnisme tussen de gerechtelijke, politionele en fiscale overheden, is mede gebaseerd op het subsidiariteitsprincipe.

Het subsidiariteitsprincipe betekent dat de opsporing, inclusief het vaststellen van fiscale fraude, de vaststelling van de fiscale schuld en de invordering, tot de bevoegdheid blijven behoren van de fiscale administraties met al hun wettelijke middelen waarover deze beschikken. Indien deze wettelijke middelen niet volstaan om de fiscale fraude aan te pakken en te bestraffen, zouden de onderzoeksmiddelen van de rechterlijke macht binnen de wettelijke grenzen moeten kunnen aangewend worden.

Er wordt m.a.w. overgegaan tot een verdeling tussen de vrij eenvoudige dossiers van fiscale fraude die op doeltreffende wijze langs de administratieve weg kunnen worden behandeld en de gewichtigere gevallen van fiscale fraude waarvoor onderzoeksmiddelen van de rechterlijke macht moeten worden ingezet (voorbereidende parlementaire handelingen bij de wet van 05.05.2019, voornoemd, Kamer, Doc. 54, 3515/1, blz. 6).

C. De aangifte van feiten die aanwijzingen van ernstige fiscale fraude aan het licht brengen

Krachtens artikel 29, § 3, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering is de adviseur-generaal van de fiscale administratie of de ambtenaar die hij aanwijst verplicht de feiten waarvan het onderzoek aanwijzingen van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, die naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijke inbreuken zijn, aan het licht brengt, aan te geven bij de procureur des Konings.

Artikel 29, § 3, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering voorziet niet in vorm- of termijnvereisten.

Uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 05.05.2019 blijkt niettemin dat de bedoeling erin bestaat dossiers zo vroeg mogelijk aan het overleg voor te leggen teneinde mogelijke dubbele onderzoeken te voorkomen. Het is dan ook niet vereist dat de belastingadministratie reeds het volledige onderzoek heeft gedaan. Daarom wordt in de ontworpen tekst verduidelijkt dat de gemelde dossiers de dossiers zijn waarvan het onderzoek ‘aanwijzingen’ van ernstige fraude aan het licht brengt (voorbereidende parlementaire handelingen bij de wet van 05.05.2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek, Kamer, Doc. 54, 3515/1, blz. 8).

Om de feiten aan de procureur des Konings ter kennis te kunnen brengen, is het bijgevolg niet vereist dat de belastingambtenaar zekerheid heeft over de aanwezigheid van ernstige belastingfraude, maar wel dat hij aanwijzingen heeft die het bestaan van een dergelijke fraude doet vermoeden.

De melding moet worden gericht aan de procureur des Konings. Volgens de voorbereidende parlementaire werkzaamheden moet dit in ruime zin worden begrepen en worden de andere leden van het openbaar ministerie hier ook bedoeld (voorbereidende parlementaire handelingen bij de wet van 05.05.2019, voornoemd, Kamer, Doc. 54, 3515/5, blz. 31).

D. De criteria waaraan de feiten moeten beantwoorden

De Koning heeft de criteria waaraan de in artikel 29, § 3, van het Wetboek van strafvordering bedoelde feiten beantwoorden, in uitvoering van artikel 29, § 4, van datzelfde Wetboek, vastgesteld bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit (koninklijk besluit van 09.02.2020 tot uitvoering van artikel 29, § 4, van het Wetboek van Strafvordering, BS 24.02.2020).

De feiten bedoeld in artikel 29, § 3, van het Wetboek van Strafvordering, waarvan het onderzoek aanwijzingen van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, die naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijke inbreuken zijn, aan het licht brengt, moeten beantwoorden aan minstens één van de volgende criteria:

• de feiten kenmerken zich door zowel het ernstige als het georganiseerde karakter ervan

• er zijn ernstige aanwijzingen dat de feiten samenhangend zijn met gemeenrechtelijke misdrijven met een ernstig financieel, economisch, fiscaal of sociale component of ernstige elementen van corruptie

• voor het onderzoek naar de feiten moeten er gerechtelijke opsporingshandelingen, die een dwangmaatregel inhouden, worden uitgevoerd

• er zijn ernstige aanwijzingen dat de feiten dienen ter financiering van de activiteiten van een terroristische groep of criminele organisatie

Deze criteria verplichten de belastingadministratie bepaalde feiten aan het openbaar ministerie mee te delen en houden een verplicht overleg in (voorbereidende parlementaire handelingen bij de wet van 05.05.2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek, Doc. 54 3515/1, blz. 8).

Het gaat om niet-cumulatieve criteria (Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 09.02.2020, voornoemd). De verplichting tot aangifte bij de procureur des Konings geldt bijgevolg van zodra de vastgestelde belastingfraude aan ten minste één van de bovengenoemde criteria voldoet.

Het georganiseerde karakter van de feiten dat is vereist voor het eerste criterium veronderstelt het gebruik van complexe constructies of mechanismen, eventueel met een internationale dimensie.

Een georganiseerd karakter is niet vereist bij de toepassing van het tweede tot vierde criterium.

De ernst van de gemelde feiten als bedoeld in het eerste criterium viseert onder andere belastingplichtigen die moedwillig herhaaldelijk of meervoudige inbreuken plegen op de belastingwetten en de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Feiten kunnen ook als ernstig worden beschouwd wanneer de fraude wordt begaan met aanmaak of gebruik van valse stukken, of wanneer het bedrag van de handeling een aanzienlijke omvang kent of abnormaal karakter vertoont.

De kennisgeving als bedoeld in artikel 29, § 2, van het Wetboek van Strafvordering blijft mogelijk voor feiten die geen aanwijzingen van ernstige fiscale fraude inhouden.

E. Het overleg

Op grond van artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering pleegt de procureur des Konings overleg over de hem ter kennis gebrachte feiten die aanwijzingen van ernstige fiscale fraude aan het licht brengen met de in het eerste lid van dezelfde paragraaf bedoelde ambtenaren binnen de maand na ontvangst van de aangifte van de feiten. Hij kan de bevoegde politiediensten uitnodigen deel te nemen aan dit overleg.

Het overleg geschiedt tussen de adviseur-generaal (of de door hem aangewezen ambtenaar) en de magistraten van het openbaar ministerie en dient verplicht plaats te vinden binnen de maand na ontvangst van de aangifte. Het overleg is aan geen enkele andere wettelijke formaliteit onderworpen.

Zolang het overleg niet heeft plaatsgevonden en de procureur des Konings niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft beslist om de feiten te vervolgen, staat het de administratie vrij om de administratieve procedure voort te zetten (voorbereidende parlementaire handelingen bij de wet van 05.05.2019, voornoemd, Doc. 54 3515/1, blz. 8).

F. Het meedelen van gegevens van het fiscaal dossier in het kader van het overleg

Op grond van artikel 74ter van het Btw-Wetboek deelt de bevoegde adviseur-generaal of de ambtenaar die hij aanwijst, in het kader van het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, eerste en tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, de gegevens van het fiscaal dossier met betrekking tot de feiten die strafrechtelijk strafbaar zijn ingevolge de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten mee aan het openbaar ministerie (artikel 74ter van het Btw-Wetboek).

G. De beslissing van de procureur des Konings omtrent de uitoefening van de strafvordering

Artikel 74, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek bepaalt dat het openbaar ministerie beslist om al dan niet de strafvervolging in te stellen van de feiten waarvan het kennis heeft genomen gedurende het overleg bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering binnen de 3 maanden na de initiële aangifte bedoeld in artikel 29, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek.

Artikel 29, § 3, derde lid, van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat op basis van het overleg de procureur des Konings beslist voor welke feiten omschreven in tijd en ruimte hij de strafvordering zal uitoefenen en deelt dit schriftelijk en uiterlijk binnen de drie maanden na de in het eerste lid bedoelde initiële aangifte mee aan de bevoegde adviseur-generaal.

Het openbaar ministerie is vrij om te beslissen om bedoelde feiten al dan niet te vervolgen (voorbereidende parlementaire handelingen bij de wet van 05.05.2019, voornoemd, Doc. 54 3515/1, blz. 8).

H. De kennisgeving van de belissing tot uitoefening van de strafvordering

De belissing van de procureur des Konings met betrekking tot het al dan niet uitoefenen van de strafvordering wordt geacteeerd in een geschrift en ter kennis gebracht van de administratie.

De procureur des Konings deelt, indien hij beslist om de strafvordering uit te oefenen, de administratie mee voor welke feiten in tijd en ruimte hij de strafvordering zal uitoefenen.

De mededeling is gericht aan de bevoegde adviseur-generaal en geschiedt uiterlijk binnen de drie maand vanaf de in artikel 29, § 3, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde initiële aangifte.

I. Gevolgen van de beslissing tot het al dan niet uitoefenen van de strafvordering voor de fiscale procedure

Wanneer de procureur des Konings, na het overleg als bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, beslist om de strafvervolging niet in te stellen herneemt de fiscale procedure.

Er wordt op gewezen dat de beslissing om de strafvordering niet in te stellen niet uitsluit dat procureur des Konings naderhand alsnog beslist om het dossier toch strafrechtelijk te vervolgen, zelfs na fiscale behandeling ervan. Dit is meer in het bijzonder mogelijk als er nieuwe elementen aan het licht komen die een vervolging verantwoorden waardoor de zaak in kwestie te ernstig is om enkel op een administratieve wijze te worden afgehandeld (voorbereidende parlementaire werkzaamheden bij de wet van 05.05.2019, voornoemd, Kamer, Doc. 54 3515/5, blz. 31)

Wanneer de procureur des Konings beslist, na het overleg als bedoeld in artikel 29, § 3, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, de strafvervolging in te stellen kan hij een opsporingsonderzoek openen of een onderzoeksrechter vorderen. Vanaf dat ogenblik kan de administratie inzage vragen in het strafdossier en afschrift bekomen van de stukken van dat dossier op grond van artikel 93quaterdecies, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek, mits uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie (zie in dat verband Hoofdstuk 18 ‘Controlemaatregelen’, Afdeling 14 ‘Aan alle belastingen gemene bepalingen’, Titel 4 ‘Uitdrukkelijke machtiging van het openbaar ministerie voor gegevens met betrekking tot gerechtelijke procedures’).

Wanneer de procureur des Konings beslist om de strafvordering in te stellen behoort het eveneens tot de mogelijkheden van de administratie om bijkomend onderzoek te verrichten indien dat onderzoek noodzakelijk is met het oog op de correctheid van haar vordering.

In dat verband wordt er op gewezen dat de vereiste dat de procedures in kwestie op zodanige wijze moeten worden gevoerd dat herhaling bij het verzamelen en beoordelen van bewijsmateriaal wordt vermeden niet absoluut is. Volgens het EHRM moet de herhaling ‘zoveel als mogelijk’ worden vermeden (Arrest van het EHRM, 15.11.2016, A en B t./Noorwegen, 24130/11, nr. 132). Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie is een nationele regeling die voorziet in de co-existentie van administratieve sancties en strafrechtelijke sancties voor dezelfde feiten mogelijk op voorwaarde dat die regeling regels bevat waarmee voor onderlinge afstemming kan worden gezorgd, opdat de extra belasting die voor de betrokkenen uit een cumulatie van procedures voortvloeit, tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt (Arrest Luca Menci, zaak C-524/15 van 28.03.2018, dictum).

Over de minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering kan uitsluitend de procureur des Konings beslissen (zie Titel 2 ‘Procedure in verband met de strafrechtelijke beteugeling van de inbreuken begaan met een bedrieglijk opzet of een oogmerk te schaden’, Rubriek D. ‘De minnelijke schikking’). Om een doeltreffende coördinatie van de burgerlijke en strafrechtelijke procedures te verzekeren zal de administratie afzien van het sluiten van een minnelijk akkoord in een zaak waarvoor een strafvervolging reeds is ingesteld.

De administratie kan de verschuldigde administratieve en fiscale geldboeten vorderen middels een burgerlijke zelfstandige vordering voor de strafrechter (zie rubriek F. ‘Integratie van de juridische geschillenprocedure in de strafprocedure’ hierna).

Het spreekt voor zich dat de administratie, in het kader van het formuleren en het aanhangig maken van de burgerlijke zelfstandige vordering rekening zal houden met de elementen beschikbaar in het strafdossier waarvan de inzage is gevraagd en verkregen, alsook met de gegevens beschikbaar in het fiscaal dossier, inclusief de resultaten van eventueel bijkomend onderzoek verricht nadat de strafvervolging is ingesteld.

5. De toepassing van administratieve sancties staat de strafvordering niet in de weg

De wetgever heeft het Wetboek van strafvordering aangevuld met een uitdrukkelijke bepaling die inhoudt dat het vestigen van belastingen door de fiscale administratie, met inbegrip van administratieve sancties, niet kan leiden tot de onontvankelijkheid van de strafvordering.

Artikel 29bis, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de fiscale administratie belastingen vestigt, met inbegrip van de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboetes, voor de in artikel 29bis, eerste lid, van datzelfde Wetboek bedoelde strafbare feiten dit de strafvordering niet in de weg staat voor zover de fiscale en strafrechtelijke behandeling van de feiten deel uitmaken van een samenhangend geheel in tijd en inhoud.

6. Integratie van de juridische geschillenprocedure in de strafprocedure

Door het invoegen van artikel 4bis in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering heeft de wetgever de fiscale juridische geschillenprocedure in de strafprocedure geïntegreerd.

In geval de strafvordering wordt ingesteld wegens de feiten bedoeld in de artikelen 29, §§ 2 en 3 en 29bis van het Wetboek van strafvordering neemt de strafrechter benevens van de strafvordering tevens kennis van de burgerlijke vordering tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren. Deze burgerlijke vordering betreft een zelfstandige vordering waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak (artikel 4bis, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering).

De bevoegde fiscale administratie kan bijgevolg voor de strafrechter een burgerlijke vordering instellen, niet alleen om de betaling te bekomen van de belastingen, maar tevens om betaling te bekomen van de erop betrekking hebbende administratieve sancties.

Zodra de burgerlijke vordering aanhangig is bij de strafrechter, worden de procedures voor de burgerlijke rechtbanken, die betrekking hebben op dezelfde vordering, beëindigd en verder gezet voor de strafrechter (artikel 4bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering).

De bevoegde belastingadministratie wordt minstens twee maanden vooraf op de hoogte gebracht van de bepaling van de rechtsdag voor het vonnisgerecht (artikel 4bis, derde lid, van het Wetboek van strafvordering).

De door de strafrechter gewezen beslissing over de burgerlijke vordering heeft gezag van het rechterlijk gewijsde op grond van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek. Zo belemmert het gezag van het rechterlijk gewijsde dat een nieuwe vordering op grond van dezelfde feiten wordt ingesteld, zelfs indien de door de eiser aangevoerde juridische kwalificatie verschilt van de door de rechter in aanmerking genomen juridische kwalificatie. Dat gezag bindt de burgerlijke rechter die zich niet meer kan uitspreken over dezelfde vordering (voorbereidende parlementaire werkzaamheden bij de wet van 05.05.2019, voornoemd, Kamer, Doc. 54, 3515/1, blz. 111).

De burgerlijke vordering bedoeld in artikel 4bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering is een ‘zelfstandige’ vordering: de strafrechter spreekt zich uit over de burgerlijke vordering ongeacht de uitkomst van de uitoefening van de stafvordering door het openbaar ministerie.

7. Het aanrekeningsprincipe

Artikel 73bis/1, eerste lid, van het Btw-Wetboek bepaalt dat de rechter, ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, bij de straftoemeting rekening houdt met de verschuldigde administratieve geldboeten.

Als de strafrechter tot een veroordeling komt dient hij bij het bepalen van de straf bijgevolg rekening te houden met de verschuldigde administratieve geldboeten.

[Top]

Aangehaalde teksten

38
WBTW art. 7036 voorkomens
WBTW art. 738 voorkomens
WBTW art. 748 voorkomens
WBTW art. 717 voorkomens
WBTW art. 73bis6 voorkomens
WBTW art. 74bis5 voorkomens
WBTW art. 74ter5 voorkomens
WBTW art. 424 voorkomens
WBTW art. 58sexies3 voorkomens
WBTW art. 73bis/13 voorkomens
WBTW art. 73quater3 voorkomens
WBTW art. 73ter3 voorkomens
WBTW art. 843 voorkomens
WBTW art. 93bis3 voorkomens
KB nr. 7 art. 52 voorkomens
WBTW art. 512 voorkomens
WBTW art. 522 voorkomens
WBTW art. 592 voorkomens
WBTW art. 73decies2 voorkomens
KB nr. 41 art. 11 voorkomen
KB nr. 44 art. 21 voorkomen
WBTW art. 231 voorkomen
WBTW art. 25ter1 voorkomen
WBTW art. 31 voorkomen
WBTW art. 391 voorkomen
WBTW art. 39bis1 voorkomen
WBTW art. 39ter1 voorkomen
WBTW art. 401 voorkomen