Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 06.03.2018 (2016/AR/1951)
rolnummer 2016/AR/1951
In de zaak van:
R.W. N.V., met maatschappelijke zetel te XXX, ingeschreven met KBO-nummer XXX, appellante, hebbende als raadsman mr. M. M., advocaat te XXX en mr. Z. M., advocaat te XXX
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL,Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal- Directeur te KMO Centrum Aalst, met burelen te 9300 AALST,André Sierensstraat 16 B1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. P. P., advocaat te XXX
wijst het hof het volgend arrest:
1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op 11.06.2014, bestreed de appellante het dwangbevel (RCIV-nr. XXX/XXXX/XXXXX) op haar naam, op 5.11.2012 uitgevaardigd door B.V.W., wnd. eerstaanwezend inspecteur, op 12.11.2012 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. V.M., e.a. inspecteur bij de BTW te Gent.
In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante:
* Belasting over de toegevoegde waarde in hoofdsom: 247.614,57 EUR
* Proportionele geldboeten (art. 70, §§ 1-3, § 5 en 71) 24.760,00 EUR
*Interesten art. 91 § 1, te berekenen vanaf 21.1.2012,
te vermeerderen met de reeds verlopen intresten van 19.808,00 EUR
______________
292.183,37 EUR
Te vermeerderen met:
- de nalatigheidsintresten te berekenen op de verschuldigde BTW vanaf 21.11.2012, overeenkomstig art. 91 § 1 van het BTW-wetboek
- desgevallend, de moratoire intresten te berekenen op alle nog verschuldigde sommen niet bedoeld onder vorig gedachtenstreepje, die lopen vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel, overeenkomstig artikel 91 § 4 van het BTW-wetboek
- de vervolgingskosten en de kosten verbonden aan de hypothecaire inschrijvingen.
Voor de eerste rechter vorderde de appellante uiteindelijk dat zou gezegd worden voor recht dat het bestreden dwangbevel op vlak van de sanctionering nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan sorteren, minstens dat de opgelegde sanctie zou worden herleid of met uitstel uitgesproken; dat dienvolgens zou gezegd worden voor recht dat alle sommen die , mochten zijn of worden geïnd door de geïntimeerde, door de geïntimeerde dienen terugbetaald te worden, samen met de moratoriumintresten verschuldigd overeenkomstig de wet.
Bij vonnis van 4.4.2016 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard doch ongegrond.
De eerste rechter stelde verder vast dat geen kosten van het geding te begroten zijn.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 14.11.2016 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust (in zover mogelijk).
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Met haar hoger beroep vordert de appellante:
“
In hoofdorde
Het hoger beroep van de appel/ante ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het vonnis dd. 4 april 2016 gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, in de zaak gekend onder rolnummer 141/1987/A te hervormen in de mate dat de opgelegde fiscale geldboete behouden werd.
Dienvolgens te zeggen voor recht dat al/e sommen die mochten zijn of worden geïnd door gedaagde, door gedaagde dienen terugbetaald te worden, samen met de moratoriumintresten verschuldigd overeenkomstig de wet.
…
In ondergeschikte orde
Appellante de gunst van het uitstel toe te kennen, gelet op de bijzondere omstandigheden eigen aan de zaak en gelet op het gebrek aan bewijs dat appellante zich schuldig maakte aan enig opzettelijk handelen. ".
De geïntimeerde van zijn kant streeft de bevestiging van het bestreden vonnis na.
2. De administratieve geldboete van 24.760,00 EUR werd aan de appellante opgelegd in toepassing van de artikelen 70 § 1 bis BTW-wetboek en 1 van het KB nr. 41 dd. 30.1.1987 (tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde), tabel H (zie het proces-verbaal dd. 26.10.2012, stuk 12 van de appellante), hetzij (voor een bedrag van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte betaling voor een controleperiode van 1 jaar en >1.250,00 EUR)10 % van 247.614,57 EUR,of (afgerond) 24.760,00 EUR.
De fiscale bemiddelingsdienst werd gevat en volgens de appellante verklaarden de bemiddelingsdienst en de gewestelijke BTW-directie, zich er op de vergadering met de bemiddelingsdienst over akkoord dat de administratieve boete zou worden kwijtgescholden.
De appellante is van oordeel dat de geïntimeerde het vertrouwensbeginsel en het
rechtszekerheidsbeginsel schendt door toch de administratieve geldboete in te vorderen.
Uit de voorliggende stukken is niet af te leiden dat dergelijk akkoord werd gesloten.
Wel is uit die stukken af te leiden dat de appellante een verzoek tot vermindering/kwijtschelding van boeten zou indienen in verband met de vraag tot vermindering of kwijtschelding van boeten en het verlenen van vrijstelling van intresten in te dienen (zie het verslag van de bemiddelingsdienst dd. 11.3.2014, stuk 3 van de appellante derde blad). Uit dit bemiddelingsverslag is evenwel niet af te leiden dat in het kader van de fiscale bemiddeling de gewestelijke directeur (als enige bevoegde ambtenaar om kwijtschelding te verlenen in toepassing van artikel 9 van het Regentsbesluit dd. 18.3.1831- Organiek besluyt van het bestuer van 's lands middelen) zijn akkoord gaf met kwijtschelding van de boeten (wat dan zou inhouden dat het indienen van het verzoekschrift louter vormelijk zou zijn).
Dat de appeltante dan per mail van 26.11.2013 een verzoekschrift tot kwijtschelding van onder meer de boete indiende bij de fiscale bemiddelaar, met verzoek dat hij dit verzoek tot kwijtschelding in zijn hoedanigheid van fiscale bemiddelaar zou overmaken aan de gewestelijke BTW-directie, laat evenmin blijken van een akkoord in de door de appeltante voorgehouden zin.
Ook uit het opteren voor de vorming van een BTW-eenheid (zie het bemiddelingsverslag, derde blad, stuk 3 van de appellante) of de voorgelegde correspondentie met de fiscale bemiddelaar aangaande de aanvraag/BTW-eenheid is dergelijk akkoord niet af te leiden.
Hetzelfde geldt voor de mali dd. 28.11.2013 (stuk 10 van de geïntimeerde) waarin de bemiddelaar schrijft aan de raadsman van de appellante:
" …
Werden er ook reeds verzoekschriften voor de Gewestelijke directeur van het Controlecentrum te Dendermonde, bevoegd voor kwijtschelding van BTW-boeten en voor de Gewestelijk directuer van de BTW te Gent, bevoegd voor BTW-intresten, opgemaakt? Het zijn enkel deze verzoekschriften die betrekking hebben op het bemiddelingsdossier en die door mij aan de administratie voor verder gevolg kunnen worden doorgezonden.
…”.
Of dat "verder gevolg” de uitvoering van het door de appellante voorgehouden akkoord zou uitmaken, dan wel een (onafhankelijke) beoordeling door de bevoegde gewestelijke directeur zou inhouden, staat niet vast.
Het middel van de appellante is ongegrond.
3. De appellante voert aan dat de opgelegde geldboete gebrekkig gemotiveerd werd door de administratie.
Het bestreden dwangbevel verwijst naar proces-verbaal dd. 26.10.2012, in afschrift bij het dwangbevel gevoegd (het is maar aan het dwangbevel - waarin de boete wordt opgeëist - dat de appellante verplicht is gevolg te geven, niet aan de correctieopgaven).
In dit proces-verbaal wordt eerst uitvoerig een overzicht gegeven van de dienende feitelijke vaststellingen (met verwijzing naar de geldende wetsbepalingen) van de controlerende ambtenaar (p. 1 tim 3 van het proces-verbaal); vervolgens (p. 3 van het proces-verbaal) wordt uiteengezet welke inbreuken de appellante beging op de aftrekregeling (onder meer schending van het artikel 45 § 1 BTW-wetboek) om tot het besluit te komen dat de appellante ten onrechte een bedrag van 247.614,57 EUR aftrok aan BTW; uiteindelijk wordt door de controlerende ambtenaar aangegeven dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de appellante verschuldigd is:
“
a) Als belasting over de toegevoegde waarde:247.614,57 EUR
(tweehonderd zevenenveertig duizend zeshonderdveertien euro en
zevenenvijftig cent)
b) De proportionele geldboeten zijn wettelijk gelijk aan het dubbel van de 24.760,00 EUR
verschuldigde rechten op grond van 70, § bis, van het BTW-wetboek,
wegens niet-tijdige betaling. In uitvoering van artikel 1van het koninklijk
besluit nr.41 van 30 januari 1987, tabel H wordt de boete verminderd tot
(vierentwingduizend zevenhonderdzestig euro)
c) Als intresten, van rechtswege verschuldigd bij toepassing van artikel 91 § 1
van het BTW-wetboek te berekenen op 247.610,00 EUR aan O,8 pct. per
maand vanaf 21 januari 2012
“.
Aldus wordt aan de appellante duidelijk gemaakt welke feiten bestraft worden, welke wetsbepalingen de appellante overtreden heeft, en op grond van welke wetsbepalingen de boete wordt herleid van het dubbele van de rechten naar 10 %.
Hierbij moet worden opgemerkt dat voor de bepaling van de boete de toepasselijke wetsbepalingen geen appreciatieruimte laten aan de administratie. De boete is in beginsel gelijk aan 200 %, maar - in het voordeel van de appellante - wordt ze wettelijk herleid tot 10 % van de rechten. De administratie kan derhalve op grond van de toepasselijke wetsbepalingen alleen maar het percentage van 10 % toepassen, en heeft geen mogelijkheid om de boete te moduleren binnen een door de wet gelaten ruimte (zoals bvb. een boete gelegen tussen een minimum en een maximum).
De opgelegde administratieve boete is naar eis van de wet afdoende gemotiveerd, en het middel van de appellante in andere zin is ongegrond.
4. De opgelegde administratieve boete strekt ertoe de begane inbreuk te bestraffen en het begaan van toekomstige inbreuken tegen te gaan, en is te beschouwen als een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM.
De appellante voert aan dat de administratie de boete oplegt en tot invordering ervan overgaat, en aldus het vermoeden van onschuld neergelegd in artikel6.2 EVRM miskent.
Het vermoeden van onschuld gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM staat niet eraan in de weg dat aan de fiscale administratie de taak kan worden opgedragen om administratieve geldboetes op te leggen bij overtreding van de belastingwet, zelfs al zijn deze sancties zwaar, voor zover de belastingplichtige de sanctie ter beoordeling kan voorleggen aan een rechter met volle' rechtsmacht. Onder dezelfde voorwaarde staat artikel 6.2 EVRM evenmin eraan in de weg dat in geval van niet-betaling interest verschuldigd is op het bedrag van de boete (vergelijk met Cass. 18.1.2018, rolnr. Nr. F.17.0003.N, vindplaats http://jure.juridat.just.fgov.be). Te dezen moet worden vastgesteld dat de appellante de mogelijkheid heeft om de opgelegde boete ter beoordeling voor te leggen aan de rechter met volle rechtsmacht, wat de appellante thans ook doet.
Het vermoeden van onschuld gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM sluit in principe ook niet uit dat wordt overgegaan tot tenuitvoerlegging van de administratieve boete vooraleer de belastingplichtige bij een definitieve rechterlijke beslissing schuldig is bevonden. Gelet op de ernstige gevolgen die de onmiddellijke tenuitvoerlegging kan hebben voor de betrokkene, is de fiscale administratie ertoe gehouden om slechts binnen redelijke grenzen tot dergelijke onmiddellijke tenuitvoerlegging over te gaan, waarbij het een billijk evenwicht dient na te streven tussen alle op het spel staande belangen (vergelijk met (vergelijk met Cass. 18.1.2018, reeds geciteerd). Te dezen blijkt niet, noch uit de omvang van het boetebedrag, noch uit enig ander gegeven dat de betaling van de opgelegde boete zware financiële gevolgen voor de appellante zou hebben. Het blijkt trouwens niet dat de boete volledig werd geïnd of nog voor welk bedrag.
Gelet op hetgeen voorafgaat is er geen schending van het vermoeden van onschuld gewaarborgd door artikel 6.2 EVRM.
5. De appellante voert aan dat de opgelegde geldboete niet evenredig is aan de begane inbreuk. Hierbij wijst de appellante op de afwezigheid van enige actieve frauduleuze handeling in hoofde van de appellante; op het feit dat de grondslag voor de BTW-schuld een slecht opgesteld leasingcontract was; op het feit dat de BTW-wetgeving als uitzondering van de niet-aftrekbaarheid van onroerende verhuur een strikte reglementering bevat waaraan contraeten dienen te voldoen.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft In de zin van artikel 6 EVRM (zoals de thans in betwisting zijnde administratieve boete), mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate de administratie zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat 'hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. (vergelijk onder meer met Cass. 15.3.2012, Pas. 2012, nr. 171 p. 597; Cass. 12.12.2014, Pas. 2014, nr. 786 p. 2897).
De appellante toont te dezen niet aan dat de BTW-schuld ontstond door een loutere slechte opstelling van een leasingcontract. Bij het bestaan en uitvoeren van een leasingcontract zou normalerwijze in de balansen van de appellante of van zijn medecontractant hiervan sporen moeten terug te vinden zijn. Terecht merkt de geïntimeerde op dat van de bedoeling van de partijen om een leasingcontract te sluiten in de balansen van de jaren 2009 tot 2013 niets terug te vinden is (zoals "te ontvangen leasingtermijnen" of van activa onder de rubriek "leasing en soortgelijke rechten "; zie het stuk 12 van de geïntimeerde).
Gelet op deze gegevens moet worden aangenomen dat de opgelegde boete evenredig is aan de begane inbreuk, en in redelijkheid door de administratie kon worden opgelegd. De opgelegde boete bestraft niet alleen de inbreuk op gepaste wijze, maar is ook passend om de appellante ertoe aan te zetten haar fiscale verplichtingen op meer nauwgezette wijze na te komen.
Voor zoveel als nodig moet ook worden opgemerkt dat de administratie geen fraude heeft aangenomen en dit tot uiting komt in het feit dat toepassing is gemaakt van de verminderde geldboeten zoals voorzien in het KB nr. 41 (zie artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41), zodat wel degelijk met de afwezigheid van fraude werd rekening gehouden.
Om dezelfde redenen als hierboven aangehaald kan aan de appellante niet de gunst van uitstel worden verleend.